Soort van dag 296: wilde kardinaalsmuts

(23 oktober 2023)

Een struik die vooral in het najaar opvalt, is de wilde kardinaalsmuts. Niet alleen door de blaadjes die dan mooi rozerood verkleuren, maar ook door de opvallende vruchten waarmee de struik volhangt. Ook de vruchten zijn rozerood en hebben wel wat weg hebben van de hoofddeksels van katholieke kardinalen, vandaar de naam. Als de vruchten opensplijten, komen vier feloranje zaden tevoorschijn die aan een dun draadje bungelen. De zaden zelf zijn wit maar wat je ziet is de oranje zaadrok, een vlezig omhulsel van de zaden. Er zijn veel vogels die op deze zaadrokken afkomen, zoals lijsterachtigen (merels, koperwieken, kramsvogels), mezen en roodborsten. De witte zaden worden onverteerd uitgepoept. Mensen kunnen deze vruchten overigens beter niet eten.

De struik (of kleine boom) bloeit in mei en juni met onopvallende, groengele tot groenig witte, viertallige bloemen. Rond de stamper zit een schijf dat nectar afscheidt en waar allerlei insecten op af komen. De bestuiving vindt plaats door korttongige insecten die de nectar komen oplikken. Op de foto linksonder is een blaaskaakje (een blaaskopvlieg) op een bloem te zien.

Als de struiken hun blad hebben verloren, vallen de groene twijgen goed op. De twijgen voelen vierkant aan door de kurklijsten. Konijnen in de duinen zijn gek op de bast van twijgen. Ze kunnen de takken helemaal rondom afschillen zodat de stammetjes afsterven. De struik reageert hierop door in het voorjaar uit ondergrondse uitlopers veel nieuwe loten te vormen. Zo ontstaan er aaneengesloten bosjes waar reeรซn graag in schuilen. Door de vraat grijpt ook een parasitaire schimmel zijn kans: de kardinaalsmutsvuurzwam.
Op de foto onderaan zie je vraat aan twijgen in onze tuin van afgelopen winter. Wij hebben geen konijnen en bovendien zaten de vraatsporen te hoog voor deze dieren. Ik denk dat ook muizen er dus van eten.

De struiken zijn waardplanten voor o.a. de aangebrande spanner en de kardinaalsmutsstippelmot. De rupsen van de stippelmot kunnen een struik helemaal kaal vreten en stukken van de struik inspinnen, maar deze herstelt daar weer goed van. Door de groene twijgen van de struik kan de fotosynthese namelijk gewoon doorgaan en rond de langste dag (Sint-Jan) verschijnen er weer nieuwe loten en bladeren. Verder is de kardinaalsmuts de favoriete winterwaardstruik van de zwarte bonenluis.

De struiken komen van nature voor in de Hollandse en Zeeuwse duinen, het rivierengebied en Zuid-Limburg. Elders kun je de struik ook aantreffen omdat hij vaak wordt aangeplant. Je ziet kardinaalsmutsen vaak samen met sleedoorn, eenstijlige meidoorn, wegedoorn en rode kornoelje.
De soort heet โ€˜wildeโ€™ kardinaalsmuts om hem te onderscheiden van tuinplanten zoals de Japanse kardinaalsmuts (die soms (invasief) kan verwilderen).

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 295: mosdiertjes

(22 0ktober 2023)

Van het bestaan van sommige diergroepen zijn we ons nauwelijks bewust. Zo is er de stam van de mosdiertjes waarvan wereldwijd zesduizend (nu nog levende) soorten bekend zijn en die in kolonies in m.n. zout water leven. Die kolonies kunnen heel verschillende vormen hebben: van korsten tot mosachtige structuren. Vandaar de naam mosdiertjes. In ons deel van de Noordzee komen 130 verschillende soorten voor.
Toch kunnen we soms mosdiertjes of hun resten wel waarnemen. Zo zag ik een korstvormige mosdiertjeskolonie (zeekantwerk of zeevitrage genaamd) op de rug van een noordzeekrab (foto rechtsonder). Heel spectaculair zijn de afgestorven kolonies van het harige mosdiertje als die aanspoelen op het strand. Dat kan een meter hoge, stinkende laag opleveren. Op de fotoโ€™s bovenaan zie je aangespoelde mosdiertjes op Ameland in oktober 2021. In de zomer van datzelfde jaar was er een massale stranding die ook het nieuws haalde. Meer hierover vind je hier.

Mosdiertjes zelf zijn hooguit een millimeter lang en eigenlijk alleen met een loep goed te bekijken en van elkaar te onderscheiden. Elk individu (zoรฏde) leeft in een soort kalkhuisje (cel); deze cellen zijn allemaal aan elkaar vastgekit tot een kolonie. De diertjes hebben een tentakelkrans waarmee ze plankton uit het water vangen. Elk diertje heeft een darmstelsel en een zenuwknoop (een hart ontbreekt). De individuen staan altijd met elkaar in verbinding.
Een kolonie bestaat meestal uit zowel mannelijke als vrouwelijke diertjes. Eigenlijk zijn ze hermafrodiet maar elk diertje ontwikkelt of alleen eicellen of alleen zaadcellen. De embryoโ€™s ontwikkelen zich in de cel van de moeder of in speciale broedcellen. Uitgegroeide larven worden โ€˜losgelatenโ€™ en beginnen elders een nieuwe kolonie door zich te klonen.
Mosdiertjes staan aan het begin van de voedselketen in zee. Ze eten plankton en zelf worden ze gegeten door onder meer zee-egels en zee(naakt)slakken. Er zijn allerlei dieren die in de kolonies van mosdiertjes een schuilplek vinden (bijvoorbeeld zeepaardjes) of de kolonie gebruiken als substraat om zich op te vestigen (bijvoorbeeld mosselen). Tussen aangespoelde kolonies kunnen allerlei vogels voedsel vinden.

Zeekantwerk maakt een gaasachtige korst op verschillende soorten ondergrond zoals stenen, schelpen, grote wieren, palen en plastic. Ze zitten vanaf de laagwaterlijn tot enkele tientallen meters diep. Ook vind je ze in riviermondingen en in brak water. De diertjes zelf zijn ca. 0,4 mm groot.
Het harig mosdiertje is ook wel bekend onder de namen harig kantmosdiertje en harige vliescelpoliep. In principe maken deze diertjes ook een korst. Ze zijn dan alleen met een loep van zeevitrage te onderscheiden door naar de haarvormige stekels op het kalkskeletje te kijken. Als er geen substraat is om zich op te vestigen, maken ze de mosachtige vormen door rug aan rug te groeien (foto linksonder). In warm zeewater kunnen ze zich explosief ontwikkelen.
Een andere soort die ik wel eens op het strand heb gevonden, is het breedbladige mosdiertje (helaas geen foto van). Deze maken bladvormige kolonies die op kleurloos zeewier lijken.
Meer voorbeelden van mosdiertjes zie je hier.

Mosdiertjes en poliepen worden wel eens met elkaar verward. Een poliep is het vastzittende stadium van een neteldier. Meer hierover vind je bij de oorkwal. Mosdiertjes kunnen hun kolonie op een poliep vestigen. Als een poliep afbreekt, bijvoorbeeld door sterke stromingen, gaan de mosdiertjes mee en kunnen ze aan land spoelen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

Bronnen: Veldgids Flora en fauna van de zee, Wikipedia, Nature Today, anemoon.org, Gea 1993 nr.1

Soort van dag 294: veenmossen

(21 oktober 2023)

Je zou het niet zeggen als je een plukje veenmos vasthoudt: dit plantje heeft delen van het Nederlandse landschap gevormd en ervoor gezorgd dat onze voorouders er warmpjes bij zaten. Veen kan ons helpen bij klimaatverandering. Het slaat, zo lang het nat is, heel veel koolstof op. Levend veen neemt per vierkante meter vijf keer meer kooldioxide op dan bos.

Veenmossen zijn bladmossen, met stengels en blaadjes en zonder wortels. Vocht en voedingsstoffen worden via het bladoppervlak opgenomen. Mossen zijn sporenplanten (zie bij de haarmossen). De sporenkapsels ontspringen aan de top van de stengels. Op de foto bovenaan zie je een plukje veenmos dat ik uit elkaar heb gehaald. Op de detailfoto links daaronder zie je dat de blaadjes van veenmos geen bladnerven hebben.
Een belangrijk kenmerk van veenmos is dat het heel veel water kan vasthouden. Veenmos heeft twee soorten cellen: cellen met bladgroen (voor de fotosynthese) en dode, holle cellen die zich met water volzuigen en door hun vorm dat ook lang kunnen vasthouden. Veenmos kan tot twintig keer zijn volume aan water opnemen.

Veenmosplantjes groeien dicht tegen elkaar aan en vormen uitgestrekte kussens en bulten. Ze groeien bovenaan aan en sterven aan de onderkant af. Zo ontstaan er dikke lagen met afgestorven plantenresten. Dit materiaal vergaat heel traag, want er komt nauwelijks zuurstof bij en het is te zuur voor micro-organismen die normaliter voor afbraak zorgen. (Deze zure en zuurstofloze omstandigheden hebben er ook voor gezorgd dat mensen die in het veen gestorven zijn, zo goed bewaard zijn gebleven als veenlijk.) Zoโ€™n dik pakket van veenmos- en andere plantenresten noemen we veen.
Er wordt onderscheid gemaakt in hoogveen en laagveen. Laagveen ontwikkelt zich onder invloed van (voedselrijk) grondwater. Hoogveen ontwikkelt zich uit regenwater en bestaat grotendeels uit veenmos. Laagveen kan later ook hoogveen worden als het veenpakket zodanig aangegroeid is, dat de vegetatie alleen nog door regenwater kan worden gevoed.

De ontwikkeling van de venen in Europa begon na de laatste IJstijd. Rond het jaar 1000 waren grote delen van ons land nog bedekt door veen. In de eeuwen daarna werden veel van deze gronden in cultuur gebracht (ontwaterd en vergraven) en werd er veen gewonnen als brandstof (turf). Het Nederlandse landschap (en de bijbehorende natuur) is sindsdien ingrijpend veranderd. Ons land kent nog verschillende laagveengebieden. Van het (levend) hoogveen resteren in het oosten nog maar een paar stukjes zoals het Bargerveen en het Haaksbergerveen.
Het hoogveen in Duitsland, Ierland en de Baltische staten wordt nog steeds op grote schaal afgegraven. Ook bij ons wordt dat verkocht, als potgrond en turfmolm. (Zie hier voor alternatieven.)

Er komen in ons land dertig verschillende soorten veenmos voor. Om deze van elkaar te onderscheiden heb je veelal een microscoop nodig. Sommige soorten veenmos komen vooral in hoogveen voor, andere juist in laagveengebieden. De meest algemene soort is gewoon veenmos. Veenmossoorten komen door elkaar heen voor. Op het natuurbouwproject van Stichting De Bovenlanden uit 1988 in Wilnis is dit jaar een mosseninventarisatie gehouden. Er zijn meer dan dertig soorten mossen gevonden waarvan zes soorten veenmos.

Veenmos kan groeien op arme, zure gronden. Bovendien verzuurt en verarmt het zelf zijn omgeving doordat het veel (basische) mineralen opneemt. Er zijn daarom alleen maar heel specifieke planten die in een hoogveengebied willen groeien. Zonnedauw en dwergstruiken van de heidefamilie lukt dat omdat zij op een andere wijze aan mineralen komen. Aan het biotoop hoogveen zijn allerlei soorten insecten en andere dieren gebonden. In veenmosvegetaties komen ook paddenstoelen voor zoals de veenmosgrauwkop die parasiteert op veenmos (foto midden onder).

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ฆ๐˜ท๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ฉ๐˜ฐ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ท๐˜ฆ๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜ฉ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ด๐˜ต๐˜ฆ๐˜ญ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฅ๐˜จ๐˜ช๐˜ฅ๐˜ด ๐˜”๐˜ฐ๐˜ด๐˜ด๐˜ฆ๐˜ฏ

Soort van dag 293: vliegenzwam

(20 oktober 2023)

Ik zie weer veel fotoโ€™s voorbij komen van โ€˜grote paddenstoelen, rood met witte stippenโ€™, van vliegenzwammen dus. In 2022 was deze zwam de paddenstoel van het jaar. Mensen werd gevraagd om waarnemingen (met foto) door te geven. Tienduizenden waarnemingen kwamen binnen. Zo is meer bekend geworden over de verspreiding van de vliegenzwam: het is een algemeen voorkomende paddenstoel die eigenlijk alleen in (zee)kleigebieden ontbreekt.
In de collage zie je vliegenzwammen in verschillende stadia. In het midden zie je een deel van een heksenkring. Hoe die ontstaat, heb ik uitgelegd bij de grote parasolzwam. De vliegenzwam is een amaniet, net zoals de parelamaniet en de roodbruine slanke amaniet (afbeelding hiervan bij de zomereik).

De stippen op een vliegenzwam zijn restjes van het omhulsel dat om de jonge paddenstoel heen zat. Ook aan de voet van de paddenstoel zie je resten daarvan, de zogenaamde beurs. Bij regen spoelen de stippen vrij makkelijk van de hoed af, dus je kunt ook exemplaren zonder stippen tegenkomen. Verder heeft de paddenstoel een ring. Dat is het restant van een vlies dat de plaatjes beschermde toen de paddenstoel nog jong was. Een vliegenzwam is vaak rood, maar je komt ook oranje tot gele exemplaren tegen.
Onder de amanieten komen dodelijk giftige soorten voor. Ze zijn niet dodelijk als je ze aanraakt, maar wel als je ze consumeert. Ook zijn er amanieten die (na verhitting) eetbaar zijn. Verder zijn er soorten die gifstoffen bevatten die op het hartritme werken of stoffen die hallucinogeen zijn en op het zenuwstelsel werken; dat laatste geldt voor de vliegenzwammen.
De paddenstoel heeft de naam vliegenzwam gekregen, omdat veehouders vroeger uit deze paddenstoel een vliegendodend middel maakten.

Bij verschillende paddenstoelen heb ik al verteld over bodemschimmels die samenleven met planten. 90% van alle planten leeft met schimmels samen. (Dat geldt bijvoorbeeld niet voor de kruisbloemigen en een aantal soorten uit de amarantenfamilie.)
Zoโ€™n samenlevingsvorm van plantenwortels en schimmeldraden wordt mycorrhiza genoemd. De schimmel ontvangt suikers van de plant. Via de schimmeldraden ontvangt de plant voedingsstoffen en water. Zowel de schimmel als de plant heeft er dus baat bij; symbiose noemt men dat. Voor veel planten is deze samenwerking van levensbelang. Want het schimmelnetwerk zorgt er ook voor dat de plant beschermd is tegen uitdroging, ziektes die in de bodem zitten en de opname van (giftige) zware metalen.

Er bestaan verschillende vormen van mycorrhiza. Zo zijn er schimmels waarvan de schimmeldraden zich uitstrekken tot in de wortelcellen. Dergelijke schimmels maken geen paddenstoelen, dus die vind je alleen als je een wortelmonster analyseert.
En dan zijn er schimmels die met hun draden rondom de wortels en tussen de wortelcellen zitten. Dat zijn zogenaamde ectomycorrhiza. Deze maken wel paddenstoelen. 10% van de Nederlandse paddenstoelen (ca. 650 soorten, waaronder de amanieten) zijn ectomycorrhiza-paddenstoelen. Deze vind je vooral bij bomen en struiken. Vliegenzwammen vind je o.a. bij berken, eiken, dennen en sparren.
Via het schimmelnetwerk zijn bomen ook onderling met elkaar verbonden. Zo kunnen volgroeide bomen hun suikers delen met jonge bomen die zelf nog onvoldoende suikers weten aan te maken, bijvoorbeeld omdat ze in de schaduw van grote bomen staan.
Een boom leeft niet met รฉรฉn, maar met tientallen tot honderden verschillende soorten schimmels samen! Elke schimmelsoort heeft daarbij zijn eigen betekenis voor de boom. Aan de hand van DNA-onderzoek kan worden bepaald om welke schimmels het gaat. Hier vind je daar een filmpje over.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ฃ๐˜ข๐˜ด๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ถ๐˜ณ๐˜ด๐˜ถ๐˜ด ๐˜ฑ๐˜ข๐˜ฅ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜ด๐˜ต๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฆ๐˜ฏ, ๐˜ฎ๐˜บ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 292: robertskruid

(19 oktober 2023)

Vaak denken mensen dat (eenjarige) planten in het voorjaar kiemen, maar veel planten doen dat al in het najaar. Dat is het geval bij kleefkruid en ook bijvoorbeeld bij robertskruid. Deze plant uit de ooievaarsbekfamilie staat nu in verschillende fasen in onze tuin: met alleen blad, nog nabloeiend en met vruchten en als kiemplant.

De familienaam โ€˜ooievaarsbekโ€™ heeft te maken met de vorm van de vruchten: deze hebben aan het eind een opvallende lange snavel. Een vrucht bestaat uit een middenzuil en vijf deelvruchtjes; het snavelvormige verlengstuk houdt alles bij elkaar. Als de zaden rijp zijn, springen de deelvruchten los. Bij robertskruid worden de zaden alle kanten op weggeslingerd, tot wel zes meter ver. Daarom vinden we de plant in onze tuin ook tussen het mos op een afdakje en in een knotwilg.
De ooievaarsbekfamilie kent drie verschillende geslachten waarvan de namen naar de โ€˜bekkenโ€™ van verschillende vogels verwijzen. Zo heb je de ooievaarsbekken (geslacht Geranium; van geranos = kraanvogel), de reigersbekken (geslacht Erodium; van erodios = reiger) en tenslotte de geraniums (geslacht Pelargonium; van pelargos = ooievaar). Robertskruid is een ooievaarsbek.

Van robertskruid kun je het hele jaar door rozetten vinden. De bladeren zijn drie- tot vijftallig en lijken wel wat op varenbladeren. De planten bloeien van mei tot in de winter. Over de vijf helderroze (soms witte) kroonblaadjes lopen drie witte nerven. Het stuifmeel valt op door de oranje kleur. De nectar is alleen bereikbaar voor insecten met een lange tong (sommige zweefvliegen, hommels, vlinders).
De plant heeft een zwak wortelgestel, eigenlijk te zwak om de plant overeind te houden. De bladstelen dienen als een soort stutten. De plant is bezet met veel klierharen en heeft een karakteristieke, sterke geur. Daarom wordt robertskruid ook wel stinkende ooievaarsbek genoemd.

Robertskruid komt algemeen voor, in het noorden van ons land alleen lokaal. Je vindt de plant vooral op vochtige, voedselrijke plaatsen. Hij kan enerzijds op plekken met diepe schaduw groeien (wat vrij uitzonderlijk is voor een eenjarige plant) en anderzijds in de volle zon op stenige plekken en muren. Staat de plant op drogere plekken, dan zijn de bladeren rood.
De groeiplaatsen zijn vaak verstoorde bodems. Toen wij achttien jaar geleden onze huidige tuin inrichtten, stond de eerste zomer onze tuin vol robertskruid. Nu vinden we nog slechts incidenteel een exemplaar, op heel verschillende plekken, ook als stoepplantje.

Op de overwinterende blaadjes schijnen vaak talrijke zwarte bultjes te zitten: het robertskruidkraterbultje, een schimmel. Ik heb ze nog nooit bewust gezien, dus daar zal ik deze winter eens op gaan letten. Er is een bladwesp waarvan de larven de bladeren van ooievaarsbekken tot het bladskelet kaalvreten. Verder zijn er twee snuittorren gespecialiseerd op ooievaarsbekken.

Er komen in Nederland zoโ€™n dertig soorten ooievaarsbek voor waarvan tien echt inheems zijn. Andere soorten zijn hier door toedoen van de mens beland, bijvoorbeeld als tuinplant. Er zijn allerlei speculaties over naar welke Robert het robertskruid vernoemd zou zijn. Maar mogelijk gaat het om een verbastering van het Latijnse woord โ€˜ruberโ€™ wat rood betekent.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 291: fruitvliegen

(18 oktober 2023)

Fruitvliegjes, wie kent ze niet. Ze zitten op een stuk overrijp fruit of nippen van je wijn. Je vindt ze op van alles wat gist (fermenteert): fruit, organisch afval, uitwerpselen en paddenstoelen. Ze ruiken de gistdampen op een afstand van tientallen meters. Via een open raam komen ze je huis binnen en landen ze op de fruitschaal. Het kan ook zijn dat je larven met overrijp fruit mee naar binnen hebt genomen.

De meeste fruitvliegen hebben rode ogen en hun borststuk is relatief groot en bol. Hun levenscyclus is heel kort. Onder optimale omstandigheden (temperatuur tussen de 23 en 27 graden) ontwikkelt een eitje zich binnen twee weken tot een volwassen dier. In het voorjaar, als het minder warm is, gebeurt dit binnen vier weken.
Vrouwtjes die paringsbereid zijn, zoeken een stuk gistend fruit en lokken daar de mannetjes naar toe. Als een vrouwtje bevrucht is, zoekt ze een ander stuk fruit waarop ze haar eitjes legt. Ze voegt er wat gist aan toe wat ze heeft meegenomen van het stuk fruit waar ze paarde. Want het luistert wel nauw: overrijp fruit gaat eerst gisten en daarna nemen bacteriรซn het rottingsproces over. Dan groeien er minder gisten en is er minder te eten voor de larven.
De eitjes met een lengte van een halve millimeter komen binnen dertig uur uit. De larven leven van gisten (eencellige schimmels) en andere micro-organismen op het fruit en vervellen een aantal keer. Na zeven tot acht dagen hebben ze zich volgegeten. Dan zoeken ze een koelere plek om zich te verpoppen. Na een dag of zes komt het volwassen vliegje tevoorschijn dat binnen twee dagen geslachtsrijp is. Het volwassen leven van een vrouwtje duurt veertig tot vijftig dagen. Als de omstandigheden gunstig zijn, kan ze in die tijd honderden eitjes afzetten.
Momenteel zie ik bijna geen fruitvliegen meer. Als de temperatuur daalt, gaan ze in een soort ruststand, de zogenaamde diapauze. Als de temperatuur oploopt, ontwaken ze.

Fruitvliegen komen oorspronkelijk uit de tropische delen van West-Afrika. Van daaruit hebben ze zich, in het kielzog van de mens, over de rest van de aarde verspreid. Alleen op Antarctica komen geen fruitvliegen voor.
De familie van de fruitvliegen kent in ons land zoโ€™n vijftig soorten. Twintig daarvan horen tot het geslacht fruitvlieg (Drosophila). Ze zijn door leken moeilijk van elkaar te onderscheiden. Vrij makkelijk herkenbaar zijn de mannetjes van de suzuki-fruitvlieg, een exoot. Deze hebben namelijk zwarte vlekken op hun vleugels (foto linksboven).
De bekendste fruitvlieg is de zogenaamde bananenvlieg (Drosophila melanogaster). Omdat deze zich makkelijk laat kweken, wordt deze op grote schaal gebruikt voor allerlei soorten onderzoek zoals op het gebied van genetica. Zes Nobelprijzen zijn aan de fruitvlieg te danken. Hier zie je meer over het gebruik van de fruitvlieg in de wetenschap.

Fruitvliegjes zijn misschien wel lastig, maar niet schadelijk: ze ruimen rottende, gistende materialen op. Zelf staan ze op het menu van allerlei insecten, spinnen, vleermuizen en vogels. Ook zijn er sluipwespen die hun eitje in de larven van fruitvliegjes leggen.
De suzuki-fruitvlieg komt sinds 2013 in ons land voor en is wel schadelijk. De vrouwtjes leggen met hun lange legboor eitjes in rijpend, zacht fruit zoals aardbeien, frambozen, bramen, pruimen en kersen. De larven eten hiervan. Dit heeft gevolgen voor de oogst, maar ook voor vogels die in het najaar veel bessen moeten eten om de winter goed door te kunnen komen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ต๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ถ๐˜ธ.๐˜ฏ๐˜ญ

Soort van dag 290: roodborst

(17 oktober 2023)

Momenteel stroomt Nederland vol met roodborsten. In ongeveer elke tuin bij ons in de buurt hoor ik er nu wel een zingen. Een vriendin vertelde dat โ€˜haarโ€™ roodborst is teruggekeerd. Het is vast een andere dan vorig jaar, maar elke winter heeft ze een exemplaar in haar tuin.

Het hele jaar zijn er roodborsten in ons land. Een deel van de vogels die bij ons hebben gebroed, vertrekt in september naar Zuidwest-Europa. De rest wordt aangevuld met roodborsten die in Scandinaviรซ hebben gebroed en bij ons komen overwinteren. Een echt strenge winter zullen veel van deze roodborsten overigens niet overleven. Roodborsten die blijven en de winter overleven, hebben als voordeel dat ze als eerste een broedterritorium kunnen uitzoeken in het voorjaar.
In het zomerhalfjaar zitten roodborsten vooral in de bossen. In de winter zoeken ze onze tuinen op: omdat het klimaat daar milder is, hopen ze dat daar genoeg te eten is. In wat rommelige tuinen is dat zeker het geval. Roodborsten eten allerlei ongewervelde beestjes: slakken, spinnen, kevers (en hun larven) en wormen. Deze zoeken ze op de grond, onder struiken en tussen bladeren. Ze houden het in de gaten als je in de tuin bezig bent: wellicht spit je een worm of insect op. In de winter eten ze ook zaden en fruit. Vinden ze niet genoeg of ligt er sneeuw, dan komen ze graag mee-eten van de voedertafel.

Het is je vast wel opgevallen dat er in de winter op je voedertafel (en in je tuin) meestal maar รฉรฉn roodborst zit. Roodborsten, mannetjes รฉn vrouwtjes, hebben namelijk in de winter elk een eigen voedselterritorium.
Het is van levensbelang dat een roodborst zijn territorium verdedigt tegen soortgenoten. Anders heeft hij niet genoeg te eten. Daarom dat een roodborst, man en vrouw, alles wat rood is uit zijn territorium probeert te verjagen. Dat kan een soortgenoot zijn, een rode bal maar ook zijn eigen spiegelbeeld. De roodborsten die zich nu laten horen, zijn bezig om hun plekje voor komende winter te bevechten. Letterlijk bevechten; soms overleeft er een het gevecht niet.

Roodborstjes kun je het hele jaar horen zingen. Zowel de mannetjes als vrouwtjes zingen in de winter hun sprankelende liedje om hun voedselterritorium te verdedigen. In het broedseizoen hoor je de mannetjes. Ze beginnen vaak al te zingen als het nog donker is. Hier hoor je hun geluid.

In het voorjaar zoeken de mannetjes roodborst een geschikt broedterritorium. Best spannend voor een vrouwtje om zich in dat territorium te begeven, want de eerste reactie van het mannetje is om haar te verjagen. Maar het vrouwtje houdt zich in en gaat het gevecht niet aan. Ze delen het broedterritorium dat verdeeld is in twee voedselterritoria: een deel voor het mannetje en een deel voor het vrouwtje.
Roodborsten zijn zogenaamde halfholenbroeders. Het nest maken ze op een plek met een afdakje. Dat kunnen ook bladeren in dicht struikgewas zijn. Jonge roodborsten hebben nog geen rode borst. Dat voorkomt dat ze door hun eigen ouders aangevallen worden.

Roodborstjes hebben altijd tot de verbeelding gespeeld. Ze zijn het symbool van hoop. โ€˜Robinโ€™ (redbreast) is de nationale vogel van Groot-Brittanniรซ. Roodborsten horen tot de familie van de vliegenvangers, net zoals de roodborsttapuit en het paapje die ook een rode borst hebben. Ik heb niet kunnen vinden of bij deze vogels het territorium ook zo agressief verdedigd wordt.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜๐˜ฐ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฃ๐˜ฆ๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฎ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 289: kleefkruid

(16 oktober 2023)

Als ik in onze tuin wat klusjes doe, heb ik geheid klittende vruchten op mijn kleding zitten. Het gaat hierbij om de vruchten van geel nagelkruid, klit of kleefkruid. Deze hebben weerhaakjes waarmee ze aan vachten van zoogdieren en kleding van mensen blijven zitten. Zo kunnen ze over grote afstanden verspreid worden.

Kleefkruid โ€˜kleeftโ€™ niet, maar klit. De weerhaakjes (eigenlijk: borstelharen) vind je niet alleen op de vruchten, maar ook op de stengels en in mindere mate op de bladeren. De haakjes zorgen ervoor dat de plant zich met zijn slappe stengels omhoog kan werken tussen andere planten en niet weer naar beneden glijdt.
Op de foto linksonder zie je een detail van de weerhaakjes op een vruchtje. Toen ik zoโ€™n vruchtje (met een doorsnede van 2 mm) met mijn USB-handmicroscoop bekeek, zag ik tussen de weerhaakjes wat bewegen. Er kwam een mijt tevoorschijn die zich blijkbaar veilig voelt tussen die borstelharen.

Kleefkruid is een soort uit de sterbladigenfamilie. Kenmerkend voor deze familie is dat de bladeren in kransen staan. Of eigenlijk: ze staan kruisgewijs tegen over elkaar en bij verschillende soorten komen steunblaadjes voor die net zo groot zijn als de eigenlijke bladeren. De kransen bestaan daardoor (meestal) uit zes blaadjes: twee echte en vier steunblaadjes. De blaadjes van kleefkruid eindigen in een stekelpunt. Kenmerkend voor sterbladigen zijn verder de vierkante stengels.
De witte bloemetjes zijn slechts 2 mm groot en hebben vier kroonblaadjes. Ze staan verspreid langs de stengel. Ook nu nog kun je bloeiend kleefkruid tegenkomen. Er vindt zowel bestuiving door insecten als zelfbestuiving plaats. Eรฉn plant kan meer dan vierhonderd vruchtjes produceren.

Op kleefkruid en andere walstrosoorten komen verschillende gallen voor. Een voorbeeld daarvan is de walstrobladmijt die vergroeiingen zoals op de foto rechtsonder veroorzaakt. Kleefkruid is samen met andere walstrosoorten de waardplant van verschillende vlindersoorten waaronder de zeer tot de verbeelding sprekende kolibrievlinder, ook wel meekrapvlinder genoemd.

Kleefkruid houdt van stikstofrijke bodems. De plant groeit zowel in de zon als in de schaduw. Op een voedselrijke vochtige bodem kan de soort matten vormen waardoor andere planten op die plek geen kans meer krijgen. Dat is bijvoorbeeld te zien op de foto rechtsboven: een slootkant waar alleen kleefkruid heeft gegroeid. De plant vind je vaak samen met brandnetels, dovenetels en fluitenkruid.
Kleefkruid is eenjarig. Vaak komen in het najaar de kiemplantjes al tevoorschijn (foto onderaan).

Tot de sterbladigenfamilie horen ook lievevrouwebedstro en walstrosoorten. Vroeger werd in Nederland meekrap geteeld, een gewas dat oorspronkelijk uit het oostelijke Middellandse Zeegebied komt. Uit de wortelstok hiervan werd een rode kleurstof gewonnen. Voorouders van mijn moeders kant zaten vroeger in de meekrapteelt in West-Brabant en op het eiland Tholen. Overigens vind je de rode kleurstof ook in de wortels van kleefkruid.

Jong kleefkruid is eetbaar en gezond; ik heb het wel eens in een soep gedaan, samen met andere eetbare jonge kruiden. Internet staat vol recepten. Van de geroosterde vruchtjes werd vroeger een soort koffie gemaakt. Er schijnt zelfs cafeรฏne in te zitten; niet zo gek, want ook de koffieplant hoort tot de familie van de sterbladigen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ฃ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ฌ ๐˜—๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ต๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜จ๐˜ข๐˜ญ๐˜ญ๐˜ฆ๐˜ฏ, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 288: aardsterren

(15 oktober 2023)

Paddenstoelen heb je in allerlei vormen. Heel apart vind ik de aardsterren. Het is altijd weer bijzonder om er een te vinden. Aardsterren kun je het hele jaar aantreffen omdat ze niet snel vergaan. De grootste kans om er een te zien is tussen half augustus en half november.

Bij aardsterren vormen de sporen zich in het vruchtlichaam. Ze horen dus net zoals de grote stinkzwam en de aardappelbovisten tot de buikzwammen.
Jonge aardsterren worden vaak niet als zodanig herkend: ze zijn bolvormig of hebben de vorm van een tulpenbol of ui. Ze zitten net onder de grond of steken er met hun top bovenuit. Tegen de tijd dat de sporen rijp zijn, barst de buitenlaag van het vruchtlichaam stervormig open. Hierbij drukt de aardster zich omhoog, komt los van de zwamvlok en ligt vervolgens los op de grond. Bij het openbarsten wordt de binnenlaag (het bolletje) van het vruchtlichaam zichtbaar. In dit bolletje bevindt zich de sporenmassa. Als de sporen rijp zijn, komen ze tevoorschijn door een opening (de mond) op de top van het bolletje. Bij een storm rolt de aardster over de grond. Bij elke schok spuit er een wolkje sporen uit het bolletje en zo worden de sporen verspreid.
De vruchtlichamen van aardsterren kunnen drie tot vier jaar oud worden. De zwamvlokken kunnen tientallen jaren oud worden en jaar na jaar een heksenkring van nieuwe aardsterren vormen.

Er komen in ons land negentien verschillende soorten voor waarvan de meeste (erg) zeldzaam zijn. Je vindt ze vooral op warme plekjes op de zandgronden zoals (kalkrijke) duinen en de Veluwe.
Op de collage zie je bovenaan gekraagde aardsterren. Onderaan is een andere soort; volgens ObsIdentify zou het om de gewimperde aardster gaan.

Als je wilt weten met welke aardster je te maken hebt, zijn er verschillende kenmerken waarnaar je kunt kijken. Bijvoorbeeld kenmerken van de slippen en de slippenkrans, de mondzone en het bolletje (zoals wel/geen steel). Een voordeel is dat een aardster los op de grond ligt, dus je kunt hem van alle kanten bekijken. (Via deze link kom je bij een uitgave over de aardsterren van Nederland en Belgiรซ, met determinatiesleutels.)

De gekraagde aardster is de meest algemeen voorkomende aardster van Nederland. Vooral in de kustduinen worden ze veel waargenomen, maar ook wel op (kalkrijk) zand in het stedelijk gebied. Gekraagde aardsterren verdragen stikstofrijke bodems; je vindt ze bijvoorbeeld onder braam en brandnetels. Je herkent ze aan de duidelijk opstaande, vlezige kraag (die overigens ook kan ontbreken). Ze hebben vier tot acht slippen die aan de onderkant glad zijn, vaak met lengtebarsten. Het bolletje is ongesteeld.

Aardsterren zijn saprofieten: de schimmels leven van resten van dode planten en dieren. Ze leven dus niet in symbiose samen met bomen, maar vaak zijn ze toch opvallend vaak in de buurt van bepaalde bomen en struiken te vinden. Je vindt ze zowel op open terrein als in het bos.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ฎ๐˜บ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ต๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ถ๐˜ธ.๐˜ฏ๐˜ญ

Soort van dag 287: bladmineerders

(14 oktober 2023)

Je hebt ze vast wel eens gezien: bladeren met patronen van slingerende lijntjes of verkleurde vlakken. Dergelijke patronen worden veroorzaakt door bladmineerders. Het gaat hierbij om larven van insecten uit verschillende groepen: vliegen (mineervliegen), nachtvlinders (mineermotten), bladwespen (zaagwespen) en kevers (o.a. bepaalde snuitkevers). In ons land komen honderden soorten bladmineerders voor. Daarnaast heb je ook mineerders onder schors en in stengels, vruchten en bloembodems.
De larven eten het weefsel dat zich tussen de opperhuid van het blad bevindt. Ze eten zich door dat weefsel heen en zo ontstaan er holtes: gangen of mijnen genaamd. In dit filmpje kun je zien hoe dat gaat. Een mijngang biedt de larfjes bescherming, al weten kool- en pimpelmezen ze er toch uit te peuteren.
In de natuur is de schade aan planten meestal beperkt. Een beruchte bladmineerder is de paardenkastanjemineermot, een exoot. Aangetaste bladeren vallen voortijdig af en daardoor verzwakt de boom.

Een rondje door de tuin deze week leverde de bladeren met mijngangen op die je bovenaan in de collage ziet. Daaronder zie je bladmineerders op rode klaver, hulst, kamperfoelie en berk. Hulst kent maar รฉรฉn (inheemse) bladmineerder, de hulstvlieg. Op rode klaver komen twaalf en op kamperfoelie tien soorten voor. De berk kent meer dan vijftig bladmineerders waarvan de afgebeelde mineervlieg er รฉรฉn is.

De volwassen dieren zijn vaak klein, onopvallend en moeilijk van elkaar te onderscheiden. Op basis van het uiterlijk van de mijnen zijn wel de larven op naam te brengen. Een uitgebreide website met determineersleutels vind je hier. Speciaal voor mineermotten is er een Vlaamse website.

Waar kun je dan allemaal naar kijken? Allereerst worden er mijngangen, blaasmijnen en vouwmijnen onderscheiden. Gangmijnen komen het meeste voor en kunnen verschillende patronen hebben (recht, rond, willekeurig). Op het hulstblad zie je de blaasmijn van de hulstvlieg. In een blaasmijn kunnen meerdere larfjes bij elkaar zitten.
Verder kun je kijken naar waar de gangen zichtbaar zijn: aan de onderzijde of bovenzijde van het blad of โ€˜bladdiepโ€™. Op het beukenblad in de collage zijn de mijnen alleen aan de onderzijde zichtbaar, bij de rest van de bladeren aan de bovenzijde. Ook kun je naar de kleur kijken: wit, gelig of bruin. Waar de gang begint is eveneens een kenmerk: het ene insect legt haar eitjes meer aan de rand, het andere juist midden op het blad.
Uiteraard produceren etende larfjes uitwerpselen. Per soort verschilt het of die op hoopjes of in sliertjes liggen. Liggen de keuteltjes als een stippellijn, dan heb je met een mineermot te maken. Liggen ze afwisselend links en rechts, dan gaat het om een vliegenlarve. Bij bladwespmineerders liggen de uitwerpselen รณp het blad. De larven vegen de uitwerpselen op een hoop en verwijderen deze door een opening in de mijngang.
Tenslotte kun je naar de waardplant kijken: sommige bladmineerders zijn gespecialiseerd zoals de hulstvlieg op hulst.

Moeder bladmineerder legt haar eitjes op of in het blad (met een legboor). De larfjes vreten zich vervolgens door het blad heen. Dat de larve steeds groter wordt, kun je aan de breedte van de gang zien.
De meeste larfjes verpoppen in het blad, andere soorten doen dat daarbuiten. Bij loofbomen vallen in de herfst de poppen met blad en al op de grond. In het voorjaar ontpoppen ze zich als kever, vlieg, microvlinder of blad/zaagwesp. Het hulstvliegje overwintert als larve.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ฃ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฅ๐˜ฎ๐˜ช๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ด.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ.๐˜ฏ๐˜ญ