Soort van dag 216: zeesla

(4 augustus 2023)

Op de foto’s zie je aangespoelde zeewieren op een strandje langs de Grevelingen, bij Scharendijke. Hiervan is zeesla makkelijk te herkennen, omdat het op aangespoelde slabladeren lijkt. De andere wieren zijn een viltwier (donkergroen, buisvormig) en een roodwier.

Zeesla is een eenjarige groenwier dat in zoute wateren groeit. Vroeger werden alle wieren met een sla-achtig blad ‘zeesla’ genoemd. Maar het blijkt dat alleen al in de Nederlandse wateren 22 verschillende soorten voorkomen. Die zijn alleen met een microscoop uit elkaar te houden.
Zeesla wordt in zeeën over de hele wereld aangetroffen, op een diepte van 0 tot 1,5 meter. Hier kan het voldoende zonlicht opvangen om te groeien. In Nederland vind je zeesla in de Waddenzee, de Zeeuwse wateren en de Noordzee. Het komt vooral goed tot ontwikkeling als er veel voedingsstoffen in het water zitten en kan dan hinderlijk zijn.

In april begint zeesla te groeien en in juli bereikt het zijn grootste massa. Het blad (of beter gezegd: thallus) zit met een klein steeltje vast aan een ondergrond. Dat kan een steen of basaltblok zijn, maar ook een schelp of een ander wier. De bladeren kunnen groot worden; wel tot een vierkante meter groot. Ze zijn twee cellagen dik en voelen vrij stevig aan. Ze zijn heldergroen tot donkergroen van kleur en variabel van vorm. Wieren hebben geen wortels. Alles wat ze nodig hebben, nemen ze op via hun celwanden. De voortplanting vindt plaats via sporen. Als deze vrijkomen, worden de bladranden wit.

Door de stroming of stevige wind raakt zeesla (of delen ervan) los en zweeft dan vrij in het water. Vervolgens kan het aanspoelen en gaan rotten. Dit stinkt behoorlijk. Vanwege de stankoverlast zijn wel eens stranden in Bretagne gesloten. Ook bepaalde plekken langs de Grevelingen zijn ‘berucht’ om de stank. Omdat veel mensen klaagden, hebben ze een aantal jaar terug een proef gedaan om de aangespoelde zeesla te verwijderen. Dat bleek niet te doen. De Grevelingen is te groot om alle rottende zeesla op te ruimen. De zeesla op de foto’s is overigens nog frisgroen (pas aangespoeld) en ruikt nog naar zee.

In zeeën zijn algen en wieren de belangrijkste plantengroepen. Ze zorgen niet alleen voor zuurstof in het water, maar ook in de lucht. 80% van de zuurstof in de lucht is afkomstig van algen en wieren! Dat betekent ook dat ze veel CO2 opnemen.
Wieren zijn voedsel voor allerlei dieren. Zeesla dat op mosselbanken groeit, wordt bijvoorbeeld gegeten door kreeftachtigen, smienten en rotganzen. Ook zijn wieren het leefgebied van allerlei zeedieren. En zijn ze een ondergrond waar andere wieren op kunnen groeien.

Mensen kunnen ook heel goed zeesla eten; het zit boordevol vitaminen en mineralen. Voor recepten en het gebruik van zeesla (en andere zeewieren) verwijs ik je graag naar de websites van de zeewierwinkel en de zeewierwijzer.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘻𝘦𝘦𝘸𝘪𝘦𝘳𝘸𝘪𝘯𝘬𝘦𝘭.𝘯𝘭, 𝘸𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘢𝘤𝘢𝘥𝘦𝘮𝘪𝘦.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘻𝘦𝘦𝘸𝘪𝘦𝘳𝘸𝘪𝘫𝘻𝘦𝘳.𝘯𝘭, 𝘸𝘦𝘳𝘦𝘭𝘥𝘳𝘦𝘨𝘪𝘰.𝘯𝘭, 𝘦𝘥𝘦𝘱𝘰𝘵.𝘸𝘶𝘳.𝘯𝘭/543723

Soort van dag 215: helm

(3 augustus 2023)

Gisteren werden we gezandstraald op het uitgestrekte (en uitgestorven) strand van Ouddorp. Mooi is om op deze strandvlakte naar duinvorming te kijken en naar de primaire successie: opeenvolging van planten die het stuivende zand weten vast te leggen. We zagen grassen, zeeraket en stekend loogkruid waarachter zich een duintje begon te vormen (foto’s links). Het zijn allemaal pionierssoorten die stand weten te houden onder de extreme omstandigheden die aan de kust heersen: harde wind, zout water, stuivend zand en weinig organisch materiaal in de bodem. Zeeraket en loogkruid zijn eenjarig, de grassen zijn overblijvend.

Het begint met een obstakel op de strandvlakte: een schelp, een stuk hout, een wier of een ander aanspoelsel. Hierachter hoopt het weggeblazen zand zich op. Het allereerste gras dat zich hier vestigt, is biestarwegras. Het vangt met zijn bladeren zand in en groeit daar weer bovenuit. Ondergronds maakt hij uitlopers zodat hij zich nog verder kan uitbreiden. Zo ontstaat een eerst (embryonaal) duintje op de strandvlakte (foto bovenaan in het midden). Biestarwegras heeft zoet water nodig om te kiemen maar kan verder goed tegen zout water. Als er eenmaal een duintje is, ontstaat hierin een zoetwaterbel van regenwater die op het zoute water blijft drijven. En dan komt de volgende plant in de successiereeks in beeld: helm. Deze groeit sneller en vangt nog veel meer zand in, maar groeit niet in zout water. Helm vind je overigens niet alleen langs de kust, maar ook landinwaarts op terreinen met stuivend zand.

Helm is het hoge wuivende gras van de zeereep, maar ook daarachter groeit het in de duinen. Op de foto rechtsonder zie je het bij de Horspolders op Texel. Helmwortels hebben veel zijvertakkingen en kunnen zowel horizontaal als verticaal groeien. Als de plant door zand overstoven is, vormt hij nieuwe worteluitlopers. Waar een wortel aan het licht komt, wordt een nieuwe spruit gevormd. De plant en dus ook het duin kunnen tot wel een meter per jaar omhoog groeien.
De grijsgroene bladeren zijn stijf en hard en kunnen omkrullen om uitdroging te voorkomen. Helm bloeit in juni en juli met aarpluimen van 7 tot 22 cm lang. Het gras verspreidt zich niet alleen met zijn worteluitlopers, maar ook met zaad.

Als het duin (bijvoorbeeld meer landinwaarts) niet meer stuift, nemen andere planten het over. Helm kwijnt dan weg door schimmels en aaltjes in de bodem en insectenvraat.

Het ‘kunstje’ van helm is natuurlijk goed inzetbaar om de kust te versterken. In de middeleeuwen legden de Vlamingen al helmstuifdijken aan om het land achter de zeereep tegen overstroming te beschermen. Ook vandaag de dag wordt de zeereep vastgehouden en versterkt door helm in te planten (zie foto rechtsboven). Ook Noordse helm wordt hiervoor gebruikt. Dat is een kruising tussen helm en duinriet, met extra lange worteluitlopers.
Helm (afgeleid van ‘halm’) beschermt ons niet alleen tegen de zee, maar werd vroeger ook voor allerlei andere doeleinden gebruikt, mits de kustbeschermende functie niet in het geding kwam. Bijvoorbeeld als verpakking van vis, in de winter als veevoer, als strooisel in de stal en als brandstof. Op de Hebriden werden er daken mee bedekt en manden mee gevlochten.

Terwijl helm zo ongeveer de enige plant is die op de zeereep groeit (soms vergezeld van zeedistel, zeewinde en zeewolfsmelk), komen er opvallend veel paddenstoelensoorten voor. Verschillende soorten vind je alleen in helmduinen. Deze schimmels leven van dood blad en dode wortelresten van helm. Een aantal diersoorten is gebonden aan helm als voedselplant, zoals de helmgrasuil, een dwergcicade en een bladluizensoort. Ook zijn er larven van kevers die leven van de wortels van helm.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘭𝘪𝘻.𝘣𝘦, 𝘦𝘤𝘰𝘮𝘢𝘳𝘦.𝘯𝘭, 𝘥𝘶𝘯𝘦𝘢.𝘯𝘭, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘬𝘦𝘯𝘯𝘪𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 214: stadsreus

(2 augustus 2023)

Weer eens aandacht voor een zweefvlieg en wel een hele grote: de stadsreus. Momenteel wordt die veel waargenomen. Op Facebook heb ik al veel foto’s voorbij zien komen. Het is dan ook een opvallende en grote zweefvlieg, de grootste van ons land. Hij kan 2,5 cm lang worden. Met zijn kleuren lijkt hij wel wat op een Europese hoornaar (foto rechtsboven); vandaar wordt deze soort ook wel hoornaarzweefvlieg genoemd. Dat hij op een insect met angel lijkt, is een goede bescherming. Zo wordt hij niet snel door predatoren gegeten. Een reëel gevaar is dat mensen hem doodslaan omdat ze denken dat het om een wesp gaat, m.n. om de exotische en agressieve Aziatische hoornaar. Maar stadsreuzen zijn totaal ongevaarlijk.

Volwassen stadsreuzen eten nectar en stuifmeel. Op de foto linksboven zie je een vrouwtje op gewone berenklauw en op de foto linksonder een mannetje op watermunt. Bij het vrouwtje zit er ruimte tussen de grote ogen en valt daardoor de gele kop goed op. Bij mannetjes staan de ogen tegen elkaar aan.

Het larvestadium brengen ze door in een bewoond wespennest (bijvoorbeeld van gewone wesp, Duitse wesp of Europese hoornaar). Ze eten daar afval zoals dode wespenlarven en stervende wespen. Ze richten geen schade aan en zijn juist nuttig bezig als opruimers. Hoe het een vrouwtje stadsreus lukt om een wespennest binnen te dringen en daar haar eitjes te leggen, is niet precies bekend. Misschien verspreidt ze een geur die wespen kalmeert? Ook de larven lopen geen gevaar. Wespennesten zijn verlaten in de winter, behalve door de poppen van de stadsreus. De volgende zomer verpoppen ze zich tot volwassen exemplaren.

De stadsreus was vorige eeuw vooral nog een soort van Centraal- en Zuid-Europa, Azië en Noord-Afrika. Bij ons kwam hij nauwelijks voor. Met de warmer wordende zomers werd hij steeds vaker gezien en inmiddels komt hij ook bij ons algemeen voor. Ze worden stadsreus genoemd omdat ze vooral in stedelijk gebied aangetroffen worden.

Er komen in Nederland vijf soorten reuzenzweefvliegen voor. Naast de stadsreus zijn de hommelreus (foto rechts midden) en de witte reus (foto rechtsonder) algemeen voorkomend. De andere twee, wespreus en gele reus, zijn zeldzaam. De larven van de hommelreus leven in nesten van hommels, m.n. van tuin- en steenhommels. Er komen verschillende kleurvormen van voor. De larven van de witte reus leven net zoals de stadsreus in nesten van sociale wespen.
(Meer over sociale wespen: zie dag 67. Meer over zweefvliegen: zie dag 106, dag 180 en dag 202.)

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘣𝘦𝘴𝘵𝘶𝘪𝘷𝘦𝘳𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 213: pitrus

(1 augustus 2023)

Grasachtige planten zijn planten met onopvallende bloemen en lange, smalle (grasachtige) bladeren. Het gaat hierbij om de grassenfamilie, cypergrassenfamilie en russenfamilie. Vandaag zoomen we in op pitrus, één van de twintig russensoorten die in Nederland voorkomen.
Russen hebben stengels zonder knopen (grassen hebben die wel). Ze zijn meestal rolrond en hol of met merg gevuld. De bloemen zijn drietallig en bestaan uit twee kransen van drie bloemdekbladen. Eigenlijk net zoals bij een tulp bijvoorbeeld, maar dan klein en onopvallend en bruin of groen van kleur. Ze worden door de wind bestoven, net zoals grassen.
De meeste russen die in Nederland voorkomen, zijn overblijvend en hebben een wortelstok. In de winter behouden ze hun groene stengels (en bladeren). Je vindt ze op vochtige en natte plaatsen, het liefst in de zon. Pitrus kan ook halfschaduw verdragen. Russen zijn echte pioniers. Staan ze eenmaal ergens, dan kunnen ze lang standhouden. En dat geldt zeker voor pitrus.

Op de foto rechtsboven zie je drie russen naast elkaar uit hetzelfde natte schraalgrasland: paddenrus, pitrus en biezenknoppen. Bij pitrus en biezenknoppen lijkt het alsof de bloeiwijze uit de stengel ontspringt, maar dat is niet zo. De bloeiwijze zit aan het eind van de stengel en in het verlengde daarvan zit het schutblad. Bij biezenknoppen blijft de bloeiwijze meestal compact terwijl die van pitrus meestal veel losser is. Maar soms lijken ze veel op elkaar.
De stengels van pitrus en biezenknoppen zijn beide gevuld met merg. Bij biezenknoppen zijn de stengels dofgroen en je kunt ze makkelijk samenknijpen. Bij pitrus is de stengel glanzend groen en ze moeilijker samen te knijpen. Een geplukte en gedroogde stengel wordt dof en vertoont groeven.

Door het merg kan zuurstof naar de wortels worden getransporteerd. Zo kan de plant groeien op bodems zonder zuurstof. Als je de stengel van pitrus in de lengte opensnijdt, komt het merg (de pit) bloot te liggen. Deze werd vroeger als lampenpit gebruikt, bijvoorbeeld gedrenkt in schapenvet. Pitrus is tot in de 19e eeuw gebruikt voor het vlechten van matten. In de buurt van Zwolle werden voor de teelt graslanden onder water gezet. Russen hebben geen voedingswaarde voor grazend vee; die laten de russen het liefst staan. Vroeger werden de stengels als strooisel in de stal gebruikt.

Op russen komen verschillende soorten schimmels voor. Zo is er een roestzwam die in de voorzomer op heelblaadjes voorkomt en daarna overgaat op een rus. Op dode halmen kunnen allerlei soorten kleine paddenstoeltjes groeien. Russen zijn voedselplanten van verschillende nachtvlinders, kevers, wantsen en cicaden. De larven van de russenbladvlo veroorzaken opvallende gallen op russen (foto rechtsonder).

Pitrus groeit in dichte pollen en kan een meter hoog worden. Pitrus heeft een voorkeur voor zure bodems, maar is niet echt kieskeurig.
In veel natuurgebieden met (natte) graslanden kan pitrus gaan domineren en zo verdwijnen andere planten maar ook weidevogels. ‘Verpitrussing’ wordt dat wel genoemd. Dat gebeurt vooral op terreinen die vroeger in agrarisch gebruik waren en waar de bodem nog veel fosfaat bevat. Als pitrus eenmaal massaal aanwezig is, is het moeilijk om er weer vanaf te komen. Pitrus kan voorkomen worden door bij nieuwe natuurgebieden de voedselrijke bovenlaag af te plaggen. Als pitrus er eenmaal staat, helpen maaien en afvoeren (uitputten). Omdat vee het liever niet eet, helpt begrazing nauwelijks. Hooguit met shetlandpony’s of schapen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 212: grote bonte specht

(31 juli 2023)

Het is een stuk stiller in en rond onze tuin dan zo’n twee maanden geleden. Zo nu en dan een alarmroep, piepende jonge mezen, soms nog de zang van de tjiftjaf en verder het geschreeuw van halsbandparkieten die het voorzien hebben op onze fruitbomen. Maar dan horen we geklop: een grote bonte specht klopt op een knotwilg, zoekend naar voedsel.

De grote bonte specht is de meest algemeen voorkomende specht van ons land. Naast de grote komen in ons land ook de middelste en kleine bonte specht voor. Die hebben allebei een rood petje. De middelste heeft meer wit in het gezicht. De kleine bonte specht heeft de grootte van een mus en heeft strepen op zijn rug. Verder komen in Nederland de groene specht, de zwarte specht en de draaihals voor. Hun stijve staart gebruiken ze als steuntje als ze aan het kloppen en hakken zijn. Een ander kenmerk van spechten is dat van hun vier tenen er twee naar voren en twee naar achteren staan.
Grote bonte spechten hebben een rode broek aan en verder een zwart-wit verenkleed. Het mannetje van de grote bonte specht heeft een rode nekvlek; bij het vrouwtje ontbreekt die. Jonge exemplaren hebben een rood petje en kunnen daarom verward worden met de middelste bonte specht.
In het voorjaar en de zomer eten ze insecten. Hij beweegt zich van beneden naar boven op de boomstam en klopt daarbij op de bast. Zo kan hij de gangen vinden die insecten in het hout gegraven hebben. De specht hakt een gang open en pakt zijn prooi met de punt van zijn lange, kleverige tong. Ook eten spechten eieren en jonge vogels. In de winter eten ze plantaardig materiaal. In naaldbossen halen ze zaden uit sparren- en dennenappels. In onze tuin eten ze okkernoten die ze vastklemmen en die ze vervolgens open hakken. Ook komen ze in de winter bij voedertafels langs, bijvoorbeeld om uit een pot vogelpindakaas te eten (foto bovenaan, met dank aan Sander Uiterwijk).

Spechten kloppen en hakken met hun snavel om verschillende redenen: voedsel zoeken, territorium afbakenen, vrouwtje lokken en nestholte uithakken. Twee jaar geleden hadden spechten in een knotwilg in onze tuin een nest gemaakt. Dat was erg leuk om te volgen. Ik heb het uiteraard niet gezien, maar ze schijnen hun eieren gewoon direct op het hout te leggen.
Je kunt je afvragen: krijgen ze geen hoofdpijn van al dat getimmer? Nee. Omdat hun hersenen stevig in de schedel verankerd zijn, lopen spechten geen ernstige hersenbeschadiging op. Ook kunnen ze de klappen opvangen met hun extra dikke nekspieren.

Op 15 juli kwam Nature Today met een bericht dat spechten in bepaalde boomsoorten drinkgaatjes hakken. Dat doen ze om het mineraal- en suikerrijke sap te drinken. Op die gaatjes komen ook insecten af die ze kunnen opeten. De gaatjes blijven nog heel lang zichtbaar als littekens op de boom.

Grote bonte spechten zijn standvogels. Ze blijven in de buurt van hun broedgebied. Het gaat goed met de grote bonte specht. De aantallen zijn ten opzichte van 1990 verdubbeld. Dat komt door het huidige (meer natuurlijke) bosbeheer waarbij dode bomen mogen blijven staan.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘮𝘰𝘯𝘶𝘮𝘦𝘯𝘵𝘦𝘯

Soort van dag 211: wilde lijsterbes

(30 juli 2023)

De oranjerode vruchten van de wilde lijsterbes zijn al rijp. Tot in oktober hangen ze in de bomen, wachtend op vogels die de bessen opeten en via hun poep de zaden verspreiden. Bij ons in de tuin liggen nu helaas al veel bessen onder de bomen: ze zijn door halsbandparkieten uit de bomen gepikt, maar niet opgegeten.
Wilde lijsterbes is een soort waaraan je kunt zien dat het klimaat verandert. Vijfenzeventig jaar geleden waren de bessen pas half augustus rijp, nu in de tweede helft van juli en soms al eind juni.

De wilde lijsterbes is een kleine boom of struik die maximaal negen meter hoog wordt. Het blad is oneven geveerd en verkleurt in de herfst tot geel of oranjerood. In mei bloeien de bomen met roomwitte tuilen (schermvormige trossen). De bloemen ruiken wat weeïg en daar komen vooral vliegen op af. Ook bijen bezoeken de bloemen.
De boom hoort tot de rozenfamilie. De bloemen zijn vijftallig en hebben veel meeldraden. Van het geslacht lijsterbes komen in Europa nog meer soorten voor. Deze worden in ons land ook wel aangeplant (bijvoorbeeld meelbes, elsbes en Zweedse lijsterbes).

De vruchten worden gegeten door lijsterachtigen en spreeuwen. Op de foto linksonder zie je een merelvrouwtje zich te goed doen aan de bessen. Ik heb wel eens een groep spreeuwen zien landen op een lijsterbes. Binnen de kortste keren was de boom leeg. Hopelijk blijven er voorlopig nog even bessen hangen voor koperwieken en kramsvogels (beide lijsterachtigen) die vanaf september als wintergast of als doortrekker in ons land zijn. Niet alleen voor besseneters zijn de lijsterbessen een fijne boom. De dichte takkenstructuur maakt de boom tot een ideale plek om nesten in te maken.
De bessen werden vroeger gebruikt door vogelvangers. De wetenschappelijke soortnaam ‘aucuparia’ verwijst daarnaar. Ook werden de vruchten aan varkens gevoerd.
De bessen zijn voor mensen enigszins giftig. Ze bevatten parasorbinezuur wat maagklachten kan veroorzaken. Bij verhitten wordt de stof omgezet in het onschadelijke sorbinezuur. Van de vruchten kunnen dus wel jam e.d. gemaakt worden.

Wilde lijsterbessen groeien van nature op niet te voedselrijke en zure gronden. Maar ze doen het ook goed op andere bodems, behalve op zware klei en mergel. Er zijn verschillende cultuurvariëteiten die als straatboom aangeplant worden.
Het is een van de weinige bomen die zelfs in het hoge noorden van Europa (zoals de Noordkaap) nog kan groeien. Het is daar de meest vorstbestendige boom. Aan het einde van de laatste ijstijd was de wilde lijsterbes dan ook een van de eerste houtgewassen die zich weer in onze streken vestigden.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 210: grote lisdodde

(29 juli 2023)

De afgelopen dagen kwamen verschillende organismen aan de orde die in of op een poldersloot leven. Vandaag verlaten we de sloot en banen we ons een weg door de lisdodden, ook wel (riet)sigaren genoemd.

Lisdodden horen samen met de egelskoppen tot de lisdoddefamilie. Van het geslacht lisdodde komen in Nederland twee soorten voor: de grote en de kleine lisdodde. Beide worden zo’n twee meter hoog. Daarnaast wordt er in ons land nog een verwilderde soort uit Zuid-Europa aangetroffen, de kleinste lisdodde. Ook bestaan er kruisingen van de grote en kleine lisdodde.

De planten zijn nu aan het einde van hun bloeitijd (juni-juli). De bloemen staan in aren (kolven), met onderaan de aar met vrouwelijke bloemen en bovenaan de aar met mannelijke bloemen die alleen uit meeldraden bestaan. De vele bloemen staan erg dicht op elkaar. Na de bloei vallen de meeldraden snel af. De rijpe vrouwelijke aren zijn donkerbruin. Bij droog weer in herfst, winter en voorjaar komt het vruchtpluis vrij en wordt het vele zaad door de wind verspreid.
Voor het onderscheid tussen grote en kleine lisdodde kun je naar de bloeiaren kijken. Die van de kleine lisdodde (foto linksonder) zijn smaller en lichter van kleur dan die van de grote. Tussen de mannelijke en vrouwelijke aar zit bij de kleine lisdodde een ruimte van 2 cm. Bij de grote lisdodde zitten ze op elkaar. Verder zijn de bladeren van kleine lisdodde smaller.
Kleine lisdodden komen voor in (matig) voedselrijk water. Kleine lisdodde verdraagt golfslag beter dan grote lisdodde. De grote lisdodde komt algemeen voor aan waterkanten van zeer voedselrijke wateren. Ook vind je ze aan de kant van minder voedselrijk water op plaatsen waar veel organisch materiaal aanspoelt. Het is een echte pioniersoort die zich via zijn wortelstokken flink kan uitbreiden.

Op afgestorven halmen van lisdodden kan de lisdoddefranjehoed voorkomen (foto rechtsonder). Verschillende nachtvlinders gebruiken lisdodden als waardplant. Ook zijn er kevers en een vliegensoort waarvan de larve in of op lisdodde voorkomen. De ridderwants ontwikkelt zich in de bloeiwijzen. Verder zijn dode stengels goede schuilplekken voor allerlei soorten insecten. Het pluis van de lisdodden is nestmateriaal voor bijvoorbeeld buidelmezen.

Lisdodden zijn ook echte gebruiksplanten. Er lopen momenteel verschillende proeven met de teelt van grote lisdodde, o.a. op een boerderij in Friesland. Voor de teelt is een hoog waterpeil nodig. Dat biedt een oplossing voor een groot probleem van veenweidegebieden: bij een laag waterpeil verteert het veen. Hierdoor wordt er CO2 uitgestoten en daalt de bodem. De geoogste lisdodden kunnen gebruikt worden als veevoer, bouw- en isolatiemateriaal en als duurzaam alternatief voor potgrond (waarvoor hoogveen wordt afgegraven, m.n. in de Baltische staten). Lisdodden kunnen bovendien water reinigen en voedingsstoffen opnemen. Zo kan agrarische, zwaar bemeste grond geschikt gemaakt worden voor natuurontwikkeling. Ook in de gemeente waar ik woon (De Ronde Venen), is een proef gedaan. Deze is voortijdig gestopt omdat bleek dat ganzen verzot zijn op de jonge scheuten. Zie hier voor meer informatie over lisdoddeteelt.

Met lisdodden kun je nog meer doen. Mensen kunnen ze ook eten: wortels, jonge scheuten en zaden. Met het pluis werden vroeger kussens gevuld. De pluizen kun je ook als tondel gebruiken bij het maken van een vuurtje. Verder werden de planten ook als dakbedekking gebruikt, net zoals riet.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘚𝘵𝘢𝘢𝘵𝘴𝘣𝘰𝘴𝘣𝘦𝘩𝘦𝘦𝘳, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘷𝘦𝘦𝘯𝘸𝘦𝘪𝘥𝘦𝘯.𝘯𝘭

Soort van dag 209: schaatsenrijders

(28 juli 2023)

Naast insecten die onder water leven, heb je ook insecten die óp het water leven. Bij de duikerwantsen werden de oppervlaktewantsen al genoemd: schaatsenrijders, vijverlopers en beeklopers. Daarnaast zijn er ook kevers die op het water lopen: de waterschrijvertjes, ook wel draaitorretjes genoemd. Eigenlijk lopen deze kevertjes niet, maar zwemmen ze terwijl ze half in het water hangen. Je ziet ze altijd in groepjes over het water krinkelen (foto rechtsonder).

Schaatsenrijders hebben een lang lichaam. Hun midden- en achterpoten zijn lang, de voorpoten zijn kort en tangvormig. Met de vier lange poten ‘schaatsen’ ze over het wateroppervlak, d.w.z. ze bewegen zich vrij schokkerig voort. Ze maken roeibewegingen met hun middenpoten en zetten zich daarbij tegen het wateroppervlak af. Hun achterpoten gebruiken ze als roer. Schaatsenrijders kunnen ook vliegen en over het land kruipen.
Zo op het eerste gezicht lijkt het net alsof schaatsenrijders maar vier poten hebben. Daarmee onderscheiden ze zich van de vijver- en beeklopers die duidelijk met drie paar poten over het wateroppervlak lopen. Ook steken ze hoger boven het water uit. Het lichaam van een vijverloper is langgerekter dan dat van een beekloper. Vijverlopers vind je op stilstaand water, beeklopers op stromend water.
Oppervlaktewantsen kunnen alleen leven op schoon water. Zodra de oppervlaktespanning van het water lager is door bijvoorbeeld wasmiddelen, olie of chemicaliën in het water, zakken ze door het wateroppervlak en kunnen ze verdrinken. Op de foto rechtsboven zie je de schaduw van de kuiltjes die hun poten in een wateroppervlak maken.

Er komen in Nederland negen soorten schaatsenrijders voor. De grootste is de grote schaatsenrijder met een lengte van 1,5 cm. Zoals alle wantsen hebben ze een onvolledige gedaanteverwisseling. De eitjes worden afgezet op waterplanten en daar komen mini-schaatsenrijders uit. Ze zijn kleiner en vleugelloos en het achterlijf is veel korter dan dat van een volwassen schaatsenrijder.
Schaatsenrijders eten insecten. Het kan gaan om insecten die aan het oppervlak adem komen halen of die in het water gevallen zijn. Ze voelen de trillingen op het wateroppervlak. Ze pakken de prooien met hun voorpoten. Met hun zuigsnuit worden ze leeggezogen. Een grote prooi kan door meerdere schaatsenrijders gezamenlijk verorberd worden. Schaatsenrijders zelf kunnen als ze niet uitkijken ten prooi vallen aan vissen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘣𝘰𝘦𝘬𝘫𝘦 ‘𝘞𝘢𝘵𝘦𝘳𝘥𝘪𝘦𝘳𝘵𝘫𝘦𝘴 𝘷𝘢𝘯 𝘴𝘭𝘰𝘰𝘵 𝘦𝘯 𝘱𝘭𝘢𝘴’, 𝘮𝘪𝘤𝘳𝘰𝘤𝘰𝘴𝘮𝘰𝘴.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 208: draadalgen

(27 juli 2023)

Het leven in een sloot bestaat niet alleen uit dieren. Ook komen er planten voor: ondergedoken in het water, met bladeren drijvend op het water of groeiend aan de waterkant. Verschillende water- en oeverplanten zijn al voorbij gekomen zoals dotterbloem, gele plomp en riet. Maar ik was ook wel benieuwd naar de ondergedoken waterplanten. Daarom probeerde ik in de sloot rond ons huis wat planten vanaf de kant bij elkaar te harken. Helaas kwam ik niet verder dan ‘flab’ oftewel draadalgen.

Algen in oppervlaktewater, die horen er gewoon bij. Ze zorgen samen met andere planten voor zuurstof in het water en zijn voedsel voor allerlei kleine beestjes. Je hebt eencellige algen, maar ook algen die in kolonies leven. ‘Draadalgen’ is een verzamelnaam voor groenwieren (uit verschillende families) die lichtgroene draden vormen.
Vooral door een teveel aan stikstof kunnen draadalgen zich explosief ontwikkelen. Zo snel zelfs dat hele sloten dichtgroeien en alle gewone planten in die sloten afsterven vanwege te weinig licht. Dat heeft ook weer gevolgen voor de dieren die in de sloot leven. Het zijn vaak sloten in de buurt van (sterk) bemeste landbouwpercelen die het meeste last van flab hebben. In de sloot om ons huis wordt water ingelaten vanuit de Kromme Mijdrecht om het water op peil te houden; voedselrijk water dus. Gelukkig staat deze sloot niet in verbinding met de sloten in het natuurgebied achter ons huis, zodat de sloten daar minder voedselrijk water bevatten.

Dat draadalgen voor zuurstof in het water zorgen, kun je zien op de foto rechtsonder. Ik had een pluk draadalgen in een cuvet gedaan. Toen de zon er een tijdje op had geschenen, ontstonden de luchtbelletjes. Door deze luchtbelletjes stegen de algen naar boven, een verschijnsel dat we ’s zomers ook in voedselrijke sloten zien gebeuren (foto linksonder). Zo ontstaan er matten van draadalgen. De Engelse naam hiervoor is ‘floating algae beds’, afgekort tot flab. De flab verkleurt naar geelgroen, gaat schuimen en sterft vervolgens af. Ook in tuinvijvers kunnen draadalgen een probleem zijn; internet staat vol oplossingen.

Het is niet één soort draadalg die je in een voedselrijke poldersloot vindt. Het gaat hierbij om tientallen soorten die door elkaar voorkomen. Op de bovenste foto zie je draadalgen die aanvoelen als haren. Vrouwenhaar, worden die wel genoemd. Tussen de draden zie je de larve van een waterjuffer.
Onderaan zie je foto’s van draadalgen die zacht en slijmerig aanvoelen. Hierbij kan het gaan om algen uit de spiraalwiergroep. Deze worden ook wel slijmalgen genoemd.
Wil je weten hoe die algen er onder water uit zien? Hier staan prachtige foto’s daarvan.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘞𝘢𝘵𝘦𝘳- 𝘦𝘯 𝘰𝘦𝘷𝘦𝘳𝘱𝘭𝘢𝘯𝘵𝘦𝘯, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘱𝘶𝘣𝘭𝘪𝘤𝘸𝘪𝘬𝘪.𝘥𝘦𝘭𝘵𝘢𝘳𝘦𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 207: vetje en rietvoorn

(26 juli 2023)

Soms zie je, als je in een sloot kijkt, een school kleine visjes zwemmen. Dat kunnen jonge visjes zijn of visjes die klein blijven. Zwemmen in een school heeft als voordeel dat de visjes dan minder kwetsbaar zijn voor roofdieren. In een school is geen leider aanwezig, maar elk visje probeert steeds op dezelfde afstand te blijven van de visjes die om hem heen zwemmen. Verandert er één van richting, bijvoorbeeld omdat ik met een schepnet boven het water verschijn, dan volgen de andere visjes blindelings.

Ook in de sloot rondom ons huis zie ik regelmatig scholen kleine visjes zwemmen. Afgelopen weken heb ik er een paar opgevist met een schepnet en ze beter bekeken in een cuvet. Volgens waarneming.nl was de ene foto waarschijnlijk van een vetje, een andere foto van dezelfde vis zou een rietvoorn kunnen zijn. Ook in de Facebook-groep ‘Determinatie van planten en dieren’ waren de meningen verdeeld. Ik heb de app Visserijgids gedownload en alle foto’s die ik had gemaakt, laten beoordelen. Allemaal 100% vetje. Mijn foto’s op waarneming.nl zijn inmiddels ook goedgekeurd als vetje.
Jonge rietvoorns kunnen van vetjes onderscheiden worden door o.a. naar de zijlijn van de vis te kijken. Bij vetjes is die onvolledig. Waar je dan precies op moet letten, is mij niet helemaal duidelijk. Die zijlijn speelt overigens ook een rol bij het zwemmen in een school: het bevat een soort tastzintuig waarmee ze trillingen en bewegingen kunnen waarnemen.
Volwassen rietvoorns, ook wel ruisvoorns genoemd, hebben felrode vinnen. Op de foto rechtsonder zie je een exemplaar die met een hengel in de sloot naast ons huis gevangen is.

Vetjes en rietvoorns horen beide tot de familie van de echte karpers. Volgens Wikipedia zijn er van deze familie 31 soorten in Nederland waargenomen. O.a. de karper, brasem en goudvis horen ook daartoe. Vetjes worden 9 cm lang (maximaal 12 cm). Rietvoorns worden maximaal 45 cm lang. Beide soorten hebben een bovenstandige bek. Dat wil zeggen dat de onderkaak langer is dan de bovenkaak. Daardoor wijst de opening van de bek naar boven. Vissen met een bovenstandige bek halen hun voedsel vooral aan het wateroppervlak. Ze eten daar waterkevers, muggenlarven en in het water gevallen insecten. Soms zie ik in de sloot rond ons huis ineens een bekje boven water verschijnen en vormt zich een kring in het water. Dan wordt er naar een lekker hapje gehapt.

Beide soorten leven in stilstaand of zwak stromend water, met veel waterplanten. Hierop worden de eitjes afgezet. Vetjes doen aan broedzorg: de eitjes worden door de mannetjes bewaakt en vrij van schimmels gehouden.

Rietvoorn is een inheemse soort. Vetjes zijn in de 19e eeuw in Nederland terecht gekomen. Vaak worden ze als aparte soort over het hoofd gezien omdat ze erg op jonge exemplaren van andere karperachtigen lijken.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘙𝘢𝘷𝘰𝘯, 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴