(9 september 2023)
Dit weekend is het de Nationale Spinnentelling. Mensen wordt gevraagd om in tuin én huis op zoek te gaan naar spinnen en door te geven welke soorten en hoeveel ze zien. Tip: ga ’s avonds met een zaklantaarn buiten kijken. Je zult verbaasd staan hoeveel spinnen je ziet, want veel spinnen zijn vooral ’s nachts actief. Uiteraard zie je ook webben, waarvan de wielwebben het opvallendst zijn, zeker met mist zoals vanmorgen.
In ons land komen zo’n 630 soorten spinnen voor. Al eerder zijn de strekspinnen en de huiszebraspin voorbij gekomen. Van de wielwebspinnen (kruisspinachtigen) komen in ons land 36 soorten voor. Op de foto’s zie je zes soorten die ik in onze tuin heb waargenomen.
Wielwebspinnen zijn middelgroot tot groot en hebben een breed achterlichaam. Ze maken wielwebben met een kleverige vangspiraal en een gevuld centrum. De mannetjes zijn veel kleiner dan de vrouwtjes. Vrouwtjes verpakken zoals alle spinnen hun eitjes in een cocon van spinsel. Bijna alle spinnen hebben een eenjarige cyclus.
De bekendste wielwebspin is de kruisspin (foto linksboven). Het achterlijf van deze spin is afgerond driehoekig met daarop het karakteristieke kruis, bestaande uit witte vlekken. Omdat deze grote spin dag en nacht in haar web hangt, is het een van de meest bekende en waargenomen spinnensoorten. Volwassen exemplaren zie je van augustus tot in de herfst. Het vrouwtje zet haar eitjes af op een beschutte plek; de cocon is bedekt met een geel wollig spinsel. Ze blijft erbij tot ze sterft. In het voorjaar komen de jonge spinnen tevoorschijn.
Op de foto ernaast zie je de rietkruisspin. Deze spin maakt haar web tussen hoge grassen en riet. Deze is kleiner dan de kruisspin en variabel van kleur. Het web heeft maar weinig spaken. Aan de rand van het web zit een schuilspinsel waar de spin zich overdag ophoudt. Hierin zit ook het eicocon. Ze is ’s nachts te zien van mei tot september.
Een soort die verward kan worden met de rietkruisspin, is de brugspin (foto midden links). Deze tref je met haar tamelijk grote webben vooral aan op gebouwen, onder bruggen, in tunnels enzovoort, vooral bij buitenlampen en straatverlichting. Rond onze hooiberg zitten tientallen exemplaren met overlappende webben. Overdag zie je ze niet; dan zitten ze in hun schuilspinsel. Vrouwtjes zijn het hele jaar te zien.
Daarnaast zie de platte wielwebspin die een breed en plat achterlijf met variabele kleur heeft. De soort kan makkelijk herkend worden aan het eikenbladpatroon op het achterlijf. Deze spin verstopt zich overdag onder schors en in kieren. Ze kan zich extra plat maken door pezen aan te spannen. De aanhechtingspunten van die pezen zijn zichtbaar als putjes.
Een mooi klein wielwebspinnetje is de komkommerspin. De soorten van dit geslacht worden zo genoemd omdat hun achterlijf groengekleurd is. De twee meest algemeen voorkomende soorten zijn met het blote oog niet van elkaar te onderscheiden. De komkommerspin maakt een horizontaal web en geen verticaal web zoals de andere genoemde wielwebspinnen. Je ziet de volwassen exemplaren in de zomer. Het eicocon legt ze op een blad dat in de herfst op de grond valt.
Een heel opvallende soort is de wespspin, ook wel tijgerspin genoemd. Deze soort is relatief nieuw in ons land, afkomstig uit Zuid-Europa. De webben zijn op een meter hoogte vooral te vinden in heidevelden en graslanden. Opvallend aan het web zijn de twee zigzagmatjes. De functie ervan is niet helemaal duidelijk. Wespspinnen zijn ook overdag te zien (juli-september) en vangen vooral sprinkhanen in hun web.
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘣𝘰𝘦𝘬 𝘉𝘢𝘴𝘪𝘴𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘚𝘱𝘪𝘯𝘯𝘦𝘯, 𝘸𝘦𝘣𝘴𝘪𝘵𝘦𝘴 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦 𝘦𝘯 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭

2 gedachten over “Soort van dag 252: wielwebspinnen”