(5 augustus 2023)
Een duik nemen in het Grevelingenmeer… Sommige mensen doen dat met duikpak of snorkel. Ik heb het gedaan met emmer en schepnet vanaf een strandje. Wat ik vond, heb ik nader bekeken in een cuvet. Fascinerend om te kijken naar beestjes die ook tot de Nederlandse biodiversiteit horen maar waar je nauwelijks weet van hebt. In elk geval had ik een visje, een zeedruif (een kleine kwal) en verschillende soorten kleine kreeftachtige diertjes opgevist. Met ObsIdentify kon ik ze niet op naam brengen; die is toch meer op terrestrische en zoetwatersoorten gericht. Maar met behulp van Google Lens en de Veldgids Flora en fauna van de zee kwam ik een heel eind.
Op de fotocollage zie je links vlokreeftjes, in het midden aasgarnalen en rechts een zeepissebed. Het zijn alle drie soorten uit de klasse van de echte kreeftachtigen. Van deze klasse zijn al eerder landpissebedden en Amerikaanse rivierkreeften aan de orde geweest. Uit deze klasse komen in Nederland volgens het soortenregister 353 soorten voor. Zowel vlokreeftjes, aasgarnalen als zeepissebedden doen aan broedzorg. De vrouwtjes bewaren de eitjes onder hun achterlijf totdat ze uitkomen. Daarna moeten de larven zelf hun weg zoeken. Net zoals insecten groeien kreeftachtigen door vervelling. Alle kreeftachtigen halen adem via kieuwen. Kleine kreeftachtigen zijn belangrijk voedsel voor vissen en voor verschillende soorten vogels zoals flamingo’s, kanoeten en wulpen.
Van de vlokreeftjes zijn wereldwijd duizenden soorten beschreven. Ze zijn er in allerlei vormen en maten. Er zijn soorten van 1 mm maar ook diepzeesoorten (zonder ogen) van meer dan 25 cm lang. Volgens het soortenregister komen in Nederland 142 soorten voor.
Het zijn garnaalachtige diertjes met een zijdelings afgeplat lichaam. De meeste kreeftachtigen hebben een rugschild; vlokreeftjes niet. Tot de vlokreeftjes horen ook de strandvlooien die tussen aangespoeld zeewier leven, en zoetwatersoorten. Vlokreeftjes hebben veel poten. De voorste worden gebruikt om een voedsel mee vast te houden, de middelste om mee te zwemmen en de achterste om zich mee af te zetten, te graven of te zwemmen. Ze eten aas en kleine kreeftachtigen.
Op de onderste foto zie je een mannetje en vrouwtje in paarhouding. Het mannetje is groter dan het vrouwtje. Ik heb ze uren lang samen gezien.
Aasgarnalen zijn slanke, garnaalachtige beestjes met een transparant lichaam, donkere ogen en waaiervormige staart. In tegenstelling tot vlokreeftjes en zeepissebedden hebben ze wel een rugschild. Ze eten planktonalgjes. Er komen in Europa tientallen soorten voor die moeilijk van elkaar zijn te onderscheiden. Op basis van de onderste foto denk ik dat ik in elk geval de geknikte aasgarnaal heb gevangen. Deze komt vooral voor in het Grevelingenmeer, dus dat kan kloppen. Aasgarnalen zijn alleseters; ze eten o.a. aas en andere kleine kreeftachtigen.
De meeste pissebedsoorten leven in zee, meer dan op land of in zoet water. In Nederland komen in totaal 87 soorten pissebedden voor, verdeeld over verschillende families. Hoeveel hiervan in zoute wateren leven, heb ik niet kunnen achterhalen (volgens de website van het Vlaams Instituut voor de Zee komen in België 35 soorten in zee of brak water voor).
Pissebedden kenmerken zich door hun afgeplatte lichaam; een rugschild ontbreekt. Pissebedden schrapen algen van de ondergrond of halen ze uit het zand waarop ze leven. Het zijn bodemdieren maar ze kunnen ook zwemmen.
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢 𝘦𝘯 𝘧𝘢𝘶𝘯𝘢 𝘷𝘢𝘯 𝘥𝘦 𝘻𝘦𝘦, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘭𝘪𝘻.𝘣𝘦, 𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯𝘳𝘦𝘨𝘪𝘴𝘵𝘦𝘳
