Soort van dag 344: mycena’s

(10 december 2023)

Veel paddenstoelen, en dan vooral plaatjeszwammen, kunnen niet zo goed tegen de kou. Toch kun je de kleine paddenstoeltjes van het geslacht mycena ook in de winter vinden. Zodra het zachter weer wordt, komen na een vorstperiode nieuwe exemplaren tevoorschijn.

Mycena is een groot geslacht, met in ons land zo’n honderd verschillende soorten. Daar zitten ook heel zeldzame bij. In het algemeen zijn mycena’s klein tot middelgroot met een kegel- of klokvormige hoed. In vochtige toestand is de hoed vaak doorschijnend gestreept. De paddenstoeltjes zien er fragiel uit. De relatief lange steel is dun en zonder ring en hij breekt makkelijk af. Is de steel taai, dan heb je waarschijnlijk met een taailing te maken. De sporen zijn wit. Sommige soorten hebben wit of rood melksap.
Mycena’s zijn afbrekers van organisch materiaal. Ze breken m.n. de stof lignine af; dat kun je zien aan de verbleking van bladeren en van hout waarop de schimmel voorkomt.

De mycena’s zijn een veelvormige groep. Sommige zijn in het veld goed op naam te brengen, voor andere heb je een microscoop nodig.
Sommige mycenasoorten komen alleen op afgestorven delen van één soort plant voor. Dat kan je helpen om de naam te achterhalen. Zo zijn er twee hele kleine witte mycena’s (soms zonder lamellen) die je op afgevallen blad kunt vinden: de een op beukenblad (dat is dan de kleine beukenbladmycena), de ander op afgevallen eikenblad (de witte eikenbladmycena). Vind je een mycena op afgevallen elzenkatjes, dan heb je te maken met de plooirokmycena zijn. Op staande stengels van overjarig riet kun je de rietmycena vinden. Ik heb me voorgenomen om eens naar deze specifieke kleine soorten op zoek te gaan. Ik hoop vooral de varenmycena te kunnen vinden: een zeldzame mycena op dode delen van varens, piepklein (doorsnede hoed 2-4 mm) en met oranje randjes langs de lamellen. Om dat te kunnen zien, heb je wel een loep nodig.
Ook de standplaats kan helpen bij het vinden van de juiste soort. De prachtmycena vind je bijvoorbeeld alleen op beukenhout op kalkrijke bodems. De blauwgrijze schorsmycena vind je alleen op schors van levende wilgen.

De collage is vooral bedoeld om een beeld te geven van de veelvormigheid van dit paddenstoelengeslacht.
Op de foto in het midden zie je een zeer algemeen voorkomende mycena, namelijk de helmmycena. Helmmycena’s zijn voor een mycena vrij groot en kunnen allerlei tinten grijsbruin en bruin hebben. De hoed heeft een doorsnede van 1-6 cm. Eerst is die kegelvormig, dan klokvormig en vervolgens breed uitgespreid (met een bultje). Als je de hoed tegen het licht houdt, zie je dwarsverbindingen tussen de plaatjes. Verder is kenmerkend dat de steel taai is wat bij andere mycena’s vrijwel niet voorkomt. De plaatjes krijgen bij het ouder worden een roze tint. Ze ruiken naar rauwe aardappel (anderen vinden dat ze naar meel, radijs of komkommer ruiken). Je vindt helmmycena’s op dood hout van allerlei soorten loofbomen, ook op begraven hout. Ze zijn het hele jaar te vinden.
Op de foto rechtsonder zie je de grote bloedsteelmycena. Deze scheidt bij beschadiging donkerrood bloedsap af. Je vindt hem op dood hout van allerlei loofboomsoorten (m.n. eik en beuk) en komt algemeen voor. De kleine bloedsteelmycena vind je op strooisel van heide en naaldbomen.

De naam mycena klinkt overigens niet echt Nederlands; het is dan ook de wetenschappelijke naam van dit paddenstoelengeslacht. Het komt van het Griekse woord voor schimmel (μύκης (mýkis)). Waarom deze soorten geen 100% Nederlandse naam hebben (op de elfenschermpjes en het heksenschermpje na), weet ik niet. In het Engels heet mycena ‘bonnet’, in het Duits ‘Helmling’.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘗𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯 𝘐, 𝘣𝘢𝘴𝘪𝘴𝘤𝘶𝘳𝘴𝘶𝘴 𝘱𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭

Plaats een reactie