Soort van dag 186: graafwespen

(5 juli 2023)

De afgelopen maand werd er druk gegraven in onze tuin. Zowel tussen het grind als tussen de klinkers zagen we steeds weer nieuwe hoopjes zand verschijnen. Ik probeerde de gravers te fotograferen, maar dat viel niet mee. Ze schoten snel het holletje in en waren er weer uit voor ik het in de gaten had. Kwam ik te dichtbij, dan waren ze gelijk weg of durfden ze het holletje niet te verlaten. De meeste foto’s die ik maakte, zijn daardoor niet goed gelukt. Ik weet ook niet of het allemaal exemplaren van dezelfde soort zijn, of dat het om verschillende soorten gaat. Een was op een stoelpoot gaan zitten en die heb ik redelijk op de foto gekregen. Dat bleek een zeefwesp te zijn (foto bovenaan in het midden). Daarvan komen in Nederland drie soorten voor. Zeefwespen zijn graafwespen. Van deze familie komen in Nederland wel 160-170 soorten voor.
Op de foto linksboven zie je een graafwesp zijn holletje inschieten. Rechts van het hoopje zand, zie je als je goed kijkt, ook nog een prooi liggen. Links onderaan zie je een graafwesp naar buiten kijken of de kust veilig is.

Zoekend in mijn fotoarchief bleek ik al eerder graafwespen op de foto te hebben gezet. De harkwesp (rechtsboven) is de grootste graafwesp van ons land. Die heb ik een paar jaar geleden op de Slikken van Flakkee gezien. Niet alle graafwespen graven in de grond. Blokhoofdwespen (foto rechtsonder) maken nesten in vermolmd hout.

Volwassen graafwespen eten nectar. Hun tong is vrij kort. Daarom zie je ze vooral op schermbloemigen en sommige composieten. Hun jongen voeren ze met allerlei soorten geleedpotigen: wantsen, cicaden, bladluizen, vliegen, sprinkhanen, kevers, bijen, vlinders, haften en spinnen. Sommige graafwespsoorten zijn gespecialiseerd op één soort. Ook zijn er soorten die de proviand van andere graafwespen afpakken.

Graafwespen heten zo omdat een deel van deze familie een nest onder de grond graaft. Maar veel soorten doen dat niet. Die zitten in vermolmd hout of maken gebruik van bestaande ruimtes in bomen, stengels, gallen of muren (en van insectenhotels). Sommige nemen het nest van een andere graafwesp over.
We gaan even uit van de nesten onder de grond. Na de paring sterft het mannetje. Het vrouwtje graaft onder de grond een nest met gangen en met één of meerdere broedcellen. In elke cel wordt genoeg proviand gedaan en een eitje afgezet. Vervolgens wordt de cel afgesloten. Sommige soorten doen aan broedzorg: de larven worden dan ook nog door de moeders gevoed.
Graafwespen hebben last van allerlei nestparasieten; de belangrijkste zijn goudwespen, mierwespen, sluipwespen, sluipvliegen en dambordvliegen.

Graafwespen zijn er in allerlei soorten, maten en kleuren. Van zwartgekleurde van 3 mm tot de geel-zwarte harkwespen van 2,5 cm. Wat ze allemaal gemeen hebben is dat het wespen zijn, dat ze solitair leven en jagen op voedsel voor hun nageslacht. Verder zijn ze heel divers in hun gedrag en leefwijze. Een interessante groep insecten dus waaraan veel valt te ontdekken. Op Nature Today besteedden ze dit weekend ook een artikel aan de ‘stoepwespen’.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳-𝘥𝘪𝘤𝘩𝘵𝘣𝘪𝘫.𝘯𝘭, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘵𝘪𝘫𝘥𝘴𝘤𝘩𝘳𝘪𝘧𝘵𝘦𝘯.𝘯𝘭/𝘱𝘶𝘣/587207

Soort van dag 185: lepelaar

(4 juli 2023)

Regelmatig zien we lepelaars overvliegen en ook landen in de polder achter ons huis. Er zijn dan ook broedkolonies in de buurt, namelijk in de Nieuwkoopse Plassen en in Botshol.

In Nederland broeden ruim 3.000 paar lepelaars. In 1970 waren dat er nog maar 170. Het ging slecht met de lepelaar door watervervuiling, drooglegging van moerasgebieden, verstoring en predatie. De laatste jaren zijn ze sterk in aantal toegenomen. Twee derde van de broedkolonies bevinden zich in het Wadden- en Deltagebied. Ze broeden ook steeds vaker in het binnenland, bijvoorbeeld langs de grote rivieren. De lepelaar staat sinds 2004 niet meer op de Rode Lijst van bedreigde en kwetsbare vogelsoorten in Nederland.

Lepelaars broeden op de grond. Behalve op plekken waar roofdieren (vossen) zitten: dan maken ze hun nest in bomen en struiken. Soms broeden ze samen met andere vogels zoals aalscholvers, reigers, ganzen en meeuwen. De broedperiode is van eind maart tot eind juli, met één legsel. Ze broeden op plekken die maximaal 40 km verwijderd liggen van plekken waar ze voedsel kunnen vinden. Op de Waddeneilanden broeden ze ook op de kwelders. Deze komen zo nu en dan onder water te staan en dan gaan de nesten verloren. De vrees is dat dat vaker gaat gebeuren nu de zeespiegel stijgt.

Lepelaars zijn grote witte vogels. In het broedseizoen hebben ze een witte kuif op het achterhoofd en een gele vlek op de borst. De snavel is zwart en spatelvormig. Bij volwassen dieren zit er een gele stip op de snavel. Je zou ze eventueel kunnen verwarren met grote zilverreigers, maar die hebben een andere snavel en andere houding. Als ze vliegen, hebben zilverreigers hun hals gebogen; lepelaars vliegen met gestrekte hals.

Na het broedseizoen, in de nazomer, verzamelen de lepelaars zich  bij grote wateren waar genoeg te eten is. In september / oktober trekken ze via tussenstops in Zuidwest-Europa naar West-Afrika. Slechts enkele exemplaren blijven hier in de winter. Vanaf februari keren ze weer terug. De jongen komen pas weer terug als ze geslachtsrijp zijn (dat is na drie jaar). Tot 2000 was Nederland het noordelijkste land waar ze broeden. Inmiddels broeden ze ook in Polen, Denemarken en Groot-Brittannië.

De vogel foerageert in moerassen en sloten en op slikken en wadden. Het voedsel bestaat uit garnalen, kleine visjes en allerlei ongewervelde waterdieren. Bij het foerageren lopen ze door het water en maken ze heen en weer gaande bewegingen met hun kop. Zo schrikken ze hun prooidieren op. Die worden vervolgens met een snelle beweging uit het water gehapt.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘚𝘖𝘝𝘖𝘕, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘦𝘤𝘰𝘮𝘢𝘳𝘦.𝘯𝘭

Soort van dag 184: rode wegslak

(3 juli 2023)

“Help, ik heb slakken in mijn tuin. Wat moet ik doen?” Bij deze vraag kan het gaan om huisjesslakken (zoals tuinslakken of de segrijnslak). Maar nog vaker gaat het over naaktslakken. Dit jaar had ik tot afgelopen week zelf nog nauwelijks naaktslakken in onze tuin gezien. Een enkele akkerslak in de sla of andijvie uit de moestuin en dat was het wel. Maar nu het minder droog is, zie ik ze (gelukkig) weer.

Naaktslakken zijn ontstaan uit huisjesdragende slakken. Ze hebben geen huisje meer, maar een mantelschild achter hun kop. Als overblijfsel zit onder dit schild nog een inwendig schelpje of kalkkorrels. Enkele naaktslaksoorten hebben nog een klein uitwendig schelpje. Omdat ze geen huisje dragen, zijn naaktslakken extra gevoelig voor uitdroging. Ze komen dan ook pas tevoorschijn bij vochtig weer. Ze zijn voornamelijk in de avond en ‘s nachts actief. Ze bewegen door het samentrekken van hun gespierde voet. Tijdens het voortbewegen laten ze een dikke laag slijm achter.

Een zeer algemeen voorkomende en vrij grote soort is de rode wegslak. In Nederland komen in totaal 26 soorten naaktslakken voor waaronder acht wegslaksoorten. Daarnaast zijn er nog kielnaaktslakken, aardslakken (waaronder de grootste, de tijgerslak) en akkerslakken. De wegslakken onderscheiden zich van de andere families door de plaats van de ademopening. Deze zit vóór het midden van het mantelschild; altijd aan de rechterkant. Ze hebben geen kiel (verhoging van de huid over het midden). Verder hebben ze geen schelpje maar kalkkorreltjes (maar die zie je niet). Ook de sculptuur van de huid (tuberkels genoemd) verschilt per soort. Rode wegslakken hebben grote langgerekte tuberkels en hun oppervlak ziet er daardoor ruw uit.

Rode wegslakken zijn gestrekt 10-15 cm lang. De kleur varieert van zwart tot oranjebruin of bruinrood. In kalkrijke gebieden, zoals Zuid-Limburg, zijn ze vaak oranje. Kenmerkend voor deze soort is de zijkant van de voetzool: oranjebruin met zwarte dwarsstreepjes. Bij jonge exemplaren ontbreekt deze rand. De onderkant van de voetzool is grauwwit. Als de slak zich bedreigd voelt, neemt hij een karakteristieke bolle houding aan. Het slijm wordt dan ook kleveriger.

Je kunt de rode wegslak verwarren met de Spaanse wegslak, een exoot. Die is iets minder algemeen en wordt maximaal 10 cm lang. Om er zeker van te zijn met welke soort je te maken hebt, zou je ze genetisch en anatomisch moeten onderzoeken.

Naaktslakken eten van levende planten. En dan vooral van zaailingen in de moestuin of een kwakkelende plant zoals op de foto. Drie jaar geleden zagen we rode wegslakken massaal, ook overdag, zich te goed doen aan deze slaapbol. Van andere slaapbollen bleven ze af. Verder eten naaktslakken dood organisch materiaal, ook dode soortgenoten, en zijn dus goede opruimers. De tijgerslak (met panterprint) jaagt ook op levende naaktslakken.

In de natuur worden naaktslakken gegeten door everzwijnen, slangen, verschillende vogelsoorten, egels, mollen, dassen en padden. In een gevarieerde, natuurlijke tuin is plek voor naaktslakken én voor (een deel van) hun predatoren. Heb je echt erg veel last van (naakt)slakken, kijk dan hier voor tips.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘚𝘭𝘢𝘬𝘬𝘦𝘯 𝘦𝘯 𝘮𝘰𝘴𝘴𝘦𝘭𝘴, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴

Soort van dag 183: tormentil

(2 juli 2023)

Vandaag ben ik over de helft! Tot nu toe is het gelukt om elke dag aandacht te besteden aan een soort (of soortgroep). Aanleiding was een ingezonden brief in Trouw eind december waarin de zorg uitgesproken werd over het natuuranalfabetisme in Nederland. Mensen herkennen nauwelijks meer soorten. Daarnaast gaat het slecht met de natuur en de biodiversiteit. Hoe kunnen mensen biodiversiteits- en natuurherstel als urgent ervaren als ze niet eens weten over welke natuur het gaat? Ik hoop met mijn soort van de dag hier iets aan te kunnen doen (en zelf leer ik er ook veel van).

Vorige week zondag besteedde het programma Vroege Vogels in hun jubileumuitzending hier ook aandacht aan. Ze spraken over het belang van natuuronderwijs en over onze ‘natuur- of soorten(on)geletterdheid’. Liefde voor de natuur kan niet vroeg genoeg beginnen. Daarom dat Vroege Vogels wil weten welke tien soorten een basisschoolleerling zou moeten kennen. Je kunt dat via hun website doorgeven. In september maken ze de tien bekend.
Tien is natuurlijk veel te weinig. Mijn voorkeur zou uitgaan naar soorten die zelf van belang zijn voor de biodiversiteit (veel relaties hebben), zoals paardenbloem, wilgen en zomereik. Ook de nationale bloem (madeliefje) en vogel (grutto) mogen niet ontbreken. Ook een bodem- en waterdier en een schimmel horen erbij. Als kinderen jong zijn, zal het accent liggen op beleving en herkennen van de soort. Als ze ouder zijn, kunnen de relaties met andere soorten, landschap en de mens aan de orde komen. Natuurlijk horen veel naar buiten gaan en zelf onderzoeken erbij. Op Facebook werden al verschillende suggesties voor de tien soorten gedaan. Daarbij werden overigens ook huisdieren, landbouwdieren, tuinplanten en landbouwgewassen genoemd…

Liefde voor de natuur is bij mij vroeg begonnen. Tot mijn vijfde woonde ik in Assen. Uit die tijd heb ik natuurherinneringen zoals broedende koolmeesjes op ons balkon, bijtende zwanen in het park, bloemetjes plukken en een schoolreisje naar Hooghalen. Een heel dierbare jeugdherinnering is samen met mijn vader plantjes opzoeken in zijn flora. Toen ik vier was, leerde hij mij op de hei o.a. tormentil herkennen. In mijn vaders flora zit nog een gedroogd bloemetje. Nu speur ik nog altijd op vochtige heidevelden, schraallanden en duinvalleien naar dit plantje.

Tormentil hoort tot de rozenfamilie en het geslacht van de ganzeriken. De gele bloemen zijn (meestal) viertallig. Dat is ook bij kruipganzerik het geval. De stengels van deze plant liggen en wortelen op de knopen. De stengels van tormentil zijn opgaand. Andere ganzeriken hebben vijftallige bloemen. Net zoals veel roosachtigen hebben de bloemetjes veel meeldraden. Ze bloeien van mei tot in september. De naam tormentil is afgeleid van het Latijnse woord ´tormentum´ wat kwelling betekent. De plant werd gebruikt tegen buikpijn, krampen en andere kwellingen.
Bestuiving vindt plaats door verschillende soorten maskerbijen (hier op boterbloem). Het aardbeivlindertje gebruikt o.a. tormentil als waardplant. Ook zijn er galwespen die gallen op de stengels van ganzeriken veroorzaken.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢 𝘷𝘢𝘯 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥, 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭

Soort van dag 182: parapluutjesmos

(1 juli 2023)

In een bloempot vond ik gisteren parapluutjesmos. Dat is een makkelijk herkenbare levermos die groeit op schaduwrijke en vochtige plaatsen. Vaak vind je ze op kale, verdichte grond, maar ook op vochtige muren en bestrating. Ik ken ze ook van (boom)kwekerijen.
Parapluutjesmos is te herkennen aan de ‘parapluutjes’. Toen ik tussen mijn foto’s zocht, vond ik een foto met andersoortige parapluutjes. Een andere soort? Nee, parapluutjesmos is tweeslachtig. Dat wil zeggen: je hebt aparte mannelijke en vrouwelijke plantjes. De palmboomachtige zijn de vrouwtjes (rechtsonder), de gesloten parapluutjes zijn de mannetjes (rechtsboven).

Wereldwijd komen zo’n 9.000-10.000 levermossoorten voor, meestal in vochtige gebieden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bebladerde levermossen en thalleuze levermossen. Bebladerde levermossen hebben een stengel met twee rijen blaadjes zonder nerven (de blaadjes van bladmossen hebben wel nerven). Thalleuze levermossen zoals parapluutjesmos hebben een bladachtig, lobvormig orgaan wat blad, stengel en wortel in één is. Zo’n orgaan wordt thallus genoemd. Aan de onderzijde zitten rizoïden (soort draadjes) waarmee de levermossen vastgehecht zitten aan de ondergrond. Bij sommige soorten doet de thallus wat aan de vorm (lobben) van een lever denken. Vandaar de naam ‘levermos’ voor soorten van deze groep.

Op de foto links zie je de leerachtige lobben van het parapluutjesmos met daarop broedbekers. Ook kun je de huidmondjes (ademopeningen) goed zien.
In de broedbekers zitten kleine korreltjes. Als er een (regen)druppel op valt, spat het water alle kanten op en neemt de korreltjes mee. Uit zo’n korreltje groeit een nieuw plantje. Naast deze manier van ongeslachtelijke voortplanting komt ook geslachtelijke voortplanting voor. Op de lobben ontwikkelen zich dan in juni-juli de parapluutjes. Aan de onderzijde ervan bevinden zich de geslachtsorganen. De mannelijke voortplantingscellen moeten naar de vrouwelijke toe zwemmen. Als die bevrucht zijn, vormen zich sporenkapseltjes aan de onderzijde van de vrouwelijke parapluutjes. De sporen worden door de wind meegenomen.

De bovenkant van de thallus is waterafstotend. De plant is daardoor ondoordringbaar voor water met eventueel daarin opgeloste schadelijke stoffen en ongevoelig voor luchtverontreiniging. Water wordt opgenomen via schubben aan de onderkant van de thallus. In sterk vervuilde gebieden kan parapluutjesmos dus gewoon groeien, ook op kwekerijen waar met chemische bestrijdingsmiddelen wordt gewerkt.

Er schijnen drie ondersoorten van parapluutjesmos te zijn. Er zijn ook levermossen die op parapluutjesmos lijken, zoals het halvemaantjesmos. Hiervan zijn de broedbekers halvemaanvormig.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘣𝘭𝘸𝘨.𝘯𝘭, 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴, 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘔𝘰𝘴𝘴𝘦𝘯

Soort van dag 181: sporkehout

(30 juni 2023)

Vandaag aandacht voor een struik die al vaker genoemd is: sporkehout. Deze is ook bekend onder de naam vuilboom, een naam die ik zelf meestal voor deze struik gebruik. Sporkehout (en de verwante wegedoorn) zijn waardplanten voor de citroenvlinder en voor kroonroest. Maar er is meer over deze struik te vertellen.

Sporkehout is een onopvallende struik, met enkelvoudige blaadjes en onopvallende groen-witte bloempjes. De bloemen leveren veel nectar en worden daarom druk bezocht door bijen (zoals de weidehommel op de foto), wespen, kevers en vliegen. De struik bloeit van mei tot oktober. Bijzonder is dat in de zomer er gelijktijdig knoppen, bloemen en onrijpe tot rijpe bessen (groen, rood, zwart) aan één tak zitten. De bessen (steenvruchten) worden door vogels gegeten (lijsterachtigen, fazanten). De licht giftige bessen en bast werden vroeger als laxeermiddel gebruikt (vuilafdrijvend; vandaar ‘vuilboom’). Ook werden vroeger van de vruchten verfstoffen gemaakt. Van het hout kun je goed houtskool maken, o.a. als bestanddeel van buskruit.

Er zijn vrij veel vlinders die gespecialiseerd zijn op sporkehout en wegedoorn. Naast de citroenvlinder gaat het om een aantal spanners, bladrollers en mineermotten. Rupsen van het boomblauwtje, groentje en de nachtpauwoog zijn op sporkehout te vinden, maar ook op andere loofhoutgewassen. De eerste generatie boomblauwtje eet vooral van de bloemknoppen van sporkehout en hulst; de tweede generatie zit o.a. op klimop. Vroeger werd deze vlinder ook wel vuilboomblauwtje genoemd. Verder zijn een bladwants en een bladvlo gespecialiseerd op sporkehout.

De naam ‘sporkehout’ betekent: sprokkelhout. De struik kan er goed tegen om als hakhout gebruikt te worden. De struik houdt van lichte, humeuze, zure bodems. Je vindt ze op zandgronden, in laagveengebieden en als bosaanplant. Buiten de duinen vind je sporkehout vaak op dezelfde plaatsen waar kamperfoelie groeit.

Wil je een nieuwe, niet al te grote struik in je tuin te zetten, overweeg dan eens om sporkehout aan te planten. Het is niet de mooiste struik, maar je doet er veel dieren een plezier mee en daar kun je zelf weer van genieten. Wij zijn in elk geval fan.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 180: blinde bij

(29 juni 2023)

Als een soort een misleidende naam heeft, is het wel de blinde bij. Want dit insect is én geen bij én hij is niet blind.

Blinde bijen zijn algemeen voorkomende zweefvliegen, horend tot de zogenaamde bijvliegen. Hiervan komen in Nederland veertien soorten voor (zie ook de hommelbijvlieg). Als volwassen insect leven ze van nectar en stuifmeel. Ze zijn belangrijk voor de bestuiving van allerlei soorten bloemen (zie collage).
Blinde bijen lijken erg op honingbijen (zoals hommelbijvliegen op hommels lijken). Dat zie je bijvoorbeeld aan de achterpootjes die ze laten hangen als ze vliegen. Ook maakt een blinde bij een zoemend geluid tijdens het vliegen of als je hem vastpakt. Andere zweefvliegen zijn bijna niet te horen.
Toch zijn er duidelijke verschillen tussen honingbijen en blinde bijen. Allereerst: blinde bijen steken niet. Bijen hebben lange antennes, (zweef)vliegen korte. De ogen verschillen: bijen hebben smalle ogen, vliegen hebben bolronde ogen. Ook aan de manier van vliegen kun je zien of je te maken hebt met een honingbij of een blinde bij. Bijen vliegen in een vloeiende beweging; blinde bijen (zweefvliegen) vliegen schokkerig.
Blinde bijen zijn bruin met een oranje gele tekening op het achterlijf. Deze is zeer variabel: soms zijn ze geheel donker, soms bijna geheel oranje. Het achterlijf heeft minder haren dan het borststuk.

Er vliegen twee generaties. In het voorjaar zie je de vrouwtjes die overwinteren. Als larve (rattenstaartlarve genoemd) leven ze in voedselrijk tot zeer voedselrijk water (in de modder). Ze worden zelfs in gier gevonden. Van juni tot november vliegt de tweede generatie. Mannetjes en vrouwtjes kun je van elkaar onderscheiden door naar de ogen te kijken (zie ook collage). Bij mannetjes raken de ogen elkaar bovenop, bij vrouwtjes zit er een flinke ruimte tussen. Na de paring in de herfst sterven de mannetjes. De vrouwtjes zoeken een beschut plekje om te overwinteren, bijvoorbeeld achter boomschors of in een muurspleet. Een deel van de blinde bijen trekt in het najaar naar het zuiden.

Waarom heten ze ‘blind’? Hiervoor zijn twee verklaringen. Blinde bijen hebben twee banden van haren op hun ogen. Misschien dat mensen daarom dachten dat ze blind waren. Maar waarschijnlijker is dat het ermee te maken heeft dat ze niet kunnen steken (vergelijk ‘doof’ bij dovenetel).

Wist je dat je blinde bijen en andere zweefvliegen kunt kweken? Op Wikipedia vind je hiervoor een handleiding.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴, 𝘣𝘦𝘴𝘵𝘶𝘪𝘷𝘦𝘳𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 179: oeverzwaluw

(28 juni 2023)

In Nederland komen drie soorten echte zwaluwen voor: huiszwaluw, boerenzwaluw en oeverzwaluw. Alle drie eten ze vliegend insecten en overwinteren ze in Afrika. Van deze drie is de oeverzwaluw het kleinst. (Daarnaast zijn er nog de nachtzwaluw en de gierzwaluw, maar dat zijn geen echte zwaluwen.)

Boerenzwaluwen zie je vooral rond boerenerven. Hij is goed herkenbaar aan de lange gevorkte staart en aan zijn roodbruine kin, keel en voorhoofd. Hij maakt zijn nesten in schuren en stallen. Huiszwaluwen hebben op de bovenzijde een opvallende witte stuit. Hij maakt zijn nest van modder aan de buitenkant van huizen, onder een afdakje.

Een oeverzwaluw heeft een korte, lichtgevorkte staart. De bovenzijde van de vogel is lichtbruin. Zijn onderzijde is vrijwel wit. De oeverzwaluw heeft verder een kenmerkende bruine nekband. Het is de eerste zwaluw die terugkeert uit Afrika. Half maart worden de eerste exemplaren al waargenomen. Ook komen er veel op doortrek door ons land. Hoeveel oeverzwaluwen in de zomer in ons land broeden, verschilt van jaar tot jaar. Dat heeft te maken met de weersomstandigheden in hun overwinteringsgebied (de Sahel): in droge periodes is er maar weinig voedsel en zullen veel vogels sterven. In Nederland broedt minder dan 1% van de Europese populatie.

Oeverzwaluwen zie je vooral in de buurt van water. Broeden doen ze in kolonieverband. Van nature maken ze nestholtes (met een nestgang van 40-150 cm lang) in steile, onbegroeide zandoevers langs rivieren. Veel van dergelijke oevers zijn verdwenen doordat mensen de oevers vastgelegd hebben. Bij natuurontwikkeling langs rivieren worden langs nevengeulen wel weer dergelijke oevers gemaakt. Bij gebrek aan oevers broeden oeverzwaluwen ook in zandafgravingen en op bouwplaatsen en gronddepots. Tijdens het broedseizoen zijn nestlocaties beschermd. Eventuele werkzaamheden moeten worden uitgesteld tot na het broedseizoen. Er worden ook wel speciale kunstmatige oeverzwaluwwanden geplaatst. Als de oeverzwaluwen een goede broedplek hebben gevonden, komen ze graag het volgende jaar weer terug. Maar ze kunnen ook snel nieuwe plekken koloniseren.

Oeverzwaluwen eten alleen kleine vliegende insecten (knutten, bladluizen, kleine kevers). Ze vangen die vooral boven (zoet) water. Een gemiddeld nest met jongen eet 7.000 insecten per dag. Er zijn vaak twee legsels. Jongen van de eerste leg slapen met elkaar in het riet. Van eind juli tot oktober trekken de vogels weer weg naar Afrika.

Bij ons in de buurt is ook een kleine kolonie oeverzwaluwen. Deze is zelfs half mei nog in het nieuws geweest. Ik ben er gisteren langs gereden en de oeverzwaluwen zitten er nog steeds. Op de foto onderaan links is, als je goed kijkt, een jong vogeltje te zien. Op de foto onderaan rechts komt een ouder het jong voeren. Het valt niet mee om de wendbare zwaluwen op de foto te krijgen!

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘚𝘖𝘝𝘖𝘕, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 178: moeraswespenorchis

(27 juni 2023)

Orchideeën spreken erg tot de verbeelding. Wereldwijd komen zo’n 20.000 soorten voor, de meeste in de tropen. Sommige hiervan worden bij ons verkocht als kamerplant. Maar ook in de Nederlandse natuur komen orchideeën voor, wel zo’n veertig verschillende soorten!
Veel orchideeënsoorten in Nederland zijn (zeer) zeldzaam. Orchideeën zijn kwetsbaar omdat ze hoge eisen stellen aan hun groeiplaats. Een orchidee heeft namelijk voor de kieming en de groei bepaalde schimmels nodig. Verder kan het jaren duren voor ze voor het eerst gaan bloeien. Door vermesting, grondwateronttrekking, verkeerd maaibeheer en vernietiging van hun leefomgeving zijn ze op veel plaatsen verdwenen. Soorten die vroeger algemeen waren, vind je daardoor soms alleen nog in natuurgebieden. Ook speelt mee dat voor sommige soorten Nederland (Zuid-Limburg) de noordwestgrens van hun verspreidingsgebied is. En tenslotte zijn er mensen die orchideeën uitsteken en in hun tuin zetten (of verkopen als tuinplant). Tuinen voldoen meestal niet aan de eisen die orchideeën stellen en de orchideeën zullen dit dan ook niet overleven.
Met een aantal soorten gaat het goed. De brede wespenorchis is in Nederland de meest algemene soort die ook in stadsparken en tuinen voorkomt. Ook met de voorheen zeldzame bijenorchis gaat het goed. Tot 2017 waren alle orchideeën per wet beschermd; nu geldt dat nog maar voor tien soorten.

Een soort die nu bloeit en makkelijk te herkennen is, is de moeraswespenorchis. Deze groeit in groepen, met elkaar verbonden via hun sterk vertakkende wortelstokken. De stengel is zoals bij alle wespenorchissen bebladerd. De bloemen zijn klokvormig en staan naar één kant gericht. Net zoals alle orchideeën hebben moeraswespenorchissen geen aparte kelk- en kroonbladen, maar twee kransen van drie bloemdekbladen. De onderste van de drie binnenste bloemdekbladen heeft de vorm van een lip. Deze dient als landingsplaats voor insecten die voor de bestuiving moeten zorgen. Bij moeraswespenorchis is de lip wit met achterop een gele vlek. Het streepvormige patroon achterin de bloem lokt de insecten aan en er is volop nectar aanwezig. Moeraswespenorchissen worden door heel veel verschillende insecten bezocht: uiteraard door wespen, maar ook door verschillende bijensoorten, zweefvliegen, weekschildkevers en mieren. Net zoals bij alle orchideeën is het zaad stoffijn. Het wordt over grote afstanden door de wind verspreid.
Je vindt de soort vooral langs de kust, in natte, kalkrijke duinvalleien. Ook staan ze (soms massaal) op voormalige zandplaten van afgedamde zeearmen in Zeeland en het Lauwersmeergebied. Op de bovenste foto zie je moeraswespenorchis samen met rietorchis en kleverige ogentroost in het Deltagebied. Meer landinwaarts komt de soort voor op o.a. schrale graslanden en opgespoten terreinen. De moeraswespenorchis staat op de Rode lijst als ‘kwetsbaar’ en is niet beschermd.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘴𝘪𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘍𝘓𝘖𝘙𝘖𝘕, 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 177: knutten

(26 juni 2023)

Juni is onze omgeving (laagveengebied) bij uitstek knuttenmaand. Ook daarvoor en daarna zijn deze kleine mugjes aanwezig, maar in juni merken we er het meeste van. Daardoor is het nu niet prettig om met (vrijwel) windstil weer ’s avonds buiten te zitten. Ook overdag, in de schaduw, zwermen er knutten om ons heen. Maar dat schijnen andere soorten te zijn dan die je ’s avonds ziet.

Knutten zijn ook bekend als knutjes, knaasjes, knijten (Vlaanderen), knozels (Zuid-Nederland), mietsen (Noord-Nederland), mampieren (Suriname) en meurzen (Nieuwkoop). In het Engels heten ze o.a. midges. Wereldwijd zijn er bijna 6.000 soorten beschreven. In Nederland komen honderd verschillende soorten voor. Zie die kleine beestjes maar eens uit elkaar te houden…

Knutten zijn een familie uit de onderorde muggen. Ze zijn heel klein (1-4 mm). Ze hebben korte poten, donkere vlekjes op de vleugels en stekende monddelen. Niet alle knutten bijten; dat doen vooral de vrouwtjes van het geslacht Culicoides (in ons land met ruim twintig soorten vertegenwoordigd). Ze hebben bloed nodig voor de ontwikkeling van de eitjes. Bij mensen veroorzaken de beten vooral ongemak (hevige jeuk), maar bij sommige dieren kunnen ook ziekten overgebracht worden (zoals blauwtong bij schapen en herkauwers). De mannetjes voeden zich uitsluitend met nectar of andere zoete plantensappen.

Tijdens het zwermen vindt de paring plaats. Na de bevruchting zet het vrouwtje haar eitjes af. Dat kan op allerlei verschillende vochtige plekken zijn, afhankelijk van de soort knut. De bloedzuigende soorten van het geslacht Culicoides zetten hun eitjes af in milieus met organisch materiaal zoals rottend veen en mest. Daarom zijn zij vooral te vinden in het laagveengebied en rond boerenerven.

Uit de eitjes komen de larven. Dat zijn 2-5 mm lange wormachtige beestjes. Ze zijn makkelijk te herkennen door de zwiepende bewegingen die ze maken. De larven eten dood organisch materiaal, bacteriën, algen, schimmels en andere micro-organismen. Larven die in het water leven, worden door vissen en amfibieën gegeten. Larven die op het land leven (2-5 cm onder de grond), staan op het menu van vogels. De larven maken vier stadia door. Daarna verpoppen ze zich.

De meeste soorten van het bloedzuigende geslacht Culicoides ontwikkelen zich bij 20-25o C in ongeveer een maand van ei tot volwassen dier. De volwassen dieren leven een tot twee maanden. Ze worden gegeten door vogels, spinnen en vleermuizen. Afhankelijk van de soort overwinteren ze als ei of in het derde of vierde larvale stadium.

Overigens: niet alles wat klein is en zwermt, is een knut. Op een avond heb ik met een insectennet geprobeerd ze te vangen om ze vervolgens in een afsluitbaar bakje te bekijken (foto rechtsonder). Ik had van alles gevangen, maar (volgens ObsIdentify) geen knut. Ook van de zwerm ‘vliegjes’ boven het water die ik begin mei fotografeerde (foto linksonder), weet ik niet zeker of het knutten zijn.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘬𝘢𝘥.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘦𝘥𝘦𝘱𝘰𝘵.𝘸𝘶𝘳.𝘯𝘭/552023