(4 september 2023)
Komend weekend vindt de Nationale Spinnentelling plaats en dan zal ik aandacht besteden aan verschillende soorten (groepen) spinnen. Vandaag gaat het over andere geleedpotigen die vaak spinnen genoemd worden, maar dat niet zijn, namelijk de hooiwagens. Het is een aparte orde met wereldwijd meer dan 6.000 soorten. In Nederland komen 31 soorten voor. De meeste hebben nog geen Nederlandse naam.
Bij insecten kun je achterlijf, borststuk en kop onderscheiden. Insecten hebben zes poten. Bij (echte) spinnen zie je een van elkaar gescheiden voorlichaam (kopborststuk) en achterlichaam; spinnen hebben acht poten. Hooiwagens hebben ook acht poten, maar hun lichaam vormt één geheel. De poten van de meeste hooiwagens zijn (zeer) lang en dun. Het tweede potenpaar van een hooiwagen is langer dan de rest. Ze gebruiken deze poten om hun omgeving af te tasten. Hooiwagens kunnen geen spindraden maken en hebben geen gifklieren. Ze hebben één paar ogen die op een verhoging staan (spinnen hebben drie of vier paar ogen). Verder hebben ze net zoals spinnen twee tasters. Hooiwagens worden vaak verward met trilspinnen.
Hooiwagens leven op het land en zijn te vinden op bomen, in struiken en in de struiklaag. Sommige soorten zie je ook op muren. Overdag verstoppen ze zich en ’s nachts gaan ze op jacht. Bij mijn strooptocht naar nachtvlinders kwam ik best veel hooiwagens tegen.
Soms zie je exemplaren met minder poten. Ze laten namelijk makkelijk een poot vallen als ze worden aangevallen. Een hooiwagen kan bijna alle poten kwijtraken: op drie poten kan hij nog lopen. De afgevallen poot blijft nog wel een uur lang bewegen. Zo wordt de predator afgeleid en kan de hooiwagen ontkomen. Bij gevaar scheiden ze een stinkende vloeistof uit. Daarom dat sommige mensen denken dat ze ‘giftig’ zijn.
Hooiwagens zijn alleseters; ze eten dood plantmateriaal, kleine levende plantjes, dode en levende dieren. Maar ze eten vooral (kleine) insecten. Ook kannibalisme komt voor.
Eitjes worden in het najaar met een legbuis in de aarde gelegd. De meeste soorten overwinteren als ei dat in de loop van het voorjaar uitkomt. Jonge hooiwagens hebben korte pootjes en lijken veel op mijten. Ze maken zeven of acht vervellingen door voordat ze volwassen zijn. De volwassen dieren zijn pas in de (late) zomer en herfst te zien en gaan als de vorst invalt dood. In zachte winters kun je ze de hele winter nog tegenkomen.
Op de foto’s zie je vier soorten die ik in onze tuin heb waargenomen.
Linksboven zie je een rode hooiwagen. Hij heeft donker gekleurde poten die duidelijk afsteken tegen het licht gekleurde lichaam met oranje tinten. Deze soort kwam eerst alleen in Zuid-Europa voor, maar eitjes zijn vermoedelijk met grond in ons land terecht gekomen. Rechtsboven zie je de gewone hooiwagen. Deze heeft een opvallende gele ‘snavel’. Het lichaam is variabel van kleur. Linksonder zie je een strekpoot (ook wel zuidelijke hooiwagen genoemd). Deze soort is voor het eerst in 1993 in ons land waargenomen. Hij heeft opvallende, gevorkte tasters en strekt zijn poten zijwaarts. Deze is in de herfst en vroege winter op muren te vinden. De soort rechtsonder heet Leiobunum blackwalli; deze soort heeft geen Nederlandse naam en vind je vooral in vegetaties.
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦, 𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯𝘳𝘦𝘨𝘪𝘴𝘵𝘦𝘳.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Eén gedachte over “Soort van dag 247: hooiwagens”