Natuursprokkel 1: Natuurherstelwerkzaamheden in Boswachterij Westerschouwen

Vorige week wandelden we door Boswachterij Westerschouwen op Schouwen-Duiveland, het grootste bos van Zeeland. Het ligt op de Kop van Schouwen, een gebied dat ontstaan is uit de wisselwerking van natuurlijke processen en menselijk handelen. Er zijn hier nog meer mooie gebieden, elk met hun eigen karakter, verhaal en natuurwaarden, zoals het Zeepe, de Meeuwenduinen, de Verklikkerduinen en de Vroongronden. De Kop van Schouwen is een Natura 2000-gebied, dat wil zeggen: het is onderdeel van het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden. Verder is de Boswachterij een drinkwaterwingebied en een belangrijk recreatiegebied.

Om de stuivende duinen vast te leggen en in de behoefte naar (mijn)hout te voorzien begon men een eeuw geleden hier met het aanplanten van dennen. Hiervoor werd niet de inheemse grove den gebruikt, maar de zwarte den die oorspronkelijk uit Midden- en Zuid-Europa komt. Het gaat hierbij om twee ondersoorten: Corsicaanse en Oostenrijkse den. De zwarte den kan veel beter de zilte zeewind verdragen dan de grove den en groeit bovendien snel met rechte stammen. Een duidelijk onderscheid tussen zwarte en grove den is de kleur van de schors: naar boven toe roodbruin bij grove den en grijsbruin bij zwarte den.
Het aanplanten stopte in 1942, in de Tweede Wereldoorlog. Daarom is het gebied ten noorden van de boswachterij, de Meeuwenduinen, nu nog een open gebied met imposante stuivende duinen. Sinds de jaren ’70 worden de naaldbomen geleidelijk aan vervangen door loofbomen zodat er nu een gemengd bos is.

Tijdens onze wandeling viel ons een aantal dingen op die te maken hebben met het bosbeheer. Nieuwsgierig als wij zijn, wilden we natuurlijk meer weten over het wat en waarom. Gelukkig kon ik veel antwoorden vinden in boswachtersblog.nl/aanzee/. Het blijkt te gaan om natuurherstelwerkzaamheden die te maken hebben met bosverjonging, damherten en Amerikaanse vogelkers.

Damherten komen pas sinds 1993 vrij levend op Schouwen-Duiveland voor. De populatie is ontstaan uit vijftien ontsnapte dieren. Inmiddels hebben ze zich over heel Schouwen-Duiveland uitgebreid en worden ze ook bejaagd. Op de Kop van Schouwen wordt een stand van ca. 325 dieren als gewenst niveau gezien. Het probleem van te veel damherten in de Boswachterij is dat jonge ontkiemende struiken en bomen geen kans krijgen groot te worden. Ook is er maar weinig onderbegroeiing.
We zagen mini-boompjes (m.n. eiken) met een boomkorf eromheen. Het gaat om spontane zaailingen die zo beschermd worden tegen vraat door damherten. Spontane verjonging heeft blijkbaar meer kans van slagen dan het aanplanten van bomen. Op verzoek van provincie Zeeland zijn om duizend boompjes in de Boswachterij boomkorven geplaatst.
Verder kwamen we een van de twee ‘enclosures’ tegen. Hierbij is een hectare bos uitgerasterd zodat er geen herten kunnen komen. Bomen, struiken en kruidachtige planten krijgen zo een kans op te groeien. Ook is in deze vakken een aantal bomen geringd waardoor ze geleidelijk aan afsterven. Er kan dan licht op de bodem komen zodat zaden kunnen ontkiemen. Staand dood hout is bovendien belangrijk voor de biodiversiteit; denk maar aan spechten. Als jonge bomen en struiken groot genoeg zijn, worden de hekwerken weer weggehaald.
Buiten de enclosures zagen we overigens nauwelijks geringde bomen. Bomen die door stormen omwaaien, laat Staatsbosbeheer liggen. Ook worden er nog steeds zwarte dennen gekapt om loofhout meer ruimte te geven. Het stamhout van drie meter wordt verkocht voor kisthout. Het hout van de zwarte den is namelijk niet geschikt om meubels van te maken omdat het veel meer hars bevat dan grove den. Takken enzovoort blijven liggen.

Een ander probleem dat aangepakt wordt, is de Amerikaanse vogelkers. Die is niet aangeplant maar is hier gekomen door zaadjes die vogels uitgepoept hebben. De struik kwam hier zo massaal voor dat er voor inheemse struiken geen ruimte meer was. In de afgelopen jaren zijn de struiken op één meter hoogte afgezet. Dat gebeurde in het groeiseizoen en buiten het broedseizoen. In de jaren daarna worden de afgezette struiken nagelopen. Bladeren worden verwijderd en nieuwe struikjes worden omgeknakt. De afgezette vogelkersen zijn of op rillen gezet of uit het gebied verwijderd en versnipperd.

Uiteraard hebben we tijdens de wandeling niet alleen op het bosbeheer gelet. We hebben ook genoten van het geluid van de ruisende dennen en de goudhaantjes. En in de open Meeuwenduinen zagen we in de verte een paar damherten. Het hekwerk om de Boswachterij is meer bedoeld om recreanten tegen te houden dan de damherten.

Bronnen: boswachtersblog.nl/aanzee/, natura2000.nl, Alterra-rapport 2723, PZC, faunabeheereenheid.nl

Soort van dag 365: (moderne) mens

(31 december 2023)

In het Nederlandse soortenregister zul je tevergeefs zoeken naar Homo sapiens, de (moderne) mens. Toch is het een zoogdiersoort die in ons land voorkomt en die hier op eigen kracht is gekomen. Bovendien heeft de mens buitengewoon veel invloed op zijn eigen leefomgeving, op die van andere organismen en op de organismen zelf. Daarom mag de mens niet ontbreken als ‘soort van de dag’.

Wikipedia: “Mensen zijn intelligente primaten die gekenmerkt worden door hun rechtopstaande houding en tweevoetige voortbeweging, hun fijne motoriek en gebruik van werktuigen, hun complex taalgebruik en geavanceerde en zeer georganiseerde samenlevingen.” Tot de primaten behoren alle halfapen en apen (inclusief de mens). Van het geslacht Homo is de moderne mens (Homo sapiens) nog de enige bestaande soort.
De oudste mensachtige ontwikkelde zich zo’n 2,5 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika. De moderne mens ontstond 300.000 jaar geleden en heeft zich vanuit Afrika over de rest van de wereld verspreid.

Zo’n 15.000 jaar geleden, toen na de laatste IJstijd het klimaat opwarmde, kwam de moderne mens in ons land terecht. Voor die tijd leefden hier al mensen, namelijk neanderthalers. Deze mensensoort was nauw verwant aan de moderne mens en is 40.000 jaar geleden uitgestorven. Overigens niet helemaal, want de moderne mens heeft neanderthalergenen in zijn DNA.
De eerste moderne mensen in ons land waren nomaden die leefden als jager-visser-verzamelaars. Bij Hardinxveld-Giessendam is een jachtkamp van ca. 7.500 jaar geleden opgegraven. Hierin zijn resten gevonden van wild zwijn, bever, otter, grijze zeehond, edelhert, oerrund, zwaan, zeearend, steur, moerasschildpad, tonderzwam, speenkruid (wortelknolletjes), hazelnoten, appels en waternoten.
Zo’n 7.300 jaar geleden vestigden de eerste boeren zich op de vruchtbare lössgronden van Zuid-Limburg. Deze levenswijze was al duizenden jaren eerder in het Nabije Oosten ontstaan en wordt ‘de eerste landbouwrevolutie’ genoemd. Mensen woonden daarbij niet meer in tenten, maar bouwden permanente nederzettingen. Dat had veel gevolgen voor de omgeving. Bos werd gekapt voor hout en om ruimte te maken voor woningen en akkers. Er werden o.a. granen verbouwd en allerlei dieren werden gedomesticeerd zoals koeien, varkens, geiten en schapen. Dat betekende een grote verandering in de relatie tussen mens en natuur, want de mens ging de natuur steeds meer beheersen.
Geleidelijk aan namen de jager-visser-verzamelaars die langs de Nederlandse kustlijn leefden, elementen van het boerenbestaan over: eerst het gebruik van aardewerk, dan het houden van vee en tenslotte de teelt van cultuurgewassen. Het landschap raakte steeds meer ‘ingericht’.

We maken een sprong in de tijd. In de periode 900-1100 werd de basis gelegd voor het landschap zoals wij dat vandaag de dag kennen. In deze periode nam de bevolking toe en was er behoefte aan meer landbouwgrond en hout. Er werden dijken aangelegd, het land werd afgewaterd en het veen ontgonnen. Rond het jaar 900 bestond 30% van het Nederlandse grondgebied uit cultuurland, twee eeuwen later was dat 70%. Met het cultiveren van de wilde natuur verdwenen ook diverse grote dieren uit onze streken zoals de eland en de bruine beer.
In de eeuwen daarna gebeurde nog veel meer wat invloed had op de natuur. Zo werd massaal veen afgegraven voor brandstof en werden de laatste bossen gekapt (rond 1850 bestond Nederland nog maar voor 1% uit bos). In de 19e en 20e eeuw werden productiebossen aangeplant met gebiedsvreemde bomen. Er werd nog meer bedijkt, ingepolderd en drooggemaakt. De Zuiderzee en verschillende zeearmen werden afgesloten.
Grote invloed hadden (en hebben) de industriële revolutie en de tweede landbouwrevolutie. Het gebruik van grondstoffen en fossiele brandstoffen nam toe. Bodems werden ‘verbeterd’ met kunstmest. Door schaalvergroting verdwenen allerlei kleine landschapselementen. Daarnaast werden steden uitgebreid en infrastructuur aangelegd. Al deze ontwikkelingen leid(d)en tot klimaatverandering, vervuiling, vermesting, versnippering, verlies aan leefgebieden voor allerlei planten en dieren, biodiversiteitsverlies, enzovoort.
Ook de bevolking groeide enorm. Rond het jaar 1000 leefden er zo’n tweehonderdduizend mensen in Nederland, rond 1850 drie miljoen en nu zijn het er bijna achttien miljoen. Daarnaast nam ook het aantal landbouwdieren toe. In 2019 telde ons land ruim honderd miljoen kippen, twaalf miljoen varkens en bijna vier miljoen runderen (plus 2,9 miljoen katten en 1,7 miljoen honden).

Door toedoen van de mens kwamen er nieuwe biotopen (levensgemeenschappen) bij zoals akkers en daarmee ook soorten zoals akkeronkruiden en akkervogels. Ook in de steden vinden veel soorten een thuis, bijvoorbeeld slechtvalken, gierzwaluwen, huismussen en muurplanten. Daarnaast werden en worden er bewust en onbewust soorten van elders ingevoerd waarvan sommige zich invasief gedragen. Door de mens verdwenen er ook soorten: soorten waarvan de leefomgeving verdween of vervuild werd of die werden verjaagd en vervolgd. Vooral de laatste decennia neemt het aantal soorten en het aantal organismen enorm af.
Er zijn ook tegenbewegingen. Sinds de jaren ’90 vindt er ‘rewilding’ plaats: de mens doet in bepaalde gebieden een stap terug in het beheer en laat natuurlijke processen weer hun gang gaan, soms geholpen door het uitzetten van verdwenen soorten. Ook wordt er bos aangeplant; in 2021 bestond 11% van het grondgebruik uit bos.

𝗧𝗼𝘁 𝘇𝗼 𝘃𝗲𝗿 𝗲𝗲𝗻 𝘄𝗮𝘁 𝗮𝗳𝘀𝘁𝗮𝗻𝗱𝗲𝗹𝗶𝗷𝗸𝗲 𝗯𝗲𝘀𝗰𝗵𝗼𝘂𝘄𝗶𝗻𝗴 𝘃𝗮𝗻 𝗱𝗲 𝘀𝗼𝗼𝗿𝘁 𝗺𝗲𝗻𝘀. 𝗔𝗹𝘀 𝗺𝗲𝗻𝘀 𝗺𝗮𝗮𝗸 𝗶𝗸 𝗺𝗲 𝘇𝗼𝗿𝗴𝗲𝗻 𝗼𝘃𝗲𝗿 𝗵𝗼𝗲 𝘄𝗶𝗷 𝗼𝗺𝗴𝗮𝗮𝗻 𝗺𝗲𝘁 𝗱𝗲 𝗻𝗮𝘁𝘂𝘂𝗿 𝗲𝗻 𝗼𝗻𝘇𝗲 𝗹𝗲𝗲𝗳𝗼𝗺𝗴𝗲𝘃𝗶𝗻𝗴. 𝗧𝗼𝗰𝗵 𝘄𝗶𝗹 𝗶𝗸 𝗴𝗿𝗮𝗮𝗴 𝗯𝗹𝗶𝗷𝘃𝗲𝗻 𝗴𝗲𝗹𝗼𝘃𝗲𝗻 𝗱𝗮𝘁 𝘄𝗶𝗷, 𝗺𝗲𝗻𝘀𝗲𝗻, 𝗵𝗲𝘁 𝘁𝗶𝗷 𝗸𝘂𝗻𝗻𝗲𝗻 𝗸𝗲𝗿𝗲𝗻. 𝗗𝗮𝘁 𝗯𝗲𝗴𝗶𝗻𝘁 𝗲𝗿𝗺𝗲𝗲 𝗱𝗮𝘁 𝘄𝗲 𝗼𝗻𝘀 𝗲𝗿 𝗯𝗲𝘄𝘂𝘀𝘁 𝘃𝗮𝗻 𝗺𝗼𝗲𝘁𝗲𝗻 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝗱𝗮𝘁 𝘄𝗶𝗷𝘇𝗲𝗹𝗳 𝗱𝗲𝗲𝗹 𝘂𝗶𝘁𝗺𝗮𝗸𝗲𝗻 𝘃𝗮𝗻 𝗱𝗲 𝗻𝗮𝘁𝘂𝘂𝗿 𝗲𝗻 𝗱𝗮𝘁 𝘄𝗶𝗷 𝗻𝗶𝗲𝘁 𝘇𝗼𝗻𝗱𝗲𝗿 𝗱𝗶𝗲 𝗻𝗮𝘁𝘂𝘂𝗿 𝗸𝘂𝗻𝗻𝗲𝗻. 𝗗𝗮𝗮𝗿𝗻𝗮𝗮𝘀𝘁 𝗶𝘀 𝗸𝗲𝗻𝗻𝗶𝘀 𝗻𝗼𝗱𝗶𝗴 𝘃𝗮𝗻 𝗱𝗲 𝘀𝗼𝗼𝗿𝘁𝗲𝗻 𝗺𝗲𝘁 𝘄𝗶𝗲 𝘄𝗶𝗷 𝗼𝗻𝘀 𝗹𝗮𝗻𝗱 𝗲𝗻 𝗱𝗲 𝗮𝗮𝗿𝗱𝗲 𝗱𝗲𝗹𝗲𝗻: 𝘄𝗶𝗲 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝘇𝗲, 𝘄𝗮𝘁 𝗵𝗲𝗯𝗯𝗲𝗻 𝘇𝗲 𝗻𝗼𝗱𝗶𝗴, 𝘃𝗮𝗻 𝘄𝗶𝗲 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝘇𝗲 𝗮𝗳𝗵𝗮𝗻𝗸𝗲𝗹𝗶𝗷𝗸, 𝘄𝗮𝘁 𝗱𝗼𝗲𝗻 𝘇𝗲, 𝘄𝗮𝘁 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝗯𝗲𝗱𝗿𝗲𝗶𝗴𝗶𝗻𝗴𝗲𝗻, 𝗲𝗻𝘇𝗼𝘃𝗼𝗼𝗿𝘁. 𝗛𝗼𝗽𝗲𝗹𝗶𝗷𝗸 𝗵𝗲𝗯 𝗶𝗸 𝗱𝗮𝗮𝗿 𝗵𝗲𝘁 𝗮𝗳𝗴𝗲𝗹𝗼𝗽𝗲𝗻 𝗷𝗮𝗮𝗿 𝗲𝗲𝗻 𝗸𝗹𝗲𝗶𝗻𝗲 𝗯𝗶𝗷𝗱𝗿𝗮𝗴𝗲 𝗮𝗮𝗻 𝗸𝘂𝗻𝗻𝗲𝗻 𝗹𝗲𝘃𝗲𝗿𝗲𝗻.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘤𝘢𝘯𝘰𝘯𝘷𝘢𝘯𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭, 𝘨𝘦𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘦𝘷𝘢𝘯𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭, 𝘸𝘦𝘵𝘦𝘯𝘴𝘤𝘩𝘢𝘱.𝘯𝘶, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘢𝘭𝘪𝘴 (𝘮𝘶𝘴𝘦𝘶𝘮 𝘦𝘯 𝘸𝘦𝘣𝘴𝘪𝘵𝘦), 𝘙𝘪𝘫𝘬𝘴𝘮𝘶𝘴𝘦𝘶𝘮 𝘷𝘢𝘯 𝘖𝘶𝘥𝘩𝘦𝘥𝘦𝘯 (𝘮𝘶𝘴𝘦𝘶𝘮 𝘦𝘯 𝘸𝘦𝘣𝘴𝘪𝘵𝘦), 𝘤𝘭𝘰.𝘯𝘭

Soort van dag 364: kruipend zenegroen

(30 december 2023)

Vandaag, als op een na laatste soort, aandacht voor kruipend zenegroen. Ik draag deze plant op aan mijn dierbare echtgenoot, Jan van der Meij. Hij heeft me het afgelopen jaar enorm gesteund, ook bij ‘de soort van de dag’. Soms werd er wel wat gemopperd: dat ik erg lang achter de computer zat of dat de tafel een rommel was (met allemaal boeken). Maar we gingen er ook fijn op uit, samen met onze hond Beer. Om foto’s te maken, paddenstoelen te zoeken enzovoort. Van Beer hebben we twee maanden geleden helaas afscheid moeten nemen.
Kruipend zenegroen is Jans lievelingsplant. Overal waar we de plant zien bloeien, moet die op de foto. Nu bloeit de plant niet, maar toch is hij te zien (foto onderaan). De naam ‘zenegroen’ verwijst daar ook naar. Het is afgeleid van het Middelnederlandse ‘singroone’ wat ‘altijdgroen’ betekent.
Uiteraard hebben we deze plant in onze tuin staan, zowel de inheemse als de cultuurvariëteit met bruinpaars gekleurde bladeren.

Kruipend zenegroen vormt lange bebladerde uitlopers die op de knopen wortelen. Daarom zie je de plant altijd in groepen. Dit in combinatie met het altijdgroene maakt de plant tot een ideale bodembedekker. De plant bloeit van eind april tot in juni met blauwpaarse bloemen in zogenaamde schijnkransen.
Kruipend zenegroen is een lipbloemige en heeft dus de typische kenmerken van deze familie: vierkante stengel, tegenover elkaar staande bladeren en uiteraard lipbloemen. Bij de bloemen van zenegroen is de onderlip sterk ontwikkeld, net zoals dat bij hondsdraf het geval is.

Kruipend zenegroen vind je in het oosten, midden en zuiden van ons land en in kalkhoudende duinen. De plant is ook wel als stinzenplant aangeplant. De plant groeit in lichte, vochtige loofbossen (langs paden bijvoorbeeld) en in natte en vochtige graslanden, langs beken en in kwelgebieden. Kruipend zenegroen is een indicator van leemhoudende grond.
Piramidezenegroen lijkt erg op kruipend zenegroen, maar bij deze soort ontbreken de uitlopers. Het is een zeer zeldzame soort en is in ons land alleen bekend van de duinen bij Castricum.

Zenegroen is een nectarplant voor allerlei soorten bijen en dagvlinders. Bij de zeldzame aardbeivlinder en het bruin dikkopje wordt kruipend zenegroen met name als nectarplant genoemd. Op de foto rechtsonder zie je een rosse metselbij. Het is de waardplant van de zenegroenbladroller. De zenegroenluis is een bladluis die je alleen op kruipend zenegroen vindt. De zaden hebben een mierenbroodje en ze worden dus door mieren verspreid. Verder kun je op zenegroen rupsen van het muntvlindertje en allerlei bladhaantjes vinden die ook op andere lipbloemigen voorkomen.

Planten overleven de winter op verschillende manieren. Waar de winterknoppen (overwinteringsknoppen) zitten, bepaalt de levensvorm.
Zo zijn er planten die afsterven en ondergronds overleven via bollen (zoals daslook), knollen (zoals speenkruid) of wortelstokken (zoals adelaarsvaren). De winterknoppen bevinden zich ondergronds. Dergelijke planten noemen we geofyten.
Dan zijn er planten waarvan de winterknoppen zich op het niveau van het maaiveld bevinden. Die worden met een moeilijk woord hemicryptofyt genoemd. Hiertoe behoren o.a. de overblijvende soorten met een bladrozet (zoals kruipend zenegroen en madeliefje).
Dan heb je natuurlijk nog planten waarvan de overwinteringsknoppen boven het maaiveld zitten. Zitten die knoppen lager dan 50 cm boven het maaiveld zoals bij blauwe bosbes en struikhei, dan worden deze planten chamaefyten genoemd. Zitten ze hoger zoals bij bomen, struiken en lianen, dan zijn het fanerofyten.
Verder worden nog onderscheiden: helofyten (winterknoppen onder water), therofyten (eenjarigen; hierbij ontbreken de winterknoppen) en tweejarigen (die met een bladrozet de winter doorkomen).

Hier lees je waarom ik in 2023 elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘏𝘦𝘶𝘬𝘦𝘭𝘴’ 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 363: beestjes op kamerplanten

(29 december 2023)

In veel huizen staan exotische kamerplanten en daarop kunnen inheemse beestjes zitten. De natuurlijke vijanden kunnen er meestal niet bij (op spinnen en een enkel lieveheersbeestje na) en daarom kunnen deze beestjes een plaag vormen. Bovendien: wie vindt het nou leuk als er hapjes uit de bladeren van je mooie kamerplant genomen zijn of als je plant plakt vanwege honingdauw, verkleurde of misvormde bladeren krijgt of kwakkelt en uiteindelijk doodgaat? Maar wie zijn die beestjes eigenlijk? En hoe komen ze in je huis? Dat kan op verschillende manieren. Ze kunnen meegekomen zijn met de plant of potgrond. Vaak komen ze binnen via een open raam (tocht), huisdieren of je kleding. En natuurlijk in deze tijd van het jaar: via de kerstboom.

Op onze kerstboom in pot zit bijvoorbeeld een spin (foto linksboven). Het schijnt dat op een kerstboom van een beetje formaat duizenden mijten en springstaarten zitten. Als je je boom uitschudt voordat je hem binnenzet, ben je al veel beestjes kwijt. Doe je dat boven een wit laken, dan kun je de beestjes goed bekijken. De meeste beestjes overleven overigens het binnenklimaat niet: het is voor hun te droog in je huis. Meer over beestjes op kerstbomen lees je op de websites van het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen en Nature Today.

Met een kerstboom kan bijvoorbeeld het beestje van de foto rechtsboven meekomen, namelijk een lapsnuitkever. Deze foto stuurde Desirée van Keulen me toe.
Lapsnuitkevers vind je zowel binnens- als buitenshuis. Ze planten zich hoofdzakelijk ongeslachtelijk voort. Buiten doen ze dat met één generatie. In verwarmde kassen en binnenshuis komen meerdere generaties voor waarbij eieren, larven en volwassen kevers gelijktijdig aangetroffen kunnen worden. Er komen in ons land achttien soorten lapsnuitkevers voor waarvan zeven exoten.
Volwassen lapsnuitkevers nemen karakteristieke halfronde happen uit bladeren. De larven zitten in de grond en eten in eerste instantie dood plantaardig materiaal, maar gaan later over op plantenwortels. Larven kunnen bestreden worden met aaltjes (nematoden: rondwormen die parasiteren op insecten).

De foto van de lapsnuitkever inspireerde me om deze week een rondgang door ons huis te maken, op zoek naar beestjes op onze kamerplanten.
Op de foto in het midden links zie je een grote en een kleine bladluis op een pijnboom-muskaatgeranium (verwant aan de citroengeranium). Meer over bladluizen bij dag 237.
Op de foto ernaast zie je een schildluissoort op al eerder door trips aangetaste bladeren van een Philodendronsoort. Schildluizen zuigen net zoals bladluizen plantensappen op. Vrouwtjes hebben geen poten en vleugels en zitten dus steeds op dezelfde plek. Onder hun schild leggen ze de eitjes. De nimfen die daaruit komen, zijn wel beweeglijk en zoeken een eigen plekje. Tot de schildluizen horen ook de dopluizen en wolluizen. In totaal komen van deze familie in ons land zeventig soorten voor.
Op de foto linksonder zie je een patroon op het blad van de pandaplant (een kalanchoe) dat veroorzaakt is door tripsen, ook wel bekend onder de naam onweers- of donderbeestjes. Tripsen zijn hooguit een millimeter lang. De meeste soorten tripsen zuigen plantensappen; ze doen dat oppervlakkig en de plant zal er niet aan doodgaan. Tripsen worden vooral door thermiek en wind (tocht) verspreid. Wereldwijd zijn er 7.700 soorten bekend, waarvan 150 in ons land voorkomen.
En dan zijn er nog de rouwmuggen, in het bijzonder de varenrouwmug. Op de foto rechtsonder zie je een rouwmug in de ruimte waar een aantal overwinterende kuipplanten staan. Varenrouwmuggen komen op te natte potgrond af. De larven eten van wortels en kunnen met aaltjes bestreden worden.

Andere soorten beestjes op kamerplanten zijn spintmijten en witte vliegen. Hier kun je lezen wat je kunt doen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘏𝘦𝘵 𝘨𝘦𝘭𝘦𝘦𝘥𝘱𝘰𝘵𝘪𝘨𝘦𝘯𝘣𝘰𝘦𝘬, 𝘬𝘢𝘥.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘣𝘪𝘰𝘨𝘳𝘰𝘦𝘪.𝘯𝘭

Soort van dag 362: papiervisje

(28 december 2023)

Elke avond als wij naar bed gaan, zien we er een paar wegschieten: papiervisjes. Deze lichtschuwe insecten komen in veel huizen voor, overigens pas sinds de jaren ’80. Ze komen oorspronkelijk voor in Azië, Afrika en Oceanië. Ze zijn onopzettelijk via vervoer over water en door de lucht in ons land terecht gekomen, mogelijk met verpakkingsmaterialen of natuurlijke materialen uit hun leefgebieden (planten, grond, hout).
Papiervisjes horen tot de groep van de zilvervisjes. Dat zijn primitieve insecten waarvan wereldwijd meer dan zeshonderd soorten voorkomen. Ze hebben zes poten, maar geen vleugels. Hun lichaam is langwerpig en versmalt aan het eind. Kenmerkend zijn de drie lange staartdraden. Ook hebben ze lange antennen. In ons land zijn een paar soorten aangetroffen, allemaal exoten.
De soort zilvervisje, ook wel suikergast genoemd, komt al sinds eind 19e eeuw in ons land voor. Je vindt hem in huizen op vochtigere plekken dan het papiervisje. Ze worden ook wel buitenshuis aangetroffen, onder schors en in mierennesten. Het zilvervisje heeft kortere antennen en staartdraden dan het papiervisje. Verder zijn papiervisjes platter en sterker behaard. De dieren heten ‘visje’ omdat ze kronkelig bewegen.
Alle zilvervissoorten zijn opruimers. Ze leven in onze huizen van voedselresten, papier en ander organisch materiaal (dode insecten en mijten, schimmels). Daarom kunnen ze schadelijk zijn, m.n. het papiervisje dat vrijwel uitsluitend cellulose en zetmeel eet, dus ook papier.

De van oorsprong tropische dieren houden van warmte; bij lagere temperaturen (onder de 16 graden) gaan ze in overlevingsstand. Ze eten niet meer en vervellen ook niet meer. Een temperatuur van 1 graad kunnen ze in verstijfde toestand maanden overleven.
Het zijn insecten waarvan de jongen (nimfen) hetzelfde eruit zien als de ouders. Ze vervellen een aantal keer voordat ze volwassen zijn. Onder ideale omstandigheden (24 graden en een relatieve luchtvochtigheid van 60%) doet een papiervisje daar veertien maanden over. De ideale omstandigheden voor een zilvervisje zijn 25 graden en een relatieve luchtvochtigheid van 75%. Ook als volwassen insect blijven het zilvervisje en papiervisje vervellen. Papiervisjes kunnen 7 tot 8 jaar oud worden, het zilvervisje 2 tot 3 jaar.

Helaas hebben wij dus papiervisjes in huis. Ze zitten vooral in dozen op zolder. Vorig jaar vond ik de resten van papiervisjes in de verpakking van kerstballen (foto bovenaan). Hier vind je tips om van ze af te komen. Het is in elk geval belangrijk om te ventileren en ervoor te zorgen dat je huis niet te vochtig is. Ze zitten bij ons dan ook niet in de woonkamer (waar de lucht vrij droog is), maar in andere ruimtes. Wij hebben verder lijmvallen staan en zuigen ze regelmatig op. En we laten spinnen zitten. Hopelijk is dat voldoende om het aantal en eventuele schade binnen de perken te houden.

Er komen nog meer soorten zilvervisjes in ons land voor. Het ovenvisje dat sinds eind 19e eeuw in ons land voorkwam, wordt niet meer waargenomen. Sinds kort is er een Zuid-Europese soort bijgekomen, het vierstreepzilvervisje. Deze heeft opvallende gele lengtestrepen op zijn rug.
In 2021 en 2022 werd op verschillende locaties een ‘nieuw’ zilvervisje gevonden. Dit goudkleurige zilvervisje heeft de naam mierengoudvisje gekregen, omdat het in mierennesten leeft. Ze zijn gevonden door gewoon een paar stoeptegels op te lichten. Ze zijn klein (6 mm lang), hebben vijf staartdraden en geen ogen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘮𝘪𝘭𝘪𝘦𝘶𝘤𝘦𝘯𝘵𝘳𝘢𝘢𝘭.𝘯𝘭, 𝘬𝘢𝘥.𝘯𝘭, 𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯𝘳𝘦𝘨𝘪𝘴𝘵𝘦𝘳.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘏𝘦𝘵 𝘨𝘦𝘭𝘦𝘦𝘥𝘱𝘰𝘵𝘪𝘨𝘦𝘯𝘣𝘰𝘦𝘬

Soort van dag 361: bosuil en ransuil

(27 december 223)

Een uil die je in winternachten in bossen maar ook bijvoorbeeld bij ons in de buurt kunt horen, is de bosuil. Het geluid draagt ver en klinkt erg mysterieus. Daarom wordt het in films gebruikt bij nachtelijke, spannende of enge scènes. Hier het geluid voor het geval je het niet kent.
Het is het mannetje dat het geheimzinnige geluid voortbrengt. Het vrouwtje antwoordt met een hoog ku-wiek. Hij begint er al in november of december mee, om zijn territorium af te bakenen. Eind februari / begin maart worden de eieren gelegd. Vanaf half februari kun je via ‘Beleef de lente‘ een paartje bosuilen volgen tijdens het broeden en grootbrengen van hun jongen.

Bosuilen maken hun nest in holle bomen. Daarom vind je ze in bossen met oude (eiken)bomen en in parken zoals het Vondelpark midden in Amsterdam. Maar ze broeden ook in gebouwen en nestkasten. Wat voedsel betreft zijn ze niet kieskeurig. Bij voorkeur eten ze kleine knaagdieren en daarnaast ook vogels, reptielen, amfibieën, mollen, grote insecten en regenwormen. Bosuilen laten zich geruisloos van een tak vallen en grijpen dan hun prooi. Vervolgens slikken ze die meestal in zijn geheel door. De resten braken ze uit.
Bosuilen zijn trouw aan elkaar en aan hun woonplek. Als er weinig voedsel in hun territorium is, gaan ze niet op zoek naar een andere plek, maar broeden ze een jaar niet. Jonge vogels vestigen zich binnen een straal van 50 km van het ouderlijk nest.

De bosuil is de meest voorkomende uil van Europa. In ons land broeden ongeveer 5.500 paren en dat aantal is de laatste jaren stabiel. Een bosuil heeft de grootte van een kraai, een ronde kop, zwarte ogen en geen oorpluimen. De vogels zijn grijs, grijsbruin of roodbruin. Op hun schouders hebben ze een rij witte vlekken.

De ransuil is net iets kleiner dan een bosuil. De volwassen vogels laten zich zelden horen, de jongen daarentegen juist wel. Hier hoor je hun roep en het bedelgeluid. Ransuilen zijn te herkennen aan hun oranje-gele ogen en de oorpluimen. Ook de oehoe heeft oorpluimen maar die is veel groter en zeldzamer.
Ransuilen broeden van maart tot mei; in ons land zijn zo’n 2.000-3.000 broedparen. Ze gebruiken oude kraaien- en eksternesten. Als er voldoende te eten is, hebben ze een tweede legsel. Jonge ransuilen zwerven soms honderden kilometers ver op zoek naar een eigen plek.
‘s Winters verzamelen ze zich in groepen en zitten ze overdag met elkaar in bomen, bij voorkeur naaldbomen. Een mooie herinnering heb ik aan een groep ransuilen in 1979. Aan het einde van de strenge winter zaten ze overdag met enkele tientallen in wilgen die boven de ondergelopen uiterwaarden bij Hurwenen uitstaken.
Ransuilen eten vooral muizen en spitsmuizen en pakken ook wel eens een vogeltje. Ze jagen in vlucht. Je vindt ze in allerlei landschappen. Ze broeden niet in dichte bossen en steden. De soort gaat in aantal achteruit, vooral in gebieden met intensieve landbouw.

Jonge bos- en ransuilen kunnen nog niet vliegen als ze hun nest verlaten. Ze klauteren naar een veilige zitplek in de boom en worden daarom takkelingen genoemd. Jonge vogels kunnen ten prooi vallen aan haviken, buizerds, marterachtigen en vossen. Ook volwassen uilen moeten uitkijken voor haviken. En ransuilen voor bosuilen.
Bomen waarin de uilen overdag verblijven, worden roestbomen genoemd. Hier kun je vaak ook braakballen vinden.

In de collage zie je links een tekening van een bosuil, door mijn vader als jonge man gemaakt. De opgezette uilen heb ik in Naturalis gefotografeerd. Bovenaan zie je bosuilen, daaronder ransuilen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦

Soort van dag 360: oesterzwammen

(26 december 2023)

Een plaatjeszwam die ook in de winter te vinden is, is de gewone oesterzwam (zie foto’s). Ze zijn er het hele jaar wel, maar de meeste zie je na de eerste nachtvorst. Je vindt hem op dode stammen van allerlei bomen, vooral op die van beuk, wilg en populier. De schimmel veroorzaakt zogenaamde witrot. De gewone oesterzwam is een afbreker en ook necrotroof. Dat betekent dat de schimmel eerst parasitair is op een oude of verzwakte boom. Als de boom dood is, breekt de schimmel het hout verder af. De gewone oesterzwam is een zeer algemene soort die je door het hele land vindt in parken en bossen, op houtwallen en laanbomen.

Gewone oesterzwammen groeien dakpansgewijs in bundels, altijd op hout. De groeiwijze heeft wel wat weg van een oesterbank; vandaar de naam. Het heeft niks met de smaak of textuur van de paddenstoel te maken.
De hoed van de gewone oesterzwam kan allerlei grijstinten hebben: grijsbruin, blauwgrijs of duifgrijs. De paddenstoelen zijn met een korte steel zijdelings aangehecht. De lamellen zijn wit en lopen langs de steel af. Tussen de lamellen zitten dwarsverbindingen.
Oude exemplaren van de gewone oesterzwam zou je kunnen verwarren met oude exemplaren van de groene schelpzwam; jong zijn deze olijfgroen.

In ons land komen in totaal zes soorten oesterzwammen voor. Ze ruiken allemaal naar champignons en zijn allemaal eetbaar. De bleke, schubbige en trechteroesterzwam zijn soorten die (matig) algemeen voorkomen. De bleke oesterzwam heeft een bijna witte hoed en verschijnt al veel eerder in het jaar. Je vindt hem o.a. in wilgenvloedbossen. Bij de trechteroesterzwam lopen de lamellen nog verder langs de steel af en zijn de dwarsverbindingen tussen de lamellen netvormig. Ze zijn niet zo grijs, maar bruin tot okerkleurig. Je vindt ze vooral op iep en wilg, in parken en bossen. De schubbige oesterzwam is bleekgrijs en de hoed is bij jonge exemplaren vezelig. De grauwe oesterzwam lijkt hier veel op, maar die is zeer zeldzaam. Verder is er een zeldzame soort die niet op hout groeit, maar op afstervende wortels van kruisdistels: kruisdisteloesterzwam, ook wel duinvoetje genoemd.
Er is nog een paddenstoel met ‘oesterzwam’ in zijn naam, namelijk de oranje oesterzwam. Maar deze ruikt naar rotte eieren en bedorven kool.

Er zijn drie soorten oesterzwam die heel smakelijk zijn: gewone oesterzwam, bleke oesterzwam en kruisdisteloesterzwam. De laatste vind je in de winkel en in recepten onder de naam ‘koningsoesterzwam’ of (verwarrend) ‘koningsboleet’; een heerlijke paddenstoel die wij regelmatig gebakken als vleesvervanger eten.
Zomaar oesterzwammen oogsten in de natuur doe ik niet en bovendien is het in principe niet toegestaan en wordt het gezien als stroperij. Op de terreinen van Natuurmonumenten is wildpluk helemaal verboden. Dit zijn de wildplukregels die Staatsbosbeheer hanteert.
Gelukkig kun je oesterzwammen kopen en ook heel goed zelf kweken. Meestal worden ze op stro gekweekt, maar ook wel op houtstammen, houtpulp en zelfs koffieprut. Dat laatste heb ik ook een paar keer gedaan (foto rechtsonder). Als je op internet zoekt onder ‘oesterzwammen zelf kweken’ kom je allerlei aanbieders van ‘broed’ tegen. Ook broed voor koningsoesterzwammen is via internet te koop.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘣𝘰𝘦𝘬: 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘗𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯 𝘐, 𝘣𝘰𝘦𝘬: 𝘋𝘦 𝘨𝘳𝘰𝘵𝘦 𝘱𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘷𝘰𝘰𝘳 𝘰𝘯𝘥𝘦𝘳𝘸𝘦𝘨, 𝘰𝘰𝘨𝘴𝘵𝘦𝘯𝘻𝘰𝘯𝘥𝘦𝘳𝘻𝘢𝘢𝘪𝘦𝘯.𝘯𝘭

Soort van dag 359: duizendblad

(25 december 2023)

Vandaag start de Eindejaars Plantenjacht. Een plant die dan zeker nog her en der bloeiend te vinden is, is duizendblad. Het is een van mijn favoriete planten, ook omdat ze uitgebloeid nog mooi zijn.

Duizendblad is verwant aan de kamilles met stroschubben. Van de ruim honderd soorten van het geslacht duizendblad komen twee soorten in onze contreien voor: duizendblad en wilde bertram. Al die andere soorten vind je in Zuidoost-Europa en Zuidwest-Azië, op de steppes en in de gebergten. Daarvan zijn verschillende soorten als sierplant verkrijgbaar waaronder geel duizendblad (foto midden onder, met een blinde bij). Deze staat in onze tuin bij de ‘boerentuinplanten’; hij stond hier al toen we hier kwamen wonen.
Duizendbladsoorten zie je altijd in groepen omdat ze zich met ondergrondse uitlopers uitbreiden. De bloemhoofdjes staan in tuilvormige bloeiwijzen en daardoor lijken ze erg op schermbloemigen. Ze worden zelfs door dezelfde soorten insecten bezocht. Duizendblad is een composiet, dus elk bloemhoofdje bestaat uit meerdere kleine bloempjes. In het midden zie je de buisbloemen en langs de rand staat aantal lintbloemen.

Duizendblad heeft fijn verdeeld blad (vandaar: duizendblad) dat aangenaam kruidig ruikt. De hoofdjes staan met veel bij elkaar en zijn hooguit een halve centimeter breed. De buisbloemen zijn geelwit en worden grijs. De vijf lintbloemen zijn wit, soms met een roze tint.
De plant groeit op vochtige tot droge grond, bij voorkeur in de zon. Je vindt ze bijvoorbeeld in bermen, op dijken en zelfs tussen de straatstenen want ze verdragen enige betreding. Het is een belangrijke voedselplant voor allerlei soorten insecten die je ook op wilde bertram kunt vinden. Het gaat om een aantal snuitkevers en schildpadkevertjes, het streepglanskevertje, rupsen van verschillende bladrollers (waaronder de wortelmotten) en kokermotjes, bloemwantsen, mineerders en een aantal galvormers.
Van vijf van de negen inheemse wortelmotten leven de rupsen in de wortelstokken van duizendblad en boerenwormkruid. Door hun vraat verdorren de bladeren. Op de foto rechtsonder zie je een wortelmot op boerenwormkruid. Op de foto daarboven zie je grasbloemwantsen die de bloemen bezoeken.

De bloemhoofdjes van wilde bertram (foto linksonder) zijn groter dan van duizendblad. Bovendien staan ze met minder bij elkaar dan bij duizendblad. De ongeveer tien lintbloemen zijn wit en de buisbloemen zijn geelwit. Een duidelijk onderscheid zijn de bladeren: bij wilde bertram zijn die ongedeeld en langwerpig. Je vindt hem op nattere plekken dan duizendblad zoals aan waterkanten en in moerassen. Je ziet hem daar vaak samen met moerasspirea, harig wilgenroosje, echte valeriaan, koninginnekruid en grote wederik. Het is ons nog niet gelukt om hem in onze tuin te handhaven, want hij delft telkens het onderspit tegen deze enthousiaste groeiers. Duizendblad doet het daarentegen bij ons wel.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭

Soort van dag 358: hulst

(24 december 2023)

Met kerst zijn veel Engelse kerken en huizen versierd met hulsttakken. Dat gaat terug op een voorchristelijk gebruik: de druïden in Engeland versierden hun hutten met hulsttakken om de bosgeesten te eren. Hulst zou ook beschermen tegen blikseminslag, demonen en heksen. De Kelten noemden hulst ‘tinne’ wat vuur (warmte en licht) betekent. Tijdens de Saturnusfeesten in december stuurden de Romeinen elkaar als gelukwens een takje hulst. Dit zou je kunnen vergelijken met de hedendaagse kerstkaarten waarop hulsttakjes zijn afgebeeld.
Hulst is wintergroen en vandaag de dag worden altijdgroene bomen nog steeds gezien als teken van hoop en als symbool voor eeuwigheid, (eeuwig) leven en een leven na de dood. In het vroege christelijke geloof van de Noordwest-Europeanen zag men in hulst de voorspelling van het lijden van Jezus: de stekelige bladeren verwezen naar de doornenkroon en de rode bessen naar bloeddruppels. Ook dachten deze eerste christenen dat het brandende braambos van Mozes een hulst moet zijn geweest en dat het kruis waaraan Jezus gekruisigd was, van hulsthout was gemaakt.
Daarom dat ik vandaag, de dag voor kerst, aandacht besteed aan hulst, de enige wintergroene loofboom van Noordwest-Europa en daarom zo vol symboliek.

Hulst komt van nature voor in beuken- en eikenbossen, op min of meer zure, vochtige, matig voedselrijke zand- of leembodems. Deze langzaam groeiende boom kan tien meter hoog worden, maar haalt dat niet als hij in de schaduw van hogere bomen, m.n. beuken, staat. Eigenlijk alleen in Drenthe en Zuid-Limburg wordt hulst een echte boom. Elders kennen we hem als een flinke struik.
Het is een typische Atlantische soort: hij is gevoelig voor strenge vorst en houdt van een regenachtig klimaat.

De leerachtige bladeren zijn scherp getand, met afwisselend een tand omhoog en een tand omlaag gericht. Bij oude bomen zijn de bladeren min of meer gaafrandig. Ze blijven twee tot vijf jaar aan de boom zitten. Op afgevallen bladeren op arme zandgronden kun je in de zomer het hulstdekselbekertje vinden.
Het leerachtige blad beschermt de hulst tegen vraat. Toch is er een vlieg die daar geen problemen mee heeft, namelijk de hulstvlieg, een bladmineerder. Deze overwintert momenteel als larve in de bladeren. Voor de late bremspanner en het boomblauwtje is hulst een van de waardplanten. Het boomblauwtje zet haar eitjes in het voorjaar af op hulst. De rupsen eten vervolgens van de bloemknoppen.

De hulst is tweehuizig; dat betekent dat je ook struiken zonder bessen tegenkomt. De bloemen staan in kluwens in de bladoksels. De bloemen op de mannelijke plant zijn geelachtig (foto rechtsonder); de bloemen op de vrouwelijke plant zijn kleiner en witter (foto links daarvan). De bloemen worden door allerlei insecten bestoven.
De bessen zijn rood; sommige hulststruiken dragen gele bessen. Verschillende vogelsoorten eten ervan. Voor mensen zijn de bessen giftig.

Het was me al opgevallen dat ik tegenwoordig zoveel hulst in de bossen zie. Had ik vroeger niet goed opgelet? Maar het blijkt dat hulst ook daadwerkelijk meer voorkomt. Hulst profiteert van de klimaatsverandering. Op allerlei plekken komen jonge hulststruiken tot ontwikkeling, zowel in bossen waar ze van oorsprong staan als verwilderd vanuit tuinen. Positief? Onder een dicht hulststruweel kan weinig groeien. Afgevallen blad van de hulst verteert slecht, waardoor andere plantensoorten moeilijk kunnen kiemen. In Zuid-Engeland veroorzaakt de hulst plaatselijk zoveel biodiversiteitsverlies, dat de soort wel vergeleken wordt met een invasieve exoot. Dat hadden de druïden destijds nooit kunnen bedenken.

Tot slot om de kerstdagen door te komen drie verhalen waarin hulst een rol speelt: een legende, waarom hulst zijn blad in de winter behoudt en het verhaal van koning hulst en koning eik. Fijne Feestdagen!

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢𝘣𝘢𝘭𝘢𝘯𝘴 2023, 𝘴𝘵𝘦𝘮𝘥𝘦𝘳𝘣𝘰𝘮𝘦𝘯.𝘯𝘭, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘣𝘰𝘦𝘬 𝘋𝘦 𝘱𝘭𝘢𝘯𝘵𝘦𝘯𝘤𝘰𝘥𝘦, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 357: wintermuggen

(23 december 2023)

Ook in de winter kun je (volwassen) insecten vinden. Dat kunnen natuurlijk zeer late najaarssoorten of zeer vroege voorjaarssoorten zijn. Maar er zijn ook insecten (en andere ongewervelden) die juist in de winter actief zijn en zich dan voortplanten. Over de wintervlinders heb ik het al gehad. Een ander voorbeeld zijn de wintermuggen, een muggenfamilie waarover nog maar weinig bekend is. Voor zover bekend komen er in ons land acht soorten voor, maar het kunnen er ook meer zijn. Toch kent iedereen de wintermuggen wel: het zijn de muggen die zelfs bij temperaturen rond het vriespunt actief worden zodra de zon even schijnt en het windstil is. Je ziet dan de mannetjes in zwermen een dansje opvoeren om de aandacht van de vrouwtjes te trekken.

Wintermuggen zijn nauw verwant aan de langpootmuggen, maar dan een slag kleiner. Ze hebben lange poten en een lang lijf. Op de foto kun je dat goed zien. Bovendien hebben ze drie puntoogjes (ocelli) boven op hun kop; die ontbreken bij de langpoot- en steltmuggen.
Het exemplaar op de foto vond ik aan de binnenkant van het deksel van het compostvat. Welke soort het precies is, is niet met het blote oog te zien. Bij mannetjes moet je naar de tangetjes op het achterlijf kijken en bij de vrouwtjes naar de legboor.
Voor wintermuggen hoef je overigens niet bang te zijn, want ze hebben nauwelijks monddelen. Ze eten niet tijdens hun volwassen leven en zullen ons dus ook niet steken. Ze teren op het voedsel dat ze in hun larvestadium tot zich genomen hebben.
Wintermuggen maken een soort antivries in hun lichaam aan waardoor ze bij lichte vorst niet bevriezen. Is het echt koud of houdt de kou aan, dan kruipen ze alsnog weg om niet te bevriezen, om weer tevoorschijn te komen bij een beetje stralingswarmte.

Na de voortplanting legt het vrouwtje haar eitjes in de grond. De larven leven van rottend plantaardig materiaal, schimmels, kadavers en uitwerpselen. In een paar weken tijd eten de larven zich vol en gaan dan in ‘zomerslaap’. In de herfst of de winter (afhankelijk van de soort) verpoppen ze zich en komen ze als volwassen insect tevoorschijn.
Zie je in de zomer dansende muggen, dan zijn het waarschijnlijk dansmuggen.

Als je boven smeltende sneeuw muggen ziet dansen, dan heb je te maken met de dooimug, een van de wintermugsoorten. Ze dansen alleen boven de plekken waar de sneeuw al verdwenen is. Als je een wit vel papier onder een zwerm legt, verhuist die naar een donkere plek.

Ligt er een sneeuwdek, ook dan kun je kleine beestjes vinden, zoals de sneeuwmug, de sneeuwvlo en springstaarten.
De sneeuwmug is in ons land alleen uit Zuid-Limburg bekend. Overigens zijn ze alleen dood waargenomen, in insectenvallen. Deze muggensoort heeft geen vleugels en kruipt over de sneeuw.
De sneeuwvlo, ook wel sneeuwspringer genoemd, is geen vlo maar een schorpioenvlieg. Ook bij dit dier ontbreken de vleugels. Hij kan sprongen van 20 cm maken. Je kunt hem op de zandgronden vinden van oktober tot maart, bij temperaturen rond de 10 graden en soms ook lager. Het vrouwtje zet haar eitjes af op mos waarvan de larven vervolgens eten.

Er zijn ook steekmuggen (dag 205) die ’s winters binnenshuis actief blijven en ten onrechte wintermuggen worden genoemd. Het gaat hierbij om de grote steekmug (geringde wintersteekmug) en een ondersoort van de huissteekmug. Vooral in zachte winters kunnen we last van deze muggen ondervinden.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘧𝘰𝘵𝘰𝘨𝘳𝘢𝘧𝘪𝘦.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘪𝘯𝘴𝘦𝘤𝘵𝘦𝘯-𝘦𝘶𝘳𝘰𝘱𝘢.𝘭𝘪𝘯𝘯𝘢𝘦𝘶𝘴.𝘯𝘢𝘵𝘶𝘳𝘢𝘭𝘪𝘴.𝘯𝘭, 𝘣𝘯𝘯𝘷𝘢𝘳𝘢.𝘯𝘭/𝘷𝘳𝘰𝘦𝘨𝘦𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘴/