Soort van dag 324: bekerzwammen en verwanten

(20 november 2023)

Onder paddenstoelen kun je verschillende vormgroepen onderscheiden, bijvoorbeeld de bekerzwammen en verwanten. Het gaat hierbij om beker-, kom-, kelk- of schijfvormige paddenstoelen waarbij het vlies waarin de sporen worden gevormd, naar boven is gericht. Dat betekent dat de sporen als ze rijp zijn, er niet uit kunnen vallen zoals bij plaatjeszwammen. In plaats daarvan worden de sporen uitgeworpen. Dat gebeurt als het vruchtlichaam wordt verstoord, bijvoorbeeld als je er een stevige tik tegenaan geeft. Je ziet dan de sporen als een dunne nevel opstijgen. Vervolgens kan de wind ze meenemen.
Het is een heel diverse groep waartoe ook morieljes en kluifjeszwammen gerekend worden. Je hebt soorten met hele kleine vruchtlichamen (minder dan 0,3 mm) en met heel grote vruchtlichamen (meer dan 10 cm). Er zijn soorten die erg op elkaar lijken en die je alleen met microscopisch onderzoek van elkaar kunt onderscheiden. In de collage zie je een aantal opvallende soorten.

Op de grote foto rechtsonder zie je het zandtulpje. De schimmel leeft op dode wortels van helm. Je vindt deze soort alleen in de buitenduinen langs de kust. Ik zag hem vorige week in de Amsterdamse Waterleidingduinen, op een stuivend duintje. Het onrijpe vruchtlichaam is bolvormig en zit onder het zand. Als de sporen rijp zijn, opent de bol zich en splijt die in twee tot vijf lobben. Deze lobben drukken het zand weg en dan kun je het ‘tulpje’ zien. De bekers hebben een diameter van maximaal 5 cm.

Links in het midden zie je een soort die tot hetzelfde geslacht hoort als het zandtulpje. Het gaat vermoedelijk om de vroege bekerzwam. Deze leeft op allerlei dood organisch materiaal: houtsnippers, strooisel, stro, compost, mest, maar ook op karton. Je vindt deze in loofbossen, parken, (moes)tuinen en kassen. Deze zag ik bij de kassen in Noordse Buurt.

Boven de vroege bekerzwam zie je een van de hazenoren, volgens ObsIdentify gewoon varkensoor. Deze vond ik een paar jaar geleden in het Voorster- en Waterloopbos in de Noordoostpolder. Hazenoren zijn geen opruimers, maar leven samen met de wortels van bomen.

Op de foto daarnaast zie je een morielje. Elke holte van de hoed van een morielje is gevuld met sporendragend vlies. Morieljes kun je in april en mei vinden. In ons land komen een paar soorten voor die allemaal op kalkhoudende bodems groeien. De schimmels van morieljes zitten op wortels van bomen en struiken (zoals es, iep en meidoorn).
Er is nog veel onbekend over morieljes. Uit DNA-onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat ‘gewone morielje’ eigenlijk uit verschillende soorten bestaat. Gezien de vindplaats (duinen van Goeree) en wat ObsIdentify ervan maakt, zou het op de foto om de duinmorielje kunnen gaan, een soort die ook op plekken zonder bomen groeit zoals hier. Deze soort is pas in 2020 als (nieuwe) Nederlandse soort erkend.

Rechtsboven zie je oranje mosbekertjes (of een van de nauwverwante soorten). Je vindt deze in de herfst en de winter als geeloranje schijfjes tussen mos op zandgronden. Hier zie je ze tussen de haarmossen in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Van de mosbekertjes is niet precies bekend of ze opruimers zijn of dat ze (ook) op mos parasiteren.

Rechtsonder zie je rode kelkzwammen (of een van de nauwverwante soorten). Deze opvallende soort vind je in de winter en het voorjaar op dood hout van wilg en els.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. Het zandtulpje is voorgedragen door Terenia de Reus.

Plaats een reactie