(19 oktober 2023)
Vaak denken mensen dat (eenjarige) planten in het voorjaar kiemen, maar veel planten doen dat al in het najaar. Dat is het geval bij kleefkruid en ook bijvoorbeeld bij robertskruid. Deze plant uit de ooievaarsbekfamilie staat nu in verschillende fasen in onze tuin: met alleen blad, nog nabloeiend en met vruchten en als kiemplant.
De familienaam ‘ooievaarsbek’ heeft te maken met de vorm van de vruchten: deze hebben aan het eind een opvallende lange snavel. Een vrucht bestaat uit een middenzuil en vijf deelvruchtjes; het snavelvormige verlengstuk houdt alles bij elkaar. Als de zaden rijp zijn, springen de deelvruchten los. Bij robertskruid worden de zaden alle kanten op weggeslingerd, tot wel zes meter ver. Daarom vinden we de plant in onze tuin ook tussen het mos op een afdakje en in een knotwilg.
De ooievaarsbekfamilie kent drie verschillende geslachten waarvan de namen naar de ‘bekken’ van verschillende vogels verwijzen. Zo heb je de ooievaarsbekken (geslacht Geranium; van geranos = kraanvogel), de reigersbekken (geslacht Erodium; van erodios = reiger) en tenslotte de geraniums (geslacht Pelargonium; van pelargos = ooievaar). Robertskruid is een ooievaarsbek.
Van robertskruid kun je het hele jaar door rozetten vinden. De bladeren zijn drie- tot vijftallig en lijken wel wat op varenbladeren. De planten bloeien van mei tot in de winter. Over de vijf helderroze (soms witte) kroonblaadjes lopen drie witte nerven. Het stuifmeel valt op door de oranje kleur. De nectar is alleen bereikbaar voor insecten met een lange tong (sommige zweefvliegen, hommels, vlinders).
De plant heeft een zwak wortelgestel, eigenlijk te zwak om de plant overeind te houden. De bladstelen dienen als een soort stutten. De plant is bezet met veel klierharen en heeft een karakteristieke, sterke geur. Daarom wordt robertskruid ook wel stinkende ooievaarsbek genoemd.
Robertskruid komt algemeen voor, in het noorden van ons land alleen lokaal. Je vindt de plant vooral op vochtige, voedselrijke plaatsen. Hij kan enerzijds op plekken met diepe schaduw groeien (wat vrij uitzonderlijk is voor een eenjarige plant) en anderzijds in de volle zon op stenige plekken en muren. Staat de plant op drogere plekken, dan zijn de bladeren rood.
De groeiplaatsen zijn vaak verstoorde bodems. Toen wij achttien jaar geleden onze huidige tuin inrichtten, stond de eerste zomer onze tuin vol robertskruid. Nu vinden we nog slechts incidenteel een exemplaar, op heel verschillende plekken, ook als stoepplantje.
Op de overwinterende blaadjes schijnen vaak talrijke zwarte bultjes te zitten: het robertskruidkraterbultje, een schimmel. Ik heb ze nog nooit bewust gezien, dus daar zal ik deze winter eens op gaan letten. Er is een bladwesp waarvan de larven de bladeren van ooievaarsbekken tot het bladskelet kaalvreten. Verder zijn er twee snuittorren gespecialiseerd op ooievaarsbekken.
Er komen in Nederland zo’n dertig soorten ooievaarsbek voor waarvan tien echt inheems zijn. Andere soorten zijn hier door toedoen van de mens beland, bijvoorbeeld als tuinplant. Er zijn allerlei speculaties over naar welke Robert het robertskruid vernoemd zou zijn. Maar mogelijk gaat het om een verbastering van het Latijnse woord ‘ruber’ wat rood betekent.
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢
