(1 december 2023)
Vandaag begint de meteorologische winter. Daarom aandacht voor een soort met ‘winter’ in de naam, namelijk rond(bladig) wintergroen.
Deze plant komt voor in de duinen (ook op de Waddeneilanden) en is elders in het land zeldzaam. Het staat op de Rode Lijst als kwetsbaar. Er is een plek waar ik je zo heen kan brengen om je de planten te laten zien, namelijk de Kabbelaarsbank (Brouwersdam). Ook groeit het bijvoorbeeld in de Pirola-vallei, een vochtige duinvallei aan de noordkant van de Schoorlse duinen, en op de Pirolavlakte ten zuiden ervan (de wetenschappelijke geslachtsnaam van wintergroen is Pyrola).
De plant heeft lange, ondergrondse uitlopers. Daaraan ontspruiten de bladeren die in rozetten staan.
De wintergroene bladeren zijn gesteeld, donkergroen, leerachtig en glanzend. De bladrand is omgerold. De bovengrondse stengels blijven zich ontwikkelen en blijven ’s winters groen. Pas na een paar jaar gaat de plant bloeien. Dat gebeurt van mei tot oktober met een tros van witte, hangende, klokvormige bloemen aan een bloemstengel. Heel opvallend is de stijl van de bloemen: deze is gekromd en steekt ver buiten de bloemkroon uit. De bloemen hebben geen nectar, dus insectenbezoek is zeldzaam. Ze doen vooral aan zelfbestuiving. Het zaad van wintergroen is stoffijn en wordt door de wind verspreid. In de winter blijven de stengels met zaaddozen staan.
Wintergroen behoort tot de heifamilie. Alle soorten uit deze familie (met uitzondering van stofzaad) zijn wintergroen. Denk maar aan struikhei, kraaihei of bosbes. De meeste soorten zijn houtig, behalve de wintergroensoorten en stofzaad. Net zoals alle andere soorten uit deze familie leeft wintergroen samen met schimmels en kan daarom op voedselarme bodems voorkomen. Verder moeten deze bodems vochtig en kalkarm tot iets kalkhoudend zijn en veel humus bevatten.
In de duinen vind je rond wintergroen vooral in vegetaties met kruipwilg. Kenmerkend is de dikke laag moeilijk afbreekbaar strooisel dat ook vaak nog eens overstoven wordt. In deze vegetaties komen veel schimmels voor, zowel afbrekers als symbionten. Op deze plekken kan ook een plant voorkomen die op schimmels parasiteert: stofzaad. Stofzaad is verwant aan wintergroen en heeft, zoals de naam al aangeeft, ook stoffijn zaad. Het is een plant zonder bladgroen die wat betreft zijn voedingsstoffen geheel afhankelijk is van een schimmel die samenleeft met kruipwilg. Je ziet de plant alleen als de bloemstengels bovengronds komen.
Volwassen planten van rond wintergroen leven samen met paddenstoelvormende schimmels (zie ook uitleg over mycorrhiza bij dag 293). Jonge planten hebben geen bladgroen en het stoffijne zaad bevat geen voedsel voor het kiemplantje. Zij betrekken hun voedsel van schimmels (waarschijnlijk van de afbrekers van het strooisel). De plantjes geven er niets voor terug, dus eigenlijk parasiteren ze op deze schimmels.
Je begrijpt: wil de plant zich ergens vestigen, dan moet er aan veel voorwaarden worden voldaan. Je vindt de plant overigens niet alleen op plekken met strooisel van kruipwilg, maar ook met dennennaalden en met blad van eiken, berk en beuk.
Een ingewikkeld verhaal? Je kunt ook gewoon van deze mooie planten genieten, net zoals Jac. P. Thijsse dat deed. Hier lees je wat hij in 1931 allemaal over dit plantje schreef.
Naast rond wintergroen komen nog andere soorten wintergroen in ons land voor. Klein wintergroen groeit op dezelfde plaatsen als rond wintergroen, maar mijdt kalk. Je vindt het bijvoorbeeld op plekken waar kraaihei groeit. De stijl steekt niet buiten de kroon uit en de bladeren zijn kleiner, lichter en doffer. Eenbloemig wintergroen heeft één bloem per bloemsteel; deze soort komt alleen op Terschelling voor. Eenzijdig wintergroen is in ons land uitgestorven.
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. Wintergroen is voorgedragen door Aafke van Nierop.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘋𝘦 𝘓𝘦𝘷𝘦𝘯𝘥𝘦 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳 (1 𝘢𝘱𝘳𝘪𝘭 1931), 𝘦𝘤𝘰𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢.𝘣𝘦, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭

Interessant
LikeLike
dankjewel
LikeLike