Soort van dag 213: pitrus

(1 augustus 2023)

Grasachtige planten zijn planten met onopvallende bloemen en lange, smalle (grasachtige) bladeren. Het gaat hierbij om de grassenfamilie, cypergrassenfamilie en russenfamilie. Vandaag zoomen we in op pitrus, één van de twintig russensoorten die in Nederland voorkomen.
Russen hebben stengels zonder knopen (grassen hebben die wel). Ze zijn meestal rolrond en hol of met merg gevuld. De bloemen zijn drietallig en bestaan uit twee kransen van drie bloemdekbladen. Eigenlijk net zoals bij een tulp bijvoorbeeld, maar dan klein en onopvallend en bruin of groen van kleur. Ze worden door de wind bestoven, net zoals grassen.
De meeste russen die in Nederland voorkomen, zijn overblijvend en hebben een wortelstok. In de winter behouden ze hun groene stengels (en bladeren). Je vindt ze op vochtige en natte plaatsen, het liefst in de zon. Pitrus kan ook halfschaduw verdragen. Russen zijn echte pioniers. Staan ze eenmaal ergens, dan kunnen ze lang standhouden. En dat geldt zeker voor pitrus.

Op de foto rechtsboven zie je drie russen naast elkaar uit hetzelfde natte schraalgrasland: paddenrus, pitrus en biezenknoppen. Bij pitrus en biezenknoppen lijkt het alsof de bloeiwijze uit de stengel ontspringt, maar dat is niet zo. De bloeiwijze zit aan het eind van de stengel en in het verlengde daarvan zit het schutblad. Bij biezenknoppen blijft de bloeiwijze meestal compact terwijl die van pitrus meestal veel losser is. Maar soms lijken ze veel op elkaar.
De stengels van pitrus en biezenknoppen zijn beide gevuld met merg. Bij biezenknoppen zijn de stengels dofgroen en je kunt ze makkelijk samenknijpen. Bij pitrus is de stengel glanzend groen en ze moeilijker samen te knijpen. Een geplukte en gedroogde stengel wordt dof en vertoont groeven.

Door het merg kan zuurstof naar de wortels worden getransporteerd. Zo kan de plant groeien op bodems zonder zuurstof. Als je de stengel van pitrus in de lengte opensnijdt, komt het merg (de pit) bloot te liggen. Deze werd vroeger als lampenpit gebruikt, bijvoorbeeld gedrenkt in schapenvet. Pitrus is tot in de 19e eeuw gebruikt voor het vlechten van matten. In de buurt van Zwolle werden voor de teelt graslanden onder water gezet. Russen hebben geen voedingswaarde voor grazend vee; die laten de russen het liefst staan. Vroeger werden de stengels als strooisel in de stal gebruikt.

Op russen komen verschillende soorten schimmels voor. Zo is er een roestzwam die in de voorzomer op heelblaadjes voorkomt en daarna overgaat op een rus. Op dode halmen kunnen allerlei soorten kleine paddenstoeltjes groeien. Russen zijn voedselplanten van verschillende nachtvlinders, kevers, wantsen en cicaden. De larven van de russenbladvlo veroorzaken opvallende gallen op russen (foto rechtsonder).

Pitrus groeit in dichte pollen en kan een meter hoog worden. Pitrus heeft een voorkeur voor zure bodems, maar is niet echt kieskeurig.
In veel natuurgebieden met (natte) graslanden kan pitrus gaan domineren en zo verdwijnen andere planten maar ook weidevogels. ‘Verpitrussing’ wordt dat wel genoemd. Dat gebeurt vooral op terreinen die vroeger in agrarisch gebruik waren en waar de bodem nog veel fosfaat bevat. Als pitrus eenmaal massaal aanwezig is, is het moeilijk om er weer vanaf te komen. Pitrus kan voorkomen worden door bij nieuwe natuurgebieden de voedselrijke bovenlaag af te plaggen. Als pitrus er eenmaal staat, helpen maaien en afvoeren (uitputten). Omdat vee het liever niet eet, helpt begrazing nauwelijks. Hooguit met shetlandpony’s of schapen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Plaats een reactie