Soort van dag 311: toortsen

(7 november 2023)

In de duinen zagen we gisteren prachtige, viltig behaarde bladrozetten van toortsen, waarschijnlijk van koningskaarsen. Het heeft een voordeel om als plant behaarde bladeren te hebben: zoogdieren eten er niet graag van. In de duinen laten de grote grazers ze dan ook staan. Verder helpt de beharing tegen uitdroging.
De meeste toortsen zijn tweejarig: de bladrozetten die dit jaar zijn gevormd, zullen de hele winter te zien zijn. Volgend jaar bloeien de planten, vanaf juni/juli tot in de herfst. Als de zaden gerijpt zijn, sterft de plant af. De hele winter kun je vervolgens nog de afgestorven, verhoute planten zien staan (foto midden rechts). Toortsen zijn zogenaamde winterstaanders: bij windstoten wordt een deel van de zaden weggeslingerd. De zaden behouden tientallen jaren hun kiemkracht.

Van de toorts komen wereldwijd zo’n driehonderd verschillende soorten voor. Bij ons zijn zes soorten inheems. In het algemeen komen toortsen voor op omgewerkte, humushoudende, voedselrijke en kalkhoudende zandgronden. De meeste soorten vind je in de dynamische duinen en het rivierengebied, maar ook vind je ze langs spoorwegen en op plekken waar gegraven wordt.
Een toorts als zodanig is vrij makkelijk te herkennen met zijn bladrozet en zijn rechtopstaande, bebladerde stengel. Toortsen hebben vijftallige bloemen die meestal geel zijn. Van de vijf meeldraden zijn de onderste twee groter dan de andere drie; deze dienen als landingsplaats voor insecten die stuifmeel komen halen.

In de collage zie je bovenaan (rechts van het bladrozet) de bloemen van mottenkruid en zwarte toorts. Van deze planten zijn de bladeren nauwelijks behaard en de meeldraden paars-wollig. Mottenkruid is vrij zeldzaam en wordt vooral in het rivierengebied aangetroffen. De alleenstaande bloemen kunnen geel of wit zijn. De zwarte toorts is algemeen voorkomend in het oosten en het midden van het land. Het is een meerjarige plant en de bladeren zijn gesteeld.

In het midden van de collage zie je van links naar rechts: keizerskaars, stalkaars en koningskaars. Deze ‘kaarsen’ hebben viltig behaarde bladeren en wit-wollige meeldraden. Bij de keizerskaars lopen de bladeren aan de bloeistengel niet door tot het volgende blad; bij de koningskaars en stalkaars wel. Keizerskaars is de meest zeldzame van de drie.
Koningskaarsen en stalkaarsen worden het hoogst: tot twee meter. De bloemen van de koningskaars zijn kleiner dan die van stalkaars en keizerskaars. Verder moet je naar de helmknoppen (meeldraden) kijken om zeker te weten met welke soort je te maken hebt.

Dan is er nog de melige toorts. Deze soort is zeldzaam. De bloemen van de melige toorts zijn niet zo fel van kleur (wit of zachtgeel) en hebben wit-wollige meeldraden. De bovenkant van de bladeren is kaal, de achterzijde is melig (witviltig).
Andere toortsen die je in ons land tegen kunt komen, zijn de vlokkige toorts (bossig uiterlijk), kandelaartoorts (bloemen in een pluim), beklierd mottenkruid en paarse toorts.

Kleine vogels eten van de zaden van toortsen, maar ook van insecten die in de dode stengels overwinteren. Toortsen zijn waardplanten van verschillende soorten vlinders en andere insecten. Toortsen en helmkruiden horen tot dezelfde familie, namelijk de helmkruidfamilie. Verschillende insecten zijn dan ook zowel op helmkruid als op toorts te vinden. De op rupsen lijkende larven van de helmkruidbladwesp (foto onderaan) heb ik in onze tuin zowel op helmkruid als op zwarte toorts aangetroffen. Ook is er een galmug die eitjes legt in de bloemknoppen van de zwarte toorts. Het resultaat zie je op de foto rechtsonder.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

Eén gedachte over “Soort van dag 311: toortsen”

Plaats een reactie