(3 november 2023)
Gisteren ging het over hop, een kruidachtige slingerplant die elk jaar opnieuw uitloopt. Op kalkrijke grond komt hop samen voor met o.a. bosrank, een houtige klimplant.
Bosrank is een indrukwekkende liaan: hij klimt in bomen, kronkelt als een slang over de grond en hangt als een deken over struwelen (en verstikt ze soms). Ook kunnen ze vanaf een boomtak als een sluier naar beneden hangen. De ‘stammen’ van bosrank zijn eveneens indrukwekkend. Ze kunnen polsdik worden en tot dertig meter lang. In de zomer zit de plant vol roomwitte bloemen, in de herfst en winter hangt hij vol pluizenbollen.
Bosrank hoort tot de ranonkelfamilie en is dus verwant aan boterbloem en speenkruid. Dat kun je o.a. zien aan de grote hoeveelheid meeldraden. Om vraat te voorkomen bevatten de planten hetzelfde type gif als andere ranonkelsoorten. Desondanks is de soort voedselplant voor verschillende soorten insecten zoals de tere zomervlinder. Ook is er een schorskever die gangen maakt in de merg van de stengels.
Het geslacht waartoe bosrank behoort, heeft de wetenschappelijke naam Clematis. Onder die naam kennen we natuurlijk allerlei tuinklimplanten. Een daarvan, de Italiaanse clematis, is bij ons ingeburgerd en komt zeer zeldzaam voor in het Maasdal.
Kenmerkend voor clematissen is dat ze geen kroonbladeren hebben maar zes tot acht (gekleurde) kelkbladeren. Bij bosrank zijn die roomwit. De bloemen bloeien van juli tot augustus en hebben eenzelfde muffe geur als meidoorn. Allerlei bijen en vliegen komen erop af; niet om nectar te halen maar stuifmeel. Vanaf september zijn de vruchten rijp. De dopvruchten hebben een lange uitloper waarop veel haren zitten. Ze blijven nog een hele tijd aan de struik hangen, ook nog lang nadat het blad afgevallen is. De wind zal uiteindelijk de vruchten verspreiden.
Ook al heet de plant bosrank, ranken heeft de plant niet. Het zijn de bladstelen die houvast zoeken en zich bij contact met een boom of iets anders vastdraaien.
Nederland is de noordgrens van het gebied waar bosrank van nature voorkomt. Hij groeit op voedselrijke, kalkhoudende, vochthoudende bodems. Het is een soort van bosranden, houtwallen, struwelen en kreupelhout. In Zuid-Limburg is de klimmer heel algemeen; daar komen ze massaal voor aan de voet van de krijthellingen en langs holle wegen. Noordelijker vind je hem langs de grote rivieren en in de kalkrijke duinen ten zuiden van Bergen. In stedelijk gebied komt hij steeds vaker voor. De foto rechtsonder is gemaakt op een kade tussen twee veenplassen. Het is niet bepaald kalkrijk daar. Maar mogelijk kan bosrank daar toch groeien omdat het huidige asfaltpaadje vroeger een schelpenpad was.
Bosrank heeft ook bijnamen: lierelei, heggenwurger en smookhout. De laatste naam heeft de plant gekregen omdat vroeger de gedroogde, houtige stengels als een soort sigaret werden gerookt. Vanwege de lange, zilverwitte pluizen wordt de bosrank in Engeland ‘old man’s beard’ genoemd.
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢
