Soort van dag 361: bosuil en ransuil

(27 december 223)

Een uil die je in winternachten in bossen maar ook bijvoorbeeld bij ons in de buurt kunt horen, is de bosuil. Het geluid draagt ver en klinkt erg mysterieus. Daarom wordt het in films gebruikt bij nachtelijke, spannende of enge scènes. Hier het geluid voor het geval je het niet kent.
Het is het mannetje dat het geheimzinnige geluid voortbrengt. Het vrouwtje antwoordt met een hoog ku-wiek. Hij begint er al in november of december mee, om zijn territorium af te bakenen. Eind februari / begin maart worden de eieren gelegd. Vanaf half februari kun je via ‘Beleef de lente‘ een paartje bosuilen volgen tijdens het broeden en grootbrengen van hun jongen.

Bosuilen maken hun nest in holle bomen. Daarom vind je ze in bossen met oude (eiken)bomen en in parken zoals het Vondelpark midden in Amsterdam. Maar ze broeden ook in gebouwen en nestkasten. Wat voedsel betreft zijn ze niet kieskeurig. Bij voorkeur eten ze kleine knaagdieren en daarnaast ook vogels, reptielen, amfibieën, mollen, grote insecten en regenwormen. Bosuilen laten zich geruisloos van een tak vallen en grijpen dan hun prooi. Vervolgens slikken ze die meestal in zijn geheel door. De resten braken ze uit.
Bosuilen zijn trouw aan elkaar en aan hun woonplek. Als er weinig voedsel in hun territorium is, gaan ze niet op zoek naar een andere plek, maar broeden ze een jaar niet. Jonge vogels vestigen zich binnen een straal van 50 km van het ouderlijk nest.

De bosuil is de meest voorkomende uil van Europa. In ons land broeden ongeveer 5.500 paren en dat aantal is de laatste jaren stabiel. Een bosuil heeft de grootte van een kraai, een ronde kop, zwarte ogen en geen oorpluimen. De vogels zijn grijs, grijsbruin of roodbruin. Op hun schouders hebben ze een rij witte vlekken.

De ransuil is net iets kleiner dan een bosuil. De volwassen vogels laten zich zelden horen, de jongen daarentegen juist wel. Hier hoor je hun roep en het bedelgeluid. Ransuilen zijn te herkennen aan hun oranje-gele ogen en de oorpluimen. Ook de oehoe heeft oorpluimen maar die is veel groter en zeldzamer.
Ransuilen broeden van maart tot mei; in ons land zijn zo’n 2.000-3.000 broedparen. Ze gebruiken oude kraaien- en eksternesten. Als er voldoende te eten is, hebben ze een tweede legsel. Jonge ransuilen zwerven soms honderden kilometers ver op zoek naar een eigen plek.
‘s Winters verzamelen ze zich in groepen en zitten ze overdag met elkaar in bomen, bij voorkeur naaldbomen. Een mooie herinnering heb ik aan een groep ransuilen in 1979. Aan het einde van de strenge winter zaten ze overdag met enkele tientallen in wilgen die boven de ondergelopen uiterwaarden bij Hurwenen uitstaken.
Ransuilen eten vooral muizen en spitsmuizen en pakken ook wel eens een vogeltje. Ze jagen in vlucht. Je vindt ze in allerlei landschappen. Ze broeden niet in dichte bossen en steden. De soort gaat in aantal achteruit, vooral in gebieden met intensieve landbouw.

Jonge bos- en ransuilen kunnen nog niet vliegen als ze hun nest verlaten. Ze klauteren naar een veilige zitplek in de boom en worden daarom takkelingen genoemd. Jonge vogels kunnen ten prooi vallen aan haviken, buizerds, marterachtigen en vossen. Ook volwassen uilen moeten uitkijken voor haviken. En ransuilen voor bosuilen.
Bomen waarin de uilen overdag verblijven, worden roestbomen genoemd. Hier kun je vaak ook braakballen vinden.

In de collage zie je links een tekening van een bosuil, door mijn vader als jonge man gemaakt. De opgezette uilen heb ik in Naturalis gefotografeerd. Bovenaan zie je bosuilen, daaronder ransuilen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦

Plaats een reactie