Soort van dag 331: hermelijn

(27 november 2023)

Roofdieren van het formaat tijger of leeuw komen in ons land niet voor. Het grootste roofdier is de wolf, sinds 2011 weer terug in ons land. Een ander bekend roofdier is de vos. Verspreid door het land zijn waarnemingen gedaan van de goudjakhals, net zoals de wolf en de vos een hondachtige. In Zuid-Limburg komt de wilde kat voor en als dwaalgast wordt daar wel eens de lynx gemeld. De meeste roofdiersoorten uit ons land horen tot de marterachtigen.

In ons land komen acht marterachtigen voor waarvan één een exoot is. De das en de otter zijn al aan de orde geweest. De andere soorten zijn: bunzing, wezel, boommarter, steenmarter, hermelijn en Amerikaanse nerts. Bij de laatste gaat het om ontsnapte of ‘bevrijde’ exemplaren uit nertsenfokkerijen. De verwachting is dat deze soort zich niet blijvend in ons land vestigt. Tot 1 maart 2021 werd dit dier nog in ons land gefokt voor zijn vacht. Eigenlijk zouden pas in 2024 alle fokkerijen gesloten worden, maar dat is vervroegd omdat nertsen gevoelig bleken voor het COVID-19-virus.
Marterachtigen zijn vooral ’s nachts actief. Een soort die ik een paar keer overdag heb gezien, is de hermelijn. Daarbij ging het om exemplaren in hun witte wintervacht. Die vallen natuurlijk extra op als er geen sneeuw ligt. Mijn man heeft ze ook wel in onze tuin gezien.

Op de foto’s zie je opgezette exemplaren uit Naturalis (de bovenste is wit). Overal waar voedsel (muizen) en dekking te vinden zijn, kunnen hermelijnen voorkomen. Je vindt ze in struwelen, bij heggen en in ongemaaide slootkanten. Op de Waddeneilanden, met uitzondering van Texel, ontbreken ze.
Een hermelijn is net zo groot als een konijn maar veel slanker. In de zomer hebben ze een bruine rug en een witte buik, in de winter is een deel van de hermelijnen wit. Ze behouden dan wel hun zwarte staartpunt. Volledig witte dieren zie je van december tot maart. Vroeger werden van wintervachten van hermelijnen koningsmantels gemaakt.
In de zomer zou je een hermelijn kunnen verwarren met een wezel. Wezels zijn kleiner, hebben een kortere staart en hebben geen zwarte staartpunt. Ze komen veelal in drogere gebieden voor dan de hermelijn. Zowel hermelijn als wezel zijn vrij zeldzaam. Hermelijnen staan als kwetsbaar op de Rode Lijst. Door schaalvergroting is veel leefgebied verloren gegaan. Verdere bedreigingen zijn het verkeer, muskusrattenklemmen, toename van het aantal vossen en parasitaire wormen.

Hermelijnen jagen op kleine zoogdieren zoals woelmuizen, ratten en konijnen. Hun lichaam is daar helemaal op aangepast: ze kunnen moeiteloos in de holen van deze dieren kruipen. Verder eten ze vogels, vogeleieren, reptielen en amfibieën. Hermelijnen moeten op hun beurt uitkijken voor vossen en uilen.
Het is geen probleem als een prooidier groter is dan de hermelijn. Ze doden hun prooi met een beet in de nek. Soms bewaren ze hun prooi onder een polletje gras of achter boomschors om deze later op te halen. Een hermelijn eet per dag ongeveer 25% van zijn eigen lichaamsgewicht.
Hermelijnen leven solitair in een eigen territorium dat ze afbakenen met geurstoffen uit de anaalklieren, urine en uitwerpselen. Ze leven in holen, bijvoorbeeld een oud mollennest of een konijnenhol. Ze verplaatsen zich langs elementen die dekking geven zoals heggen, muurtjes en oeverlijnen. Tijdens hun route gaan ze vaak op hun achterpoten staan om de omgeving te overzien; ‘kegelen’ wordt dat genoemd. Ze kunnen ook klimmen en zwemmen.
Als nest gebruiken ze een holle boom, een ruimte tussen rotsen of een verlaten hol. De paartijd valt in mei-juni. Het jaar daarop worden, na een uitgestelde embryonale ontwikkeling, in april-mei de jongen geboren.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘻𝘰𝘰𝘨𝘥𝘪𝘦𝘳𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭

Eén gedachte over “Soort van dag 331: hermelijn”

Plaats een reactie