Soort van dag 206: duikerwantsen

(25 juli 2023)

Een paar keer scheppen in het water van een gezonde poldersloot levert geheid een aantal duikerwantsen op. Doe je ze vervolgens in een emmer of witte bak, dan schieten ze door het water heen en weer. Ook kun je duikerwantsen zien als ze aan het wateroppervlak komen om adem te halen. Daarna schieten ze weer naar beneden waar ze zich bij voorkeur ophouden. Vandaar: duikerwantsen.

Wantsen zijn insecten die op kevers lijken, maar dan platter. Bovendien liggen bij wantsen de dekschilden gedeeltelijk over elkaar heen en niet tegen elkaar aan. Je hebt ‘bovenwaterwantsen’, zoals de grauwe schildwants, ‘onderwaterwantsen’ en ‘oppervlaktewantsen’. Oppervlaktewantsen hebben vrij lange antennes en lopen meestal op het wateroppervlak. Een voorbeeld daarvan zijn de schaatsenrijders, vijverlopers en beeklopers. Tot de onderwaterwantsen horen de waterschorpioenen, bootsmannetjes en duikerwantsen. Bootsmannetjes zwemmen met de buik omhoog en worden daarom ook wel ruggenzwemmers genoemd. Bootsmannetjes zijn rovers, terwijl duikerwantsen alleseters zijn; ze eten vooral planten, algen en dood organisch materiaal.
De meeste wantsen kunnen, als ze volwassen zijn, vliegen. Dat geldt ook voor duikerwantsen en bootsmannetjes. Dat doen ze bijvoorbeeld als een waterplas droogvalt, maar ook in de voortplantingstijd.

Wantsen hebben een onvolledige gedaanteverwisseling. Dat wil zeggen dat ze geen larvenstadium hebben (zoals kevers), maar als mini-wantsje uit het ei kruipen. Ze moeten een aantal keer vervellen voordat ze volwassen zijn. Pas dan komen de volgroeide vleugels tevoorschijn en kunnen ze vliegen.
Bij de meeste soorten is er één generatie per jaar. Ze overwinteren als volgroeide wants. Aan het einde van het voorjaar, als het water warmer wordt, gaan de mannetjes onder water tsjirpen. Je schijnt dat te kunnen horen als je ze in een aquarium houdt. Ook de paring gebeurt onder water. De eitjes worden op waterplanten afgezet.

Zoals hierboven al gezegd moeten duikerwantsen en andere waterwantsen naar boven om adem te halen. Ze hebben namelijk geen kieuwen. Veel waterwantsen hebben een speciale adembuis, maar duikerwantsen niet. Als ze adem halen, steken de kop en halsschild iets boven water uit. De lucht wordt op de rug onder de dekvleugels meegenomen. De meegevoerde luchtbel bevindt zich boven openingen van het adembuizenstelsel. Je ziet dat als een zilveren glans. Jonge wantsen halen adem via hun huid.

Ze zwemmen met hun afgeplatte achterpoten. Hierop zitten kleine haartjes. Als ze in rust zijn, steken die achterpoten zijwaarts uit. De middelste poten gebruiken ze om zich mee vast te houden aan bijvoorbeeld een plant. Door de luchtbel onder hun dekschilden zouden ze in rust anders omhoog schieten. De voorste poten zijn klein. Op de onderste foto in het midden zijn ze te zien. Hiermee wervelen ze bodemmateriaal op, houden ze voedsel vast of schrapen ze algen van waterplanten. Net zoals alle wantsen hebben ze een zuigsnuit waarmee ze hun voedsel op- of leegzuigen.

Er komen in Nederland 29 soorten duikerwantsen voor. Ze zijn lastig te determineren.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘣𝘰𝘦𝘬𝘫𝘦 ‘𝘞𝘢𝘵𝘦𝘳𝘥𝘪𝘦𝘳𝘵𝘫𝘦𝘴 𝘷𝘢𝘯 𝘴𝘭𝘰𝘰𝘵 𝘦𝘯 𝘱𝘭𝘢𝘴’, 𝘮𝘪𝘤𝘳𝘰𝘤𝘰𝘴𝘮𝘰𝘴.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘭𝘪𝘻.𝘣𝘦

Soort van dag 205: steekmuggen

(24 juli 2023)

Geen foto’s van deze welbekende muggen, maar wel van hun larven. Diverse insecten die we als imago (volwassen dier) zien vliegen, hebben een min of meer verborgen leven als larve of nimf in het water. Denk maar aan libellen, juffers, haften en steenvliegen. En dat geldt dus ook voor steekmuggen, ook wel muskieten genoemd.

Muggen zijn tweevleugeligen, net zoals vliegen. Tweevleugeligen maken een totale metamorfose door (ei, larve, pop en imago). Larve en volwassen dier lijken hierbij in het geheel niet op elkaar.
Er komen in Nederland heel veel soorten muggen voor, in allerlei vormen en maten. In totaal gaat het in Nederland om 25 families. De motmuggen en knutten kwamen al aan de orde. Veel muggen zetten hun eitjes af op rottend plantmateriaal. Galmuggen leggen hun eitjes in levende planten, langpootmuggen in de grond en paddenstoelmuggen in paddenstoelen. O.a. dansmuggen, vedermuggen en steekmuggen leggen hun eitjes op het water. Er komen in Nederland 35 soorten steekmuggen voor. De meest voorkomende soort is de gewone huissteekmug.
Steekmuggen kun je op basis van drie kenmerken onderscheiden van andere muggensoorten. Hun vleugels zijn langer dan hun achterlijf, ze hebben een naar voren wijzende zuigsnuit en in rust steekt het borststuk iets omhoog.

Zoals de meesten wel weten, zijn het de vrouwtjes die bijten en bloed zuigen. Dat hebben ze nodig voor de ontwikkeling van hun eitjes. De mannetjes bijten niet; zij zuigen plantensappen zoals nectar en eten honingdauw. Mannetjes zijn kleiner en hebben geveerde antennes; vrouwtjes hebben draadvormige antennes. Het is natuurlijk vervelend dat muggen ons bijten, maar dat ze ook ziektes kunnen overbrengen is nog vervelender. De kans dat muggen in Nederland ziekteverwekkers overdragen op mensen is overigens zeer klein (bron: rivm.nl).
Muggen zijn vooral ’s nachts actief. Vrouwtjes maken zoemende geluiden met hun vleugels zodat de mannetjes ze kunnen vinden. Elke soort maakt zijn eigen soort geluid. De meeste muggen lokaliseren hun slachtoffer eerst op zicht. Geuren (o.a. koolzuurgas) en warmteverschillen merken ze als ze dichtbij zijn. Een volwassen mug leeft maar kort: enkele dagen tot weken. Ze staan op het menu van vleermuizen, vogels, grotere insecten en spinnen.

Steekmuggen leven altijd in de buurt van water. Hierop leggen de vrouwtjes hun eitjes. Steekmuggenlarven kunnen onder heel slechte omstandigheden overleven. Ze zijn daarom een pioniersoort: dankzij de steekmuglarven is ander (dierlijk) leven mogelijk. Ze voeden zich met bacteriën, schimmels en eencellige algjes. Om te kunnen ademen hebben de larveb een adembuis die ze aan het wateroppervlak kunnen bevestigen. Ze kunnen dus ook in zuurstofarm water leven. Steekmuggenlarven staan op het menu van veel waterdieren: vissen, amfibieën en (larven van) insecten. De groei van ei tot mug duurt bij zomerse temperaturen gemiddeld een à twee weken.

Steekmuggen leggen hun eitjes bij voorkeur in stilstaand water. Dat kunnen ook kruipruimtes, dakgoten, gieters, schoteltjes onder bloempotten en bakken vol regenwater zijn. Ik heb de larven uit een zwarte teil in onze tuin gevist. Daarna heb ik ze in een cuvet gedaan om ze van dichtbij te kunnen bekijken. Ik vond ook een vervellingshuidje: net zoals andere dieren met een uitwendig skelet moeten muggenlarven als ze groeien zo nu en dan hun oude huid (skelet) kwijt.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

Bronnen: Wikipedia, rivm.nl, boek ‘Mug’ (Bart Knols, 2009)

Soort van dag 204: watervlooien

(23 juli 2023)

Bij de ‘soort van de dag’ ga ik uit van soorten die iedereen zou kunnen tegenkomen. Om het onderwaterleven van een sloot of plas te bekijken moet je iets meer moeite doen. Sommige organismen kun je met het blote oog zien. Zo kun je in helder water grote groepen watervlooien in de beschutting van oeverplanten zien zwemmen. Om ze écht goed te kunnen zien, heb je een binoculair of microscoop nodig. Want watervlooien zijn hooguit een halve centimeter groot.

Watervlooien heten zo omdat ze zich schokkerig (springerig) door het water bewegen. Ze bewegen ook nog eens snel en alle kanten op. Het valt dus niet mee om ze goed (scherp) op een foto te krijgen. Voor de foto’s bovenaan heb ik het water met watervlooien in een cuvet gedaan. Ik heb ze met mijn camera gefotografeerd. De foto’s onderaan heb ik met USB-microscoop en telefoon gemaakt. De gefotografeerde watervlo zat toen in een bakje met een dun laagje water.

Watervlooien zijn geen vlooien (insecten) maar kleine kreeftjes. Kieuwpootkreeften, om precies te zijn. Van de superorde van watervlooien komen in Nederland zo’n honderd soorten voor. Net zoals alle kreeftachtigen hebben watervlooien een uitwendig skelet, bestaande uit twee schalen. Bij watervlooien zijn die transparant. Je kunt dus alles binnen hun lijfje zien zoals darmkanaal, hart en bij vrouwtjes de eitjes.
Het meest opvallende kenmerk zijn de twee grote antennes die voor het voortbewegen worden gebruikt. Ze hebben nog een paar antennes met zintuigen maar die zijn moeilijk te zien. Verder valt hun oog op. Ze hebben vijf paar poten, zogenaamde zeefpoten. Met die poten pompen ze water onder hun pantser. De borstels op hun poten filteren het eetbare, zwevende materiaal eruit.

De meeste watervlooien zijn vrouwtjes. Die planten zich een groot deel van het jaar ongeslachtelijk voort: ze broeden onbevruchte eitjes in hun lichaam uit en klonen zo zichzelf. Hoe hoger de temperatuur, hoe sneller de ontwikkeling gaat. Bij zomerse temperaturen kan een watervlo zich al binnen een week ontwikkelen van ei tot volwassen dier. Hier vind je een filmpje van de ‘geboorte’ van watervlooien. Ook kun je erop zien hoe ze hun antennes gebruiken om zich voort te bewegen.
Onder ongunstige omstandigheden (verdroging, voedseltekort, kou) ontstaan er ook mannetjes. Het vrouwtje produceert dan (grotere) eitjes die bevrucht moeten worden. De bevruchte eitjes komen uit als de omstandigheden weer gunstig zijn, dus bijvoorbeeld na de winter. Wel buiten het lichaam van de moeders, want die leven dan al lang niet meer.

De meeste soorten leven in zoet water. In te snel stromend water zul je ze niet vinden. Ze worden door allerlei waterdieren gegeten: vissen, amfibieën, waterkevers en larven van libellen, waterjuffers en muggen. Zelf eten ze bacteriën, algen en zwevend organisch materiaal. Doordat ze algen eten, houden ze het water helder en dat komt weer veel andere organismen ten goede.
Watervlooien worden als indicator van het zuurstofgehalte van water gebruikt. Kleurloze watervlooien wijzen op een normale hoeveelheid zuurstof in het water. Als watervlooien rood kleuren, is het water zuurstofarm(er). Ze maken dan namelijk extra hemoglobine aan. In laboratoria worden ze gebruikt voor onderzoeken naar waterkwaliteit.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘦𝘥𝘦𝘱𝘰𝘵.𝘸𝘶𝘳.𝘯𝘭/386725, 𝘻𝘰𝘰𝘱𝘭𝘢𝘯𝘬𝘵𝘰𝘯.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 203: riet

(22 juli 2023)

De komende week duik ik de poldersloot in om te kijken naar de biodiversiteit onder water. Vandaag sta ik nog even stil aan de rand van de sloot, in de rietkraag.

Riet is een algemeen voorkomende en bekende grassoort. Het is het hoogste inheemse gras: de planten worden één tot drie meter hoog. Die lengte, inclusief halmen, bereiken ze pas tegen augustus. De bladschijf kan een halve meter lang worden. In de zomer is riet blauwachtig groen, in de herfst wordt het goudgeel en in de winter is het lichtbruin.
De plant bloeit van juli tot in oktober met purperbruine pluimen die in de winter zilvergrijs zijn. Zowel bestuiving als zaadverspreiding gebeuren door de wind. Riet breidt zich op drie manieren uit: door zaad, ondergronds door wortelstokken en bovengronds door uitlopers.
Er is een grassoort die veel op riet lijk, namelijk rietgras. Je kunt de twee van elkaar onderscheiden door naar het tongetje te kijken (overgang van bladschede naar bladschijf). Rietgras heeft een duidelijk tongetje terwijl riet een krans van haren heeft (foto midden rechts). Verder is de bloeiwijze anders en bloeit rietgras aan het begin van de zomer.
De golving op de bladeren (foto midden) wordt wel duivelsbeet genoemd. Deze is ontstaan toen het opgerolde blad, voor het zich ontvouwde, tegen een stengelknoop aangedrukt zat. (Over zo’n fenomeen bestaat natuurlijk ook een verhaal.)

Als er veel riet bij elkaar staat, spreken we van rietland. Daar groeit overigens niet alleen riet. Wil je een rietland in stand houden, dan moet het regelmatig gemaaid worden. Anders verruigt het en krijg je (ongewenste) bomengroei. Dit maaien kan samengaan met het oogsten van riet voor dakbedekking zoals in de Nieuwkoopse Plassen nog altijd gebeurt (foto linksboven). Belangrijk is om niet elk jaar al het riet te maaien. Zo houd je overjarig riet wat belangrijk is voor allerlei rietvogels en insecten. Op de foto in het midden links, zie je de ecologische oeverzone langs de Kromme Mijdrecht in begin mei. Deze zone wordt gefaseerd gemaaid (dus niet elk jaar alles eraf). Hetzelfde doet Stichting De Bovenlanden op hun terrein het Veenwater (foto rechtsboven). Ook met peilbeheer kan rietland in stand gehouden worden.

Over riet valt veel te vertellen. In de Nederlandse Oecologische Flora worden er wel zestien bladzijden aan gewijd. Daarbij gaat het o.a. over de relaties met dieren. Heel veel geleedpotigen worden genoemd: vlinders, kevers, vliegen, galmuggen, bijen, spinnen enzovoort.
Op de foto’s onderaan zie je de rietvink (rups), de rietkruisspin en de gewone rietkever. De rietvink (een nachtvlinder) gebruikt riet en andere harde grassen als waardplant. Rietkruisspinnen maken hun wielweb met weinig spaken tussen rietstengels en andere hoge grassen. Rietkeverlarven leven onder water en eten van de wortelstokken van riet en rietgras. Ze halen hun zuurstof uit de vaatstelsels van de plant. De volwassen kevers eten van de bovengrondse delen van riet. Je ziet ze ook wel eens drijvend op het water.
Veel vogelsoorten zijn min of meer gebonden aan riet of rietland. Voorbeelden zijn kleine karekiet, rietzanger, roerdomp, purperreiger, bruine kiekendief, baardman, blauwborst, waterral, snor en rietgors (foto linksonder).
Riet dat in water staat, biedt allerlei waterdieren bescherming. Over enkele waterdieren komende week dus meer.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘮𝘰𝘯𝘶𝘮𝘦𝘯𝘵𝘦𝘯, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 202: snorzweefvlieg

(21 juli 2023)

Van de ruim driehonderd soorten zweefvliegen die in Nederland voorkomen, zijn er al twee de revue gepasseerd. Namelijk de hommelbijvlieg en de blinde bij, twee zogenaamde bijvliegen. Daarnaast heb ik ook regelmatig foto’s geplaatst van bloemen die bezocht werden door verschillende soorten zweefvliegen. Een hele leuke zweefvlieg vind ik de snorzweefvlieg. Het is ook nog eens de meest algemeen voorkomende soort, dus de kans dat je hem ziet, is groot.

De snorzweefvlieg is slank en vrij klein. Het achterlijf is oranjegeel met donkere banden. Ze hebben altijd twee smalle donkere streepjes in de vorm van een snorretje. Hieraan danken ze hun naam. Andere namen voor deze zweefvlieg zijn pyjamazweefvlieg, dubbelbandzweefvlieg of coca-colazweefvlieg. Ze lijken wat op wespen, maar het zijn vliegen en ze steken dus niet.
Volwassen zweefvliegen bezoeken bloemen waar ze met hun korte tong makkelijk bij de nectar en stuifmeel kunnen komen. Op de foto’s zie je snorzweefvliegen op gewone berenklauw en klein springzaad en zwevend voor akkermelkdistel en doorgroeide duizendknoop (een tuinplant). Snorzweefvliegen zijn niet kieskeurig: de soort is op tweehonderd soorten bloemen waargenomen.

Eigenlijk zweven zweefvliegen niet. Ze kunnen ‘stil’ in de lucht hangen door per seconde 200-300 vleugelslagen te maken. Ze kunnen ook achter- en zijwaarts vliegen. Dat zul je een wesp nooit zien doen.
Het zijn vooral de mannetjes snorzweefvlieg die het typerende zweefgedrag vertonen. Ze hangen een tijdje stil en kunnen dan ineens fel uitvallen naar andere mannetjes die hun territorium binnen komen. Dat doen ze ook naar andere ‘indringers’, zoals vliegen, vogels of mensen. Ik heb ook wel eens een snorzweefvlieg bij een bierflesje zien hangen. Dat was iets nieuws in zijn territorium dat geïnspecteerd moest worden. Komt er een vrouwtje voorbij, dan wordt er gepaard.
Vrouwtjes zweven ook. Dat doen ze als ze bloemen bezoeken of als ze een geschikte plek zoeken om hun eitjes op af te zetten.

Snorzweefvliegen zijn trekkende insecten. Bij aanhoudend warm weer in Zuid-Europa trekken ze noordwaarts en dat doen ze met duizenden tegelijk. Zo worden in de zomermaanden de snorzweefvliegen die in ons land opgegroeid zijn, aangevuld met exemplaren uit het zuiden. Soms gaat dat trekken niet helemaal goed en worden er duizenden dood aan de vloedlijn aangetroffen.
In de herfst trekt een deel van de populatie weer terug naar het zuiden. Ook blijven er exemplaren achter.
Snorzweefvliegen kunnen, net zoals de blinde bijen, niet overwinteren als larve of pop. Wel als bevrucht vrouwtje. In het voorjaar komen ze weer tevoorschijn, soms al op een warme winterdag.
De vrouwtjes leggen hun eitjes op planten met bladluizen. Uit de eitjes komen (doorschijnende) larven die zich hieraan te goed doen. Ze zitten vooral aan de achterkant van bladeren en vallen daardoor minder op dan larven van lieveheersbeestjes. In de tuinbouw zijn larven van snorvliegen gewaardeerde bladluisbestrijders. In de zomer volgen meerdere generaties snorzweefvlieg elkaar op.

Volwassen snorzweefvliegen (met uitzondering van de overwinterende vrouwtjes) worden slechts één tot drie weken oud. Ook al zijn ze snel en wendbaar, toch weten vogels zoals kwikstaarten en vliegenvangers ze te vangen. Ook zijn er verschillende wespen die zweefvliegen vangen en aan hun larven voeren: de Europese hoornaar, gewone wesp, Duitse wesp, maar ook verschillende graafwespen. De zweefvliegen worden gevangen als ze bloemen bezoeken. Soms kun je dat zien gebeuren.

Meer weten over zweefvliegen? Hier vind je een interessante en leesbare publicatie. En hier vind je een zoekkaart met veertig zweefvliegen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

Soort van dag 201: haagwinde

(20 juli 2023)

De haagwinde met haar opvallende witte bloemen kan zich tot wel drie meter hoogte langs andere planten en hekwerken omhoog winden. De stengels zijn rechtswindend (groeien van bovenaf gezien met de klok mee draaiend omhoog). De top van de plant zoekt naar een houvast. Hij schijnt hierbij in 1 uur en 42 minuten een cirkel te beschrijven (bron: waarneming.nl). Als ik niets meer te doen weet, ga ik er eens bij zitten om dit mee te maken. Met de top kan de plant zich ook de grond in werken. Dan vormt zich daar een knolletje waarmee de plant overwintert. Kenmerkend voor de plant zijn de zeer lange witte wortels. De bladeren hebben een pijlvormige voet en een spitse top.
Het is een soort van zonnige, vochtige, voedselrijke rietlanden en ruigten. Ze komen ook voor aan de randen van moerasbossen (foto linksboven). Verder vind je ze in tuinen en plantsoenen.

Haagwinde is een soort uit de windefamilie. Tot deze familie horen planten waarvan de stengel windend of liggend is. Ook enkel parasieten horen tot deze familie zoals het groot warkruid (foto midden boven). Deze heeft geen bladgroen. Het geslacht dagbloem (Ipomoea) is een Amerikaans en economisch belangrijk geslacht. Hiertoe behoren o.a. de zoete aardappel en de blauwe winde die ook in Nederlandse (moes)tuinen worden aangeplant.
Van het geslacht winde vind je in Nederland verder akkerwinde (foto rechtsboven), zeewinde en gestreepte winde (uit Zuid-Europa, linkswindend).

De plant bloeit van juni tot in de herfst met alleenstaande klokvormige, witte bloemen. Soms zie je exemplaren met roze bloemen met vijf witte banen (foto linksonder). De bloemen bloeien maar één dag. Bij slecht weer zijn ze dicht. De bloemen geven de plant zijn andere naam: pispotje. De bloemen hebben een lichte vanillegeur.

Haagwinde is waardplant en nectarbron van meerdere soorten insecten. Je kunt er rupsen op vinden van de windepijlstaart (een trekvlinder) al heeft die een voorkeur voor akkerwinde. Deze vlinder gebruikt de winde ook als nectarbron. Ook verschillende vedermotten zoals de windevedermot gebruiken de plant als waardplant (foto rechtsonder).
Op de foto’s zie je verschillende insecten die nectar komen halen: blinde bij, gewone pendelvlieg, bandzweefvlieg, akkerdisteldansvlieg en tuinhommel.

Mensen met een tuin (of akker) kunnen haagwinde als een lastig onkruid ervaren. Bij ons staat zij ook in de tuin, maar we laten haar grotendeels staan. Waar de bessenstruiken en andere planten onder haar gewicht bedolven kunnen raken, verwijderen we de bovengrondse delen van de plant. Het probleem van haagwinde is dat de wortels makkelijk afbreken (bijvoorbeeld bij schoffelen) en weer nieuwe planten vormen. Op internet vind je heel wat tips om haagwinde te bestrijden, ook met gif. De beste methoden zijn uitputten en afdekken. Anders naar de plant kijken helpt ook.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘴𝘪𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘏𝘦𝘶𝘬𝘦𝘭𝘴’ 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢 𝘷𝘢𝘯 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥, 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭

Soort van dag 200: knobbelzwaan

(19 juli 2023)

Overal waar zoet water is, kun je knobbelzwanen zien. Deze grote witte watervogels broeden vooral in de laaggelegen delen van ons land: in de veenweidegebieden met hun vele sloten. Ruien doen ze na de broedtijd op grote open wateren, zoals het IJsselmeer en de Veluwerandmeren. Zwanen broeden vanaf dat ze drie of vier jaar oud zijn. Zwanen die nog niet broeden, zie je vanaf mei-juni op open wateren.
In zachte winters blijven knobbelzwanen in ons land. Ze kunnen dan grote groepen vormen die op weilanden foerageren. Als het vriest, trekken ze naar Frankrijk. In de winter komen ook knobbelzwanen uit het oosten naar ons land. De laatste jaren is het aantal overwinterende zwanen sterk toegenomen (tot 40.000 exemplaren). In het winterhalfjaar worden ze, net als ganzen, als schadelijk voor de landbouw gezien.
Knobbelzwanen eten waterplanten en waterdieren. Met hun lange hals komen ze dieper dan grondelende eenden. Verder eten ze gras.
Begin april worden de eerste eieren gelegd. Het vrouwtje broedt de eieren uit, het mannetje verdedigt het nest. Zwanen kunnen vrij agressief zijn bij het verdedigen van hun nest en jongen. Ik loop er het liefst met een flinke boog omheen. Zwanen staan bekend om hun trouw: een paartje blijft hun leven lang bij elkaar. Als een van de twee sterft, duurt het een paar jaar voor de achtergebleven zwaan een nieuwe partner zoekt.

Knobbelzwanen komen van oorsprong in ons land voor, maar ze werden ook gehouden voor hun dons. Hiervoor werden Poolse knobbelzwanen ingevoerd. Toen de vraag naar dons kleiner werd, zijn de tamme vogels vrijgelaten. Ze hebben zich met de wilde knobbelzwanen gemengd. De broedpopulatie nam toen toe maar is inmiddels stabiel (7.200-9.300 broedparen).

Volwassen knobbelzwanen zijn geheel wit. Jonge knobbelzwanen zijn grijsbruin of wit. Dat kan ook in één nest voorkomen (zie foto rechtsonder). Hieraan kun je de menging van wilde en tamme knobbelzwanen zien. De Poolse zwanen die voor hun dons gekweekt werden, hadden namelijk witte jongen. De bij ons in het wild voorkomende hadden bruingrijze jongen. Volwassen dieren hebben een oranje snavel. De mannetjes hebben een grote zwarte bobbel (knobbel) boven de snavelbasis. Als ze vliegen, hoor je een zoemend geluid. Het valt overigens nog niet mee voor een knobbelzwaan om op te stijgen.
In Nederland kun je in het winterhalfjaar nog twee zwanensoorten zien, allebei met een zwart-gele snavel, zonder knobbel. Ze eten waterplanten. Ook kun je ze op akkers en weilanden zien waar ze respectievelijk akkerresten en gras eten. De kleine zwaan is het kleinst en heeft een korte nek. Wilde zwanen zijn iets kleiner en slanker dan knobbelzwanen. Ze hebben meer geel op hun snavel dan de kleine zwaan. Soms zie je ook zwarte zwanen. Deze stammen af van ontsnapte of vrijgelaten vogels. Oorspronkelijk komen ze uit Australië en Nieuw-Zeeland.

Tot 2016 mochten nog knobbelzwanen gehouden worden. Niet afgeschermd, maar vrijelijk in het landschap. De vogels werden gemerkt (getatoeëerd) en geleewiekt, zodat ze niet weg konden vliegen. Deze vorm van pluimveehouderij wordt zwanendrift genoemd. Dit was eerst een vorstelijk en later een heerlijk recht, stammend uit de middeleeuwen. Volgens dit recht mochten zwanen gehouden worden voor hun vlees, veren en dons. In 2015 waren in het Groene Hart nog twee zwanendrifters actief die jonge zwanen verhandelden als siervogels. Leewieken (waarbij het laatste vleugellid wordt verwijderd) mag sinds 2018 niet meer.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘦𝘥𝘦𝘱𝘰𝘵.𝘸𝘶𝘳.𝘯𝘭/375783

Soort van dag 199: bramen

(18 juli 2023)

Bramen zijn heerlijke vruchten en de struiken waaraan ze groeien, noemen we ook braam. Maar wist je dat ‘de braam’ helemaal niet bestaat?
‘Braam’ is de naam van een geslacht waartoe framboos, een aantal exoten (Japanse wijnbes, prachtframboos) en heel veel bramensoorten behoren. In Heukels’ Flora van Nederland staan bladzijden vol met bramensoorten waarvan de meeste alleen een wetenschappelijke (Latijnse) naam hebben en geen (officiële) Nederlandse naam. En dat zijn dan alleen nog maar soorten die regelmatig voorkomen of ecologisch van bijzonder belang zijn. Want er blijken in Nederland meer dan 200 soorten bramen voor te komen!
Hoe dat komt, is een best ingewikkeld verhaal. Het heeft te maken met een combinatie van onderling kruisen, ongeslachtelijke voortplanting via zaad en verveelvoudiging van het aantal chromosomen. De details kun je lezen in de brochure ‘Bramenland Nederland’. In deze brochure vind je heel veel informatie over bramen in Nederland. En wil je weten met welke soort je precies te maken hebt? Er is een speciale website voor het determineren van al die bramensoorten.

Enkele bramensoorten zijn heel algemeen. Veel soorten groeien heel specifiek op bepaalde plekken. Je kunt stellen dat elke regio zijn eigen bramenflora heeft. Er zijn regio’s met meer dan 35 soorten (zoals de Veluwezoom en rond Winterswijk) en regio’s waar nauwelijks bramen groeien (zoals de voormalige veenkoloniën in het noorden van het land).
Een soort die je makkelijk herkent en die vrij algemeen is, is de dauwbraam (foto linksboven). Hiervan zijn de stengels blauw berijpt, net zoals de vruchten. De bloemen zijn wit. Per tros zijn er maar weinig bloemen. Er zitten minder ‘bolletjes’ (deelvruchten) in een braam dan bij andere braamsoorten en de struik wordt niet zo hoog. De bladeren zijn altijd drietallig en verkleuren in de herfst naar rood. De soort op de foto rechtsonder is waarschijnlijk een koebraam.
Er is ook een bramensoort, de dijkviltbraam, die afkomstig is uit de Kaukasus en zich als een invasieve exoot gedraagt. In het westen van ons land is het vermoedelijk inmiddels de meest gewone braam.

Bramen hebben een belangrijke ecologische functie. Denk maar aan vogels en andere dieren die van de vruchten eten. Voor veel bijen, kevers en zweefvliegen zijn de bloemen een belangrijke nectar- en stuifmeelbron (in bossen op voedselarme grond vaak de enige bron van betekenis). Op de foto links onder is een boomhommel te zien. De struik is een belangrijke waardplant voor verschillende soorten vlinders, kevers en bladwespen. De bladeren worden ook gegeten door reeën en herten.
Doornstruwelen zijn een ideale schuil- en broedplaats voor allerlei dieren. De boomkikker (foto in het midden) houdt zich graag in braamstruiken op. Doornstruwelen bieden in gebieden met grote grazers bomen de gelegenheid om groot te worden.

Bramen hebben ook een negatieve naam. In de stikstofdiscussie valt vaak het woord ‘verbraming’. Door te veel stikstof gaan (in natuurgebieden) bramen en brandnetels overheersen ten koste van andere plantensoorten. Er bestaat zeker een relatie tussen stikstof en het voorkomen van bepaalde bramensoorten. Maar zoals vaak is het allemaal veel complexer. In de al eerder genoemde brochure wordt hier uitgebreid aandacht aan besteed.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘣𝘳𝘰𝘤𝘩𝘶𝘳𝘦 𝘉𝘳𝘢𝘮𝘦𝘯𝘭𝘢𝘯𝘥 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭

Soort van dag 198: gamma-uil

(17 juli 2023)

Vorig weekend was de Tuinvlindertelling. Hierbij kon je doorgeven welke en hoeveel dagvlinders je in je tuin had gezien. Dit jaar stond de atalanta op nummer 1. Een soort die opvallend veel gezien werd, was de gamma-uil. Alleen: je kon die niet doorgeven, omdat het om een nachtvlinder gaat.
Wat is het verschil tussen dag- en nachtvlinders? Bij dagvlinders eindigen de antennes altijd in een knop. Bij nachtvlinders is het einde draad- of veervormig. Dagvlinders houden in rust de vleugels vaak dichtgeklapt, haaks op het lichaam. Nachtvlinders houden in rust de vleugels plat boven het lichaam of dakvormig zoals de gamma-uil (foto linksonder). Veel nachtvlinders zijn ’s nachts actief, maar er bestaan ook dagactieve nachtvlinders. Een gamma-uil is zowel overdag als ’s nachts actief.

Een gamma-uil is bruin met een opvallende geelwitte Y-vormige vlek in het midden van de voorvleugels. Deze vlek lijkt op de Griekse letter gamma of op een pistooltje. Voor uilen met wie de gamma-uil verward kan worden, zie hier.
Op de foto rechtsboven zie je de rups. Als waardplanten worden heel diverse planten gebruikt zoals braam, walstro, klaver, brandnetel en landbouwgewassen zoals aardbei, tomaat, erwt, kool en boon. Gamma-uilen worden dan ook als ‘schadelijk’ gezien.

Gamma-uilen zijn trekvlinders. Ze komen vanuit het Middellandse Zeegebied naar het noorden gevlogen. Van april tot november worden ze door het hele land waargenomen, met juli en augustus als topmaanden. In ons land ontwikkelen zich een of twee generaties. De laatste generatie vliegt weer terug. Voor een vlinder is het dus een enkele reis naar het noorden of naar het zuiden. In het winterhalfjaar ontwikkelt zich in het zuiden ook weer een generatie. Soms proberen gamma-uilen hier te overwinteren, als rups. Maar dat lukt alleen als het geen strenge winter is.
Het is een hele prestatie om als vlinder zo’n stuk (2.000-2.500 km) te vliegen. Ze kiezen de meest gunstige wind en hoogte uit, maar moeten wel bijsturen onderweg. Ze halen snelheden tot 90 km per uur. Er zijn meer trekvlinders in Europa. Bij de nachtvlinders gaat het om kolibrievlinder, windepijlstaart, doodshoofdvlinder en blauw weeskind. Ook de atalanta, de nummer 1 uit de Tuinvlindertelling, is een trekvlinder. Over deze vlinder en andere trekkende dagvlinders een andere keer meer.
Waarom trekken deze vlinders en soms zo massaal? Daarover is nog veel onduidelijk. Een deel blijft namelijk in de zomer gewoon in het zuiden. Maar waarschijnlijk spelen overpopulatie, voedselaanbod en weersomstandigheden een rol. Het is nu natuurlijk extreem warm in Zuid-Europa.

Een gamma-uil heeft veel nectar nodig, zeker voor de reis. Die haalt hij uit de bloemen van struikheide, koninginnenkruid, kruiskruiden en allerlei soorten lip- en vlinderbloemigen. In onze tuin zien we ze nu van bloem naar bloem fladderen op o.a. wilde marjolein (rechts onder), teunisbloemen (foto rechts midden), stijf ijzerhard, lavendel, bergamotplant en vlinderstruik (buddleja).
De vaak aangeprezen vlinderstruik is overigens inmiddels omstreden. Deze struik komt oorspronkelijk uit China en kan zich invasief gedragen. Het is een pionier die andere planten kan verdringen en schade kan veroorzaken aan gebouwen en infrastructuur. De struik trekt bovendien vooral algemene soorten aan en is niet geschikt voor bedreigde, specialistische insecten. Wil je echt iets voor vlinders en andere insecten doen, dan kun je beter andere (inheemse) planten in je tuin zetten dan (alleen) een vlinderstruik. Zie hier voor alternatieven. En vergeet ook de waardplanten niet!

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 197: ringslang

(16 juli 2023)

Vandaag is het World Snake Day. Welke organisatie hier achter zit, heb ik niet kunnen achterhalen. In elk geval is deze dag bedoeld om mensen bewust te maken van (het belang van) slangen. Daarom vandaag aandacht voor de Nederlandse slangen, de ringslang in het bijzonder.

In ons land komen drie inheemse slangen voor: adder, gladde slang en ringslang. Van deze drie heb ik alleen de ringslang meerdere malen gezien: zwemmend in het water, liggend op een weg en kruipend in het bos bij Wageningen (foto). De ringslang staat ook op de lijst van waargenomen soorten in onze tuin. Op mijn nadering schoot een paar jaar geleden een ringslang uit onze tuin de sloot in, zwom naar de overkant en verdween daar in het hoge gras.

De gladde slang is de zeldzaamste. Deze heeft gladde schubben; de andere twee hebben kieltjes op de schubben. Verder heeft hij bruine vlekken op zijn rug en een ronde pupil. Hij komt vooral voor op droge heideterreinen en hogere zandgronden.
De adder is te herkennen aan de verticale pupil (spleetje) en de donkere zigzagstreep op de rug. Hij komt voor op de hogere zandgronden, m.n. op de Veluwe en in het grensgebied van Friesland en Drenthe. Ook bij de Meinweg in Limburg leeft nog een kleine populatie. Adders zijn de enige gifslangen van ons land.
(Daarnaast kennen we nog de hazelworm, een pootloze hagedis die op een slang lijkt. Deze heeft beweeglijke oogleden; slangen hebben die niet.)

Ringslangen komen vooral voor in Midden-Nederland (ook in Amsterdam) en in het grensgebied van Groningen-Friesland-Drenthe. Ze leven in overgangsgebieden van zandgrond naar klei of veen. Ze hebben namelijk niet alleen plekken nodig om te foerageren (water), maar ook om te zonnen. Dat kunnen overigens ook grondlichamen van wegen of spoorlijnen zijn.
Een ringslang is grijs of bruinachtig met een zweem groen. Op de flanken heeft hij zwarte stippen of strepen. Hij heet ringslang vanwege de gele vlekken achter de kop die bovenop min of meer ringvormig samenvloeien. Achter de ‘ring’ zit een zwarte vlek. Hij is de langste slang van Nederland: mannetjes worden tot 90 cm lang, vrouwtjes wel tot 120 cm. Ze hebben, net zoals de gladde slang, ronde pupillen. Ringslangen eten vooral amfibieën, maar ook wel vissen, vogels en kleine zoogdieren. Jonge slangen regenwormen, slakken en insecten.
Als een ringslang zich bedreigd voelt, zal hij in eerste instantie vluchten. Ook kan hij zich schijndood houden. Heeft een roofdier hem toch te pakken, dan scheidt hij een stinkend goedje uit. Ringslangen worden gegeten door blauwe reigers, buizerd, allerlei kleine roofdieren en katten. Een ander gevaar is de mens: er sneuvelen veel ringslangen in het verkeer.

Gladde slangen en adders zijn eierlevendbarend: de vrouwtjes broeden, met de warmte van de zon, de eieren in hun lichaam uit. Ringslangen niet. Die leggen in juni of juli dertig, gummiachtige eieren. Dat doen ze in verterend, rottend plantaardig materiaal. Rotting geeft warmte af waardoor de eieren uit kunnen komen. Ringslangen zijn cultuurvolgers en maken vooral gebruik van mestvaalten en composthopen. Mensen leggen tegenwoordig ook speciale broeihopen aan. In het najaar worden de broeihopen vaak gecontroleerd op hoeveel eieren zijn uitgekomen.

Slangen zijn koudbloedig en moeten dus zien te overwinteren. Ringslangen gebruiken hiervoor allerlei vorstvrije en droge gaten en holen. Ze zitten bijvoorbeeld tussen boomwortels, onder stenen en in holle bomen, houtstapels, composthopen en oude gebouwen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘳𝘢𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺