(25 augustus 2023)
Gisteren ging het over mieren waarvan sommige soorten bladluizen als ‘vee’ houden. Bladluizen kwamen ook al bij verschillende plantensoorten en bladluisbestrijders aan de orde. Dus de hoogste tijd om aandacht te besteden aan de bladluizen zelf waarvan in ons land meer dan 400 soorten voorkomen.
In de collage zie je verschillende bladluissoorten op verschillende planten. Eerste rij: op bloedzuring, vogelkers en teunisbloem. Tweede rij: op tuinboon (zwarte bonenluis), raapzaad (melige koolluis) en gele lis. Derde rij: op grote klit, geel nagelkruid en beuk (wollige beukenbladluis). Vierde rij: op wilg, riet (melige pruimenluis) en boerenwormkruid. Vijfde rij: op aalbes (bloedblaarluis) en fluitenkruid en tenslotte een bladluizendoder (een graafwesp).
De meeste bladluizen zijn afhankelijk van één plantensoort of groep van verwante plantensoorten (de waardplanten). Sommige leven afwisselend op een winterwaardplant en een zomerwaardplant. Als de kwaliteit van het plantensap achteruit gaat, komen er luizen met vleugels en die vliegen naar de andere waardplant toe. De zwarte bonenluis, bijvoorbeeld, zit in de zomer op bonensoorten en boswilg, in de winter op kardinaalsmuts, sneeuwbal en Gelderse roos.
Bladluizen hebben een peervormig lichaam, een steeksnuit en een kort ‘staartje’. Met hun steeksnuit prikken ze een gaatje in bijvoorbeeld het blad van een plant. Het sap uit de plant spuit door de druk waaronder de sapstroom staat, zo de bladluis in. Bladluizen kiezen vooral voor groeipunten zoals jonge twijgen, jong blad en bloemknoppen. Het sap hierin bevat de meeste voedingsstoffen. Ze hebben vooral behoefte aan eiwitten. Het teveel aan suikers die in het sap zitten, wordt uitgescheiden. Dat vocht, honingdauw genoemd, is een voedingsbodem voor roetdauwschimmels. Ook bijen, wespen en mieren komen er op af. Soms trommelen de mieren op de bladluizen om de afgifte van honingdauw te bevorderen. Bladluizen hebben ook voordeel van hun relatie met mieren. Mieren beschermen hen tegen predatoren (zoals lieveheersbeestjes en de larven daarvan) en parasieten (bijvoorbeeld parasitaire wespen). Bovendien zorgen de mieren ervoor dat de luizen niet verkleefd raken door de grote hoeveelheid geproduceerde honingdauw.
Het voorkomen van bladluizen kan gevolgen hebben. Ze kunnen plantenziektes overbrengen. Jonge planten kunnen doodgaan als er te veel bladluizen op zitten. Sommige soorten veroorzaken gallen of andere vergroeiingen zoals de bloedblaarluis op bessenstruiken.
Op de bladluis op fluitenkruid (midden onder) zie je duidelijk twee sifons zitten. Hiermee wordt een stof uitgescheiden waarmee soortgenoten gealarmeerd worden bij gevaar en als verdediging tegen vijanden.
Het grootste deel van het jaar zijn er alleen vrouwtjes die zonder bevruchting jongen krijgen. Deze worden levend als nimf geboren en vervellen vier keer voordat ze volwassen zijn. De witte vervellingshuidjes zie je vaak ook op planten zitten. Er zijn meerdere generaties in een jaar die elkaar snel kunnen opvolgen. In de herfst worden mannetjes gevormd die de vrouwtjes bevruchten. De vrouwtjes leggen vervolgens wintereitjes. Hieruit komen in het voorjaar de stammoeders die vervolgens weer levendbarend zijn. Hier zie je een filmpje over de levenscyclus van bladluizen.
Bladluizen planten zich razendsnel voort, maar gelukkig zijn er veel dieren die bladluizen eten. Denk maar aan (larven van) lieveheersbeestjes, larven van verschillende soorten zweefvliegen en gaasvliegen, oorwormen, galmuggen, sluipwespen en ook vogels.
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭

3 gedachten over “Soort van dag 237: bladluizen”