(12 november 2023)
De winter nadert en veel mensen gaan dan de vogeltjes in de tuin bijvoeren. Een vogel die daarvan profiteert, is de sperwer. Ook voor deze kleine roofvogel is een voedertafel een uitgelezen plek om aan voedsel te komen. Vanuit dekking kan hij daar de vogels observeren en vervolgens ‘vanuit het niets’ toeslaan. Dat is vaak een goed moment om deze vrij schuwe vogel te zien te krijgen, zeker als hij een vogel heeft gevangen die te groot is om mee weg te vliegen.
Op de foto rechts, gemaakt door Sander Uiterwijk, zie je een mannetje sperwer met zijn prooi. Zelf zie ik ook regelmatig een sperwer, maar bij ons eet hij de prooien nooit zo in het zicht op. Wij vinden vooral de veren op de plukplek terug. Op de foto links zit een vrouwtje sperwer op een paaltje met daarboven een andere kleine roofvogel, de torenvalk.
Sperwers komen door het hele land voor. Ze zijn vooral te vinden in halfopen landschappen, dus met bosjes waarin veel kleine vogels zitten, en in bosranden. Soms kunnen we ze ook in de stad zien. Je kunt ze onderscheiden van andere kleine roofvogels door hun brede, afgeronde vleugels en lange staart met vierkant uiteinde. Ook hun relatief lange poten zijn kenmerkend.
Sperwers zijn nauw verwant aan haviken; ze horen tot hetzelfde geslacht. Haviken zijn groter en forser gebouwd dan sperwers. Een mannetje sperwer is vrij makkelijk te herkennen door zijn formaat en zijn kleuren. Een vrouwtje is een stuk groter en kan worden verward met een mannetje havik. Havikvrouwtjes zijn nog een slag groter, ongeveer zo groot als een buizerd. Haviken hebben een staart met een afgerond uiteinde en de vleugels zijn puntiger en in verhouding tot de staart langer. Zit de roofvogel op een paaltje, dan herken je de havik aan zijn stevige poten en forse snavel. Haviken zitten in dicht bos en open landschap.
Mannetjes sperwer vangen mezen, mussen en vinken. De grotere vrouwtjes jagen vooral op vogels van het formaat merel, spreeuw of gaai. Maar ook een Turkse tortel wordt wel gevangen. Als in je tuin een roofvogel achter een mees aan zit, zal het meestal om een sperwer gaan en niet om een havik of een torenvalk. Haviken jagen ook op vogels, o.a. op (jonge) sperwers.
Sperwers maken hun nest hoog in de bomen in dichte bosjes. De jongen komen uit als de jonge mezen uitvliegen. Die vormen in die periode dan ook het belangrijkste voedsel. Ons land kent zo’n 2.500 broedparen.
De vogels die bij ons broeden, blijven meestal ook in de winter hier. Vogels uit Noord-Europa trekken naar onze streken of gaan verder naar Zuidwest-Europa. In de winter zijn hier zo’n 10.000-15.000 sperwers.
Na een dieptepunt in de jaren ’70 nam het aantal sperwers toe toen allerlei landbouwpesticiden werden verboden. Maar sinds 2000 neemt het aantal broedparen weer af. Ook het aantal wintergasten is lager geworden. Er worden hiervoor verschillende oorzaken genoemd. Het kan komen door een verminderd voedselaanbod (er zijn tenslotte ook minder mussen) en door een toename van het aantal haviken buiten de bosgebieden (op de hogere gronden neemt hun aantal ook af).
De naam ‘sperwer’ is afgeleid van een samentrekking van de Oudhoogduitse woorden sparo (= mus; vergelijk het Engelse sparrow) en aro (= arend); mussenarend dus.
Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘴𝘰𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Eén gedachte over “Soort van dag 316: sperwer”