Soort van dag 351: staartmees

(17 december 2023)

In ons land komen negen soorten mezen voor. Zes daarvan zijn holenbroeders en die worden ‘echte mezen’ genoemd. De bekendste echte mezen zijn de koolmees en de pimpelmees die ook veel in tuinen voorkomen en broeden. De zwarte mees (de kleinste echte mees) en de kuifmees zijn soorten die in naaldbossen broeden en in de winter ook wel tuinen bezoeken. De glanskop vind je in beukenbossen en de matkop in moerasgebieden met veel wilgen.
Dan zijn er nog drie andere soorten meesachtigen: baardman, buidelmees en staartmees. De baardman leeft in rietlanden en maakt zijn nest onderin in het riet. De buidelmees komt voor op overgangen van riet naar bos. Daar maken ze een buidelnest aan het einde van een twijg, het liefst van een wilg. Deze zeldzame vogel trekt in de winter weg. In je tuin zul je deze twee soorten dus niet zo snel vinden. Staartmezen daarentegen wel.

Een staartmees kun je omschrijven als een klein, pluizig bolletje met een lange staart. De staart is langer dan het lijfje. Ze zijn zwart-wit met rozige flanken. Hun snaveltje is heel kort.
In het winterhalfjaar trekken ze in familiegroepen van acht tot vijftien vogeltjes tussen de bomen en struiken, op zoek naar voedsel. Als ze van boom naar boom vliegen, dan doen ze dat met een licht golvende vlucht. Ze houden contact met elkaar door pruttelende, hoge geluidjes en er wordt gewacht op achterblijvers. Ineens zijn ze er, en dan zijn ze ook weer zo verdwenen. Je hoort ze vaak eerder dan dat je ze ziet. Omdat ze zo onrustig bewegen, is het moeilijk om ze scherp op de foto te krijgen.
Soms sluiten ook andere mezen zich bij de groepjes aan. Want een voordeel van zo’n groep is dat een roofvogel zoals de sperwer eerder opgemerkt wordt. Elk groepje heeft zijn eigen leefgebied waarin ze rondtrekken. ’s Nachts slapen ze bij elkaar. Als het heel koud is, zitten ze met hun lijfjes dicht opeen om zo op temperatuur te blijven.
Als de winter voorbij is en de paartjes zijn gevormd, vallen de groepjes uit elkaar.

Staartmezen eten allerlei kleine insecten, spinnetjes en rupsen. Ze halen acrobatische toeren uit om ze van de dunste twijgjes af te kunnen plukken. In de winter eten ze ook kleine zaden en dan komen ze soms even op de vetbollen in de tuin zitten.

Staartmezen vind je in parken, bossen, landgoederen en tuinen waar zowel bomen, een dichte struiklaag en open stukken zijn. In je tuin kun je de vogel helpen door het aanplanten van struiken met doorns of stekels. Want ze maken hun nest graag in dichte struiken op ongeveer een meter vanaf de grond. Het nest is koepelvormig en bestaat uit mossen, korstmossen en spinrag. Met mos in je gazon help je de vogeltjes dus ook. De binnenkant van het nest bekleden ze met veertjes. Bij het grootbrengen van de jongen krijgen de ouders hulp van verwanten waarvan het broedsel mislukt is.
Staartmezen zijn standvogels: ze blijven in de buurt van de plek waar ze ter wereld kwamen. In sommige winters zijn er invasies van staartmezen uit Scandinavië en Oost-Europa. Daar kunnen ook staartmezen met volledig witte kopjes bij zitten. Hierbij gaat het om een ondersoort, namelijk de witkopstaartmees. De laatste keer dat ze massaal in ons land waren, was in 2010. Verwarrend is dat er ook onder de gewone staartmezen exemplaren zitten met een bijna witte kop.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘴𝘰𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Eén gedachte over “Soort van dag 351: staartmees”

Plaats een reactie