Soort van dag 265: wolfspinnen

(22 september 2023)

Vandaag starten de bodemdierendagen. Tot en met 8 oktober kun je aan allerlei activiteiten deelnemen of zelf op zoek gaan naar bodemdieren in je tuin of op het schoolplein. Het thema dit jaar is ‘Onder het maaiveld’, net zoals de gelijknamige bekroonde film (moet ik overigens nog zien). Onder het maaiveld is natuurlijk veel meer leven te vinden dan ‘alleen’ bodemdieren. Ruim een kwart van de biodiversiteit op aarde leeft in de grond, van microben en schimmels tot mollen.
De komende tijd zal ik aandacht besteden aan organismen die ‘iets’ te maken hebben met de bodem of de strooisellaag.

Om nog even in de sfeer van de ‘wolf’ te blijven (gisteren raven en wolven, eergisteren wolfsmelk) heb ik voor vandaag gekozen voor wolfspinnen. Het gaat hierbij om een familie van harige spinnen die geen web maken maar al rennend op zicht jagen naar allerlei kleine beestjes. Je kunt ze over de grond en over planten zien rennen. Hebben ze een prooi te pakken, dan volgt een dodelijke beet. Wolfspinnen hebben een karakteristieke rangschikking van hun acht ogen. Vooraan staan vier kleine ogen in een rij. Daarachter staan vier grotere ogen in een vierkant.
In ons land komen zo’n veertig soorten wolfspinnen voor. Wat betreft bouw lijken ze erg op elkaar. Sommige zijn alleen op basis van hun geslachtsorganen van elkaar te onderscheiden. De meeste soorten zijn middelgroot (halve cm); enkele kunnen enkele centimeters groot worden. Soms zie je ze in grote groepen bij elkaar. Daar komt de naam wolfspin vandaan: mensen dachten dat ze in groepen (roedels) jaagden, net zoals wolven dat doen. Dat is niet het geval: ze tolereren soortgenoten in hun territorium.
In onze tuin zie ik regelmatig wolfspinnen. Omdat ze snel wegschieten, valt het niet mee om ze goed op de foto te krijgen. De twee links horen tot het geslacht van de nachtwolfspinnen die, zoals de naam al aangeeft, vooral ’s nachts jagen. Rechts zie je soorten van een geslacht waartoe ook de meest algemene, de tuinwolfspin, behoort. Deze warmen zich graag op in het zonnetje. Eenmaal opgewarmd, zijn ze razendsnel. Nog meer wolfspinnen zie je hier.

Ook al maken ze geen web, wolfspinnen maken wel spindraden. Die gebruiken ze als ‘reddingslijn’. Mannetjes gebruiken de lijnen ook om zo bij een vrouwtje uit te komen. De vrouwtjes maken van spinrag een eicocon. De meeste soorten dragen die met zich mee aan het achterlichaam, bevestigd aan de spintepels (zie foto linksboven). Van andere soorten stoppen de vrouwtjes de eicocon in de grond; ze blijven daarbij tot de eitjes uitkomen. Jonge wolfspinnetjes worden door hun moeder tot aan hun eerste vervelling meegedragen. Daarna moeten ze het zelf zien te redden en hun kostje bij elkaar rennen. Wolfspinnen overwinteren als spin en kunnen twee tot drie jaar oud worden.

In ons land komt ook de valse wolfspin voor, oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Europa. Je kunt hem vooral in stedelijke gebieden aantreffen, ook in huizen. De naam verwijst niet naar zijn gedrag, maar naar zijn uiterlijk: hij lijkt op een wolfspin maar hoort tot een andere familie. Als een valse wolfspin zich bedreigd voelt, kan hij mensen bijten. De beet voelt als de steek van een bij.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘉𝘢𝘴𝘪𝘴𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘚𝘱𝘪𝘯𝘯𝘦𝘯, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘣𝘰𝘥𝘦𝘮𝘥𝘪𝘦𝘳𝘦𝘯𝘥𝘢𝘨𝘦𝘯.𝘯𝘭, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘧𝘰𝘵𝘰𝘨𝘳𝘢𝘧𝘪𝘦.𝘯𝘭

Eén gedachte over “Soort van dag 265: wolfspinnen”

Plaats een reactie