Soort van dag 246: putter

(3 september 2023)

Op ruige plekken met veel composieten (distels, klitten, paardenbloemen) kun je putters aantreffen. Ze eten van de rijpe en onrijpe zaden van deze planten. Ook in onze tuin zien we ze regelmatig verschijnen, altijd in groepjes, vrolijk twinkelend en kwetterend. Hier kun je hun zang en roep horen.
Vanwege de voorkeur voor zaden van distels e.d. wordt de vogel ook wel distelvink genoemd. Ze eten verder zaden van teunisbloemen, zonnebloemen en kaardenbollen en in de winter van elzen en lariks. Vooral in de winter kun je groepen van putters zien neerstrijken, soms ook samen met andere vinkachtigen. Op de foto rechtsboven worden de putters vergezeld door een vink.
Putters hebben een voorkeur voor open gebieden met houtwallen, bosranden, bomenrijen en boomgaarden. Door uitgebloeide bloemen in je tuin te laten staan kun je putters ook naar je eigen tuin lokken.

De soort is makkelijk te herkennen aan zijn kop met rood, zwart en wit en aan de gele vleugelstreep. Mannetjes en vrouwtjes zijn moeilijk uit elkaar te houden. Jonge vogels hebben nog geen rood gezicht.
Het broedseizoen loopt van april tot september, vaak met twee en soms zelfs met drie legsels. Het nest wordt gemaakt in een open bos of een boomgroep, goed verstopt tussen de bladeren. De jongen krijgen eerst vooral insecten te eten (veel eiwitten), maar daarna gaan ze al snel over op het eten van zaden.

Putters zijn grotendeels standvogels. In het najaar trekt een klein deel van onze broedvogels weg naar Zuid-Europa en komen er wintergasten bij. In de winter verblijven in ons land zo’n 200.000 exemplaren.
Het gaat goed met de vogel. Eerst kwam hij vooral in West- en Noord-Nederland voor, maar hij broedt nu ook in Oost-Nederland. Putters komen vooral voor op plekken met klei of leem in de ondergrond. Distels e.d. bloeien op dergelijke bodems langer en produceren daar meer zaad. In Oost-Nederland bestaat de ondergrond vooral uit zand. Waarom ze toch hun leefgebied naar het oosten uitgebreid hebben, is nog onduidelijk. Mogelijk komt het door een ander (beter) bermbeheer en aanleg van bloemrijke akkerranden.

Vanwege zijn zang en uiterlijk wordt de putter al sinds het begin van de jaartelling als kooivogel gehouden (en nog steeds, al zijn er allerlei restricties en regels aan verbonden). Vroeger werd de vogeltjes geleerd om zelf water te putten uit een waterbakje met een soort vingerhoed. Die zat vast aan een ketting die hij naar zich toe moest trekken. Tja, mensen vonden (en vinden) het nou eenmaal leuk om dieren kunstjes aan te leren.
De vogel heeft veel kunstenaars geïnspireerd. Denk maar aan het bekende schilderij Het puttertje van Carel Fabritius uit 1654. Niet alleen schilders en tekenaars, ook componisten en dichters lieten zich door de zang of het uiterlijk van het vogeltje inspireren.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

Bronnen: Vogelbescherming, Sovon, Wikipedia, tubantia.nl

Soort van dag 245: vetplanten

(2 september 2023)

Door klimaatverandering kunnen zomers bij ons droger en warmer worden en kunnen er zwaardere regenbuien voorkomen. Er zijn allerlei manieren waarop je je tuin hierop kunt voorbereiden en gelijk iets kunt betekenen voor de biodiversiteit. Op zaterdag 2 en 9 september vindt de Nationale Tuin & Klimaat Route plaats. Hierbij kun je ideeën opdoen om je tuin klimaatbestendiger te maken. Zie hier voor deelnemende tuinen. (En nee, wij zitten er (nog) niet bij.)

Niet alle inheemse planten verdragen droge, warme zomers en zullen mogelijk op termijn uit ons land verdwijnen. Er zijn ook planten die aangepast zijn aan een droge omgeving. Deze hebben vaak vlezige bladeren (met een dikke bladhuid) die bovendien voorzien zijn van een waslaagje. Overdag zijn de huidmondjes gesloten zodat er geen water door verdamping verloren gaat. Een verzamelnaam voor dergelijke planten is ‘vetplanten’. Ze komen in allerlei plantenfamilies voor.
Er is een familie van planten die hierin gespecialiseerd zijn, namelijk de vetplantenfamilie. Bijna over de hele wereld komen soorten uit deze familie voor. In Nederland zijn mosbloempje, muurpeper, tripmadam, zacht vetkruid, wit vetkruid en hemelsleutel inheems. Daarnaast kun je verwilderde soorten tegenkomen, vooral in stedelijke gebieden. Deze komen bijvoorbeeld van zogenaamde sedumdaken, een vorm van groene daken waarop vooral vetplanten worden toegepast.
De meeste vetplanten blijven ’s winters groen en staan daarom symbool voor ‘eeuwig leven’. Vetplanten worden door allerlei bestuivers bezocht.

Een plantje dat steeds vaker wordt waargenomen, is het mosbloempje (foto linksboven). Het is een eenjarige soort met schubachtige blaadjes die te vinden is op grond die in de zomer uitdroogt en snel opwarmt. Je vindt het o.a. langs paden, op begraafplaatsen en campings. Ook wordt het steeds vaker in voegen van bestrating aangetroffen. Het plantje loopt vaak rood aan. De kleine witte of roze bloemetjes bloeien van april tot in september. Het plantje wordt 1-5 cm hoog en is daarmee één van de kleinste plantjes van ons land.

Linksonder zie je een foto van hemelsleutel. Dat is een overblijvende plant die je bijvoorbeeld onder struikgewas in bermen kunt vinden. De plant houdt van vochtige, matig voedselrijke grond en is dus geen typische soort van droge omstandigheden. De plant wordt ook in tuinen aangeplant. Daar vind je verder vaak roze hemelsleutel of de kruising hiervan met de inheemse (basterdhemelsleutel). Via tuinafval kunnen hemelsleutels verwilderen. De kleur van de kroonbladen van de inheemse hemelsleutel kan variëren van groenig wit tot donkerroze of rood. Er is een stippelmot (zie ook dag 153) die gespecialiseerd is op deze plant.

In het midden van de collage zie je de gele bloemetjes van muurpeper. Deze laagblijvende soort groeit graag in de volle zon. De plant heet zo omdat de blaadjes een scherpe, peperachtige smaak hebben. Het is een pionier van zandige en stenige plaatsen. Je vindt het bijvoorbeeld in de duinen. De plant groeit ook goed op platte daken en muren. Elk brokje kan weer tot een nieuwe plant uitgroeien.

Rechts zie je wit vetkruid, groeiend op een steenglooiing langs het Grevelingenmeer. Het is een soort van droge, stikstofarme, kalkrijke plekken. Vermoedelijk komt de plant van nature alleen voor in Zuid-Limburg en langs de grote rivieren. Elders is het een verwilderde tuinplant.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴

Soort van dag 244: ‘vliegenvernietiger’

(1 september 2023)

Ik had er al eens over gehoord en er ook een filmpje van gezien: schimmels die het ‘brein’ van insecten overnemen en deze tot zombies maken. Tot mijn verrassing vond ik afgelopen mei op een natuurterreintje naast ons huis hoog in het bloeiende fluitenkruid een aantal dikke vliegen met gespreide vleugels die heel stil bleven zitten. Zou het…? En inderdaad: ObsIdentify gaf aan dat het ging om insecten die besmet zijn met de schimmel Entomophthora muscae (letterlijk betekent dat: insectenvernietiger van de vlieg, kortom: vliegenvernietiger). Inmiddels heb ik dergelijke aangetaste vliegen ook in onze tuin gezien. Het schijnt echt veel voor te komen. Er is berekend dat deze schimmelziekte onder vliegen meer slachtoffers maakt dan spinnen, vogels, reptielen, amfibieën en zoogdieren bij elkaar! Voorjaar en vooral najaar zijn de beste jaargetijden om dit fenomeen te zien, omdat spoorvorming vooral plaatsvindt in een koele, vochtige omgeving.

Als een vlieg in contact komt met een spore van deze schimmel, groeit een schimmeldraad door een lichaamsopening het lichaam van de vlieg binnen. De schimmel leeft van de lichaamssappen van de vlieg en groeit verder uit. Binnen enkele dagen verandert de vlieg in een trage zombie die overal tegenaan vliegt. Vervolgens tast de schimmel het brein van de vlieg aan en neemt deze over. Uiteindelijk zorgt de schimmel er voor dat het insect omhoog klimt of op een verticale ondergrond landt, zoals bijvoorbeeld boven in fluitenkruid. Vervolgens kwijlt het insect op de ondergrond waar hij zit en raakt hij vastgelijmd. Het insect moet een doodshouding aannemen: achterlijf naar boven gericht en vleugels gespreid. Enkele uren later groeit er wit schimmelpluis uit het lijf van de vlieg. Aan het uiteinde van dat schimmelpluis vormen zich sporen. Die worden weggeschoten, verspreiden zich en kunnen andere vliegen besmetten. Doordat de vlieg hoog zit, kunnen de sporen zich beter verspreiden dan wanneer die op de grond zou zitten.

Uit recent onderzoek is gebleken dat het ook de vliegen zelf zijn die voor de verspreiding onder elkaar zorgen. Mannetjesvliegen voelen zich erg aangetrokken tot aangetaste vrouwtjesvliegen: ze verspreiden namelijk een onweerstaanbare geur. Als de mannetjesvlieg het vrouwtje aanraakt, wordt hij bestoven met sporen van de schimmelziekte. Voordat de mannetjesvlieg zodanig is aangetast dat de schimmelziekte ook bij hem de regie overneemt, heeft hij een aantal andere vrouwtjesvliegen ontmoet. Deze heeft hij besmet met sporen die bij het contact met de dode vrouwtjesvlieg op zijn lichaam zijn terecht gekomen.

Er bestaan veel meer zogenaamde entomopathogene schimmels (schimmels die insecten ziek maken). Bij soorten van het geslacht Cordyceps ontstaan mooie zwammen zoals bijvoorbeeld de rupsendoder (helaas heb ik daar nog geen foto van). Deze groeit op poppen van vlinders. Een zwam uit hetzelfde geslacht is in dit filmpje te zien.

Er wordt onderzocht hoe de schimmel als ongediertebestrijder ingezet kan worden. Volgens een nieuwsbericht van RTLNieuws uit januari hoeven we (tot op heden) als mens niet bang te zijn voor dergelijke schimmels.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘯𝘢𝘵𝘪𝘰𝘯𝘢𝘭𝘨𝘦𝘰𝘨𝘳𝘢𝘱𝘩𝘪𝘤.𝘯𝘭, 𝘬𝘪𝘫𝘬.𝘯𝘭

Soort van dag 243: eekhoorn

(31 augustus 2023)

Momenteel ga ik elke werkdag naar het VUmc in Amsterdam en dan passeren we bij de Van der Boechorststraat een zogenaamde eekhoornbrug: een touwbrug tussen de boomkruinen aan weerszijden van de straat. Elke keer kijk ik, maar ik heb nog niet gezien dat een eekhoorn er gebruik van maakt. Eekhoorns zijn hier wel: ik heb ze gezien in De Braak (park in Amstelveen) en in het Amsterdamse Bos. Met de eekhoornbruggen kunnen ze zich veilig verplaatsen tussen het Amsterdamse Bos en het Amstelpark. De eekhoorns in Amsterdam en omgeving stammen af van exemplaren die in de jaren ’50 zijn uitgezet.
Eekhoorns komen vooral voor op de zandgronden in het oosten en zuiden van ons land. Ook zijn ze te vinden in de Hollandse duinen. Omdat ze overdag actief zijn, is de kans dat je er een ziet best groot. Zeker op plekken waar eekhoorns mensen gewend zijn, zoals parken en waar bossen aan woonwijken grenzen. In september en oktober is de kans op een waarneming het grootst omdat ze dan hun voedselvoorraden aanleggen. En zie je geen eekhoorns, dan vind je wellicht hun sporen zoals afgekloven sparrenappels.

De eekhoorn wordt ook wel gewone of rode eekhoorn genoemd. Er kunnen in ons land ook andere soorten eekhoorns waargenomen worden. Dan gaat het om ontsnapte of losgelaten uitheemse eekhoorns. In het Verenigd Koninkrijk is de populatie grijze eekhoorns zo groot geworden, dat die inmiddels de inheemse verdringt. Op de Unielijst invasieve exoten staan dan ook vijf eekhoornsoorten (zie meer over deze lijst bij dag 167).

Onze eekhoorn is een echte boombewoner. Hij springt van boom naar boom, klimt als de beste en rent tussen de takken door. Ook op de grond kan hij zich goed uit de voeten maken en hij kan zelfs zwemmen. De kleur van zijn vacht varieert van oranjerood tot donkerbruin. In de winter is de vacht wat grijzer van kleur. De buik is wit. Opvallend zijn de grote pluimstaart, de gepluimde oren, de grote ogen en de lange tenen met lange, scherpe nagels.
Eekhoorns leven het grootste deel van de tijd alleen. Hun bolvormige nest maken ze in boomholtes of vlak bij de stam tussen de takken op minimaal zes meter hoogte. De buitenkant is van twijgen (met bladeren), de binnenkant is bekleed met bast, mos, wol en gras.
De voortplantingsperiode is van december tot februari en van mei tot juni. Als er onvoldoende voedsel is, slaat het vrouwtje de eerste periode over. Ze maakt een speciaal kraamnest (steviger en dikker bekleed dan het slaapnest). Als de jongen tien tot zestien weken oud zijn, zijn ze onafhankelijk van hun moeder en worden ze uit haar territorium verjaagd.

Eekhoorns eten vooral plantaardig voedsel zoals hazelnoten, beukennootjes, eikels en zaden van sparren. Ook eten ze knoppen, bladeren, bessen, paddenstoelen en boomschors. Soms eten ze insecten (rupsen), eieren en jonge vogels. Net als veel andere knaagdieren leggen eekhoorns wintervoorraden aan. Een wintervoorraad bestaat bijvoorbeeld uit een tot vijf tamme kastanjes bij elkaar in een ondiep putje in de grond of in een boomholte. Eekhoorns houden geen winterslaap, maar wel winterrust. Als het koud is, gaat een eekhoorn ’s morgens op pad om van zijn wintervoorraden te eten. Verder houdt hij zich rustig in zijn nest.
De belangrijkste vijanden van de eekhoorn zijn marters, roofvogels, vossen, honden en katten.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘸𝘦𝘣𝘴𝘪𝘵𝘦 𝘡𝘰𝘰𝘨𝘥𝘪𝘦𝘳𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨, 𝘏𝘦𝘵 𝘈𝘮𝘴𝘵𝘦𝘳𝘥𝘢𝘮𝘴𝘦 𝘣𝘦𝘦𝘴𝘵𝘦𝘯𝘣𝘰𝘦𝘬

Soort van dag 242: wikke

(30 augustus 2023)

Hoewel het eigenlijk zomerbloeiers zijn, zie je op veel plekken nog wikkes in bloei staan. In onze tuin is bijvoorbeeld de heggenwikke weer opnieuw gaan bloeien. Wikkes horen tot de vlinderbloemenfamilie, net zoals de gaspeldoorn en de gewone rolklaver. Wikkes hebben dunne stengels. Meestal hebben ze aan het einde van hun geveerde bladeren een rank. Hiermee kunnen ze in buurplanten klimmen. Wikkes zijn nauw verwant aan lathyrus.

In Nederland komen verschillende soorten wikke voor waarvan een aantal ondersoorten hebben. Ook de tuinboon, een cultuurgewas, is een wikke (zonder ranken, weliswaar). Net zoals alle vlinderbloemigen leven wikkes samen met stikstofbindende Rhizobium-bacteriën. Op de foto linksonder zie je de wortelknolletjes van een tuinboon waarin die bacteriën zitten.
Tuinbonen worden door mensen gegeten en ook als veevoeder geteeld. Dat geldt voor meer soorten wikke (voederwikke, bonte wikke). Daarnaast worden ze net zoals bijvoorbeeld klaversoorten als groenbemester gebruikt. Verschillende wikkesoorten zijn in ons land gekomen als akkeronkruid bij granen.

De naam ‘vlinderbloem’ slaat op de vorm van de bloem, niet op de bestuivers. Het bovenste kroonblad wordt vlag genoemd en is bedoeld om de bestuivers te lokken. In de bloem zit vaak een honingmerk die het insect de weg wijst naar de nectar. De zijdelingse kroonbladeren worden zwaard genoemd. De onderste twee kroonbladen vormen samen de kiel; deze omsluit de meeldraden en de stamper. Alle vlinderbloemigen hebben peulen als vrucht.

Op de foto linksboven zie je ringelwikke. Dat is een eenjarige soort met kleine, blauwachtig witte bloemetjes. Je vindt hem vooral op zandgronden als akkeronkruid. Daarnaast zie je heggenwikke. Deze overblijvende plant bloeit met blauwachtige tot vuil blauwpaarse bloemen en vind je in graslanden maar ook in bossen.
Rechtsboven zie je een voederwikke. Van deze een- of tweejarige soort worden drie ondersoorten onderscheiden. Die op de foto is vermoedelijk vergeten wikke; die heeft tweekleurige bloemen. Maar om het zeker te weten moet je ook naar de vruchten en zaden kijken. (Vaak verward met smalle wikke, een andere ondersoort, en daardoor ‘vergeten’.)
Onder de ringelwikke zie je vogelwikke. Deze heeft veel paarsblauwe bloemen bij elkaar in trossen staan. De overblijvende plant komt algemeen voor en is tegenwoordig vooral een berm- en oeverplant. Soms kan de plant zo onder de bladluizen zitten, dat de plant er blauwgroen van ziet.
Daarnaast zie je bonte wikke met een tuinhommel. De bloemen van deze wikke lijken veel op die van vogelwikke. De zwaarden van de bloemen zijn meestal licht van kleur en steken daardoor af tegen de paarse vlag. Deze eenjarige plant komt oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied en is meegekomen met graan en wordt gezaaid als veevoedergewas. Ook in ingezaaide bermen zie ik ze steeds vaker staan.

De bloemen van de wikkes worden door allerlei soorten insecten bestoven, m.n. bijen zoals hommels. Verschillende insecten zijn gespecialiseerd op wikke, zoals enkele bladrollers en kevers. De gele luzernevlinder gebruikt o.a. de wikke als waardplant. De zaden worden o.a. door duiven gegeten.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘏𝘦𝘶𝘬𝘦𝘭𝘴’ 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢 𝘷𝘢𝘯 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 241: heidelibellen

(29 augustus 2023)

Afgelopen weken heb ik meerdere heidelibellen gezien. Op de heide, maar ook in onze tuin. Want heidelibellen zijn niet gebonden aan heide, maar zijn overal in ons land te vinden bij stilstaand of zwak stromend water en soms ver daarvandaan. Het zijn libellen die je tot diep in de herfst kunt zien, ook in je tuin, zeker als je veel bloeiende planten hebt staan waar insecten op af komen.

Heidelibellen zijn echte libellen, net zoals de gewone oeverlibel. De juffers, verwant aan de libellen, kwamen ook al voorbij. Echte libellen zijn groter dan juffers en in rust zijn de vleugels gespreid.
In Nederland komen negen soorten heidelibel voor. De drie meest voorkomende soorten zijn de steenrode, de bruinrode en de bloedrode heidelibel. Bij alle drie hebben de mannetjes een rood achterlijf, bij de een wat feller rood dan bij de ander. Bij vrouwtjes is het achterlijf eerst geel en later bruin. Ook jonge mannetjes hebben een geel achterlijf, maar die hebben geen legboor.
Hoe onderscheid je deze drie soorten van elkaar? Op de website van de Vlinderstichting vind je een herkenningskaart heidelibellen waar alles goed is uitgelegd. De poten van de bloedrode zijn helemaal zwart. Van de andere twee zijn ze zwart met geel (lichtbruin). Verder loopt bij de steenrode het zwarte streepje op het voorhoofd (tussen de ogen) langs de oogranden naar beneden (de zogenaamde ‘hangsnor’). De bruinrode heeft wel een streepje maar die loopt niet door naar beneden. (Ik heb het niet op de foto staan. Een volgende keer zal ik toch maar proberen om de heidelibellen van voren te fotograferen.) Bij het mannetje van de steenrode is het achterlijf verder enigszins knotsvormig verbreed. De legboor van het vrouwtje bruinrode is stomp; die van de steenrode is spits.

In de collage zie je bovenaan de bruinrode heidelibel (vrouwtje; met stompe legboor; ik heb er een pijl bij gezet). Daaronder tweemaal mogelijk een steenrode (mannetje, met verbreed achterlijf). Rechts onderaan zie je een onbekende heidelibel; deze heb ik twee jaar geleden eind oktober gefotografeerd toen hij op de muur van ons huis genoot van de laatste zonnestralen en de warmte van de muur. Links onderaan zie je nog een rode libel. Dat is een vuurlibel, een soort uit een ander geslacht. Deze is onmiskenbaar door zijn brede achterlijf (verwant aan de oeverlibel).

Vrouwtjes heidelibel zetten in de nazomer / najaar hun eitjes af in het water of in de modder bij water. Eitjes van de steenrode heidelibel worden ook wel afgezet op flab (matten van draadalgen). De soort overwintert als ei. De eitjes komen in het voorjaar uit. De larven eten allerlei waterdiertjes. De eerste exemplaren sluipen, afhankelijk van de soort, in mei uit; de laatste worden in de herfst volwassen. En dan is het voortplantingstijd en worden de eitjes afgezet. Als het echt koud wordt, sterven de ouders. Al met al hebben de heidelibellen dus een cyclus van een jaar (terwijl bijvoorbeeld de gewone oeverlibel meerdere winters als larve leeft).

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘸𝘦𝘣𝘴𝘪𝘵𝘦 𝘷𝘢𝘯 𝘝𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯𝘳𝘦𝘨𝘪𝘴𝘵𝘦𝘳.𝘯𝘭

Soort van dag 240: wulp

(28 augustus 2023)

We horen het weer in de weilanden achter ons huis: het betoverend mooie, weemoedige geluid van overvliegende en neerstrijkende wulpen. Hun geluid draagt ver en is daardoor goed te horen.

Wulpen zijn de grootste steltlopers van ons land. Opvallend is vooral hun lange naar beneden gebogen snavel. (Ezelsbruggetje: een wulp kijkt naar zijn gulp.) Ze zijn grijsbruin gevlekt en gestreept. Als ze vliegen, valt de lichte onderkant van de vleugels op.
In de graslanden achter ons huis komen ze om te foerageren. Ze eten daar o.a. regenwormen en insecten(larven). Op getijdengebieden eten ze o.a. schelpdieren. Verder eten ze kreeftachtigen, bessen, zaden en soms ook kleine vissen, amfibieën, hagedissen, jonge vogels en muizen. Ze zoeken hun voedsel op het oog en op de tast, met hun gevoelige snavel. Wulpen kunnen wel twintig jaar oud worden.
Wulpen brengen de nacht door op gezamenlijke slaapplaatsen, bij voorkeur gebieden met voldoende rust en ondiep water (zoals natte graslanden, schorren en opgespoten terreinen).

Tot 1980 broedden wulpen vooral in (vochtige) heide-, hoogveen- en duingebieden. Uit deze natuurgebieden zijn ze grotendeels verdwenen. Waarschijnlijk omdat het broedsucces klein was door predatie (vos), voedseltekort, recreatiedruk en dichtgroeiende duinvalleien. Ze broeden nog wel in de duinen op de Waddeneilanden. Verder zijn ze overgestapt naar agrarisch gebied in het oosten en zuiden van ons land. Hier lijden ze onder intensivering van de landbouw waardoor landelijk gezien het aantal en het broedsucces afneemt. Het aantal broedparen bedraagt momenteel 4.000.
De wulp heeft het niet alleen in ons land moeilijk als broedvogel. Ierland werd altijd beschouwd als wulpenland, maar daar is de vogel bijna uitgestorven. Sinds 2017 staat de wulp op de Nederlandse Rode Lijst van bedreigde broedvogels.

De Nederlandse broedvogels vertrekken vanaf juni naar Zuidwest-Europa en Engeland. Hun plek wordt opgevuld door soortgenoten die in Scandinavië en Rusland hebben gebroed. In de winter verblijven hier 140.000-170.000 exemplaren. Nederland is belangrijk voor overwinteraars. Het gaat hierbij vooral om het Waddengebied waar 80-90% verblijft. De rest van de wulpen zit in Zuidwest- en West-Nederland, zoals bij ons in de buurt.

Naast wulpen bestaan ook nog regenwulpen. Die zijn kleiner en hebben, ook naar verhouding, een kortere snavel. Regenwulpen broeden niet in ons land maar zijn doortrekkers, dus in voorjaar en najaar waar te nemen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘸𝘦𝘣𝘴𝘪𝘵𝘦𝘴 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘚𝘰𝘷𝘰𝘯 𝘦𝘯 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 239: watermunt

(27 augustus 2023)

Als ze niet bloeit, valt ze niet op. Tot je op haar trapt en ze haar geur verspreidt. Ik heb het over watermunt die groeit langs waterkanten (tot in het water) en in moerassen en natte graslanden.
Watermunt is een van de zes soorten munt die in ons land voorkomt. Daarnaast is er nog aantal verwilderde soorten en kruisingen (die ook weer kunnen kruisen). In onze tuin hebben we niet alleen watermunt maar ook polei, wollige munt (een kruising), pepermunt (een kruising), chocolademunt (variëteit van pepermunt) en een onduidelijke kruising die erg op aarmunt lijkt.
De (menthol)geur van muntplanten is onmiskenbaar. Die geur verschilt overigens van soort tot soort. Watermunt is een van de ‘ouders’ van de kruising pepermunt en dat kun je aan de plant ruiken en proeven.

Watermunt hoort tot de lipbloemenfamilie. Dat betekent: vierkante stengel, kruisgewijs tegenover elkaar staande bladeren en tweezijdig symmetrische bloemen met een boven- en onderlip. (Bij munt zijn die lippen overigens moeilijk herkenbaar.) De roodachtig lila bloempjes staan dicht opeen in schijnkransen. De bovenste schijnkrans vormt een bolletje dat groter is dan de schijnkransen die eronder staan. Hiermee kun je watermunt goed onderscheiden van andere muntsoorten die langwerpige bloeiwijzen (schijnaren) hebben of waarbij blaadjes boven de laatste schijnkrans uitsteken.
Op de foto’s is te zien dat de meeldraden buiten de bloemen uitsteken. Insecten die op de bloemen rondscharrelen, kunnen zo makkelijk bestoven raken met stuifmeel en dat meenemen naar een volgende bloem. Op watermunt vind je allerlei soorten bijen en (zweef)vliegen. Op de foto’s: een dambordvlieg en een honingbij.
De meeste muntsoorten zoals watermunt maken ondergrondse uitlopers. Watermunt maakt ook bovengrondse uitlopers. Vaak bedekt de plant grote oppervlakken. De plant kan laag blijven maar ook in andere planten klimmen. De planten zijn vaak paars aangelopen (foto rechtsonder). Watermunt is een typische (na)zomer- en herfstbloeier.

De naam ‘munt’ komt van de wetenschappelijke geslachtsnaam Mentha. Menthe was de dochter van de watergod Cocytus. Ze werd bemind door Hades, de god van de onderwereld, en daarom veranderde zijn vrouw Persephone haar uit jaloezie in een (welriekende) plant.

Een aantal insecten hebben watermunt als waardplant. Bovenaan links zie je de muntschildpadtor die flink te keer kan gaan op watermunt en van het blad dan alleen de middennerf achterlaat. Daarnaast het muntvlindertje dat munt maar ook andere lipbloemigen als waardplant heeft. En rechts de blauwe muntgoudhaan.
Blaadjes en bloemen kunnen, met mate, door mensen geconsumeerd worden. (Peper)muntolie heeft verdovende, antibacteriële en ontstekingsremmende eigenschappen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘸𝘪𝘭𝘥𝘦-𝘱𝘭𝘢𝘯𝘵𝘦𝘯.𝘯𝘭, 𝘏𝘦𝘶𝘬𝘦𝘭𝘴’ 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢 𝘷𝘢𝘯 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥

Soort van dag 238: gele aardappelbovist

(26 augustus 2023)

Waarschijnlijk heb je ze wel eens gezien: ‘aardappelen’ in het bos. Soms zijn het er zoveel bij elkaar dat het net lijkt alsof iemand een zak aardappelen heeft uitgestort. Maar het zijn paddenstoelen, aardappelbovisten om precies te zijn. De eerste heb ik dit seizoen al gezien. Ze zijn er van augustus tot diep in de winter.

Vorige week besprak ik een plaatjeszwam (parelamaniet). Daarbij worden de sporen tussen de plaatjes (lamellen) gevormd. Een andere groep paddenstoelen zijn de buikzwammen. Deze paddenstoelen bestaan uit een bol- of eivormige zak, soms op een steel. De sporen worden binnen in deze zak gevormd. Als de zwam rijp is, scheurt de zak open. Soms gebeurt dat ook bij aanraking. Vervolgens neemt de wind de sporen mee. Verschillende paddenstoelen vallen onder de buikzwammen zoals stuifzwammen, stinkzwammen, aardsterren en aardappelbovisten.

In Nederland komen zes soorten aardappelbovist voor. De meest algemene en bekende zijn de gele, de kleine en de wortelende.
Op de meeste foto’s staat de gele aardappelbovist. Deze is okerkleurig, heeft geen steel en voelt ruw aan door de hoekige schubjes. De wand van de gele aardappelbovist is vrij dik: 2-3 mm. De paddenstoelen zijn niet helemaal rond, maar van boven een beetje afgeplat. De sporenmassa is zwart. Op de foto’s in het midden zie je van links naar rechts een gesloten gele aardappelbovist, een die net aan de bovenkant openscheurt en een waarin je de zwarte sporenmassa ziet.
Op de foto rechtsonder zie je een kleine aardappelbovist. Die staat op een soort steel, heeft vlakke bruine schubjes en de buitenwand is dun (1 mm). (Maar het kan ook de wortelende zijn; om er zeker van te zijn had ik hem uit de grond moeten halen.)

Aardappelbovisten zijn symbionten. De zwamvlok van de gele aardappelbovist leeft samen met diverse soorten naald- en loofbomen, o.a. eik en berk. Je vindt ze in bossen en op de hei, op zure zandgronden. De kleine aardappelbovist groeit daarentegen in bossen op rijkere grond en in parken en tuinen.
Er is een parasitaire schimmel die op gele aardappelbovist leeft, namelijk de kostgangerboleet (foto linksonder). Boleten hebben een hoed; daaronder zitten geen plaatjes maar buisjes (daarover een andere keer meer). De basis van de steel van de kostgangerboleet zit altijd vast aan de onderzijde van de gele aardappelbovist. De parasiet is veel zeldzamer dan de gastheer. Je kunt ze tegenkomen van augustus tot in oktober. Onbekend is of de kostgangerboleet parasiteert op de zwamvlok of alleen op de vruchtlichamen van de gele aardappelbovist.

Ook al lijkt een aardappelbovist op een aardappel, je kunt hem beter niet eten. Ze zijn giftig en kunnen zware spijsverteringsklachten veroorzaken, tot flauwvallen aan toe.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴, 𝘣𝘰𝘦𝘬 𝘋𝘦 𝘨𝘳𝘰𝘵𝘦 𝘱𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘷𝘰𝘰𝘳 𝘰𝘯𝘥𝘦𝘳𝘸𝘦𝘨

Soort van dag 237: bladluizen

(25 augustus 2023)

Gisteren ging het over mieren waarvan sommige soorten bladluizen als ‘vee’ houden. Bladluizen kwamen ook al bij verschillende plantensoorten en bladluisbestrijders aan de orde. Dus de hoogste tijd om aandacht te besteden aan de bladluizen zelf waarvan in ons land meer dan 400 soorten voorkomen.

In de collage zie je verschillende bladluissoorten op verschillende planten. Eerste rij: op bloedzuring, vogelkers en teunisbloem. Tweede rij: op tuinboon (zwarte bonenluis), raapzaad (melige koolluis) en gele lis. Derde rij: op grote klit, geel nagelkruid en beuk (wollige beukenbladluis). Vierde rij: op wilg, riet (melige pruimenluis) en boerenwormkruid. Vijfde rij: op aalbes (bloedblaarluis) en fluitenkruid en tenslotte een bladluizendoder (een graafwesp).
De meeste bladluizen zijn afhankelijk van één plantensoort of groep van verwante plantensoorten (de waardplanten). Sommige leven afwisselend op een winterwaardplant en een zomerwaardplant. Als de kwaliteit van het plantensap achteruit gaat, komen er luizen met vleugels en die vliegen naar de andere waardplant toe. De zwarte bonenluis, bijvoorbeeld, zit in de zomer op bonensoorten en boswilg, in de winter op kardinaalsmuts, sneeuwbal en Gelderse roos.

Bladluizen hebben een peervormig lichaam, een steeksnuit en een kort ‘staartje’. Met hun steeksnuit prikken ze een gaatje in bijvoorbeeld het blad van een plant. Het sap uit de plant spuit door de druk waaronder de sapstroom staat, zo de bladluis in. Bladluizen kiezen vooral voor groeipunten zoals jonge twijgen, jong blad en bloemknoppen. Het sap hierin bevat de meeste voedingsstoffen. Ze hebben vooral behoefte aan eiwitten. Het teveel aan suikers die in het sap zitten, wordt uitgescheiden. Dat vocht, honingdauw genoemd, is een voedingsbodem voor roetdauwschimmels. Ook bijen, wespen en mieren komen er op af. Soms trommelen de mieren op de bladluizen om de afgifte van honingdauw te bevorderen. Bladluizen hebben ook voordeel van hun relatie met mieren. Mieren beschermen hen tegen predatoren (zoals lieveheersbeestjes en de larven daarvan) en parasieten (bijvoorbeeld parasitaire wespen). Bovendien zorgen de mieren ervoor dat de luizen niet verkleefd raken door de grote hoeveelheid geproduceerde honingdauw.
Het voorkomen van bladluizen kan gevolgen hebben. Ze kunnen plantenziektes overbrengen. Jonge planten kunnen doodgaan als er te veel bladluizen op zitten. Sommige soorten veroorzaken gallen of andere vergroeiingen zoals de bloedblaarluis op bessenstruiken.
Op de bladluis op fluitenkruid (midden onder) zie je duidelijk twee sifons zitten. Hiermee wordt een stof uitgescheiden waarmee soortgenoten gealarmeerd worden bij gevaar en als verdediging tegen vijanden.

Het grootste deel van het jaar zijn er alleen vrouwtjes die zonder bevruchting jongen krijgen. Deze worden levend als nimf geboren en vervellen vier keer voordat ze volwassen zijn. De witte vervellingshuidjes zie je vaak ook op planten zitten. Er zijn meerdere generaties in een jaar die elkaar snel kunnen opvolgen. In de herfst worden mannetjes gevormd die de vrouwtjes bevruchten. De vrouwtjes leggen vervolgens wintereitjes. Hieruit komen in het voorjaar de stammoeders die vervolgens weer levendbarend zijn. Hier zie je een filmpje over de levenscyclus van bladluizen.

Bladluizen planten zich razendsnel voort, maar gelukkig zijn er veel dieren die bladluizen eten. Denk maar aan (larven van) lieveheersbeestjes, larven van verschillende soorten zweefvliegen en gaasvliegen, oorwormen, galmuggen, sluipwespen en ook vogels.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭