Soort van dag 219: zilvermeeuw

(7 augustus 2023)

Bij de kust horen meeuwen: krijsend en zwevend in de lucht, op het water of op de uitkijk. Op dag 38 besteedde ik aandacht aan twee wat kleinere meeuwensoorten die je ook veel landinwaarts ziet: kokmeeuw en stormmeeuw. Een grote, algemeen voorkomende meeuwensoort is de zilvermeeuw. Voor mij hoort deze soort bij Concert at Sea op de Brouwersdam waar ze de etensresten opruimen. En als gezelschap op boten van en naar de Waddeneilanden of als je loopt op het strand. Ook in het binnenland en in de stad zie je ze, vooral in het winterhalfjaar. En op de weilanden, al trappelend op zoek naar een sappige regenworm.

De zilvermeeuw hoort samen met nog een aantal meeuwensoorten tot de groep van zilver- en mantelmeeuwen. Meeuwen van deze groep lijken erg op elkaar, vooral hun juvenielen (jongen). Ook kruisen sommige soorten onderling en komen er ondersoorten voor. In Nederland komen de zilvermeeuw en de kleine mantelmeeuw van deze groep het meeste voor. Een aantal is veel zeldzamer of zie je hier uitsluitend als winter- of dwaalgast.
Van de volwassen zilvermeeuw zijn de kop en onderzijde wit. De vleugels en rug zijn (zilver)grijs. Hij heeft zwarte vleugelpunten met witte vlekken. Van de ondersoort die bij ons broedt, zijn de poten roze. De snavel is geel met een rode vlek op de ondersnavel. Een jonge zilvermeeuw is geheel grijsbruin (foto linksonder). Pas in de tweede winter krijgt die grijze bovendelen en in het vierde jaar heeft hij zijn volwassenkleed.
De kleine mantelmeeuw heeft zwarte vleugels en rug en gele poten (foto rechtsonder). Andere meeuwen waar je de zilvermeeuw mee zou kunnen verwarren, zijn de stormmeeuw (veel kleiner, gele poten), de geelpootmeeuw (gele poten) en de pontische meeuw (oogt vriendelijker, lichtgele poten).

Nederlandse zilvermeeuwen blijven hier het jaar rond. In de winter komen daar vogels uit Noord- en Oost-Europa bij. Zilvermeeuwen (en kleine mantelmeeuwen) broeden in kolonies in duinen, op kwelders, schorren en dijken in het Waddengebied en het Deltagebied. In steden broeden ze ook steeds vaker; daar doen ze dat op daken. Daar kunnen geen vossen komen die het voorzien hebben op de eieren en jongen van deze grondbroeder. Ze hebben één broedsel, met gemiddeld drie eieren. Als een oudervogel naar het nest terugkeert met voedsel, tikken de jongen tegen de rode vlek op de snavel. De oudermeeuw geeft dan voedsel op.
Van de zilvermeeuw zijn er zo’n 40.000 broedparen; dat is de helft van het aantal in de jaren ’90. De afname komt door predatie door de vos en door minder voedselaanbod (afdekken van afvalbergen en minder visserijafval). Ter vergelijking: van de kleine mantelmeeuw zijn er 75.000-90.000 broedparen.

Zilvermeeuwen zijn alleseters en zijn daarom minder aan de kust gebonden dan andere zeemeeuwensoorten. Ze eten vissen en schaal- en schelpdieren, aas, eieren en kuikens van andere kustvogels en wormen in weilanden. En natuurlijk versmaden ze een frietje en een boterham niet. Ze laten krabben en schelpen van grote hoogte op een harde ondergrond (asfalt, basaltblokken) vallen en eten vervolgens het vlees op. Het krabbenschild, de scharen en vaak ook de poten laten de zilvermeeuwen liggen (foto linksboven).

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯 : 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨

Eén gedachte over “Soort van dag 219: zilvermeeuw”

Plaats een reactie