(21 augustus 2023)
De (vrouwelijke) duindoornstruiken zitten momenteel vol oranje bessen, wachtend op vogels die ervan komen eten. Ook wij kunnen ze eten; de bessen zijn bovendien heel gezond. Soms zitten ze in februari nog aan de struiken (foto linksonder), maar die bessen gisten of zijn gewoon niet lekker meer. Vogels die er dan nog van eten, kunnen dronken worden.
De duindoornfamilie bestaat uit zo’n vijftig soorten waarvan één in ons land inheems is. Andere soorten uit deze familie, namelijk de olijfwilgen, worden wel aangeplant en verwilderen. Duindoornsoorten zijn door een bruine of zilverkleurige beharing of schubjes beschermd tegen uitdroging. Ze kunnen goed op plaatsen groeien waar nog nauwelijks bodemontwikkeling heeft plaatsgevonden. Dat is bijvoorbeeld het geval in de duinen waar duindoorn een van de soorten is die helm opvolgt als de duinen niet meer stuiven. Duindoornsoorten hebben wortelknolletjes met een bacterie erin die in staat is om stikstof uit de lucht te binden. Het zijn steppeplanten die veel licht nodig hebben.
Na de laatste IJstijd was duindoorn een van de eerste en meest aanwezige houtachtigen in onze streken. Toen er andere bomen en struiken kwamen en er bodemvorming plaatsvond, beperkte hun leefgebied zich tot kustduinen, rivierbeddingen en hooggebergte. In ons land komen ze vooral in de kuststreek voor, maar ook in het binnenland op drooggevallen zandplaten en opgespoten zandvlakten.
Duindoorn is tweehuizig; daarom zie je ook struiken zonder bessen. De struiken vormen een uitgebreid wortelstelsel waarmee ze zand kunnen vasthouden. Uit de worteluitlopers groeien nieuwe struiken. De struiken bloeien in mei voordat het blad uitloopt (foto rechtsboven, net na de bloei). Bestuiving vindt plaats door de wind. In de vrouwelijke bloemen wordt het vruchtbeginsel beschermd door de kelkbuis. Dat groeit na de bevruchting uit tot een schijnbes met daarin een nootje. De hele plant, ook de bessen, is door zilverachtige schilfertjes bedekt. Aan de twijgen zitten scherpe takdoorns.
De schijnbessen worden door allerlei soorten vogels gegeten: kraaiachtigen, lijsterachtigen en spreeuwen. Ze poepen de nootjes uit en zorgen zo voor de verspreiding. Vinkachtigen zoals groenlingen en muizen eten juist graag van de nootjes. In de ondoordringbare duindoornstruwelen kunnen allerlei kleine zangvogels veilig broeden. Bij gebrek aan konijnenholen maken bergeenden en tapuiten soms hun nest onder duindoorns.
Duindoorn heeft een voorkeur voor kalkrijke bodems. Als de bodem kalkarmer wordt, neemt de gevoeligheid van duindoorn voor aaltjes (nematoden) toe. Daardoor kan soms over grote oppervlakten de duindoorn vrij plotseling afsterven. Er is ook een vlindersoort die daaraan kan bijdragen, namelijk de bastaardsatijnvlinder. Deze vlinder gebruikt allerlei bomen en struiken als waardplant, maar heeft in de kuststreek een voorkeur voor duindoorn. De soort overwintert als jonge rupsen die bij elkaar zitten in zogenaamde winternesten (foto rechts midden). Deze nesten zitten vaak aan het einde van takken waar ze veel zon vangen. In het voorjaar worden de rupsen weer actief (foto rechtsonder) en in juni zijn ze vlinder. De rupsen hebben sterk irriterende haren die jeuk en uitslag bij mensen kunnen veroorzaken. Daarom wordt de soort soms actief bestreden (uitknippen van nesten).
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘴𝘪𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢
