Soort van dag 164: gewone vlier

(13 juni 2023)

Een struik die momenteel bloeit, is de gewone vlier. Hij kan zo’n zes meter hoog worden. Vlieren hebben geveerd blad. Soms zie je in december al blaadjes verschijnen (foto rechtsboven). De takken zijn grijs en wrattig en bevatten wit merg. De ‘wratten’ zijn zogenaamde lenticellen. Via lenticellen vindt gasuitwisseling (‘ademhaling’) plaats tussen de weefsels in de takken en de omringende lucht. De twijgen en bladeren van gewone vlier hebben bij kneuzing een kenmerkende geur.

De witte bloemen geuren ook, maar dan aangenamer. Ze staan in vlakke tuilvormige schermen. Naast bestuiving door insecten vindt er ook windbestuiving plaats. Drie maanden na de bloei zijn de vruchten rijp. Dat is ook het moment waarop allerlei zangvogels gaan trekken. Die eten graag van de blauwzwarte bessen; vooral spreeuwen zijn er gek op. Door het uitpoepen van de zaden zorgen ze voor verspreiding van de vlier. Die kun je dan ook op de meest onverwachte plekken zien opkomen, bijvoorbeeld in knotwilgen. De gewone vlier wordt ook veel aangeplant.

Net zoals de grote brandnetel is de gewone vlier een indicator van stikstofrijke bodems. Allerlei soorten bemesting bevoordelen de gewone vlier ten opzichte van andere struiken. Ze doen het bijvoorbeeld goed op plekken met vogelkolonies van blauwe reigers en roeken. Gewone vlier heeft een voorkeur voor droge, kalkrijke bodems. Je vindt ze dan ook samen met duindoorn en wilde liguster in de zeereep van kalkrijke duinen.

De schors van gewone vlier kan veel water opnemen. Dat komt de groei van mossen en korstmossen op de schors ten goede, vooral langs de kust. De bekendste parasiet op gewone vlier is de paddenstoel echt judasoor. Oude holle vliertakken bieden nestelgelegenheid aan solitair levende wespen en bijen. Een vlindersoort die o.a. de gewone vlier als waardplant gebruikt, is de vliervlinder (foto linksonder).

De gewone vlier is inheems maar het voorkomen hangt sterk samen met de menselijke bewoningsgeschiedenis, blijkt uit stuifmeelonderzoek in bodemprofielen. Het was altijd een echte ‘gebruiksplant’. Het hout en de twijgen werden voor allerlei doeleinden gebruikt. Daarnaast zijn de bloesems en (rijpe) bessen eetbaar. Ook werden er allerlei eigenschappen aan de struik toegekend zoals het weren van de duivel en van heksen. De vlier zou ook bescherming bieden tegen blikseminslag en brand. Daarom dat er bij elke boerderij wel een vlier stond. De geur zou ook vliegen weren. In het Duits heet de struik Holunder en een Zuid-Nederlandse streeknaam is heulenteer. Deze naam verwijst naar Holla, de Germaanse godin van leven en dood (Vrouw Holle uit het sprookje). Volgens het etymologisch woordenboek is ‘vlier’ een toponiem, dus afgeleid van een plaatsnaam of landschapselement. Vlier of vledder is een Noord-Nederlands toponiem voor slecht ontwaterd grasland.

Er komen nog twee vliersoorten in ons land voor: de trosvlier en de kruidvlier. De takken van de trosvlier zijn gevuld met geel tot roodbruin merg. De bloemen staan in eivormige pluimen en de bessen zijn rood (niet eetbaar). De kruidvlier is geen struik maar een kruidachtige plant. Hij komt voor in Zuid-Limburg en in het rivierengebied. De bloemen staan in tuilen en de vruchten zijn zwart (niet eetbaar). Van de gewone vlier komen ook cultuurvariëteiten voor zoals de peterselievlier (met fijn verdeeld blad) of variëteiten met donkere bladeren en roze schermen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴, 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢 𝘷𝘢𝘯 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥

Plaats een reactie