(2 november 2023)
Als bomen en struiken van heggen en hagen hun blad verliezen, kun je goed de hopbellen zien hangen. Hop is een kruidachtige slingerplant, dat wil zeggen dat de plant elk jaar bovengronds afsterft en in het voorjaar opnieuw uitloopt. De jonge scheuten zijn eetbaar als groente.
De plant loopt uit als de bomen en struiken waarin hij zich wil vestigen, nog bladerloos zijn en reikt naar het licht. Het is een slingerplant: de stengels willen ergens omheen slingeren en dat kunnen ook andere hopstengels zijn. De stengels voelen ruw aan en kunnen meters lang worden. De bladeren zijn handvormig en meestal driespletig.
Hopplanten zijn tweehuizig: je hebt te maken met een mannelijke of met een vrouwelijke plant. De bloemen zijn onopvallend en groen en staan in pluimen. Ik blijk er geen foto van te hebben. Ze bloeien van juli tot september. De wind zorgt voor de bestuiving. Na de bevruchting ontstaan de hopbellen: de schutblaadjes van de vrouwelijke bloemetjes groeien uit tot een soort vleugels. De hopbellen zijn eerst groen en na het rijpen zijn ze bleekgroen tot beige. Zo’n hopbel valt op den duur uit elkaar en de gevleugelde vruchtjes worden door de wind verspreid.
Hop is inheems in ons land, behalve in de noordelijke zeekleigebieden. Je vindt hem veel in elzen- en wilgenbossen. Daarnaast is hop een cultuurplant en als zodanig over de hele wereld verspreid. De plant groeit graag op voedselrijke, humeuze, vochtige grond.
Afhankelijk van de standplaats tref je hop vaak samen met andere klim- en slingerplanten aan, bijvoorbeeld met bitterzoet, wilde kamperfoelie en op kalkhoudende grond met heggenrank en bosrank. Op steenglooiingen langs de grote rivieren groeit hop als bodembedekker, samen met bosrank. Deze laatste soort komt morgen aan de orde.
Op de schutbladen van de hopbellen zitten gele, karakteristiek geurende klieren. De geurstof uit deze klieren (lupuline) werd al lang als geneesmiddel gebruikt. Sinds de middeleeuwen wordt het gebruikt als smaakmaker (en conserveermiddel) bij het brouwen van bier. Voor die tijd werd daar vaak gagel voor gebuikt. Bij de teelt van hopbellen wordt ervoor gezorgd dat er geen mannelijke planten in de buurt staan, want zodra er zaad is gevormd, is de smaak minder lekker. Op de foto rechtsboven zie je een hopakker in het Openluchtmuseum.
Er bestaan verschillende cultuurvariëteiten die elk hun eigen smaak hebben. Tegenwoordig halen brouwerijen de meeste hop uit het buitenland. Studenten Biotechnologie van Hogeschool Inholland zijn bezig om een typische Hollandse hopvariëteit te ontwikkelen. Onderdeel van hun project was om aan de hand van DNA-onderzoek te kijken waar in ons land nog echt inheemse hop groeit. Dat blijkt te zijn bij Horst aan de Maas en bij de Nieuwkoopse Plassen.
Er zijn veel insecten die hop (mede) als waardplant hebben. De hopwortelboorder is een vlinder waarvan de rups in het winterhalfjaar op de wortels van hop en andere planten leeft. Hop is samen met brandnetel de waardplant voor de gehakkelde aurelia. In de hopteelt werden beide soorten vlinders destijds als schadelijke insecten gezien. Een enkele keer worden rupsen van de dagpauwoog op hop gevonden.
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘪𝘯𝘩𝘰𝘭𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭

Eén gedachte over “Soort van dag 306: hop”