Soort van dag 236: mieren

(24 augustus 2023)

In Nederland komen 104 mierensoorten voor (wereldwijd zijn er ongeveer 12.000 beschreven). Ze zijn makkelijk herkenbaar. Opvallend is het knikje (hoek) in hun sprieten. Aan hun wespentaille kun je zien dat ze nauw verwant zijn aan wespen. Sommige soorten hebben een angel waarmee ze kunnen steken.

Op de foto’s zie je links bosmieren. Rechts zie je van boven naar beneden: glanzende houtmieren, een (vage) gele weidemier, wegmieren met vleugels die net uit de grond komen en een koningin wegmier zonder vleugels.
De zwarte wegmier is de meest algemeen voorkomende mierensoort van ons land, gevolgd door de gewone steekmier. Ook de gele weidemier is algemeen, maar die zie je minder vaak omdat de werksters lichtschuw zijn. Ze zitten vooral in grasland (en gazons). Bosmieren maken prachtige koepelnesten in bossen en op heides.

Mieren leven in kolonies. De meeste mieren in ons land maken hun nest onder de grond, maar er zijn ook soorten zoals de glanzende houtmier die dat in dood hout doen. Het grootste deel van de mieren zijn werksters: onvruchtbare vrouwtjes zonder vleugels, ontwikkeld uit bevruchte eitjes. Ze zijn allemaal dochters van de koningin en zussen van elkaar. Die werksters hebben verschillende taken. Er zijn werksters die op verkenning gaan en voedsel zoeken. Andere werksters zorgen voor de eitjes, larven en poppen. En er zijn ‘soldaten’ die het nest beschermen en gangen graven.
Is het mierennest voldoende ontwikkeld, dan krijgen sommige eitjes extra voeding. Hieruit ontstaan de nieuwe koninginnen. Uit onbevruchte eitjes ontstaan mannetjes van wie de enige taak is: paren. Nieuwe koninginnen en mannetjes hebben vleugels. Bij gunstige weersomstandigheden komen ze massaal naar buiten voor de bruidsvlucht. Nieuwe koninginnen en mannetjes van meerdere nesten vliegen tegelijk uit om inteelt te voorkomen. Als de koninginnen bevrucht zijn, bijten ze hun vleugels af en verdwijnen voor de rest van hun leven (10-25 jaar!) onder de grond. Afhankelijk van de soort beginnen ze een nieuwe kolonie of sluiten ze bij een bestaande aan. Haar leven lang legt ze eitjes. Werksters kunnen enkele jaren oud worden. Mannetjes leven kort: als ze zich van hun taak hebben gekweten, sterven ze. De paartijd is van eind juni tot eind september, afhankelijk van de soort en het weer.

Larven krijgen eiwitrijk voedsel bestaande uit allerlei ongewervelden. De werksters hebben koolhydraten nodig. Dat halen ze o.a. uit honingdauw, de afscheiding van blad- en schildluizen. Sommige soorten houden zelfs bladluizen als een soort vee. Ze beschermen ze tegen lieveheersbeestjes met mierenzuur. De gele weidemier houdt ondergronds wortelluizen. Deze produceren ook honingdauw.

Uiteraard hebben mieren vijanden. In de eerste plaats zijn dat mieren uit andere nesten als ze elkaar moeten beconcurreren op ruimte en voedsel. Gedode mieren worden aan de larven gevoerd. Mieren worden gegeten door gespecialiseerde spinnen, amfibieën (vooral padden), vogels (groene specht) en reptielen. Poppen van wegmieren worden opgegraven door fazanten en kippen. Tijdens de bruidsvlucht verschijnen vaak kokmeeuwen, spreeuwen en gierzwaluwen die zich te goed willen doen aan de eiwitrijke koninginnen.

Over mieren in het algemeen en de verschillende soorten is nog zoveel meer te vertellen. Op deze website vind je heel veel informatie over mieren: https://www.nlmieren.nl/.

Naast de inheemse mieren komen ook steeds vaker exoten voor. Die zijn bijvoorbeeld meegelift met pot- en kuipplanten en verspreiden zich over ons land via aankopen bij tuincentra. Bekende voorbeelden zijn de plaagmier en het mediterrane draaigatje. Ze veroorzaken met hun superkolonies veel overlast en bovendien concurreren ze inheemse mieren weg.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats: https://inekebams.com/soort-van-de-dag/.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯𝘳𝘦𝘨𝘪𝘴𝘵𝘦𝘳.𝘯𝘭, 𝘯𝘭𝘮𝘪𝘦𝘳𝘦𝘯.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘣𝘪𝘰𝘨𝘳𝘰𝘦𝘪.𝘯𝘭, 𝘣𝘦𝘴𝘵𝘶𝘪𝘷𝘦𝘳𝘴.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

3 gedachten over “Soort van dag 236: mieren”

Plaats een reactie