Soort van dag 176: Cetti’s zanger

(25 juni 2023)

Al een tijdje horen we op het natuurterreintje naast ons huis een vogel met een kenmerkend hard, explosief geluid. We konden het geluid niet thuis brengen al meende ik dat ik hem wel eens eerder had gehoord. BirdNET (een app) herkende hem ook niet en gaf als gok glanskop en roodborst. Nou, die waren het duidelijk niet. Eergisteren zat de vogel in onze tuin te zingen en toen móést ik het weten.

Een boekje van mijn man erbij gepakt: ‘De Virtuoze Vogelzanggids – Stapsgewijs vogelgeluiden leren herkennen voor iedereen’ (van de hand van Nico de Haan en Edwin van der Kolk; met QR-codes). Het begint met zoeken op leefgebied. Ik begon met ‘op het platteland’. Nee, die vogels herken ik allemaal wel. Daar zat hij niet tussen. Idem ‘in het moeras’. Toen heb ik de andere leefgebieden langsgelopen maar ik kon de vogel niet vinden. Toen het onderdeel vogeltaal. Nee, het is geen virtuoze zanger. Herhaalzangers, daar moet hij tussen staan! Nee, ook niet. Ik werd een beetje moedeloos. Ik bladerde nog even verder… eigennaamzangers en -roepers (onomatopeeën, dus). Mmmm… Ik keek welke vogels daarbij stonden. Cetti’s zanger? Even luisteren en ja hoor: dat is hem! Nu weet ik ook dat ik hem vorig jaar hoorde bij een vogelexcursie bij de Hoge Dijk in Amsterdam-Zuidoost.

Gisteren bezig geweest om het geluid op te nemen, met op de achtergrond het bosje waarin de vogel zit. Dat viel nog niet mee, want hij laat steeds maar een kort stukje horen en soms hoor je een hele tijd niets. Het filmpje staat bij het bericht op Facebook. (En hier kun je de vogel ook horen.)

Volgens de vogelzanggids en de website van de Vogelbescherming heet de vogel zo omdat hij CETti-CETti-CETti zou zeggen. Ik kan het er niet van maken; het klinkt eerder als “tet tet retteketet retteketet”. Volgens Wikipedia is hij vernoemd naar de Italiaanse natuuronderzoeker Francesco Cetti (18e eeuw).

Het is niet vreemd dat ik een vogeltje met zo’n karakteristiek geluid niet (her)kende. Het is een algemene broedvogel in de landen rond de Middellandse Zee. In ons land was het een zeldzame verschijning tot hij zich in twintig jaar tijd ontwikkelde tot een regelmatige broedvogel. In 2011 waren er zo’n 500 broedpaar, nu zijn het er zo’n 3.000-3.500. De grootste dichtheden komen voor in de Biesbosch. Hij leeft bij voorkeur in dichte vegetaties in de buurt van water (struiken, riet). De toename komt vooral door de warmere winters.

Uiterlijk is het een onopvallende vogel: klein, rossig warmbruin, vaak met een opgewipte staart. Hij heeft een donkere oogstreep met daarboven een lichte wenkbrauwstreep. Je zou hem uiterlijk kunnen verwarren met een tjiftjaf, kleine karekiet of winterkoning.

Cetti’s zangers broeden van april tot juli/augustus, vaak met twee legsels. Het nest bevindt zich laag in de dichte vegetatie. Ze eten insecten en andere ongewervelde dieren. Blijkbaar weten ze die in zachte winters in de Biesbosch en vergelijkbare gebieden te vinden. Want het zijn standvogels (ze trekken niet weg zoals andere insecteneters). Kortom: een luidruchtig vogeltje met nog veel geheimen. Ik ben benieuwd of jij hem ook al eens gehoord hebt.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘋𝘦 𝘝𝘪𝘳𝘵𝘶𝘰𝘻𝘦 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘻𝘢𝘯𝘨𝘨𝘪𝘥𝘴, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘤𝘩𝘢𝘱𝘯𝘰𝘰𝘳𝘥𝘩𝘰𝘭𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭

Soort van dag 175: Sint-Janskruid

(24 juni 2023)

Op 24 juni (Sint Jan) wordt in christelijke kerken de geboorte van Johannes de Doper herdacht, profeet en achterneef van Jezus. De feestdag heeft een voorchristelijke oorsprong en valt samen met het midzomerfeest. Sint Jan, vlak na de zomerzonnewende, is een keerpunt in het jaar, net zoals Kerst dat in de winter is. ‘Met Sint Jan draait het blad zich om’ is een van de vele spreuken over deze dag.

Bomen en struiken die te lijden hebben gehad van rupsenvraat, lopen rond deze tijd voor de tweede maal uit. Sint-Janslot wordt dat genoemd. Dit zie je bijvoorbeeld bij zomereiken en soorten waar de rupsen van de stippelmotten op hebben huisgehouden. Mensen die een moestuin hebben, weten: na Sint Jan geen asperges meer steken en rabarber meer plukken. Er zijn verschillende groenten die je rond 24 juni moet oogsten (Sint-Jansui en Sint-Jansrogge). En dan hebben we nog de Sint-Jansvlinder, die rond deze tijd vliegt (zie bij rolklaver). En tenslotte: Sint-Janskruid, een plant die rond 24 juni begint te bloeien. Wil je de bloemen oogsten voor medisch gebruik (niet zonder risico’s!), dan moet je dat uiteraard vandaag doen.

Sint-Janskruid hoort tot de hertshooifamilie. Van deze familie komen in ons land alleen soorten van het geslacht hertshooi (Hypericum) voor. Veel soorten uit deze familie hebben een harde, houtige stengel. Daar komt de naam ‘hertshooi’ (= hard hooi) vandaan. De stengels hebben vaak twee of vier lijsten die bij elke stengelknoop verspringen. De bladeren zijn zittend en tegenoverstaand.

De planten hebben olieklieren die in allerlei vormen kunnen voorkomen. Zo kunnen de bladeren lichte klierpuntjes hebben die je ziet als je de bladeren tegen het licht houdt. Er kunnen zwarte puntjes op de plant zitten (op de onderkant van het blad, op de kelk- en kroonbladen, op de stengellijsten). Ook donkere strepen op de kroonbladen en vruchtwand zijn mogelijk. En tenslotte zwarte of rode gesteelde klieren op de kelkbladen. Leuk om die olieklieren eens van dichtbij te bekijken als je een hertshooi vindt.

De bloemen hebben vijf kelkbladen, vijf kroonbladen en meestal heel veel meeldraden. Bij de Nederlandse soorten is de vrucht een doosvrucht. De bloemen hebben geen nectar. Ze worden door insecten bezocht om het stuifmeel (m.n. door zweefvliegen, zoals de blinde bij op de foto links).

Er zijn verschillende insecten op hertshooi gespecialiseerd. Die worden vrijwel allemaal op Sint-Janskruid aangetroffen. Het gaat om diverse soorten nachtvlinders, galmuggen, een dwergcicade en verschillende soorten kevers (zoals het hertshooisteilkopje op de foto rechts).

Hoe onderscheid je Sint-Janskruid van andere hertshooisoorten? Het is een middelhoge plant die voorkomt op zonnige, droge, voedselrijke grasgronden; langs spoorwegen en wegen. De plant is sterk vertakt en breidt zich uit door middel van wortelknoppen. De stengel is rond met twee zwakke lijsten. (Hiermee o.a. onderscheidt de plant zich van kantig hertshooi die vierkante stengels heeft.) De blaadjes zijn doorzeefd met witte puntjes (vandaar ook de Latijnse soortnaam ‘perforatum’). De bloemen zijn vrij groot en goudgeel van kleur, met zwarte lengtestrepen en punten. Als je een bloemknop fijnwrijft, komt er ‘bloed’ uit. Dat zou het bloed van Christus zijn. De gaatjes in de blaadjes zijn ontstaan door de doornenkroon. Of was het door de duivel…? Kortom: een plant omgeven door legendes en verhalen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘣𝘦𝘭𝘦𝘷𝘦𝘯.𝘰𝘳𝘨

Soort van dag 174: halsbandparkiet

(23 juni 2023)

In de week van de invasieve exoten (16 t/m 25 juni) besteed ik aandacht aan enkele (invasieve) exoten. Het gaat hierbij om planten en dieren die door toedoen van de mens in ons land voorkomen en schadelijk zijn, o.a. voor de biodiversiteit. Vandaag gaat het over de halsbandparkiet.

Halsbandparkieten zijn opvallende, knalgroene en luidruchtige vogels. Mannetjes hebben een band die rond de nek roze en bij de keel zwart is. Vrouwtjes hebben die niet. Als ze vliegen, valt de lange staart op.

Ze komen oorspronkelijk uit India en Centraal-Afrika. Nederlandse halsbandparkieten stammen af van ontsnapte en vrijgelaten kooivogels. Sinds 1968 broedt de vogel in Nederland. Momenteel zijn er meer dan 21.000 exemplaren. Ze zijn vooral te vinden in tuinen en parken van de grote steden in de Randstad. Ze komen steeds meer in kleine kernen voor. Ook op het platteland, zoals bij ons in de buurt. Dat halsbandparkieten goed in ons land kunnen overleven, komt door de mildere winters en het voedselaanbod. In de winter doen ze zich graag te goed aan pinda’s uit voedersilo’s. Verder eten ze vooral zaden, noten en fruit. Ook eten ze van bloemknoppen, bijvoorbeeld van paardenkastanjes.

Halsbandparkieten leven in groepen. In de wintermaanden slapen ze met grote aantallen in bomen. Met hun luidruchtige gedrag veroorzaken ze overlast.

Steeds vaker melden fruittelers schade door halsbandparkieten. De vogels pikken (onrijpe) appels en peren aan. Die zijn daarna niet meer verkoopbaar. Bovendien komen er insecten en schimmels op het aangepikte fruit. We zien dit ook in onze tuin gebeuren.

Halsbandparkieten zijn holenbroeders en broeden ook in nestkasten. Daarmee zijn het concurrenten van andere holenbroeders zoals spechten, kauwen, uilen en boomklevers. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat het met de concurrentie niet zo’n vaart loopt. Alleen de boomklever kan er echt last van hebben, blijkt uit een Vlaams onderzoek uit 2009. De halsbandparkiet kruipt al vanaf januari in boomholtes en begint vervolgens met broeden. De boomklever gaat in maart op zoek, maar dan zijn alle geschikte holen al bezet. Desondanks neemt het aantal boomklevers in Nederland toe. Zij broeden namelijk ook in bossen; daar vind je nauwelijks halsbandparkieten.

Meer zorgen maken biologen zich om de rosse vleermuis die ook gebruik maakt van boomholtes. In Nederland is er nog geen uitgebreid onderzoek naar gedaan. Maar onderzoeken uit Spanje en Italië wijzen uit dat er een verband is tussen de toename van het aantal halsbandparkieten en het verdwijnen van lokale vleermuissoorten. In sommige gevallen werden de vleermuizen actief verjaagd, soms zelfs gedood.

De halsbandparkiet staat (nog) niet op de Unielijst van invasieve exoten. Provincies kunnen aanvullend beleid hebben voor invasieve exoten die niet op de Unielijst staan. In de provincie Utrecht, bijvoorbeeld, mogen halsbandparkieten van 1 juni tot 1 november verjaagd worden ‘met ondersteunend afschot’ om schade op percelen met fruit te voorkomen.

(Dit is de laatste invasieve exoot die ik behandel. Wil je weten welke soorten op de Unielijst staan? Kijk dan hier.)

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘵𝘳𝘰𝘶𝘸.𝘯𝘭, 𝘯𝘳𝘤.𝘯𝘭

Soort van dag 173: Japanse duizendknoop

(22 juni 2023)

In de week van de invasieve exoten (16 t/m 25 juni) besteed ik elke dag aandacht aan een (invasieve) exoot. Het gaat hierbij om planten en dieren die door toedoen van de mens in ons land voorkomen en schadelijk zijn, o.a. voor de biodiversiteit. Vandaag gaat het over Japanse duizendknoop.

De Japanse duizendknoop is een overblijvende plant die één tot drie meter hoog kan worden. De wortels zitten diep in de grond (soms wel meer dan een meter). De holle, rechtopstaande stengels zijn roodbruin gevlekt. De bladeren zijn eirond en worden vrij groot: tien tot vijftien cm lang. Van juli tot september bloeit de plant met kleine crème-witte bloemen. In Nederland komen alleen vrouwelijke planten (met steriele meeldraden) voor. Daarom vindt er geen zaadvorming plaats. Maar nu blijkt een andere ondersoort die als niet woekerend wordt beschouwd en die te koop is via tuincentra, ook de vrouwelijke bloemen van de woekerende Japanse duizendknoop te kunnen bevruchten. In de winter sterft de plant bovengronds af.

De plant komt oorspronkelijk uit China, Japan, Taiwan en Korea. In de eerste helft van de negentiende eeuw nam de botanicus Von Siebold de Japanse duizendknoop uit Japan mee naar Nederland. Vanuit zijn kwekerij in Leiden verspreidde hij de plant vervolgens over heel Europa. Pas na 1950 is de plant op grote schaal verwilderd. Japanse duizendknoop kun je overal in Nederland tegenkomen, op allerlei bodemtypes en in verschillende leefmilieus.

Naast de Japanse duizendknoop komen er nog een aantal invasieve duizendknopen in Nederland voor: Afghaanse duizendknoop, Sachalinse duizendknoop en de bastaardduizendknoop.

De wortelstokken en stengels van de Japanse duizendknoop breken gemakkelijk. Elk stukje wortelstok of stukje steel met een knoop kan uitgroeien tot een nieuwe plant. Stengeldelen worden met maaien verspreid. Stukjes wortel worden vooral verspreid via grondtransport. Ook het dumpen van tuinafval in de natuur en bossen heeft bijgedragen aan de verspreiding.

Japanse duizendknoop is zeer invasief. De plant loopt vroeg uit en schiet dan de lucht in. Vervolgens ontstaat er een gesloten bladerdek waaronder niets kan groeien. Op plekken met veel Japanse duizendknoop komen ook veel minder ongewervelde dieren voor. Er wordt wel gezegd dat een veld met Japanse duizendknoop ecologisch armer is dan een maïsakker.

Verder kan Japanse duizendknoop grote schade aanrichten aan funderingen, verhardingen, infrastructuur, rioleringen en drainagebuizen. De wortels groeien langs obstakels en door al bestaande scheuren en naden in asfalt, beton of metselwerk.

Japanse duizendknoop staat niet op de Unielijst van invasieve exoten (de Afghaanse wel). Wel geldt er een nationaal handelsverbod. Levensvatbare onderdelen (wortelstokken, stengels of zaad) mogen in Nederland niet worden vervoerd, verkocht of geruild. Vervoer in het kader van bestrijding mag wel, als de plant maar niet verder verspreid wordt.

Voor de bestrijding worden meerdere tactieken toegepast die verschillen in kosten en effectiviteit. Bijvoorbeeld vaak maaien en maaisel op juiste manier afvoeren. Uitgraven. Bevriezen en verhitten van de bodem. Elektrocutie van de plant. Inspuiten van de stengels met het chemische onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat (uiteraard alleen door professionals). Afgraven en zeven van de grond (op zand). Begrazing door schapen of varkens. Afdekken van de grond. Enzovoort. De jonge stengels zijn trouwens eetbaar. Dus: “If you can’t beat them, eat them” (maar zorg er wel voor dat je de plant niet verder verspreidt; dit kan niet in combinatie met chemische bestrijding).

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘝𝘞𝘈, 𝘪𝘯𝘷𝘢𝘴𝘪𝘦𝘷𝘦-𝘦𝘹𝘰𝘵𝘦𝘯.𝘪𝘯𝘧𝘰, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 172: muskusrat

(21 juni 2023)

In de week van de invasieve exoten (16 t/m 25 juni) besteed ik elke dag aandacht aan een (invasieve) exoot. Het gaat hierbij om planten en dieren die door toedoen van de mens in ons land voorkomen en schadelijk zijn, o.a. voor de biodiversiteit. Vandaag gaat het over de muskusrat. De foto’s van de muskusratten heb ik niet zelf gemaakt. Ze komen beide van Pixabay (bovenste van gayleenfroese2; onderste van Bilderwelt68).

De muskusrat is een knaagdier (woelmuis) dat oorspronkelijk uit Noord-Amerika komt. De soort is begin 20e eeuw in Tsjechië ingevoerd voor zijn pels en later ook uitgezet voor de jacht. In 1941 is de eerste muskusrat in Nederland gezien.
Muskusratten hebben een dikke bruine vacht, kleine oogjes en nauwelijks zichtbare oren. Zonder de staart mee te rekenen kunnen ze 40 cm lang worden. De kale, zijdelings afgeplatte staart is maximaal 25 cm. Hij is groter dan de bruine rat (die bovendien grotere oren heeft). Beverratten (ook een exoot) en bevers zijn veel groter dan de muskusrat. Het is een echt waterdier.
Muskusratten planten zich razendsnel voort. Een vrouwtje heeft drie worpen per jaar, met vijf tot acht jongen per worp. Na een half jaar zijn de vrouwtjes geslachtsrijp. Muskusratten worden door verschillende predatoren gegeten.

De belangrijkste reden om de muskusrat in Nederland te bestrijden, is dat de soort schade toebrengt aan dijken en oevers door het graven van holen en gangen. Hierdoor verzwakken ze, kunnen ze instorten en neemt de kans op overstroming toe. Ook spoorwegen en wegen kunnen ondermijnd worden. Verder veroorzaken muskusratten o.a. schade aan landbouw en visserij.
Ook hebben ze invloed op het ecosysteem. Ze eten ongelooflijk veel planten. Eén muskusrat kan in een nacht anderhalve vierkante meter vegetatie verorberen. Bij voorkeur eten ze riet, lisdodde en zeggen. In de winter eten ze rietwortels. Door toedoen van de muskusrat verandert dus de vegetatiesamenstelling. En dat heeft weer invloed op allerlei dieren die in die vegetatie leven. Muskusratten eten ook allerlei ongewervelden (ook rivierkreeften).

De muskusrat wordt in Nederland al lang bestreden. Hij staat sinds 2017 op de Unielijst van invasieve exoten. Dus ze mogen niet verhandeld, gehouden en vervoerd worden. De bestrijding wordt gecoördineerd door de Unie van Waterschappen. Hieraan wordt jaarlijks 35 miljoen euro uitgegeven. In 2019 hebben alle waterschappen samen besloten om de muskusrat terug te dringen tot de landsgrens. Met de beverrat is dit al gelukt. Doel is dat er in 2034 in het binnenland van Nederland geen levensvatbare populatie muskusratten meer is. Dat is het geval als er minder dan 500 muskusratten per jaar worden gevangen (in 2020 nog 48.000). De dieren zullen dan nog voornamelijk in de grenszone en langs rivieren en beken worden gevangen.
De waterschappen hebben speciale muskusrattenvangers in dienst. Muskusratten worden gevangen met klemmen. Deze worden onder water voor de ingang van het hol geplaatst, gemarkeerd met een oranje vlaggetje. Tijdens de trekperiodes van de dieren worden er ook kooien ingezet als val. De bestrijders proberen dit steeds diervriendelijker te doen.

Muskusratten zijn eetbaar en werden m.n. in België aangeboden als waterkonijn. Sinds de soort op de Unielijst staat, is dat verboden. De commercie is er namelijk niet bij gebaat dat een soort wordt bestreden. (Amerikaanse rivierkreeften (soort van dag 170) worden gevangen door de beroepsvisserij; bij deze dieren gaat men er van uit dat ze toch niet uit ons land weg te krijgen zijn.)

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘝𝘞𝘈, 𝘡𝘰𝘰𝘨𝘥𝘪𝘦𝘳𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘩𝘥𝘴𝘳.𝘯𝘭, 𝘶𝘯𝘪𝘦𝘷𝘢𝘯𝘸𝘢𝘵𝘦𝘳𝘴𝘤𝘩𝘢𝘱𝘱𝘦𝘯.𝘯𝘭

Soort van dag 171: reuzenbalsemien

(20 juni 2023)

In de week van de invasieve exoten (16 t/m 25 juni) besteed ik elke dag aandacht aan een (invasieve) exoot. Het gaat hierbij om planten en dieren die door toedoen van de mens in ons land voorkomen en schadelijk zijn, o.a. voor de biodiversiteit. Vandaag gaat het over de reuzenbalsemien (ook wel bekend als springbalsemien).

Bij mijn jeugdherinneringen hoort de geur van reuzenbalsemien, een plant die we in de tuin hadden staan. Die geur vind ik overigens niet echt lekker (weeïg). Met kinderen heb ik tegen de vruchten getikt en gekeken hoe de zaden wegschieten.

De reuzenbalsemien is een eenjarige plant die 2,5 meter hoog kan worden. De plant is afkomstig uit de West-Himalaya. Rond 1850 werd de plant in Europa als sierplant geïntroduceerd. Ook werd hij aangeplant als nectarplant voor bijen. Vanaf 1915 is hij gaan verwilderen. Je treft hem nu overal in West-Europa aan.

De plant is onmiskenbaar, vooral als hij bloeit. De bloemen zijn vrij groot (2-5 cm) en roze, lila of wit van kleur. Ze staan bij elkaar in trossen in de oksels van de bovenste bladeren. De vijf kroonbladen bij elkaar hebben wel iets weg van een helm (in het Engels wordt de plant policeman´s helmet genoemd). Bestuiving vindt plaats door o.a. hommels en honingbijen. Bij de eerste vorst sterft de plant af.

De reuzenbalsemien houdt van vochtige, beschaduwde standplaatsen. In Nederland zie je hem vooral in het rivierengebied en in stedelijke gebieden. Ik ken hem ook van de benedenloop van beken in Frankrijk: daar was het zo ongeveer de enige plant die daar groeide. En daarmee komen we bij het probleem van de reuzenbalsemien. Reuzenbalsemien produceert grote hoeveelheden zaad dat in het voorjaar tegelijk ontkiemt. De plant groeit snel en vormt dichte vegetaties waar geen ruimte meer is voor andere (inheemse) planten. Omdat de plant in de herfst volledig afsterft, zijn de oevers vervolgens helemaal kaal en erosiegevoelig. Door zijn sterke geur lokt de plant bestuivers van inheemse soorten weg, waardoor deze minder zaad produceren.

De reuzenbalsemien staat sinds 2017 op de Unielijst van invasieve exoten. Dus de soort mag niet verhandeld en vervoerd worden. In natuurgebieden moet hij worden bestreden. Dat kan machinaal (maaien in juni-juli) of handmatig in kwetsbare gebieden. Begrazing werkt niet, omdat planteneters de plant mijden. Er is een roestschimmel ontdekt die alleen op reuzenbalsemien voorkomt; misschien dat die kan worden ingezet. In tuinen mag reuzenbalsemien blijven staan mits hij niet in zaad komt. Beter is natuurlijk om hem sowieso te verwijderen. Op de foto rechts onderaan zie je hoe een kiemplantje eruit ziet.

Reuzenbalsemien hoort tot het geslacht springzaad. Er komen in Nederland meer soorten uit dit geslacht voor. Groot springzaad is de enige hiervan die inheems is. Wij hebben in onze tuin (spontaan) klein springzaad staan; die komt oorspronkelijk uit Mongolië. Op de website van FLORON staat een zoekkaart springzaden.

Van de reuzenbalsemien en enkele andere sierplanten is inmiddels bekend dat ze zich invasief gedragen en daarom zijn ze niet meer te koop. Maar hoe zit het met andere tuinplanten? FLORON heeft in opdracht van de NVWA een databank gemaakt met 1.500 tuinplanten. Via deze website kun je vinden of een tuin- of vijverplant (potentieel) invasief is en een gevaar kan vormen voor de biodiversiteit. Ook worden er alternatieven gegeven. Voor reuzenbalsemien: vingerhoedskruid, grote kattenstaart en wilgenroosje.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘝𝘞𝘈, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 170: Amerikaanse rivierkreeften

(19 juni 2023)

In de week van de invasieve exoten (16 t/m 25 juni) besteed ik elke dag aandacht aan een (invasieve) exoot. Het gaat hierbij om planten en dieren die door toedoen van de mens in ons land voorkomen en schadelijk zijn, o.a. voor de biodiversiteit. Vandaag gaat het over Amerikaanse rivierkreeften.

Het is altijd een bijzondere ervaring, een ontmoeting met een rode Amerikaanse rivierkreeft. Die gaat dan gelijk in een dreigende houding staan. Dat doen ze ook tegen auto’s, maar daarvan zijn auto’s niet onder de indruk. Zeker in de nazomer kun je ze op straat tegenkomen als de dieren seksueel actief zijn.
Dat kans dat je een Europese rivierkreeft tegenkomt, is maar heel klein. Ze komen alleen nog voor op één locatie op de Veluwezoom. Ooit zette de adel ze voor consumptie uit in de Veluwse sprengen. Van daaruit hadden ze zich over Zuidoost-Nederland verspreid. Maar met de komst van Amerikaanse rivierkreeftsoorten kwam ook een ziekte mee: de kreeftenpest. Hierdoor zijn bijna alle Europese rivierkreeften verdwenen. Zelf zijn de Amerikaanse rivierkreeften niet gevoelig voor deze ziekte.

Naast de inheemse komen door heel Nederland zeven exotische soorten voor. Wil je weten met welke soort je te maken hebt, dan kun je hiervoor de zoekkaart rivierkreeften van eis-nederland.nl raadplegen. Een exotische soort is de Turkse rivierkreeft. Omdat die ook gevoelig is voor de kreeftenpest, komt die niet zoveel voor. De zes andere soorten komen allemaal uit Amerika.
Rivierkreeften eten voornamelijk insecten, slakken en waterplanten, maar ook viseitjes en hele vissen worden gegeten. De meeste soorten zijn ’s nacht actief. Rivierkreeften graven in oevers holen en tunneltjes ter bescherming van jonge kreeftjes en om in te schuilen tijdens droge perioden.

De soorten zijn in Europa voor consumptie geïntroduceerd en ook illegaal uitgezet. Reden was de afname van het aantal Europese kreeften. Ook zijn de kreeften geïmporteerd voor tuinvijvers en aquaria en vervolgens ontsnapt of uitgezet. Meestal hebben ze zich verspreid vanuit een introductie buiten Nederland.
Wat zijn de problemen met de Amerikaanse rivierkreeften (naast het overbrengen van de ziekte)? Alle exotische soorten eten onderwaterplanten en maken ze kapot. Dit heeft gevolgen voor dieren die afhankelijk zijn van deze planten als schuil- en broedplaats, zoals diverse soorten vissen, amfibieën, kevers en vogels. De kreeften graven in oevers en dijken. Dat leidt tot afkalving en mogelijk zelfs tot dijkverschuivingen (Reeuwijk 2021). Al dat gegraaf en gewoel leidt bovendien tot vertroebeling en tot extra voedingsstoffen in het water.

De soorten staan sinds 2016 op de Unielijst van intensieve exoten. Je mag dus geen rivierkreeften verhandelen, houden of vervoeren. De lidstaten van de EU moeten populaties in natuurgebieden opsporen en verwijderen; als dat niet lukt, zodanig beheersen dat schade en verspreiding worden voorkomen. Rivierkreeften worden ook steeds meer bestreden via commerciële bevissing, uiteraard onder voorwaarden. Commerciële visserij is overigens niet gebaat bij totale eliminatie van de soorten (maar dat is toch inmiddels niet meer haalbaar).

Oorspronkelijk hadden de exoten geen natuurlijke vijanden. Maar de laatste jaren wordt waargenomen dat ze gegeten worden door watervogels zoals futen, waterhoentjes, reigers en meeuwen. Ook grote vissen en palingen eten de kreeften. Op de foto rechtsonder zie je een braakbal (vermoedelijk van een blauwe reiger) met resten van een rivierkreeft.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘝𝘞𝘈, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘪𝘯𝘷𝘢𝘴𝘪𝘦𝘷𝘦-𝘦𝘹𝘰𝘵𝘦𝘯.𝘪𝘯𝘧𝘰

Soort van dag 169: grote kroosvaren

(18 juni 2023)

In de week van de invasieve exoten (16 t/m 25 juni) besteed ik elke dag aandacht aan een (invasieve) exoot. Het gaat hierbij om planten en dieren die door toedoen van de mens in ons land voorkomen en schadelijk zijn, o.a. voor de biodiversiteit. Vandaag gaat het over de grote kroosvaren en andere vlotvarens.

Vlotvarens zijn varens die vooral in (sub)tropische gebieden voorkomen en die op het water drijven. In Heukels’ Flora van Nederland worden vier soorten genoemd. De kleine vlotvaren is inheems in Europa (niet in Nederland) en de kleine kroosvaren is een exoot; beide soorten zijn waarschijnlijk uit Nederland verdwenen. Grote vlotvaren is een invasieve soort die slechts sporadisch in Nederland wordt aangetroffen. In de winter sterft de soort af, maar bij stijgende temperaturen door klimaatverandering zou het kunnen dat de plant zich blijvend in Nederland gaat vestigen en een plaag wordt. De soort was in Nederland gewoon nog te koop totdat deze in 2019 op de Unielijst van invasieve exoten werd geplaatst. Grote vlotvaren komt in de natuur doordat mensen vijver- en aquariumplanten weggooien in openbaar water. Grote kroosvaren is mogelijk ook op deze manier in Nederland terecht gekomen. Deze soort is inmiddels ingeburgerd en je kunt hem in o.a. (zeer) voedselrijke poldersloten in het westen, noorden en oosten van ons land tegenkomen. Hij staat niet op de Unielijst, maar wordt wel door de EU als een invasieve waterplant gezien.

Grote kroosvaren komt oorspronkelijk uit subtropische delen van Noord- en Zuid-Amerika. Rond 1900 werd de soort voor het eerst in de Nederlandse natuur waargenomen. Grote kroosvaren is een eenjarige, drijvende waterplant met een geschubd uiterlijk en een doorsnede tot 5 cm. Op de foto links zie je het samen met eendenkroos. Grote kroosvaren is meestal groen, met een rode tint. In de herfst worden de plantjes onder invloed van de kou volledig rood (het lijkt dan net op gravel).

Grote kroosvaren kan een zeer dichte aaneengesloten vegetatie vormen. Ondergedoken planten krijgen hierdoor lichtgebrek en sterven af. Hierdoor wordt er onder het dek van kroosvaren geen zuurstof meer geproduceerd. Dit is nadelig voor vissen en andere waterdieren.

Nog een nadeel is dat tussen de schubben van grote kroosvaren blauwalgen leven. Deze maken stikstof uit de lucht beschikbaar voor de plant. Als de massa aan kroosvarens in het najaar afsterft, komt er een grote hoeveelheid stikstof vrij en wordt de sloot nog voedselrijker.

De matten met grote kroosvaren kunnen verder de waterdoorstroming ernstig belemmeren. En wat ook gebeurt: mensen (en dieren) zien het aan voor vaste grond en gaan vervolgens kopje onder (bekend uit onze tijd in Boskoop).

Er is een kevertje dat op grote kroosvaren leeft, het kroosvarensnuittorretje. Deze komt sinds 1920 in ons land voor, ook afkomstig uit Amerika, en wordt niet als invasief beschouwd.

Er zijn nog meer uitheemse waterplanten die problemen veroorzaken. Op de website van NVWA worden er zestien genoemd. Het grootste deel hiervan staat op de Unielijst. Het advies in het algemeen is: nooit planten uit vijvers en aquaria in openbaar water dumpen. Je weet vaak niet meer wat je precies hebt aangeschaft. Dus neem het zekere voor het onzekere!

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘝𝘞𝘈, 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 168: nijlgans

(17 juni 2023)

In de week van de invasieve exoten (16 t/m 25 juni) besteed ik elke dag aandacht aan een (invasieve) exoot. Het gaat hierbij om planten en dieren die door toedoen van de mens in ons land voorkomen en schadelijk zijn, o.a. voor de biodiversiteit. Vandaag gaat het over de nijlgans.

De nijlgans is geen gans, maar een eend (verwant aan de bergeend). De nijlgans komt oorspronkelijk uit Afrika, ten zuiden van de Sahara. De vogel werd gehouden in vogelparken en is van daaruit ontsnapt. In 1967 werd het eerste exemplaar in de Nederlandse natuur gezien. Inmiddels zijn er zo’n 10.000 broedpaar.

De nijlgans is o.a. te herkennen aan de roze poten en de opvallende donkere vlek rondom het oog. In de vlucht vallen de zwart-witte vleugels op. Zijn nest maakt hij vaak in boomholtes of onder een struik of boom bij het water. Het succes van de soort komt door het lange broedseizoen en dat ze meerdere broedsels per jaar hebben, tot midden in de winter. Ze hebben weinig natuurlijke vijanden.

Op de foto zie je links nijlganzen in een boom op landgoed Gooilust in ’s-Graveland en rechts bij een vijver in het Westerpark in Amsterdam.

Door de EU wordt de nijlgans als een invasieve exoot gezien. Op de factsheet bij de Unielijst worden de effecten van het voorkomen van de nijlgans beschreven. Genoemd wordt het agressieve gedrag van de vogel. Daardoor worden andere vogelsoorten verdrongen en hebben deze minder gebied om in te foerageren. Nijlganzen verdrijven haviken, buizerds en kraaien van hun nesten waardoor deze opnieuw moeten beginnen met het bouwen van een nest. Ook nemen ze nestplaatsen in van grauwe ganzen, bergeenden en wilde eenden. Verder kunnen ze pullen van andere eendachtigen verdrinken.

Nijlganzen komen bij water voor. Hun uitwerpselen kunnen zorgen voor verslechtering van de waterkwaliteit, vooral van voedselarme wateren. Ook verhoogt dit de kans op blauwalg. Nijlganzen zijn planteneters en brengen schade aan graslanden toe. In de buurt van vliegvelden worden ze bestreden omdat ze kunnen botsen met vliegtuigen.

Volgens de Vogelbescherming zijn er tot dusverre geen aanwijzingen dat in Nederland de toename van de nijlgans ten koste gaat van andere watervogelpopulaties.

In de EU mag de nijlgans niet meer verhandeld en gehouden worden. Particulieren en dierentuinen die deze soort al in hun bezit hadden voordat de EU-lijst van kracht werd, mogen de dieren houden totdat ze een natuurlijke dood sterven. Verder geldt voor lidstaten de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen, te verwijderen, of als dat niet lukt, zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. Deze maatregelen zijn er vooral op gericht om te voorkomen dat de soort zich verder naar Centraal-Europa verspreidt.

De Vogelbescherming vindt dat de bestrijding van invasieve exoten niet ten koste mag gaan van inheemse soorten. Hier vind je hun standpunt over exoten. Het reguleren van het nijlganzenbestand op landbouwgronden valt onder het provinciale ganzenbeleid.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘯𝘷𝘸𝘢.𝘯𝘭, 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨

Soort van dag 167: reuzenberenklauw

(16 juni 2023)

Een exoot als soort van de dag ??? Ja, de komende dagen besteed ik aandacht aan invasieve exoten. Van 16 t/m 25 juni is het namelijk de Week van de Invasieve Exoten. Exoten zijn soorten die van nature niet in Nederland voorkomen en die bewust of onbewust door menselijk handelen in ons land terecht zijn gekomen. Invasieve exoten zijn schadelijk, bijvoorbeeld voor de biodiversiteit, onze gezondheid en/of de economie. Voor de planten en dieren die op de Unielijst staan, geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import. De komende dagen zal ik een aantal soorten bespreken. Vandaag de reuzenberenklauw.

De reuzenberenklauw komt al sinds de 19e eeuw als sierplant en statussymbool in ons land voor en is vanuit tuinen en parken verwilderd. Vooral na 1950 breidde de plant zich sterk uit. Oorspronkelijk komt de plant uit de Kaukasus. Er zijn nog twee soorten berenklauw die op de Unielijst staan (Sosnowsky’s berenklauw en Perzische berenklauw), maar die komen in Nederland (nog) niet voor.

Reuzenberenklauw is een grote plant (schermbloemige) die wel meer dan vier meter hoog kan worden. De bladeren zijn groot (tot een meter lang), dubbel veerdelig en scherp getand met aan de onderzijde stijve haren. De stengel is hol en heeft paarsrode vlekken en stijve haren. De plant vormt eerst bladeren en komt pas na enkele jaren tot bloei. De plant bloeit vanaf half juni met witte bloemen in schermen die tot een halve meter in doorsnee zijn. Na de vruchtzetting sterft de plant af.

De reuzenberenklauw kan verward worden met de inheemse gewone berenklauw. Deze is veel kleiner (tot 1,5 m), de bloeiwijze is maximaal 20 cm, de bladeren zijn veel minder groot en de stengel heeft geen paarse vlekken.

De reuzenberenklauw groeit op vochtige, zeer voedselrijke bodems. Je vindt hem vooral in stedelijk gebied en in bermen van wegen en spoorlijnen. Daar kan de soort zulke dichte vegetaties vormen, dat andere planten (met uitzondering van bomen) volledig verdrongen worden. Hierdoor kunnen inheemse zeldzame planten verdwijnen. De belangrijkste reden waarom de plant op de Unielijst staat, is vanwege de gezondheidsrisico’s voor de mens. Bij aanraking van de haren ontstaan er wondjes in de huid. Vervolgens maakt het sap van de reuzenberenklauw de huid overgevoelig voor zonnestraling. Bij mensen die daar gevoelig voor zijn, kan dit leiden tot jeuk en forse blaarvorming. Ook is het plantensap schadelijk voor de ogen.

De plant mag dus niet verhandeld en getransporteerd worden. In botanische collecties mag de soort alleen gehouden worden met een vergunning. Gedroogde bloemschermen zijn geliefd als decoratie. Deze mogen alleen verkocht worden zonder zaad eraan. Uitzaaien van de reuzenberenklauw is strafbaar. Heb je de soort in je tuin staan, dan mag dat. Maar je moet er wel voor zorgen dat er geen zaadvorming plaatsvindt.

De lidstaten van de EU hebben de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen. Als dat niet lukt, moet de populatie zodanig beheerd worden dat verspreiding en schade zo veel mogelijk wordt voorkomen. Bestrijding vindt plaats door het voorkomen van zaadvorming, uitsteken, afmaaien (minimaal 5x per groeiseizoen) en begrazing door schapen en geiten. Bestrijding is een kwestie van lange adem want het zaad is zeven jaar kiemkrachtig.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘯𝘷𝘸𝘢.𝘯𝘭, 𝘪𝘯𝘷𝘢𝘴𝘪𝘦𝘷𝘦-𝘦𝘹𝘰𝘵𝘦𝘯.𝘪𝘯𝘧𝘰, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢