Soort van dag 226: rood en zwart weeskind

(14 augustus 2023)

Gisteren vertelde ik dat ik dit weekend twee avonden/nachten op zoek ben gegaan naar nachtvlinders in onze tuin. Ik gebruikte hierbij een hoofdlamp, maar ik had ook op twee bomen van tevoren ‘stroop’ gesmeerd. Hier komen nachtvlinders (en andere insecten) op af die gek zijn op rottend fruit, honingdauw enzovoort. Bij waarneming.nl kun je dan doorgeven dat je ze op smeer hebt waargenomen. Ik heb zo’n tien soorten vlinders (m.n. van de familie uilen) gezien, maar ook erg veel gewone oorwormen, mieren en een boomsprinkhaan. Eerder op de avond, toen het nog niet helemaal donker was, kwamen allerlei soorten vliegen en muggen op de smeer af. De grootste nachtvlinders die ik beide avonden zag, waren weeskinderen: rood weeskind en zwart weeskind.

Er bestaan verschillende recepten voor ‘smeer’. Hier vind je een paar voorbeelden. Ik heb zelf een mengsel gemaakt van overrijpe banaan, dadelstroop (die toch niet gegeten werd) en bier. Vlak voor gebruik heb ik nog een scheut inmaakbrandewijn toegevoegd. Zeker de moeite waard om eens te proberen, zeker nu het ’s avonds eerder donker wordt. In september zijn nog veel meer nachtvlinders te vinden die op stroop af komen dan nu. Ook in de winter kun je vlinders met stroop lokken.

Op de collage zie je links foto’s van het rode weeskind. Bovenaan een foto van overdag en daaronder een foeragerend exemplaar. Deze was wel een beetje ‘afgevlogen’: ze kunnen veel mooier zijn. Het rood weeskind is een zogenaamde spinneruil. Ze vliegen van begin juli tot begin november. Overdag kun je ze goed gecamoufleerd op een boomstam of muur vinden. De soort overwintert als ei. De rups leeft van mei tot juli. Waardplanten zijn populier en wilg. Een predator wordt afgeschrikt door het plotseling tonen van de rode vleugels.

Op de collage rechts zie je foto’s van het zwarte weeskind. Daarvan heb ik meerdere exemplaren gezien, op beide bomen. Het zwarte weeskind is een uil, dus van een andere familie dan het rood weeskind. Hij heeft wel de grootte van de echte weeskinderen. Op de foto bovenaan rechts zie je hem samen met andere uilen (zoekplaatje). Op de onderste foto kun je goed zijn roltong zien. In de vorige eeuw kwam deze soort voornamelijk in Zuid-Limburg voor, maar nu wordt hij in het hele land waargenomen. Ze vliegen van half juni tot half september. Als rups leeft de soort van september tot mei. In het najaar eet hij vooral van dovenetel, vogelmuur en zuring. Hij overwintert als rups laag in de vegetatie. En in het voorjaar eet hij verder van loofbomen en struiken. Ze zijn vooral te vinden op klimop, kardinaalsmuts, meidoorn, sleedoorn, wilg en berk. Laten we nu net al deze planten in onze tuin hebben! De vlinders komen ook af op bloedende bomen.

Er komen in Nederland nog meer soorten weeskinderen voor die verwant zijn aan het rood weeskind: populierenweeskind, wilgenweeskind, blauw weeskind, karmozijnrood weeskind. De naam ‘weeskind’ verwijst naar het zwart en rood: vroeger de kleuren van de kleding van de weeskinderen uit Amsterdam.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 225: waaiermot en wilde kamperfoelie

(13 augustus 2023)

Vandaag niet één, maar twee soorten. De afgelopen twee avonden en nachten ben ik in onze tuin op zoek gegaan naar nachtvlinders en andere nachtactieve beestjes. Dat heb ik gedaan met ‘smeer’ en met een hoofdlamp. Beide zijn manieren die iedereen vrij makkelijk kan doen. In plaats van een hoofdlamp kun je uiteraard ook een zaklamp gebruiken. Over de methode met ‘smeer’ morgen meer. (En ik bofte: ik heb afgelopen nacht meerdere vallende sterren gezien van de meteorenzwerm Perseïden.)

Ik heb nachtvlinders gezien waar ik nog nooit van had gehoord. Het mooie vlindertje op de foto trof ik aan op de wand van onze hooiberg. Waarneming.nl gaf aan dat het om een waaiermot gaat. ‘Mot’ is een woord dat vaak voor nachtvlinders wordt gebruikt en dan speciaal voor de micro-nachtvlinders.
De waaiermot wordt ook wel zespennig waaiermotje of kamperfoeliebloesemmot genoemd. Zijn spanwijdte is 14 à 16 millimeter. Het is een algemeen in Nederland voorkomend vlindertje dat als volwassen vlinder (imago) overwintert. Zijn waardplant zijn kamperfoeliesoorten. De rups eet van de meeldraden en stampers in nog niet geopende kamperfoeliebloemen. Het rupsje is klein en lichtgeel.

Kamperfoelie is een geslacht waartoe twee inheemse soorten en een aantal tuinplanten behoren. Rode kamperfoelie is een struik die vermoedelijk in Zuid-Limburg inheems is, maar in de rest van het land verwilderd voorkomt. Wilde kamperfoelie is een struik met rechtswindende of kruipende twijgen. Deze groeit het liefst op matig voedselrijke, vrij zure grond. Je vindt deze liaan in bossen, struikgewas en in moerassen.
Voor het eind van de winter lopen de knoppen al uit en zie je toefjes groen verschijnen. De plant bloeit van juni tot oktober met bloemen in een soort hoofdje. De bloemen zijn geelachtig wit, vaak van buiten roodachtig aangelopen, en geuren ’s avonds en ’s nachts heerlijk. Hierop komen vooral insecten met een lange tong af, zoals de prachtige pijlstaartvlinders en de uilen. Helaas heb ik die de afgelopen nachten niet gezien. Van de wilde bijen is de tuinhommel de enige waarvan zijn tong lang genoeg is om bij de nectar te kunnen komen.
Inmiddels hangen er ook al bessen aan de struiken. De glanzend rode bessen zijn voor mensen licht giftig. Ze worden door verschillende vogels gegeten. Voor de winter invalt, zijn ze op.

Kamperfoelie is niet alleen voor de waaiermot de waardplant. Nog veel meer soorten vlinders zetten hun eitjes af op deze plant. Van de dagvlinders doet de kleine ijsvogelvlinder dat. Van de nachtvlinders o.a. glasvleugelpijlstaart, kamperfoelie-uil en een aantal bladrollers. Ook verschillende mineerders vind je op de wilde kamperfoelie. Tenslotte zijn er nog een roestzwam en een bladluizensoort gespecialiseerd op deze plant. Voor kleine vogels is wilde kamperfoelie een fijne struik om in te schuilen.
De Nederlandse naam kamperfoelie is een verbastering van het Latijnse caprifolium wat letterlijk geitenblad betekent.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘮𝘪𝘤𝘳𝘰𝘷𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴.𝘯𝘭, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢

Soort van dag 224: boerenwormkruid

(12 augustus 2023)

Een van mijn favoriete zomerplanten is boerenwormkruid. Ik ben dan ook blij dat deze plant het steeds beter doet in onze tuin, al komt de plant van oorsprong minder voor op veen (en zeeklei). Het is een plant van omgewerkte, voedselrijke grond. Je vindt de plant vooral op dijken en bermen en langs akkerranden en spoorwegen. Van oorsprong is het een rivierbegeleider.
Sommige mensen verwarren de plant met jacobskruiskruid, vooral met de variant duinkruiskruid dat ook geen lintbloempjes heeft. Maar de kenmerkende geur (kamferachtig) en het geveerde blad van boerenwormkruid zijn onderscheidend. Een andere naam van de plant is reinvaren; de bladeren hebben wel wat weg van varenbladeren.
Wat mij vooral aanspreekt, zijn de vele bezoekers van de plant. Ik heb vorig jaar alle insecten die ik op boerenwormkruid in onze tuin zag gefotografeerd. Ik kwam daarbij op zo’n vijftig verschillende soorten die ik op naam kon brengen. Daar zaten overigens ook spinnen tussen die op bloembezoekers azen. (En afgelopen nacht zag ik nog weer andere beestjes, vooral veel oorwormen.)

Ik heb voor de collage negen soorten kleine beestjes geselecteerd die nog niet eerder aan bod zijn geweest. Op de eerste foto zie je de plant. Daarnaast zie je een grasmot. Op de rij daaronder: een smaragdgroefbij, een dambordvlieg, Duitse schorpioenvlieg en weidevlekoog. Op de onderste rij: steenhommel, brilgrasvleugelwants, gal van gewone boerenwormkruidgalmug en menuetzweefvlieg.

Boerenwormkruid is een composiet, net zoals de paardenbloem. De compacte bloemhoofdjes die in (schijn)schermen staan, bestaan uit gele buisvormige bloempjes. De plant bloeit vanaf juni tot in de herfst. De stengels van de plant lopen ondergronds door en zijn taai (moeilijk af te breken). De plant kan 60-120 cm hoog worden.

Boerenwormkruid komt vaak samen voor met duizendblad, knoopkruid, akkerdistel, Sint-Janskruid, vlasbekje en bijvoet. In dergelijke vegetaties voelen huisjesslakken zich erg thuis.
Uit verschillende insectengroepen zijn soorten gespecialiseerd op boerenwormkruid: verschillende bladrollers, een vedermot, een snuitkever, twee blindwantsen, een bladluis, een mineervliegje, twee galmuggen (zie ook foto) en een galmijt. De bloemen worden door veel soorten insecten bezocht; de wormkruidbij is overwegend op boerenwormkruid te vinden.

Boerenwormkruid heeft veel verschillende toepassingen (gehad). De naam boerenwormkruid verwijst ernaar dat de plant gebruikt werd tegen spoel- en lintwormen. Ook wordt de plant wel als keukenkruid gebruikt vanwege zijn sterke geur en smaak, bijvoorbeeld in pannenkoeken. Maar let op: het kan een abortus opwekken. De plant wordt als zwak giftig beschouwd en kan overgevoeligheidsreacties geven. Verder kun je een bosje ophangen tegen ongedierte, zoals muggen, vliegen en vlooien. In of bij kippenhokken zou het tegen bloedluis helpen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢

Soort van dag 223: echte meeldauw

(11 augustus 2023)

Het is weer eens tijd voor een schimmel. Veel schimmels vallen pas op als de vruchtlichamen (paddenstoelen) zichtbaar worden. Dat geldt niet voor echte meeldauw. Deze uit zich als een witte, poederachtige laag (‘meel’) op bladeren, twijgen en bloemen van levende planten. Deze parasitaire schimmel wordt ook wel witziekte genoemd.

Echte meeldauw hoort tot de zakjeszwammen, net zoals het gewoon meniezwammetje. De sporen ontkiemen op de buitenkant van het blad en de schimmel dringt vervolgens het blad binnen om daar voedingsstoffen en vocht op te nemen. De schimmel zelf blijft aan de buitenkant van het blad zitten en vormt daar ook de sporen. Omdat het een laag op het blad vormt, kan het blad minder goed aan fotosynthese doen. Het kan voorkomen op de bovenkant en de onderkant van een blad. Een ernstig aangetast blad zal voortijdig afvallen. Planten zullen er in het algemeen niet aan dood gaan, maar het kan wel de groei en ontwikkeling belemmeren.

Echte meeldauw vormt twee soorten sporen: ongeslachtelijke en geslachtelijke. De ongeslachtelijke verspreiden zich vanaf mei en vooral met droog, zonnig weer. De geslachtelijke ontstaan in het najaar en overwinteren in de knopschubben van een boom of tussen afgevallen bladeren op de grond.
De sporen worden op verschillende manieren verspreid. Door de wind en door waterdruppels, maar ook door onszelf (via tuingereedschap bijvoorbeeld) en door insecten die van de meeldauw eten. Er zijn verschillende soorten lieveheersbeestjes die meeldauw eten zoals het meeldauwlieveheersbeestje en citroenlieveheersbeestje.

Er bestaat ook valse meeldauw. Deze behoren niet tot de echte schimmels, maar horen tot een aparte groep van micro-organismen die waterschimmels worden genoemd. Hiertoe horen ook andere verwekkers van plantenziektes zoals aardappelmoeheid (phytophtera). Valse meeldauw bevindt zich in de plant en is zichtbaar aan de onderkant van de bladeren. Je vindt het vooral bij sla en komkommers. Sporen van waterschimmels verspreiden zich met warm en vochtig weer.

In het Nederlandse soortenregister worden 89 soorten van echte meeldauw vermeld. Op de website van bladmineerders.nl worden er veel meer genoemd. Echtemeeldauwsoorten zijn specifiek voor bepaalde planten. Om precies te weten met welke soort je te maken hebt, heb je een microscoop nodig.

Op de foto’s zie je met de klok mee: meeldauw op zomereik, op Spaanse aak (veldesdoorn) en op paardenbloem (met citroenlieveheersbeestje).
Eikenmeeldauw is pas in de vorige eeuw in ons land opgedoken. Waarschijnlijk gaat het om verschillende soorten. Je ziet het vooral op nieuwe scheuten. Op Spaanse aak zit een soort die ook op andere esdoorns voor kan komen. Deze soort zit vooral aan de onderkant van het blad. Op paardenbloemen kunnen twee soorten meeldauw voorkomen.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘚𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯𝘳𝘦𝘨𝘪𝘴𝘵𝘦𝘳, 𝘣𝘭𝘢𝘥𝘮𝘪𝘯𝘦𝘦𝘳𝘥𝘦𝘳𝘴.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 222: struikhei

(10 augustus 2023)

Op de grote, stille heide… Uitgestrekt was het zeker, maar we waren gisteren niet de enigen op de Westerheide bij Laren. Het was niet alleen een prachtige dag voor een wandeling, ook de paars kleurende hei trekt natuurlijk extra bezoekers.

Heide of hei is de naam voor een vegetatietype dat vooral uit struikhei of andere soorten van de heifamilie bestaat. Het komt van nature voor in ontkalkte duinen, gebergtes boven de boomgrens en aan de randen van hoogvenen. De heidevelden in het binnenland zijn een cultuurlandschap, net zoals weilanden en akkers dat zijn. Ze zijn vooral in de middeleeuwen ontstaan door overbeweiding, afplaggen en kappen van bomen. De bodem werd voedselarm en verzuurde. In het ergste geval verdween ook de heide en ontstonden er zandverstuivingen. Aan het einde van de 19e eeuw zijn veel heidevelden verdwenen. Ze werden deels beplant met bomen, o.a. voor de mijnbouw. Na de uitvinding van de kunstmest werd ook een deel van deze zogenaamde woeste gronden in cultuur gebracht tot graslanden en akkers.
Een van de gevolgen van stikstofdepositie is dat heidevelden vergrassen. Heidesoorten leven samen met schimmels die het mogelijk maken dat de planten op arme grond stikstof op kunnen nemen. Daarmee zijn ze in het voordeel ten opzichte van grassen die die samenwerking niet hebben. Maar als de stikstof uit de lucht valt, zullen grassen de overhand krijgen. Ook verdwijnen heidevelden door opslag van jonge bomen. Willen we de restanten heide en de daarbij behorende natuurwaarden in stand houden, dan betekent dat: begrazen, afplaggen, afbranden, verwijderen van boomopslag, maaien enzovoort. De laatste jaren heeft de heide ook te lijden onder verdroging.

In Nederland komen verschillende planten uit de heifamilie voor zoals gewone dophei, kraaihei en struikhei. Ook de bosbes hoort tot deze familie. Het zijn grotendeels houtachtige planten.
Struikhei is groenblijvend en kan een warrige struik van een meter hoog worden. De blaadjes zijn klein en lijken op schubjes. De struikjes bloeien van eind juli tot begin september met heel veel paarse (en soms roze of witte) bloemetjes. Een heideveld ziet er helemaal paars van.
Insecten kunnen de nectar in de bloemen makkelijk bereiken. Naast honingbijen (foto rechts) en hommels (foto links) komen ook wilde bijen, wespen en vliegen op de nectar af. Enkele wilde bijensoorten zijn voor hun stuifmeelbehoefte geheel afhankelijk van struikhei. Te veel honingbijkasten naast een heideveld heeft een negatief effect op het voorkomen van deze bijensoorten.
Er is één vlinder die uitsluitend de struikhei als waardplant heeft: de gewone heispanner. Andere vlinders zoals groentje en heideblauwtje gebruiken ook andere planten als waardplant. Verder dient de plant als voedselplant van het heidehaantje. Konijnen en reeën grazen op hei. De grootste ecologische waarde zit vooral in de biotoop ‘droge heide’ waar plaats is voor allerlei soorten (zeldzame) planten, dieren en korstmossen.

Heidevelden zijn dus ontstaan door menselijk gebruik. Vee en schapen graasden erop. Heideplaggen werden in de schapenstallen gelegd en vermengd met mest gebruikt om akkers te bemesten. Ook werden ze gebruikt als bouwmateriaal (plaggenhut). Verder werd de plant gebruikt om manden en bezems van te maken, matrassen mee te vullen en als brandstof. En tenslotte levert de bloeiende hei honing op.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘨𝘯𝘳.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 221: sabelsprinkhanen

(9 augustus 2023)

Sprinkhanen en krekels zijn vrij grote insecten met een fors lichaam en een stompe kop. De monddelen zitten aan de onderzijde. Met hun sterk ontwikkelde achterpoten kunnen ze springen. Ze hebben meestal twee paar vleugels. De voorste vleugels zijn steviger dan de achtervleugels. Ze maken geluid door delen van hun lichaam tegen elkaar aan te wrijven. Striduleren heet dat.

In Nederland komen 50 soorten voor (wereldwijd 11.000 soorten). Eén soort is al aan de orde geweest: de veenmol, herkenbaar aan zijn graafpoten. De rest kan onderverdeeld worden in twee hoofdgroepen: de langsprieten (sabelsprinkhanen en krekels) en de kortsprieten (doornsprinkhanen en veldsprinkhanen). De langsprieten hebben lange sprieten en de vrouwtjes hebben een verlengde (sabelvormige) legboor. Van de kortsprieten zijn de sprieten korter dan het lichaam.
Krekels zijn platter, altijd bruin en hebben langere staartdraden dan sabelsprinkhanen. Krekels worden minder vaak aangetroffen. Ze komen vooral voor tussen bladeren op de heide en in droge bossen. Nederlandse sabelsprinkhanen leven vooral in graslanden en worden ook in tuinen aangetroffen. Langsprieten zijn alleseters: ze eten plantaardig en dierlijk materiaal (o.a. insecten).
Hier vind je een zoekkaart sprinkhanen en krekels.

Vrouwtjes leggen met behulp van hun legboor eitjes in de grond of in schorsspleten. De eitjes overwinteren en komen in het nieuwe jaar uit. De nimfen lijken al veel op hun ouders, maar zij hebben nog geen vleugels. Na ongeveer zes keer vervellen zijn zij volwassen. Als de vorst invalt, sterven alle sprinkhanen. Al ziet de legboor er vervaarlijk uit, de vrouwtjes zullen je er niet mee steken.

Op de foto’s zie je vier van de vijftien in Nederland voorkomende sabelsprinkhanen. Links zie je het gewoon spitskopje (vrouwtje). Rechts zie je van boven naar beneden: zuidelijk spitskopje (vrouwtje), struiksprinkhaan (mannetje) en grote groene sabelsprinkhaan (vrouwtje).

Spitskopjes hebben een spitse kop en een bruine rug. Het gewoon spitskopje, ook wel rietsprinkhaan genoemd, is vooral te vinden op vochtige plekken zoals rietlanden. De meeste exemplaren hebben korte vleugels. Het geluid bestaat uit een zoemgeluid afgewisseld met zich snel herhalende tikken, het best te horen met een vleermuisdetector.
Het zuidelijk spitskopje heeft langere vleugels dan het gewoon spitskopje. De legboor is rechter dan van het gewoon spitskopje. Deze soort komt in allerlei ruige kruidenvegetaties voor. Het geluid is luider dan van het gewone spitskopje (ratelachtig zoemgeluid).

De struiksprinkhaan is een bolle, groene sabelsprinkhaan met kleine, donkere puntjes. De vleugels zijn zo kort dat ze niet kunnen vliegen. Ze leven in bomen en struiken op allerlei plekken, ook in tuinen. Ze maken een hoog tikkend geluid, vaak alleen met een vleermuisdetector te horen.

De grote groene sabelsprinkhaan is onze grootste sprinkhaan en komt algemeen voor. Hij kan acht centimeter lang worden (inclusief vleugels). De vleugels steken ver achter de romp uit. De vrouwtjes hebben een lange, vrijwel rechte legboor. Door hun grasgroene kleur vallen ze niet echt op (tenzij ze ineens bovenop je springen). Dit is de sprinkhaan die je op een mooie zomeravond kunt horen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘏𝘦𝘵 𝘨𝘦𝘭𝘦𝘦𝘥𝘱𝘰𝘵𝘪𝘨𝘦𝘯𝘣𝘰𝘦𝘬, 𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯𝘳𝘦𝘨𝘪𝘴𝘵𝘦𝘳.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘦𝘪𝘴-𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭

Soort van dag 220: parnassia

(8 augustus 2023)

Een hele mooie bloem met een hele mooie naam: parnassia. Het is een plant die in de nazomer (juli-september) bloeit. Als we in die periode in Zeeland zijn, gaan we steevast op zoek naar bloeiende exemplaren op de voormalige zandplaten van de Grevelingen. En ja hoor, ook dit jaar hebben we ze weer gezien. Ze groeien op stukken waar door maaien (in de herfst) de vegetatie kort wordt gehouden en waar de bodem arm, kalkrijk en vochtig is. Op deze stukken staan nog veel meer mooie planten. In mei/juni bloeien daar bijvoorbeeld moeraswespenorchis, kleverige ogentroost en ratelaar. Gelijk met parnassia bloeien o.a. stijve ogentroost, strandduizendguldenkruid, brunel en bitterling. Verder kun je parnassia in de hele kuststreek vinden in vochtige duinvalleien en op de rand van strandvlakten. Ook in het Lauwersmeergebied staat parnassia. In het binnenland is het een soort van vochtige (blauw)graslanden en trilvenen, maar is ze op steeds minder plekken te vinden.
Vroeger was parnassia (buiten de zeekleigebieden) vrij algemeen. Nu staat de plant op de Rode Lijst als kwetsbaar en sinds 1950 sterk in aantal afgenomen. De sterke achteruitgang van parnassia is te wijten aan ontwatering en bemesting. Het is een soort die van een koel klimaat houdt. Je vindt het in Europa daarom ook in de bergen en in het noorden, tot in Lapland aan toe.

Het plantje groeit in pollen. De hartvormige bladeren staan op lange stelen. De kantige stengel heeft één stengelomvattend blad. De opvallende, witte bloemen hebben vijf kelk- en vijf kroonblaadjes. Net zoals veel planten wil parnassia zelfbestuiving voorkomen. De plant heeft daarvoor een uniek systeem.
Als je naar de bloem op de foto linksboven kijkt, zie je in het midden vijf witte meeldraden met witte helmknoppen die over de stamper heen zijn gevouwen. Daaromheen staan vijf gele orgaantjes die staminodia worden genoemd. Dit zijn ook meeldraden maar dan steriel. Bestuivers, vooral (zweef)vliegen, komen op de gele knopjes van de staminodia af. Die knopjes lijken op druppels nectar, maar zijn dat niet. Wel is er nectar aanwezig, maar dan aan de voet van de staminodia. Het is een beetje zoeken voor de vlieg en al zoekend ontvangt hij stuifmeel van de meeldraad die op dat moment opgericht is en waarvan de helmknop zich heeft geopend. De vruchtbare meeldraden richten zich namelijk één voor één op, elke dag één. Als de helmknop zijn stuifmeel kwijt is, buigt de meeldraad verder naar buiten en verliest zijn helmknop. Op de foto rechtsboven is te zien dat twee meeldraden hun helmknop kwijt zijn; twee hebben hun helmknop nog en zijn naar buiten gebogen; één staat nog boven de stamper. Pas als alle meeldraden naar buiten zijn gebogen en hun helmknoppen kwijt zijn, is de stamper ontvankelijk voor bestuiving. Ook dan blijven de staminodia insecten lokken, want er moet natuurlijk wel stuifmeel overgebracht worden naar de stempels van de stamper.
Uit de bevruchte bloemen komen vierkleppige doosvruchten tevoorschijn (foto rechtsonder). Het stoffijne zaad wordt door de wind verspreid.

Parnassia is genoemd naar de berg Parnassus, een berg gewijd aan de Griekse god Apollo en waar de muzen (zijn zussen) zich thuis voelden. Hier zou de plant parnassia ontstaan zijn en voor het eerst gebloeid hebben.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢𝘷𝘢𝘯𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭

Soort van dag 219: zilvermeeuw

(7 augustus 2023)

Bij de kust horen meeuwen: krijsend en zwevend in de lucht, op het water of op de uitkijk. Op dag 38 besteedde ik aandacht aan twee wat kleinere meeuwensoorten die je ook veel landinwaarts ziet: kokmeeuw en stormmeeuw. Een grote, algemeen voorkomende meeuwensoort is de zilvermeeuw. Voor mij hoort deze soort bij Concert at Sea op de Brouwersdam waar ze de etensresten opruimen. En als gezelschap op boten van en naar de Waddeneilanden of als je loopt op het strand. Ook in het binnenland en in de stad zie je ze, vooral in het winterhalfjaar. En op de weilanden, al trappelend op zoek naar een sappige regenworm.

De zilvermeeuw hoort samen met nog een aantal meeuwensoorten tot de groep van zilver- en mantelmeeuwen. Meeuwen van deze groep lijken erg op elkaar, vooral hun juvenielen (jongen). Ook kruisen sommige soorten onderling en komen er ondersoorten voor. In Nederland komen de zilvermeeuw en de kleine mantelmeeuw van deze groep het meeste voor. Een aantal is veel zeldzamer of zie je hier uitsluitend als winter- of dwaalgast.
Van de volwassen zilvermeeuw zijn de kop en onderzijde wit. De vleugels en rug zijn (zilver)grijs. Hij heeft zwarte vleugelpunten met witte vlekken. Van de ondersoort die bij ons broedt, zijn de poten roze. De snavel is geel met een rode vlek op de ondersnavel. Een jonge zilvermeeuw is geheel grijsbruin (foto linksonder). Pas in de tweede winter krijgt die grijze bovendelen en in het vierde jaar heeft hij zijn volwassenkleed.
De kleine mantelmeeuw heeft zwarte vleugels en rug en gele poten (foto rechtsonder). Andere meeuwen waar je de zilvermeeuw mee zou kunnen verwarren, zijn de stormmeeuw (veel kleiner, gele poten), de geelpootmeeuw (gele poten) en de pontische meeuw (oogt vriendelijker, lichtgele poten).

Nederlandse zilvermeeuwen blijven hier het jaar rond. In de winter komen daar vogels uit Noord- en Oost-Europa bij. Zilvermeeuwen (en kleine mantelmeeuwen) broeden in kolonies in duinen, op kwelders, schorren en dijken in het Waddengebied en het Deltagebied. In steden broeden ze ook steeds vaker; daar doen ze dat op daken. Daar kunnen geen vossen komen die het voorzien hebben op de eieren en jongen van deze grondbroeder. Ze hebben één broedsel, met gemiddeld drie eieren. Als een oudervogel naar het nest terugkeert met voedsel, tikken de jongen tegen de rode vlek op de snavel. De oudermeeuw geeft dan voedsel op.
Van de zilvermeeuw zijn er zo’n 40.000 broedparen; dat is de helft van het aantal in de jaren ’90. De afname komt door predatie door de vos en door minder voedselaanbod (afdekken van afvalbergen en minder visserijafval). Ter vergelijking: van de kleine mantelmeeuw zijn er 75.000-90.000 broedparen.

Zilvermeeuwen zijn alleseters en zijn daarom minder aan de kust gebonden dan andere zeemeeuwensoorten. Ze eten vissen en schaal- en schelpdieren, aas, eieren en kuikens van andere kustvogels en wormen in weilanden. En natuurlijk versmaden ze een frietje en een boterham niet. Ze laten krabben en schelpen van grote hoogte op een harde ondergrond (asfalt, basaltblokken) vallen en eten vervolgens het vlees op. Het krabbenschild, de scharen en vaak ook de poten laten de zilvermeeuwen liggen (foto linksboven).

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯 : 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨

Soort van dag 218: grijze zeehond

(6 augustus 2023)

Altijd als we naar Zeeland gaan, kijken we of de zeehonden ‘thuis’ zijn. Het gaat hierbij om de grijze zeehonden die zich ophouden bij de spuisluis in de Brouwersdam. Ook nu waren ze er weer, dus mooi even de tijd genomen voor een fotoshoot. Grijze zeehonden zijn nieuwsgierig en niet bang voor mensen. Soms zwemmen ze een stukje mee als we over het strand lopen. Twee jaar terug zagen we een jong dier op het strand, zich niets aantrekkend van de voorbijlopende mensen. De zeehondenopvang uit Stellendam was aanwezig, maar hoefde niets te doen. Het was een gezond dier en hij zou uit zichzelf weer naar zee terugkeren.

De grijze zeehond is het grootste roofdier van de Noordzee en van ons land. Mannetjes worden tot drie meter lang en kunnen zo’n driehonderd kilo wegen.
Zeehonden zijn vinpotigen en geen honden; ze hebben wel dezelfde marterachtige als voorouder. De meest voorkomende vinpotige in ons land is de gewone zeehond (8.000 in de Waddenzee, ruim 1.500 in het Deltagebied). Van de grijze zeehond komen in de Waddenzee 7.000 exemplaren voor en 1.500 in het Deltagebied. Daarnaast wordt incidenteel ook wel een klapmuts, baardrob, zadelrob of ringelrob waargenomen.

Grijze zeehonden zijn van andere zeehonden te onderscheiden door o.a. hun kegelvormige snuit (snuit en voorhoofd liggen in één lijn). Daarom worden ze ook wel kegelrob genoemd. De grijze zeehond is grijs met vlekken en heeft donkere ogen en parallel lopende neusgaten (bij de gewone zeehond staan die in een V-vorm). Hij heeft inwendige oren die te zien zijn als kleine gaatjes aan de zijkanten van de kop. Als een dier onder water gaat, sluit hij zijn neus. Dankzij een dikke speklaag is de grijze zeehond goed beschermd tegen koud zeewater.

In ons land werpen grijze zeehonden hun jongen in november of december. Dat doen ze op hoge zandplaten en onbewoonde eilandjes die hooguit met springvloed onder water staan. In de Waddenzee gaat het om Richel, Griend en Noorderhaaks, in het zuidwesten om de Voordelta. In Nederland zijn de ligplaatsen niet ideaal en bij storm kunnen ligplaatsen van jongen overspoelen waarbij de jongen verdrinken.
Een vrouwtje werpt één jong per keer. De jongen hebben een dikke witte vacht waarmee ze goed beschermd zijn tegen de kou maar waarmee ze niet het water in kunnen. De totale zoogtijd duurt 16 tot 21 dagen. Daarna verlaat de moeder het jong en start voor haar de paartijd. Het jong moet eerst verharen voor het het water in kan en zelf op zoek kan naar voedsel. Dat is het geval als het een maand oud is.

Grijze zeehonden eten voornamelijk vis en schaal- en weekdieren. Ook eten ze soms inktvis, vogels, bruinvissen en andere zeehonden. Een grijze zeehond eet per dag ruim 5 kilo. Het dier kan tijdens het jagen tochten maken van honderden kilometers en steekt met gemak de Noordzee over. Ze kunnen diep duiken: minimaal 25 meter. Ze kunnen wel een half uur onder water blijven.
Grijze zeehonden zijn niet geliefd bij vissers. De vissoorten die ze eten, zijn ook deel commercieel interessant. Verder brengen ze schade aan aan visnetten. De dieren zijn beschermd en mogen niet bejaagd worden. In het verleden was dat wel anders. In de middeleeuwen roeide de mens de grijze zeehond in de Waddenzee uit. Rond 1950 werden er weer grijze zeehonden in Nederland gezien en sinds de jaren ’90 worden er weer jongen in onze kustwateren geboren.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘻𝘰𝘰𝘨𝘥𝘪𝘦𝘳𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘦𝘤𝘰𝘮𝘢𝘳𝘦.𝘯𝘭

Soort van dag 217: kleine echte kreeftachtigen

(5 augustus 2023)

Een duik nemen in het Grevelingenmeer… Sommige mensen doen dat met duikpak of snorkel. Ik heb het gedaan met emmer en schepnet vanaf een strandje. Wat ik vond, heb ik nader bekeken in een cuvet. Fascinerend om te kijken naar beestjes die ook tot de Nederlandse biodiversiteit horen maar waar je nauwelijks weet van hebt. In elk geval had ik een visje, een zeedruif (een kleine kwal) en verschillende soorten kleine kreeftachtige diertjes opgevist. Met ObsIdentify kon ik ze niet op naam brengen; die is toch meer op terrestrische en zoetwatersoorten gericht. Maar met behulp van Google Lens en de Veldgids Flora en fauna van de zee kwam ik een heel eind.

Op de fotocollage zie je links vlokreeftjes, in het midden aasgarnalen en rechts een zeepissebed. Het zijn alle drie soorten uit de klasse van de echte kreeftachtigen. Van deze klasse zijn al eerder landpissebedden en Amerikaanse rivierkreeften aan de orde geweest. Uit deze klasse komen in Nederland volgens het soortenregister 353 soorten voor. Zowel vlokreeftjes, aasgarnalen als zeepissebedden doen aan broedzorg. De vrouwtjes bewaren de eitjes onder hun achterlijf totdat ze uitkomen. Daarna moeten de larven zelf hun weg zoeken. Net zoals insecten groeien kreeftachtigen door vervelling. Alle kreeftachtigen halen adem via kieuwen. Kleine kreeftachtigen zijn belangrijk voedsel voor vissen en voor verschillende soorten vogels zoals flamingo’s, kanoeten en wulpen.

Van de vlokreeftjes zijn wereldwijd duizenden soorten beschreven. Ze zijn er in allerlei vormen en maten. Er zijn soorten van 1 mm maar ook diepzeesoorten (zonder ogen) van meer dan 25 cm lang. Volgens het soortenregister komen in Nederland 142 soorten voor.
Het zijn garnaalachtige diertjes met een zijdelings afgeplat lichaam. De meeste kreeftachtigen hebben een rugschild; vlokreeftjes niet. Tot de vlokreeftjes horen ook de strandvlooien die tussen aangespoeld zeewier leven, en zoetwatersoorten. Vlokreeftjes hebben veel poten. De voorste worden gebruikt om een voedsel mee vast te houden, de middelste om mee te zwemmen en de achterste om zich mee af te zetten, te graven of te zwemmen. Ze eten aas en kleine kreeftachtigen.
Op de onderste foto zie je een mannetje en vrouwtje in paarhouding. Het mannetje is groter dan het vrouwtje. Ik heb ze uren lang samen gezien.

Aasgarnalen zijn slanke, garnaalachtige beestjes met een transparant lichaam, donkere ogen en waaiervormige staart. In tegenstelling tot vlokreeftjes en zeepissebedden hebben ze wel een rugschild. Ze eten planktonalgjes. Er komen in Europa tientallen soorten voor die moeilijk van elkaar zijn te onderscheiden. Op basis van de onderste foto denk ik dat ik in elk geval de geknikte aasgarnaal heb gevangen. Deze komt vooral voor in het Grevelingenmeer, dus dat kan kloppen. Aasgarnalen zijn alleseters; ze eten o.a. aas en andere kleine kreeftachtigen.

De meeste pissebedsoorten leven in zee, meer dan op land of in zoet water. In Nederland komen in totaal 87 soorten pissebedden voor, verdeeld over verschillende families. Hoeveel hiervan in zoute wateren leven, heb ik niet kunnen achterhalen (volgens de website van het Vlaams Instituut voor de Zee komen in België 35 soorten in zee of brak water voor).
Pissebedden kenmerken zich door hun afgeplatte lichaam; een rugschild ontbreekt. Pissebedden schrapen algen van de ondergrond of halen ze uit het zand waarop ze leven. Het zijn bodemdieren maar ze kunnen ook zwemmen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢 𝘦𝘯 𝘧𝘢𝘶𝘯𝘢 𝘷𝘢𝘯 𝘥𝘦 𝘻𝘦𝘦, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘭𝘪𝘻.𝘣𝘦, 𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯𝘳𝘦𝘨𝘪𝘴𝘵𝘦𝘳