(25 juli 2023)
Een paar keer scheppen in het water van een gezonde poldersloot levert geheid een aantal duikerwantsen op. Doe je ze vervolgens in een emmer of witte bak, dan schieten ze door het water heen en weer. Ook kun je duikerwantsen zien als ze aan het wateroppervlak komen om adem te halen. Daarna schieten ze weer naar beneden waar ze zich bij voorkeur ophouden. Vandaar: duikerwantsen.
Wantsen zijn insecten die op kevers lijken, maar dan platter. Bovendien liggen bij wantsen de dekschilden gedeeltelijk over elkaar heen en niet tegen elkaar aan. Je hebt ‘bovenwaterwantsen’, zoals de grauwe schildwants, ‘onderwaterwantsen’ en ‘oppervlaktewantsen’. Oppervlaktewantsen hebben vrij lange antennes en lopen meestal op het wateroppervlak. Een voorbeeld daarvan zijn de schaatsenrijders, vijverlopers en beeklopers. Tot de onderwaterwantsen horen de waterschorpioenen, bootsmannetjes en duikerwantsen. Bootsmannetjes zwemmen met de buik omhoog en worden daarom ook wel ruggenzwemmers genoemd. Bootsmannetjes zijn rovers, terwijl duikerwantsen alleseters zijn; ze eten vooral planten, algen en dood organisch materiaal.
De meeste wantsen kunnen, als ze volwassen zijn, vliegen. Dat geldt ook voor duikerwantsen en bootsmannetjes. Dat doen ze bijvoorbeeld als een waterplas droogvalt, maar ook in de voortplantingstijd.
Wantsen hebben een onvolledige gedaanteverwisseling. Dat wil zeggen dat ze geen larvenstadium hebben (zoals kevers), maar als mini-wantsje uit het ei kruipen. Ze moeten een aantal keer vervellen voordat ze volwassen zijn. Pas dan komen de volgroeide vleugels tevoorschijn en kunnen ze vliegen.
Bij de meeste soorten is er één generatie per jaar. Ze overwinteren als volgroeide wants. Aan het einde van het voorjaar, als het water warmer wordt, gaan de mannetjes onder water tsjirpen. Je schijnt dat te kunnen horen als je ze in een aquarium houdt. Ook de paring gebeurt onder water. De eitjes worden op waterplanten afgezet.
Zoals hierboven al gezegd moeten duikerwantsen en andere waterwantsen naar boven om adem te halen. Ze hebben namelijk geen kieuwen. Veel waterwantsen hebben een speciale adembuis, maar duikerwantsen niet. Als ze adem halen, steken de kop en halsschild iets boven water uit. De lucht wordt op de rug onder de dekvleugels meegenomen. De meegevoerde luchtbel bevindt zich boven openingen van het adembuizenstelsel. Je ziet dat als een zilveren glans. Jonge wantsen halen adem via hun huid.
Ze zwemmen met hun afgeplatte achterpoten. Hierop zitten kleine haartjes. Als ze in rust zijn, steken die achterpoten zijwaarts uit. De middelste poten gebruiken ze om zich mee vast te houden aan bijvoorbeeld een plant. Door de luchtbel onder hun dekschilden zouden ze in rust anders omhoog schieten. De voorste poten zijn klein. Op de onderste foto in het midden zijn ze te zien. Hiermee wervelen ze bodemmateriaal op, houden ze voedsel vast of schrapen ze algen van waterplanten. Net zoals alle wantsen hebben ze een zuigsnuit waarmee ze hun voedsel op- of leegzuigen.
Er komen in Nederland 29 soorten duikerwantsen voor. Ze zijn lastig te determineren.
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘣𝘰𝘦𝘬𝘫𝘦 ‘𝘞𝘢𝘵𝘦𝘳𝘥𝘪𝘦𝘳𝘵𝘫𝘦𝘴 𝘷𝘢𝘯 𝘴𝘭𝘰𝘰𝘵 𝘦𝘯 𝘱𝘭𝘢𝘴’, 𝘮𝘪𝘤𝘳𝘰𝘤𝘰𝘴𝘮𝘰𝘴.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘭𝘪𝘻.𝘣𝘦

Eén gedachte over “Soort van dag 206: duikerwantsen”