(28 september 2023)
In principe zitten al de voedingsstoffen die een plant nodig heeft, in de bodem. Maar hoe zit dat met planten op arme, zure gronden met maar weinig beschikbare voedingsstoffen? Je zult daar geen planten vinden die snel groeien en veel voedingsstoffen nodig hebben. Veel planten, zoals soorten van de heifamilie, werken samen met schimmels in de bodem om zo het weinige dat er is op te kunnen nemen. Planten uit de zonnedauwfamilie doen het anders. Zij halen een deel van de benodigde voedingsstoffen uit insecten die ze zelf vangen.
De meeste zonnedauwsoorten komen op het zuidelijk halfrond voor. Er zijn drie soorten die je in Europa en ook in Nederland kunt vinden: lange, kleine en ronde zonnedauw.
Lange zonnedauw komt alleen voor aan de randen van levend hoogveen en daarvan hebben we niet veel meer in Nederland. Deze soort is dan ook ernstig bedreigd en komt voor zover bekend nog maar op één plek in ons land voor (in het Bargerveen).
Kleine zonnedauw (foto linksboven) vind je op natte heide, bijvoorbeeld op afgeplagde stukken en andere verstoorde open plekken, en op oevers van vennen. Het is een kortlevende pioniersoort. Kleine zonnedauw heeft spatelvormige, omhooggerichte bladeren. Vooral muggen vallen ten prooi aan kleine zonnedauw.
Ronde zonnedauw (foto rechtsboven) is de soort die ik zelf het vaakst zie, o.a. op het natuurbouwproject van Stichting De Bovenlanden in de polder achter ons huis en op verschillende plekken bij de Nieuwkoopse Plassen. Deze groeit o.a. tussen veenmos in hoogvenen en in veenmosrietland, maar ook in natte duinvalleien. Het bladrozet is meestal plat tegen de grond gedrukt en de blaadjes zijn rond. Ronde zonnedauw vangt ook spinnen en grotere insecten.
Ontginning, ontwatering, verdroging en bemesting zijn bedreigingen voor alle zonnedauwsoorten.
Hoe gaat dat vangen en ‘eten’ van insecten in zijn werk? De bladeren van zonnedauw zijn bedekt met rode ‘tentakels’ (gesteelde klieren) die een kleverige stof uitscheiden. Daardoor lijkt het net alsof er dauwdruppeltjes op de bladeren liggen. Hier komen kleine organismen zoals insecten en spinnen op af. Wanneer een insect de tentakels aanraakt, kleeft het vast. Het blad rolt zich om het insect heen. De tentakels scheiden vervolgens enzymen uit die de eiwitten van het insect oplossen. De plant neemt de opgeloste voedingsstoffen op. Na een paar dagen zijn van het insect alleen nog de onverteerbare delen over en opent het blad zich weer.
Zonnedauw bloeit ook. Vóór de bloei is de bloeiwijze (een schicht) als een horlogeveer opgerold; tijdens de bloei steken de bloemen boven de blaadjes uit. Eventuele bestuivers moeten natuurlijk niet opgegeten worden. De kleine, witte bloemen gaan alleen open als de zon volop schijnt. Bij weinig zonneschijn en regenachtig weer komt er ook zelfbestuiving voor.
Uit zonnedauw wordt een medicijn gemaakt tegen keelaandoeningen. Vroeger werd hiervoor vooral ronde zonnedauw verzameld; tegenwoordig worden Afrikaanse soorten gebruikt.
In ons land komen nog meer vleesetende planten voor, namelijk van de blaasjeskruidfamilie. Daartoe horen vetblad en vier soorten blaasjeskruid.
Vetblad (foto midden onder) groeit op moerassige heiden en blauwgraslanden. Ook deze plant heeft klieren op zijn blaadjes. Kleeft er een insect aan vast, dan rolt het blad zich op en wordt het insect verteerd. Blaasjeskruid groeit in het water. Aan de bladeren die onder water zitten, zitten vangblaasjes waarmee kleine kreeftachtigen en waterinsecten worden gevangen. Op de foto rechtsonder zie je de bloemen van groot blaasjeskruid, in een sloot bij Nieuwkoop.
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Eén gedachte over “Soort van dag 271: vleesetende planten”