(13 december 2023)
Het wild zwijn (everzwijn) is weer zo’n soort waarvan we wel vaak de sporen zien, maar de dieren zelf bijna nooit. In de collage zijn de volgende sporen afgebeeld: wroetsporen (o.a. langs wandelpaden), veegsporen op bomen, pootafdrukken in de modder en haren die aan prikkeldraad zijn blijven hangen. Dat je deze dieren zo weinig ziet, komt omdat ze vooral bij schemering en ’s nachts actief zijn. En in de nacht zijn de meeste bossen voor mensen verboden terrein.
Overdag rusten de zwijnen ‘in dekking’. Dan liggen ze in hun ‘ketel’ op een rustige plek. Dat maken ze door bladeren en grond weg te schrapen.
In Nederland zijn twee leefgebieden aangewezen waar wilde zwijnen mogen voorkomen, namelijk de Veluwe en de Meinweg. Daarbuiten komen ze ook voor, m.n. in Limburg en Oost-Brabant en bij Nijmegen. Ze zijn daar vanuit het buitenland of via natuurverbindingen gekomen. Buiten de leefgebieden geldt een ‘nulstandbeheer’ en mogen de dieren worden afgeschoten. De everzwijnen worden niet geduld in verband met schade aan landbouwgewassen, verkeersveiligheid en risico’s voor varkenshouderijen (verspreiding van ziektes zoals de Afrikaanse varkenspest). In de aangewezen leefgebieden geldt overigens een populatiebeheer, dus ook daar mogen zwijnen afgeschoten worden.
Er zijn ook andere maatregelen mogelijk om zwijnen te weren of binnen een leefgebied te houden, zoals rasters of via geluid en licht. Aanrijdingen door het verkeer ontstaan vaak doordat de zwijnen in de bermen naar eten zoeken. Een oplossing is om bermen te verschralen; dan is daar minder eten te vinden.
Wilde zwijnen leven o.a. in vochtige eiken- en beukenbossen. Daar vinden ze in de herfst eikels en beukennootjes (mast). Zien kunnen ze niet goed, maar horen, ruiken en voelen (met hun neus) kunnen ze als de beste. Voedsel onder de grond vinden ze op geur. Zwijnen zijn alleseters; naast beukennootjes, eikels en tamme kastanjes eten ze vruchten, wortels, gras, regenwormen, insectenlarven, kleine knaagdieren en aas. Ook eten ze landbouwgewassen en wroeten ze akkers om.
Voor de verzorging van hun huid en vacht nemen ze modderbaden. Daarom moeten er in hun leefgebied ook natte en moerassige plekken zijn. De modder inclusief huidparasieten schuren ze af aan bomen.
Wilde zwijnen leven in groepen, ook wel rotte genoemd. Een rotte bestaat uit een aantal volwassen zeugen (vrouwtjes), hun jongen (de frislingen) en tweejarige dieren (de overlopers).
In het voorjaar maakt een vrouwtje een kraamkamer. Ze graaft een kuil die ze bekleedt met bladeren, mos en planten. Jonge wilde zwijnen hebben een bruine vacht met goudgele strepen (een pyjama). Het aantal jongen hangt samen met het voedselaanbod. In ‘mastjaren’ (jaren met veel eikels en beukennootjes) worden meer jongen geboren.
De mannetjes (keilers) mogen niet in de buurt van de jongen komen, want zij maken zich soms schuldig aan kannibalisme. Vijanden die in de buurt van de jongen komen, kunnen door de vrouwtjes omver gelopen worden. Dat geldt ook voor mensen. De natuurlijke vijand van wilde zwijnen in ons land is de wolf.
Het gewroet van wilde zwijnen is belangrijk voor allerlei andere organismen. In de zo ontstane poeltjes kunnen amfibieën zich voortplanten. Op kale plekken warmen reptielen zich graag op. En verder kunnen allerlei planten ontkiemen op de omgewoelde plekken. Als er te veel zwijnen zijn, heeft dat ook allerlei gevolgen, bijvoorbeeld voor de vegetatie (minder bosverjonging) en een insect als het vliegend hert (omdat ze de larven eten).
In eerste helft van de 19e eeuw was het wilde zwijn door bejaging en vervolging in ons land uitgestorven. Prins Hendrik, de echtgenoot van koningin Wilhelmina, heeft ze weer uit laten zetten. Tamme varkens stammen af van het wilde zwijn.
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘻𝘰𝘰𝘨𝘥𝘪𝘦𝘳𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘫𝘢𝘨𝘦𝘳𝘴𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘣𝘪𝘫12.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢
