Soort van dag 197: ringslang

(16 juli 2023)

Vandaag is het World Snake Day. Welke organisatie hier achter zit, heb ik niet kunnen achterhalen. In elk geval is deze dag bedoeld om mensen bewust te maken van (het belang van) slangen. Daarom vandaag aandacht voor de Nederlandse slangen, de ringslang in het bijzonder.

In ons land komen drie inheemse slangen voor: adder, gladde slang en ringslang. Van deze drie heb ik alleen de ringslang meerdere malen gezien: zwemmend in het water, liggend op een weg en kruipend in het bos bij Wageningen (foto). De ringslang staat ook op de lijst van waargenomen soorten in onze tuin. Op mijn nadering schoot een paar jaar geleden een ringslang uit onze tuin de sloot in, zwom naar de overkant en verdween daar in het hoge gras.

De gladde slang is de zeldzaamste. Deze heeft gladde schubben; de andere twee hebben kieltjes op de schubben. Verder heeft hij bruine vlekken op zijn rug en een ronde pupil. Hij komt vooral voor op droge heideterreinen en hogere zandgronden.
De adder is te herkennen aan de verticale pupil (spleetje) en de donkere zigzagstreep op de rug. Hij komt voor op de hogere zandgronden, m.n. op de Veluwe en in het grensgebied van Friesland en Drenthe. Ook bij de Meinweg in Limburg leeft nog een kleine populatie. Adders zijn de enige gifslangen van ons land.
(Daarnaast kennen we nog de hazelworm, een pootloze hagedis die op een slang lijkt. Deze heeft beweeglijke oogleden; slangen hebben die niet.)

Ringslangen komen vooral voor in Midden-Nederland (ook in Amsterdam) en in het grensgebied van Groningen-Friesland-Drenthe. Ze leven in overgangsgebieden van zandgrond naar klei of veen. Ze hebben namelijk niet alleen plekken nodig om te foerageren (water), maar ook om te zonnen. Dat kunnen overigens ook grondlichamen van wegen of spoorlijnen zijn.
Een ringslang is grijs of bruinachtig met een zweem groen. Op de flanken heeft hij zwarte stippen of strepen. Hij heet ringslang vanwege de gele vlekken achter de kop die bovenop min of meer ringvormig samenvloeien. Achter de ‘ring’ zit een zwarte vlek. Hij is de langste slang van Nederland: mannetjes worden tot 90 cm lang, vrouwtjes wel tot 120 cm. Ze hebben, net zoals de gladde slang, ronde pupillen. Ringslangen eten vooral amfibieën, maar ook wel vissen, vogels en kleine zoogdieren. Jonge slangen regenwormen, slakken en insecten.
Als een ringslang zich bedreigd voelt, zal hij in eerste instantie vluchten. Ook kan hij zich schijndood houden. Heeft een roofdier hem toch te pakken, dan scheidt hij een stinkend goedje uit. Ringslangen worden gegeten door blauwe reigers, buizerd, allerlei kleine roofdieren en katten. Een ander gevaar is de mens: er sneuvelen veel ringslangen in het verkeer.

Gladde slangen en adders zijn eierlevendbarend: de vrouwtjes broeden, met de warmte van de zon, de eieren in hun lichaam uit. Ringslangen niet. Die leggen in juni of juli dertig, gummiachtige eieren. Dat doen ze in verterend, rottend plantaardig materiaal. Rotting geeft warmte af waardoor de eieren uit kunnen komen. Ringslangen zijn cultuurvolgers en maken vooral gebruik van mestvaalten en composthopen. Mensen leggen tegenwoordig ook speciale broeihopen aan. In het najaar worden de broeihopen vaak gecontroleerd op hoeveel eieren zijn uitgekomen.

Slangen zijn koudbloedig en moeten dus zien te overwinteren. Ringslangen gebruiken hiervoor allerlei vorstvrije en droge gaten en holen. Ze zitten bijvoorbeeld tussen boomwortels, onder stenen en in holle bomen, houtstapels, composthopen en oude gebouwen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘳𝘢𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Plaats een reactie