Soort van dag 286: pimpelmees

(13 oktober 2023)

Het is momenteel vrij rustig met kleine vogeltjes in onze tuin. Tenminste, ik zie ze nauwelijks tussen al het blad dat nog aan de bomen zit. Maar ik hoor ze wel, o.a. de pimpelmezen. Dit ‘neefje’ van de koolmees broedt regelmatig in onze tuin en is ook te vinden op het voer dat we in de winter aanbieden.

Pimpelmezen lijken op koolmezen, maar ze zijn kleiner en hebben een blauw petje en blauwachtige vleugels. Koolmezen zitten vaak op de grond om hun kostje bij elkaar te scharrelen, pimpelmezen zitten hoger in bomen en struiken.
In de broedtijd eten pimpelmezen vooral allerlei geleedpotigen zoals spinnen en insecten en hun larven. Het zijn goede bladluisbestrijders. Deze behendige vogels weten goed op dunne twijgjes te balanceren en kunnen met gemak ondersteboven aan een vetbol hangen. In de winter eten ze zaden van m.n. berk, haagbeuk, Spaanse aak en riet. Uit het riet halen ze ook insecten die daarin overwinteren.
Pimpelmezen speuren ’s ochtends naar voedsel. Later in de middag keren ze terug naar plekken met voedsel om ervan te eten. Door pas later op de dag te eten zijn ze overdag lichter en wendbaarder en kunnen ze makkelijker vluchten voor roofvogels zoals sperwers.

Pimpelmezen zijn algemeen voorkomende broedvogels. Overal waar bomen staan, zijn wel pimpelmezen te vinden. Bij de laatste tuinvogeltelling stond hij op nummer 3 (na de huismus en de koolmees). De zang begint met een heldere triller (een ‘belletje’) en loopt daarna af. De zang schijnt per regio te variëren. Hier kun je de zang en de roep van een pimpelmees horen.

Van nature broeden ze in boomholtes, maar doen dat ook in nestkasten. Hierin slapen ze ook in de winter, dus het is nu een goede tijd om alvast nestkasten op te hangen.
Bij ons in de tuin is het elk voorjaar weer spannend naar wie de nestkasten gaan: koolmezen, pimpelmezen of ringmussen. Wil je graag pimpelmezen, hang dan nestkasten op met een wat kleiner gat (28 mm). Hier passen koolmezen niet doorheen. (Al heb ik die wel bezig gezien om het vlieggat groter te maken.)

Onze broedvogels zijn standvogels, dus die blijven in de winter hier. In de herfst komen daar overwinteraars uit het noorden en oosten van Europa bij. Ook komen in de herfst pimpelmezen op doortrek door ons land, met een piek rond half oktober. In strenge winters gaan overigens veel pimpelmezen dood.
Op zich gaat het goed met de pimpelmees. Hij weet zich aan te passen aan de klimaatverandering (hogere temperaturen in het voorjaar waardoor het voedselaanbod eerder beschikbaar is dan dat er jonge vogels zijn). Inmiddels broeden pimpelmezen tien dagen eerder dan vergeleken met 1986. Verder schijnen ze minder eieren te leggen dan vroeger. Een pimpelmees kan wel tot dertien eieren leggen, maar begint pas te broeden als ze allemaal in het nest liggen. Als je minder eieren legt, kun je eerder met broeden beginnen en heb je dus eerder jongen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦

Soort van dag 285: vlasbekje

(12 oktober 2023)

Tot in november kun je het vlasbekje nog zien bloeien. Deze plant is ook bekend als vlasleeuwenbek. ‘Vlasleeuwenbek’ is de naam van het geslacht waartoe vlasbekje en o.a. ook walstroleeuwenbek behoren. In onze tuin bloeit de walstroleeuwenbek momenteel opnieuw (foto linksonder). Deze plant komt oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied en is inmiddels ingeburgerd. Vlasleeuwenbekken en andere leeuwenbekken horen tot de weegbreefamilie.

Vlasleeuwenbekken lijken, als ze nog niet bloeien, door hun lijnvormige blaadjes op het gewas vlas. Ze worden ook wel verward met cipreswolfsmelk of heksenkruid (twee soorten wolfsmelk). Maar vlasbekje heeft geen wit melksap.
De bloemen zijn vrij groot en staan in dichte trossen aan het einde van de stengel. Ze zijn tweelippig en geel-oranje van kleur. Ook heeft de bloem een spoor. De oranje ‘vlek’ is een welving op de onderste lip die de toegang tot de kroonbuis afsluit. Die vlek is overigens niet altijd oranje: hij kan ook geel of citroengeel zijn. De heerlijk geurende bloemen kunnen alleen bestoven worden door grotere hommels en andere wilde bijen die zwaar genoeg zijn om de onderste lip naar beneden te drukken, en die bovendien beschikken over een lange tong. Want de nectar bevindt zich in de spoor. Kleine hommels (met korte tongen) willen nog wel eens inbreken door een gaatje in de zijkant van de kroonbuis te maken om zo bij de nectar te kunnen komen.
Op de vlasbekjes in onze tuin heb ik deze week geen hommels gezien. Ik heb wel even gekeken hoe dat mechanisme werkt. Op de foto rechtsonder heb ik de onderste lip naar beneden getrokken. Nu zie je gelijk waar de naam ‘leeuwenbek’ vandaan komt!

Op het vlasbekje leven verschillende snuitkevers waarvan de larven gallen veroorzaken. Ook een bepaalde galmug en een trips zie je alleen op vlasbekjes.
Het vlasbekje is waardplant van verschillende vlindersoorten waaronder de gamma-uil, de vlasbekdwergspanner en het vlasbekuiltje. De rupsen van deze laatste kun je ook vinden op walstroleeuwenbek. Deze vlindersoort overwintert als pop, soms meerdere jaren achtereen. Hij zit in een stevige ovale cocon tussen de zaaddozen van de waardplant. De cocon is daar nauwelijks zichtbaar, omdat hij dezelfde vorm heeft. Ook kan de pop op een muur of een paaltje overwinteren.

Vlasbekjes zijn overblijvende planten en ze houden van zonnige, droge en open plekken. Je vindt ze vooral op zand (o.a. in de duinen) maar dat mag niet te voedselarm zijn. Ze kunnen goed tegen losgemaakte of verstoorde grond. Het is een typische plant van wegbermen en spoorwegen. Vlasbekjes verdragen in enige mate pekel en onkruidbestrijdingsmiddelen. Je vindt ze vaak samen met gewoon duizendblad, gewoon biggenkruid, boerenwormkruid en bijvoet.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 284: bruinvis

(11 oktober 2023)

In mijn serie ‘soort van de dag’ blijven zeedieren én zoogdieren een beetje onderbelicht. Het zijn natuurlijk dieren die we in het dagelijkse leven niet zo snel tegen het lijf lopen. Daarom vandaag aandacht voor een zeezoogdier die je met een beetje geluk kunt zien, ook vanaf de wal. (En anders kom je misschien zijn resten wel tegen zoals wij in 2008 op Rottumeroog.)

Een bruinvis is geen vis maar een zoogdier, een tandwalvis om precies te zijn. Walvisachtigen worden onderscheiden in baleinwalvissen en tandwalvissen. Tandwalvissen hebben tanden in hun kaak en één spuitgat. Baleinwalvissen hebben baleinen en twee spuitgaten. Tandwalvissen zijn actieve jagers, terwijl baleinwalvissen hun voedsel uit het water filteren.
Tot de tandwalvissen horen ook de dolfijnen. Een bruinvis hoort tot een aparte familie, de rondsnuitdolfijnen, met wereldwijd zeven vertegenwoordigers. Rondsnuitdolfijnen hebben een bol voorhoofd en nauwelijks een snuit, spatelvormige tanden (zie foto linksonder), een kleine driehoekige rugvin en ze zijn stevig gebouwd. Dolfijnen hebben kegelvormige tanden, vaak een duidelijke snuit en een sikkelvormige rugvin. Bruinvissen springen meestal niet uit het water omhoog. Hierdoor zie je als een dier boven komt om adem te halen, vaak alleen het bovenste deel van zijn rug met rugvin. Een duik van een bruinvis duurt vier à zes minuten.

Bij andere walvisachtigen die in de Nederlandse zoute wateren worden waargenomen, gaat het om dwaalgasten of strandingen. Een regelmatige dwaalgast is de witsnuitdolfijn die zo’n 10 km uit de kust te vinden is. In de afgelopen zeven eeuwen zijn 26 soorten tandwalvissen en baleinwalvissen op de Nederlandse kust gestrand.

In ons deel van de Noordzee komen naar schatting tienduizenden bruinvissen voor. Het is een soort van ondiepe randzeeën. Je ziet ze ook in de zeearmen Oosterschelde en Westerschelde. Ze voeden zich voornamelijk met kleine vissen die in scholen leven zoals bijvoorbeeld haring. Ze leven solitair of in losse groepen, afhankelijk van de hoeveelheid voedsel. De bruinvis maakt gebruikt van echolocatie om hun prooi te lokaliseren.

Bruinvissen zijn vrij klein: maximaal 1,9 meter lang. Ze planten zich voort tussen juni en september. Na 10-11 maanden wordt het kalf geboren. Deze blijft nog 7-8 maanden bij de moeder. Vrouwtjes krijgen elk jaar of om het jaar een jong.

Bruinvissen waren decennialang uit onze wateren verdwenen; in elk geval werden er geen levende dieren gezien. Oorzaken waren waarschijnlijk overbevissing (en daardoor minder voedsel voor de bruinvis) en watervervuiling. Aan het einde van de twintigste eeuw keerden ze terug. Men denkt dat het om een verschuiving gaat: de bruinvissen uit de noordelijke Noordzee hebben zich in onze richting verplaatst omdat ze daar minder voedsel kunnen vinden.
Er zijn nog steeds bedreigingen voor bruinvissen zoals verdrinkingsdood (vast komen zitten in visnetten), verstoring door scheepvaart, lawaai en verontreiniging. Het heien van palen voor windmolens in de zeebodem maakt zoveel lawaai dat bruinvissen die zich op korte afstand van de heilocatie bevinden, door het geluid gedood worden.
Bruinvissen hebben ook natuurlijke vijanden zoals haaien, dolfijnen, orka’s en grijze zeehonden.

Waar kun je bruinvissen spotten? Wij hebben ze gezien vanaf een boot op de Oosterschelde en vanaf de oever bij Schelphoek op Schouwen. Een hele goede plek ligt vlakbij het havenhoofd in Zierikzee. Er loopt hier een wandelroute die ook langs Studio Bruinvis komt waar je bruinvissen kunt horen! Andere plekken waar je vanaf land bruinvissen kunt zien, zijn de zeepieren van IJmuiden, Katwijk en Scheveningen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘦𝘤𝘰𝘮𝘢𝘳𝘦.𝘯𝘭, 𝘻𝘰𝘰𝘨𝘥𝘪𝘦𝘳𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘸𝘢𝘭𝘷𝘪𝘴𝘴𝘵𝘳𝘢𝘯𝘥𝘪𝘯𝘨𝘦𝘯.𝘯𝘭, 𝘳𝘶𝘨𝘷𝘪𝘯.𝘯𝘭, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 283: schorsvlieg

(10 oktober 2023)

Toen ik me in coronatijd ging verdiepen in de insecten in onze tuin, was de schorsvlieg een van de eerste vliegen waarbij ik de juiste naam op het juiste beestje wist te ‘plakken’. Want de schorsvlieg is makkelijk te herkennen en ik zie hem vaak zonnen op bomen en muren. Eigenlijk zie ik hem wel het hele jaar door, behalve als het echt koud is en midden in de zomer. Momenteel is het een van de vele bezoekers van de bloeiende klimop. Ook zag ik hem tegen schemering op de ‘smeer’ die ik op bomen had gesmeerd om nachtvlinders te lokken.

De schorsvlieg, ook wel meridiaanvlieg genoemd, is glimmend zwart met een paar opvallende oranje (goudgele) delen: oranje voetjes, goudgele vlekken tussen de ogen en een oranje vleugelbasis. De vlieg is redelijk groot (13 mm), dus niet direct over hoofd te zien.
Volwassen schorsvliegen leven van nectar van m.n. schermbloemigen. Het vrouwtje legt haar eitjes in koeien- en paardenpoep, per dag 100-150 stuks. De larven (maden) eten daar niet van; ze eten larven van andere insecten die zich in de mest bevinden. Je vindt deze vliegensoort daarom vooral in gebieden waar rundvee of paarden gehouden worden of waar ‘grote grazers’ voor beheer ingezet zijn. De larven groeien snel en kunnen zich al binnen een week verpoppen.

Schorsvliegen zijn zogenaamde echte vliegen. Hiervan komen in ons land 184 soorten voor. In onze tuin heb ik 11 verschillende soorten gefotografeerd. Voor het onderscheid met andere families zoals bijvoorbeeld de bromvliegen moet je naar de aders op de vleugels en beharing kijken. Andere bekende echte vliegen zijn de huisvlieg, de stalvlieg en de herfstvlieg. Ook een mooie groenige of bronskleurige vlieg die ik veel in onze tuin zie, hoort tot deze familie. Maar zoals meer vliegen heeft die geen Nederlandse naam.

Omdat schorsvliegen vaak rustig blijven zitten bij het zonnen, zijn ze vrij goed van dichtbij te bekijken. Net zoals alle vliegen hebben ze twee goed ontwikkelde facetogen aan de zijkant van de kop. Ook hebben ze op het voorhoofd nog drie enkelvoudige puntogen (ocellen) waarvan de functie onduidelijk is. Je kunt bij (echte) vliegen zien of je met een mannetje of een vrouwtje te maken hebt door naar de ogen te kijken: van bovenaf gezien raken bij mannetjes de ogen elkaar bijna, bij vrouwtjes niet.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘏𝘦𝘵 𝘨𝘦𝘭𝘦𝘦𝘥𝘱𝘰𝘵𝘪𝘨𝘦𝘯𝘣𝘰𝘦𝘬, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 282: klimop

(9 oktober 2023)

Momenteel bloeit de klimop. Deze wintergroene klimheester is van groot belang voor insecten die tot laat in het najaar nectar en stuifmeel zoeken. Het gaat hierbij om allerlei soorten (nacht)vlinders, vliegen, muggen, bijen en wespen. In onze tuin heb ik de afgelopen dagen tientallen verschillende insectensoorten op de bloemen van de klimop gezien. Op de collage zie je onderaan van links naar rechts: een langlijfje, gewone wesp, gele veenzweefvlieg en de bruine herfstuil.
Een soort die ik niet gezien heb, is de klimopbij. Deze solitaire bij vliegt van eind augustus tot half oktober en verzamelt overwegend stuifmeel van de klimop voor haar nakomelingen.

Niet alleen voor bestuivers is klimop een belangrijke plant. Hij biedt allerlei dieren slaap- en schuilgelegenheid. In het voorjaar maken verschillende soorten vogels er hun nest in. De blauwzwarte bessen zijn rijp in het voorjaar, een periode waarin bessen schaars zijn. Lijsterachtigen, spreeuwen en duiven eten er dan ook graag van. Mensen kunnen dat beter niet doen.

Klimop heeft twijgen waarmee hij over de grond kruipt en twijgen waarmee hij tegen bomen of muren op klimt. De klimmende twijgen kunnen vuistdikke ‘stammen’ worden (foto linksboven) en tot een hoogte van twaalf meter komen. Aan de klimmende twijgen zitten hechtwortels waarmee de plant zich aan oneffenheden in de ondergrond vasthecht. Hiermee neemt de plant geen voedingsstoffen op.
Heeft de plant een bepaalde hoogte en leeftijd (tien jaar) bereikt en is er voldoende zonlicht, dan worden boogvormige zijtakken gevormd. Dit zijn de takken waaraan de bloemschermen komen. Deze takken worden gestekt en verkocht als struikklimop. In onze tuin hebben we er ook een staan. Groot voordeel: je kunt de bestuivers op ooghoogte observeren.

Op de foto rechtsboven zie je klimopbladeren. De leerachtige bladeren van de klimmende en kruipende delen zijn drie- tot vijflobbig en tot de helft ingesneden. De bladeren aan de bloeiende takken zijn eirond en ongedeeld. De bloemen zijn geelgroen van kleur, met gele meeldraden, en staan in schermen.

Sommige mensen zien klimop als schadelijk. Hij zou muren aantasten en slecht voor bomen zijn. Dat valt allebei erg mee. Klimop op een muur heeft juist voordelen: het isoleert en beschermt tegen verwering. Klimop maakt geen gaten in muren; wel kan een twijg door een bestaand gat kruipen en bij dikker worden schade veroorzaken. Klimop op een muur met oude kalkmortel of losse voegen is wel een probleem. Als je de klimop wegtrekt, kun je dergelijke muren beschadigen.
Klimop in bomen veroorzaakt geen tak- of stambreuk door zijn gewicht. In elk geval niet bij gezonde bomen. De boom past zich aan de opklimmende klimop aan en heeft er zelfs baat bij (bescherming van de stam). Klimop is geen licht- of voedselconcurrent. Ook dringt de plant de boom niet binnen en wurgt deze niet. Klimop kan 400 jaar oud worden, ouder dan veel van de boomsoorten waarin hij klimt.

Naast onze inheemse klimop kun je verwilderd nog twee soorten klimop tegenkomen: Atlantische klimop en Kaukasische klimop. De Kaukasische heeft hartvormig, ongelobd blad. De nerven van de bladeren van de Atlantische klimop contrasteren minder met het blad dan bij de inheemse klimop; ook zijn de bladeren minder diep ingesneden en de bladsteel is veel langer. Bij strenge vorst verliest hij zijn blad. Van alle soorten klimop komen ook allerlei cultuurvariëteiten voor.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘣𝘰𝘰𝘮𝘻𝘰𝘳𝘨.𝘯𝘭

Soort van dag 281: loopkevers

(8 oktober 2023)

Vandaag is de laatste dag van de bodemdierendagen. Jullie hebben van mij nog één groep van de ‘Tiny Ten’ te goed, namelijk de kevers. Nu zijn er in het loop van het jaar al verschillende groepen van kevers voorbij gekomen, zoals mestkevers, lieveheersbeestjes en weekschilden. Een groep die je vooral in of op de bodem vindt, zijn de loopkevers.

Van de familie van de loopkevers komen in ons land ruim 370 soorten voor, sinds 2010 allemaal met een Nederlandse naam. Er zitten kleine soorten bij, maar ook soorten die vier cm lang kunnen worden. Loopkevers hebben relatief lange poten, grote kaken en een ovaal achterlijf. De dekschilden hebben ribbels of strepen. De soorten die ’s nachts actief zijn, zijn donker gekleurd. De dagactieve soorten hebben een metallic kleur. Een onderfamilie zijn de zandloopkevers: deze jagen overdag en vind je op kale, zandige bodems. Sommige loopkevers kunnen uitstekend vliegen, bij andere soorten ontbreken de vleugels.
Van de meeste soorten zijn de volwassen dieren jagers, maar sommige eten (ook) plantaardig zoals zaden, vruchtbeginsels e.d. Veel soorten jagen op van alles en nog wat, andere zijn gespecialiseerd in bepaalde diergroepen zoals slakken of springstaarten. De larven zijn echte vleeseters.
Zelf vormen loopkevers een prooi voor grotere spinnen en loopkevers, spitsmuizen, egels, hagedissen en insectenetende vogels.

Ik ben mijn fotoarchief ingedoken en kwam zeven soorten loopkevers tegen die ik ooit eens heb gefotografeerd.

Linksboven zie je de kettingschallebijter. Deze vond ik in onze tuin, onder een stapel stenen. ’s Nachts gaat hij al rennend op jacht naar wormen, slakken en emelten (larven van de langpootmug). Een gevangen prooi bijt hij in stukjes. Het is de enige schallebijter die kan vliegen. Ze kunnen ruim 2 cm lang worden.
Daarnaast zie je de borstelspriet, vorige maand in onze tuin gevangen. Deze wordt ook wel haarsprietloopkever genoemd. Je vindt ze vooral in de strooisellaag waar ze op springstaarten jagen.

Op de tweede rij zie je soorten waarvan de volwassen dieren (ook) plantaardig voedsel eten en zo een plaag kunnen vormen.
Links een van de glansloopkevers, ook wel glimmers genoemd (niet te verwarren met de glanskevers; dat is een aparte keverfamilie). Van de glimmers komen in ons land 36 soorten voor. Ze zijn dagactief. Ik zie ze veel in onze moestuin. Mogelijk is het de bronzen glimmer waarvan de volwassen dieren graszaden eten en een plaag in wintertarwe kunnen zijn.
Daarnaast zie je een van de kruipers waarvan in ons land 29 soorten voorkomen. De aardbeiloopkever, bijvoorbeeld, eet aardbeizaadjes en kan een plaag in de aardbeiteelt zijn.

Op de onderste rij links zie je de grote viervlekschorsloper. Deze zag ik vorig jaar november in het donker in onze tuin. Overdag zit hij verstopt achter schors. ’s Nachts jaagt hij op de grond naar springstaarten en mijten.
Tenslotte twee loopkevers die ik 3,5 jaar geleden op vakantie in Borculo zag. De kleine poppenrover zagen we op landgoed Hackfort. De kevers, en met name de larven, leven van rupsen in bomen. Het is een belangrijke vijand van de eikenprocessierups.
De twee parende groene zandloopkevers zagen we op het Stelkampsveld. Ze jagen overdag op allerlei geleedpotigen. De larven pakken met hun kaken een prooi vanuit een tunneltje in de grond. Ze worden 1,5 cm groot.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘏𝘦𝘵 𝘨𝘦𝘭𝘦𝘦𝘥𝘱𝘰𝘵𝘪𝘨𝘦𝘯𝘣𝘰𝘦𝘬, 𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯𝘳𝘦𝘨𝘪𝘴𝘵𝘦𝘳.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 280: elfenbankjes

(7 oktober 2023)

Het ene elfenbankje is het andere niet. In Nederland komen van het geslacht elfenbankje zes soorten voor (wereldwijd zijn er 195 soorten beschreven). Daarnaast zijn er nog soorten die erg op elfenbankjes lijken en zo ook genoemd worden.
Elfenbankjes zijn houtzwammen, ook wel gaatjeszwammen genoemd. Dat betekent dat ze aan de onderzijde kleine gaatjes (poriën) hebben waar de sporen uit komen. Bij houtzwammen kun je de laag met poriën er niet afkrabben (wat wel kan bij boleten).
Er zijn houtzwammen met meerjarige vruchtlichamen zoals de echte tonderzwam. Die van de elfenbankjes zijn eenjarig. Je kunt ze het hele jaar door aantreffen op dood loofhout, soms ook als wondparasieten. De hoeden van de elfenbankjes kunnen groen uitslaan door algen.

Alle elfenbankjes veroorzaken witrot. Bij de zwavelzwam kwam bruinrot aan de orde: hierbij wordt cellulose afgebroken en verkleurt het hout roodachtig bruin in een blokjespatroon. Bij witrot wordt een andere stof uit hout, lignine, afgebroken. Het hout krijgt een bleke, vezelachtige structuur en het wordt sponsachtig.

Op de foto’s zie je links het gewoon elfenbankje en rechts de witte bultzwam.
Het gewoon elfenbankje is zeer algemeen voorkomend en kun je door het hele land vinden op dood loofhout (en soms naaldhout). Het heeft een dunne, taaie hoed (je kunt die hoed niet scheuren, merkte ik). De hoed heeft contrasterende kleurzones: wit, beige, okergeel, (rood)bruin, grijs, blauw en/of zwart. De wetenschappelijke soortnaam ‘versicolor’ (veelkleurig) verwijst daar naar. De Engelse naam is ‘turkey tail’, ook heel passend. De bovenzijde van de waaiervormige hoedjes (3-8 cm) is fijnbehaard. Gewone elfenbankjes groeien dakpansgewijs in groepjes. De poriën aan de onderzijde zijn fijn en rond.
De witte bultzwam is een soort die vooral op beukenhout zit, maar bij ons in de tuin zit die aan de voet van een knotwilg die deels dood is. Ik heb getwijfeld of de soort wel klopt, maar de onderkant is heel kenmerkend voor witte bultzwam. De poriën zijn namelijk langwerpig (zie rechtsonder)

Een soort die op de lichte vorm van het gewoon elfenbankje lijkt, is het gezoneerd elfenbankje. Deze heeft een knobbel bij de aanhechting; het gewoon elfenbankje mist die. Deze zwam vind je vooral op de hogere zandgronden.
Het ruig elfenbankje is, zoals de naam al aangeeft, ruig behaard. Je zou hem kunnen verwarren met het fopelfenbankje (geen echt elfenbankje), alleen heeft die geen poriën maar plaatjes aan de onderzijde.
Het fluweelelfenbankje is aanvankelijk wit en wordt later geel. De kleurzones hebben weinig contrast. Dan is er nog de anijskurkzwam. Het meest kenmerkende aan deze soort is de anijsgeur. Deze vind je op wilgen en populieren.

Elfenbankjes spelen een belangrijke rol als opruimers. Hun vruchtlichamen worden opgegeten door allerlei kleine beestjes. ’s Avonds zit de witte bultzwam vol met mospissebedden. Aan de onderzijde zitten mosmijten zoals je op de foto kunt zien.
Er zijn insecten die gespecialiseerd zijn op (bepaalde) paddenstoelen, namelijk paddenstoelenmuggen en breedvoetvliegen. Zo bestaat er een grote elfenbankjesbreedvoet waarvan de larven in elfenbankjes leven. Groot is die overigens niet: breedvoetvliegjes zijn maximaal 6 mm groot.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats: https://inekebams.com/soort-van-de-dag/.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘋𝘦 𝘨𝘳𝘰𝘵𝘦 𝘱𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘷𝘰𝘰𝘳 𝘰𝘯𝘥𝘦𝘳𝘸𝘦𝘨, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 279: bitterzoet

(6 oktober 2023)

In o.a. rietkragen, heggen en knotwilgen kun je momenteel de vuurrode besjes van bitterzoet zien hangen. Bitterzoet is een klimmende, overblijvende plant (een halfstruik). Aan de bloemen en de bessen kun je zien dat de plant familie is van de tomaat. Beide horen namelijk tot het geslacht nachtschade.

Nachtschaden maken deel uit van de nachtschadefamilie. Deze familie kent wereldwijd bijna 3.000 soorten; 1.500 soorten hiervan zijn nachtschaden en de meeste komen oorspronkelijk uit Latijns-Amerika. Soorten uit de nachtschadefamilie houden van stikstofrijke bodems. In deze familie zitten zowel voedergewassen (aardappel, tomaat, paprika, Spaanse pepers, aubergine) als zeer giftige planten (die soms als medicijn worden gebruikt). Van sommige voedergewassen is slechts één deel eetbaar (zoals de knollen van de aardappel of rijpe tomaten). De rest van de plant is giftig.

Van de nachtschadefamilie zijn alleen wolfskers (Zuid-Limburg), bilzekruid (Zuid-Limburg), bitterzoet en zwarte nachtschade inheems. Alle andere soorten zijn al dan niet bewust ingevoerd en verwilderd. Het gaat hierbij om zegekruid, boksdoorn (goji-bes), echte lampionplant, goudbes (Inca-bes), doornappel, tabak en enkele nachtschaden zoals tomaat, aardappel en ‘onkruiden’ die erg op zwarte nachtschade lijken.

De gifstoffen in de soorten van de nachtschadefamilie horen tot de alkaloïden. Dodelijk giftig in Nederland zijn wolfskers, bilzekruid en doornappel. Deze stoffen zitten in de plant om (voortijdige) vraat te voorkomen.
Bitterzoet bevat naast die alkaloïden ook glycosiden. Als je op een stukje stengel kauwt, smaakt dat eerst bitter. Dan reageren de glycosiden met je speeksel en komt er sacharose vrij wat zoet smaakt. Vandaar de naam ‘bitterzoet’. Ik heb het overigens nooit geprobeerd (vanwege de alkaloïden), maar het schijnt dat vroeger kinderen als een soort snoepje op de stengels kauwden.

Bitterzoet heeft windende, rechtopstaande en liggende stengels die onderaan houtachtig zijn. De bloemen hebben vijf blauwpaarse (soms witte) kroonblaadjes die aan de voet met elkaar vergroeid zijn. Aan de basis hebben die een groene vlek met een witte rand. Deze vlekken dienen als insectenlokker. Hommels, andere bijen, zweefvliegen en kevers bezoeken de bloemen om het stuifmeel. Opvallend is het goudgele kegeltje in het midden. Dit zijn vergroeide meeldraden; in het midden steekt de stamper naar buiten. De bloemen staan bij elkaar in hangende trossen.
Na de bloei verschijnen de ovale bessen van ca. 1 cm lang. Deze verkleuren van groen, naar geel en oranje en tenslotte zijn ze rood. Rijpe bessen worden graag door vogels gegeten; voor ons zijn ze giftig.
Bitterzoet kun je op de meest uiteenlopende plekken vinden: in zon en schaduw, op droge en natte plekken. Je vindt ze in moerasbossen, aan waterkanten, in heggen, op geknotte bomen en ook aan de zeereep. Als er maar stikstof in de bodem zit. Er zijn verschillende kevertjes die gespecialiseerd zijn op bitterzoet. Op de foto rechtsboven zie je de rups van een groente-uil op bitterzoet. De plant heeft veel streeknamen waarvan enkele tot de verbeelding spreken zoals elfrank, kwalster, hondemizel, slugter en walschot.

De andere inheemse soort, zwarte nachtschade, is een eenjarig onkruid in moestuinen en van ruderale plaatsen. De plant bloeit wit en heeft ook de kenmerkende gele helmbuis. De bessen zijn eerst groen en verkleuren later naar zwart (foto rechtsonder). Ook deze plant, inclusief bessen, is giftig.

Bitterzoet en zwarte nachtschade zijn waardplanten voor een bacterie die bruinrot in aardappelen, tomaten en aubergines veroorzaakt. De bacterie komt ook in oppervlaktewater voor. In die gebieden mag geen oppervlaktewater gebruikt worden bij de teelt van aardappelen. Bitterzoet bestrijden is een onbegonnen zaak.; uit elk stukje wortel groeit weer een plant.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭

Soort van dag 278: zeearend

(5 oktober 2023)

Ongeveer twee jaar geleden gingen mijn man en ik naar de Oostvaardersplassen om (jonge) zeearenden te kijken. Eind september had in het Natuurjournaal van Nature Today gestaan dat ze daar goed te zien zouden zijn. En we werden niet teleurgesteld. Bijgaande foto’s heb ik toen gemaakt, o.a. door een telescoop heen.

Afgelopen broedseizoen hebben we een zeearend in onze ‘achtertuin’ gezien. De eerste keer was toen ik een ongelooflijk lawaai van opstijgende en roepende weidevogels in de weilanden achter ons huis hoorde. Ik keek eerst of er wellicht iemand door de weilanden banjerde; dat gebeurt wel eens, ondanks de verbodsborden. Niemand te zien. Pas toen keek ik omhoog. En warempel, ik zag er een wegzeilen, achternagezeten door weidevogels. Een paar dagen later weer veel lawaai en opvliegende weidevogels, nu aangevuld met eksters. Ik keek nu direct omhoog en daar zag ik hem (of haar), heel duidelijk herkenbaar. Ik rende naar binnen om Jan te waarschuwen en mijn camera te halen. Helaas, te laat voor een foto.
Ook de natuurboer die het land achter ons huis pacht, heeft de zeearend regelmatig gezien. Bij de broedvogelinventarisatie door Sovon is geconstateerd dat het om een tweedejaars exemplaar gaat. De wildcamera van Natuurmonumenten heeft hem ook vast weten te leggen. Het gaat waarschijnlijk om een van de twee exemplaren die in het voorjaar in de Nieuwkoopse Plassen zaten. Overigens hebben die daar niet gebroed.

De zeearend is de grootste roofvogel van Noord-Europa, met een spanwijdte van 2 tot 2,5 meter. Vanwege zijn grootte en vorm wordt hij wel ‘vliegende deur’ genoemd. In de vlucht herken je hem aan de gevingerde vleugels en de korte wigvormige (witte) staart. De vleugels worden recht gehouden. Snavel en poten van volwassen dieren zijn geel.
Zeearenden eten vooral vis, maar ook watervogels, zoogdieren (hazen) en aas. Ook pakken ze prooien van andere roofvogels af. Zeearenden leven solitair. Maar waar genoeg voedsel is, kunnen ze goed in groepen met elkaar samenleven. Je vindt ze in zoetwatergebieden.
Zeearenden zijn standvogels. Jonge vogels trekken en zwerven rond, ook vanuit Duitsland en Noord-Europa. De meeste waarnemingen worden tussen september en maart gedaan. In de winter zijn er ca. 160 zeearenden in ons land.

In oktober-november vindt de balts plaats. Vervolgens bouwt een paartje een groot nest, boven in een boom. Gevestigde paren knappen jaarlijks hun nest op en breiden het uit. In februari-maart legt het vrouwtje twee eieren. De jongen blijven 80-90 dagen op het nest. Bij Beleef de Lente zijn elk jaar zeearenden te volgen. Hier zie je filmpjes van afgelopen jaar.

De zeearend kwam vroeger algemeen voor in Europa. Maar door toedoen van de mens (jacht, vergiftiging, pesticiden, versnippering van hun leefgebieden) waren ze vorige eeuw bijna geheel uit West-Europa verdwenen. Door allerlei Europese beschermingsmaatregelen is hun aantal weer toegenomen. Vanaf 2006 broeden ze in ons land.
Op de website van de Werkgroep Zeearend Nederland staat dat 2023 een succesvol jaar was voor de zeearend in ons land. Er vlogen 45 jongen uit (in 2022: 22 jongen; in 2021: 15 jongen).
Zeearenden hebben geen natuurlijke vijanden, al bestaat de kans dat roofdieren eieren en kuikens pakken. Er zijn nog steeds bedreigingen waaronder botsingen met windturbines en vergiftiging.

We kunnen in ons land nog drie soorten arenden zien. De visarend komt hier vooral op doortrek, maar sinds 2016 broeden er ook een paar in ons land. Verder worden slangenarenden en zo nu en dan steenarenden waargenomen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘸𝘦𝘳𝘬𝘨𝘳𝘰𝘦𝘱𝘻𝘦𝘦𝘢𝘳𝘦𝘯𝘥.𝘯𝘭, 𝘴𝘰𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭

Soort van dag 277: krabben

(4 oktober 2023)

De afgelopen dagen las ik op Nature Today alarmerende berichten over extreem veel dode kreeften en krabben in de Oosterschelde. Het zijn vooral sportduikers die deze waarnemingen doen. Mogelijk zijn ook andere, minder opvallende schaaldieren getroffen. Dat wordt nu nader onderzocht.
Er wordt gedacht aan een virus of andere ziekteverwekker die het specifiek gemunt heeft op schaaldieren. Want dode vissen, zeesterren e.d. worden niet gezien en dat maakt de kans dat het om gifstoffen gaat veel kleiner.

Ik ben geen duiker. Ik vind dan ook meestal dode krabben als aanspoelsel of hun resten nadat ze door bijvoorbeeld meeuwen zijn gegeten (foto linksboven).
Krabben zijn geleedpotigen. Ze horen tot de orde van de tienpotigen. Tot deze orde horen ook kreeften, garnalen, porseleinkrabben en heremietkreeften. Tienpotigen die voor menselijke consumptie worden gebruikt, noemen we ‘schaaldieren’.
Tienpotigen hebben vijf paar poten. Hiervan heeft in elk geval het eerste paar scharen. Met deze scharen kunnen ze stukken van hun prooi afscheuren, schelpen kraken en zich verdedigen. Verder hebben ze een rugschild dat om het dier heen gebogen is, met daaronder de kieuwkamers.
Alle tienpotigen zijn carnivoren en de meeste ook aaseters. In Nederland zijn 107 soorten waargenomen waarvan 69 soorten inheems zijn. Inclusief exoten en zeldzame aanspoelsels zijn er in Nederland 38 soorten krabben gezien. Van de zeekreeften is alleen de Europese zeekreeft inheems. Deze vind je vooral in de Oosterschelde. Ook de exotische Amerikaanse rivierkreeften horen tot deze orde.

Krabben hebben in tegenstelling tot kreeften geen zichtbare staart. Het achterlijf is namelijk onder het schild geklapt. Krabben hebben een afgeplat lichaam. Verder is kenmerkend dat ze zijwaarts lopen en dat ze zich snel kunnen ingraven. Alle inheemse krabbensoorten leven in zout water. Er zijn ook krabbensoorten die in brak of zoet water leven. Een voorbeeld hiervan is de Chinese wolhandkrab, een invasieve exoot die ver landinwaarts kan worden aangetroffen. Deze komt al bijna een eeuw in ons land voor. Alle krabbensoorten moeten naar zee om daar hun eitjes af te zetten, dus de Chinese wolhandkrab ook. Je kunt ze in de herfst over land zien lopen, richting zee. Krabbenlarven leven als plankton in zee.

De strandkrab (foto’s onderaan) is zeer algemeen. Deze vind je langs de hele kustlijn en in de zeegaten, Waddenzee, Veerse Meer en Grevelingenmeer. Hun kleur is heel variabel; hun onderzijde oranjegeel. Hun rugschild is 8 cm breed.

De grote krab op de foto’s rechts zag ik op het strand lopen, met een heel trage gang. Dit is een noordzeekrab. Het rugschild wordt meestal 15 cm breed, maximaal 30 cm. Noordzeekrabben zijn roodbruin. De ‘vingers’ (uiteinden) van de forse scharen zijn zwart, al is dat op deze foto niet te zien.
Ze komen vooral in Zeeland en langs de Hollandse kust voor, bij voorkeur op stenige bodems en in scheepswrakken. Ik vond deze krab vlak bij een stenen strandhoofd.
Op de rug van de noordzeekrab zie je een soort korst. Dat is een kolonie van mosdiertjes.

Er is een andere kreeftachtige, het krabbenzakje, dat op krabben parasiteert. Met een stelsel van vertakte draden dringt de parasiet overal in het krabbenlichaam door. Geïnfecteerde krabben leven nog wel, maar kunnen niet meer paren. Ook vervellen gaat niet meer. Van het krabbenzakje zijn alleen de geslachtsorganen te zien die als een zakje buiten de krab hangen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢 𝘦𝘯 𝘧𝘢𝘶𝘯𝘢 𝘷𝘢𝘯 𝘥𝘦 𝘻𝘦𝘦, 𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯𝘳𝘦𝘨𝘪𝘴𝘵𝘦𝘳.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺