Soort van dag 200: knobbelzwaan

(19 juli 2023)

Overal waar zoet water is, kun je knobbelzwanen zien. Deze grote witte watervogels broeden vooral in de laaggelegen delen van ons land: in de veenweidegebieden met hun vele sloten. Ruien doen ze na de broedtijd op grote open wateren, zoals het IJsselmeer en de Veluwerandmeren. Zwanen broeden vanaf dat ze drie of vier jaar oud zijn. Zwanen die nog niet broeden, zie je vanaf mei-juni op open wateren.
In zachte winters blijven knobbelzwanen in ons land. Ze kunnen dan grote groepen vormen die op weilanden foerageren. Als het vriest, trekken ze naar Frankrijk. In de winter komen ook knobbelzwanen uit het oosten naar ons land. De laatste jaren is het aantal overwinterende zwanen sterk toegenomen (tot 40.000 exemplaren). In het winterhalfjaar worden ze, net als ganzen, als schadelijk voor de landbouw gezien.
Knobbelzwanen eten waterplanten en waterdieren. Met hun lange hals komen ze dieper dan grondelende eenden. Verder eten ze gras.
Begin april worden de eerste eieren gelegd. Het vrouwtje broedt de eieren uit, het mannetje verdedigt het nest. Zwanen kunnen vrij agressief zijn bij het verdedigen van hun nest en jongen. Ik loop er het liefst met een flinke boog omheen. Zwanen staan bekend om hun trouw: een paartje blijft hun leven lang bij elkaar. Als een van de twee sterft, duurt het een paar jaar voor de achtergebleven zwaan een nieuwe partner zoekt.

Knobbelzwanen komen van oorsprong in ons land voor, maar ze werden ook gehouden voor hun dons. Hiervoor werden Poolse knobbelzwanen ingevoerd. Toen de vraag naar dons kleiner werd, zijn de tamme vogels vrijgelaten. Ze hebben zich met de wilde knobbelzwanen gemengd. De broedpopulatie nam toen toe maar is inmiddels stabiel (7.200-9.300 broedparen).

Volwassen knobbelzwanen zijn geheel wit. Jonge knobbelzwanen zijn grijsbruin of wit. Dat kan ook in één nest voorkomen (zie foto rechtsonder). Hieraan kun je de menging van wilde en tamme knobbelzwanen zien. De Poolse zwanen die voor hun dons gekweekt werden, hadden namelijk witte jongen. De bij ons in het wild voorkomende hadden bruingrijze jongen. Volwassen dieren hebben een oranje snavel. De mannetjes hebben een grote zwarte bobbel (knobbel) boven de snavelbasis. Als ze vliegen, hoor je een zoemend geluid. Het valt overigens nog niet mee voor een knobbelzwaan om op te stijgen.
In Nederland kun je in het winterhalfjaar nog twee zwanensoorten zien, allebei met een zwart-gele snavel, zonder knobbel. Ze eten waterplanten. Ook kun je ze op akkers en weilanden zien waar ze respectievelijk akkerresten en gras eten. De kleine zwaan is het kleinst en heeft een korte nek. Wilde zwanen zijn iets kleiner en slanker dan knobbelzwanen. Ze hebben meer geel op hun snavel dan de kleine zwaan. Soms zie je ook zwarte zwanen. Deze stammen af van ontsnapte of vrijgelaten vogels. Oorspronkelijk komen ze uit Australië en Nieuw-Zeeland.

Tot 2016 mochten nog knobbelzwanen gehouden worden. Niet afgeschermd, maar vrijelijk in het landschap. De vogels werden gemerkt (getatoeëerd) en geleewiekt, zodat ze niet weg konden vliegen. Deze vorm van pluimveehouderij wordt zwanendrift genoemd. Dit was eerst een vorstelijk en later een heerlijk recht, stammend uit de middeleeuwen. Volgens dit recht mochten zwanen gehouden worden voor hun vlees, veren en dons. In 2015 waren in het Groene Hart nog twee zwanendrifters actief die jonge zwanen verhandelden als siervogels. Leewieken (waarbij het laatste vleugellid wordt verwijderd) mag sinds 2018 niet meer.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘦𝘥𝘦𝘱𝘰𝘵.𝘸𝘶𝘳.𝘯𝘭/375783

Eén gedachte over “Soort van dag 200: knobbelzwaan”

Plaats een reactie