Soort van dag 276: zeekraal en klein schorrenkruid

(3 oktober 2023)

Voor mooie herfstkleuren hoef je niet per se naar het bos of een park. Ook op de buitendijkse gebieden van het Wadden- of Deltagebied kun je planten met mooie herfstkleuren aantreffen. Het gaat hierbij om zeekraal en klein schorrenkruid, soorten uit de amarantenfamilie, die in het najaar rood verkleuren.

Veel soorten uit de amarantenfamilie hebben zich aangepast aan bijzondere omstandigheden. Er zijn soorten met hele smalle bladeren die goed tegen droogte kunnen. En er zijn soorten die op zoute bodems groeien. Veel soorten zijn eenjarig. De planten kiemen in het voorjaar en de bloemen verschijnen in de (na)zomer). De bloemen zijn klein, onopvallend en vaak groenachtig.
Verschillende soorten van deze familie zijn ‘stepperollers’. Als de zaden rijp zijn, sterft de plant bij de wortel af. De wind breekt de plant af en neemt hem mee en rolt hem voort. Onderweg verliest de plant zijn vruchten of zaden.
Soorten van de amarantenfamilie bevatten betacyaninen als kleurstof (de kleurstof van rode bieten). Dankzij deze kleurstoffen kleuren zeekraal en klein schorrenkruid in de herfst rood.

Zeekraal en kleine schorrenkruid zijn aangepast aan een leven op een zoute bodem en kunnen allebei goed tegen overstromingen. Zoute bodems vind je in kustgebieden, zoutsteppen (zoals bijvoorbeeld in Zuidoost-Europa) en zoutwoestijnen. In ons land gaat het om slikken en platen (in Noord-Nederland wadden genoemd), schorren (in Noord-Nederland kwelders genoemd) en zilte graslanden. Zilte graslanden vind je ook binnendijks, bijvoorbeeld bij de inlagen langs de kust van Schouwen waar zoute kwel optreedt (foto linksboven).
Klein schorrenkruid en zeekraal zijn zogenaamde echte halofyten (zoutplanten). Echte halofyten nemen met hun wortels zout op en slaan dit in hun cellen op. Zeekraal en klein schorrenkruid hebben een vetplantachtig uiterlijk: ze slaan net zoals vetplanten ook water op en verdunnen zo de zoutconcentratie in hun cellen. Wordt het zoutgehalte te hoog, dan ontstaat er ‘stress’. De plant kleurt rood en sterft af.
Ons land kent nog meer echte halofyten waarvan zeeaster denk ik de bekendste is. Deze slaat het zout op in de onderste bladeren en laat deze vallen als het zoutgehalte te hoog is geworden. Op de foto rechtsboven zie je zeekraal samen met melkkruid. Deze heeft zoutklieren die het overtollige zout uitscheiden. Je ziet: planten kennen verschillende strategieën om met zout in de bodem om te gaan.

Als je van het slik richting schor loopt, kom je als eerste plant zeekraal tegen (drie foto’s bovenaan). Elke ‘kraal’ is een stengellid dat bestaat uit een vergroeiing van de stengel en twee bladeren. In de zomer zijn de planten groen en in de herfst verkleuren ze rood of oranjegeelbruin, afhankelijk van de soort. Er komen in ons land drie soorten zeekraal voor.
Zeekraal kan uitsluitend op zoute bodems groeien. Voor de ontkieming van de zaden in het voorjaar is wel zoet water (regenwater) nodig. Zaden van zeekraal worden door allerlei vogels, met name trekvogels, gegeten. Smienten zijn gek op de kiemplantjes. Mensen eten het als groente. Zeekraal op slikken vangt slib en zorgt zo voor ophoging van de bodem.

Klein schorrenkruid (twee foto’s onderaan) vestigt zich vooral op de hoogwaterlijn in aanspoelsels van wieren. In de zomer is de plant blauwgroen. Als stepperoller neemt de plant ook zaden van andere planten mee, zoals van zeeaster. Op de plek waar een plant tot rust komt, ontkiemen het volgende voorjaar heel veel plantjes.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘦𝘤𝘰𝘮𝘢𝘳𝘦.𝘯𝘭, 𝘴𝘤𝘩𝘦𝘭𝘥𝘦𝘴𝘤𝘩𝘰𝘳𝘳𝘦𝘯.𝘣𝘦

Soort van dag 275: inktzwammen

(2 oktober 2023)

Een paddenstoel die elk jaar wel ergens in onze tuin zijn kop opsteekt, is de (gewone) glimmerinktzwam. Ook nu heb ik ze weer gezien. Ze vergaan snel: een dag later waren ze zwart en omgeknakt. Een naaktslak was bezig om de resten weg te werken.

Er komen in ons land zo’n 125 soorten inktzwammen voor, behorend tot verschillende geslachten. Kenmerkend is dat bij de meeste soorten de hoed en de lamellen inktachtig vervloeien. De lamellen zijn eerst wit, later grijs of roze en tenslotte zwart. De sporen van inktzwammen zijn donker. Als de sporen rijp zijn, verteren vanaf de hoedrand de lamellen zichzelf tot zwarte ‘inkt’. Autodigestie (zelfconsumptie) wordt dat genoemd. In die inkt zitten de sporen. Dieren die in aanraking komen met de inktdruppels, nemen de sporen mee.
Van paddenstoelen die al aardig aan het ‘verinkten zijn’, kun je inkt maken. Het is wel inkt die snel verbleekt.
Inktzwammen zijn opruimers: de schimmels leven op dood hout of mest of zitten in de grond.

Op de foto’s zie je vier algemeen voorkomende inktzwammen. Bovenaan rechts zie je een plooirokje. Daarnaast zie twee stadia van de zwerminktzwam. In het midden zie je glimmerinktzwammen (plus de geknakte uit onze tuin). Onderaan zie je drie stadia van de geschubde inktzwam.

Op de foto van het plooirokje kun je zien dat de hoed eerst beige-bruin is en bij uitspreiden grijs. De doorsnede is 1-3 cm. Opvallend zijn de plooien en het ‘oog’ in het midden. Plooirokjes vind je in groepen in bermen, graslanden, tuinen en parken. Vind je een plooirokje op mest, dan is het een klein mestplooirokje. Bij plooirokjes vervloeien bij rijpheid de hoed en lamellen niet. Daarom wordt hij niet door iedereen tot de inktzwammen gerekend.
Ook bij zwerminktzwammen vervloeien de hoed en lamellen niet. Deze zijn eerst vingerhoedvormig en beige/okergeel; later klokvormig en grijs. De hoed heeft een doorsnede van 1-2 cm. Ze staan in groepen, dicht opeen. Je vindt ze vooral in loofbossen.

Gewone glimmerinktzwammen groeien in bundels op dood of begraven hout van loofbomen. Ze zijn het hele jaar te vinden. Er bestaat ook nog een gladstelige glimmerinktzwam. Deze is zeldzamer; je kunt ze alleen microscopisch van elkaar onderscheiden.

De hoed van de geschubde inktzwam is eerst tonvormig en dan klokvormig. Tenslotte krult de rand om en hangen er slierten zwarte inktdruppels aan. Om de witte steel zit een losse ring. Natuurlijk zijn ook de afstaande schubben erg kenmerkend. Ze komen op allerlei voedselrijke plekken voor, ook op verstoorde bodems.
Bijzonder aan de geschubde inktzwam is dat hij ‘vlees’ eet. Met een gifstof die de zwamvlok uitscheidt, kan hij nematoden (bodemaaltjes) verlammen. Ze worden ingepakt met zwamdraden en binnen enkele dagen verteerd.
Geschubde inktzwammen zijn jong heel goed eetbaar (gesloten hoed, witte plaatjes; direct verwerken). Sommige mensen verwarren ze met de kale inktzwam (hoeden van jonge exemplaren met bruine schubben, later kaal). Deze is ook eetbaar, mits je ze niet gelijk met alcohol nuttigt (tot drie etmalen na het nuttigen van kale inktzwammen geen alcohol gebruiken). Je gaat er niet dood aan, maar je wordt er wel ziek van. Hetzelfde geldt voor zwerminktzwammen en glimmerinktzwammen. Andere inktzwamsoorten zijn niet eetbaar (niet lekker).

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats: https://inekebams.com/soort-van-de-dag/.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘋𝘦 𝘨𝘳𝘰𝘵𝘦 𝘱𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘷𝘰𝘰𝘳 𝘰𝘯𝘥𝘦𝘳𝘸𝘦𝘨

Soort van dag 274: atalanta

(1 oktober 2023)

Zodra de zon schijnt, zien we nog van alles fladderen en vliegen in onze tuin. Het is vooral een drukte van belang bij de herfstasters. Herfstasters zijn niet inheems, maar ze trekken wel veel insecten aan. Het zijn vooral vliegen (bijvliegen en andere zweefvliegen, groene vleesvliegen) die ik op de nectar af zie komen. Daarnaast zie ik nog verschillende dagvlinders: dagpauwoog, kleine geaderd witje, kleine koolwitje, bont zandoogje en atalanta.

Atalanta’s zijn trekvlinders. In april verschijnen de eerste exemplaren vanuit Zuid-Europa in ons land. Tot in juli kunnen nog vlinders bij ons arriveren. De rupsen vind je van mei tot in het najaar op grote en kleine brandnetel. Het vrouwtje zet de eitjes een voor een af op de bovenkant van een blad. De rups spint een kokertje van een of meer bladeren. Overdag verschuilt hij zich hierin en ’s nachts komt hij eruit om te eten. Na iedere vervelling maakt hij een nieuw kokertje. Na een maand verpoppen de rupsen. Nog een maand verder, en dan komen de vlinders tevoorschijn. Vanaf augustus zie je de nieuwe generatie vlinders vliegen.
De atalanta’s die ik eergisteren zag, waren puntgaaf. Ze bereiden zich voor op hun enkele reis naar het zuiden. Daar zullen ze een volgende generatie voortbrengen waarvan de vlinders in het voorjaar een enkele reis naar het noorden gaan ondernemen.
Uit onderzoek is gebleken dat atalanta’s in het voorjaar vooral wegtrekken omdat er in Zuid-Europa door droogte en warmte nauwelijks geschikte brandnetels zullen zijn voor hun nakomelingen. Die brandnetels vinden ze wel in de koelere bergen of in het noorden.

Tot twintig jaar geleden waren atalanta’s vrijwel uitsluitend trekvlinders, maar tegenwoordig blijven ze steeds vaker (als vlinder) overwinteren. De kans dat ze het voorjaar halen is maar klein. Als het echt koud wordt, gaan ze dood. Bij zacht weer moeten ze eten en veel nectar valt er in ons land in de winter niet te halen. Overigens zullen ook veel atalanta’s die naar het zuiden trekken, hun bestemming nooit bereiken.

Trekvlinders hebben veel energie nodig voor hun reis naar het zuiden. Daarvoor halen ze nectar uit o.a. de bloemen van klimop, hemelsleutel, koninginnekruid en herfstasters. Ook eten ze van rottend fruit en van honingdauw van bladluizen.
Trekkende atalanta’s kun je ook waarnemen. Het zijn vooral vogelaars op trektelposten die ze voorbij zien komen, zoals uit een artikel van Nature Today uit 2021 blijkt. Ze zagen dat atalanta’s niet in groepen, maar individueel trekken. Ze vlogen op een hoogte van vijf tot tien meter in een rechte lijn naar het zuiden.

Er zijn nog meer trekvlinders. Van de trekkende nachtvlinders is de gamma-uil al aan de orde geweest. Ook de kolibrievlinder die sommigen mensen nog in hun tuin zien, is een trekkende nachtvlinder.
Andere trekkende dagvlinders zijn: oranje luzernevlinder, gele luzernevlinder en distelvlinder. Distelvlinders zijn verwant aan atalanta’s. Zij trekken helemaal naar Marokko. De aantallen distelvlinders in ons land verschillen per jaar. Want weersomstandigheden en windrichting bepalen mede of distelvlinders ons land zullen bereiken.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘵𝘪𝘫𝘥𝘴𝘤𝘩𝘳𝘪𝘧𝘵𝘦𝘯.𝘯𝘭

Soort van dag 273: miljoenpoten

(30 september 2023)

Na de duizendpoten gisteren vandaag aandacht voor miljoenpoten. Beide groepen horen tot de veelpotigen en tot de ‘Tiny Ten’ van de bodemdieren. Duizendpoten hebben één paar poten per segment en een afgeplat lijf en het zijn snelle jagers. Miljoenpoten hebben twee paar poten per segment (met uitzondering van de eerste drie segmenten; die hebben één paar poten). Ze hebben geen gifklauwen. Die hebben ze ook niet nodig want het zijn planteneters. Ze zijn veel minder snel dan duizendpoten. De meeste soorten hebben een rolrond lijf.
Er zijn wereldwijd 12.000 soorten miljoenpoten beschreven. De meeste soorten komen in de tropen voor. In ons land zijn ruim vijftig soorten inheems. Honderden miljoenen jaren geleden waren er al miljoenpoten: fossielen van de oudst bekende landdieren zijn van miljoenpoten.

Miljoenpoten hebben een kop en een achterlijf dat uit segmenten bestaat. Op hun kop hebben ze twee korte antennes. Bij gevaar rollen ze zich als een spiraal op (foto rechtsonder) en zo beschermen ze met hun gepantserde rug hun buik en pootjes. Sommige soorten (oprolmiljoenpoten) rollen zich helemaal op en lijken daardoor op een oprolpissebed. Het aantal pootjes varieert van soort tot soort en ligt tussen de 80 en 400. Bij het lopen maken ze een golvende beweging.
De grootste miljoenpoten in ons land zijn ruim 3 cm lang. Er is een tropische soort die 30 cm lang kan worden. (Er zijn fossielen gevonden van miljoenpoten die 1,8 meter lang waren.)
Net zoals duizendpoten kunnen miljoenpoten enkele jaren oud worden. Zeker in gevangenschap: (exotische) miljoenpoten worden soms als huisdier gehouden en worden dan meer dan tien jaar oud.

De in Nederland voorkomende miljoenpoten eten vooral dood organisch materiaal. Miljoenpoten, en ook pissebedden, eten afgevallen bladeren, dood hout en dode dieren. Zo wordt dit materiaal kleiner en vervolgens zorgen kleinere bodemdieren en microben voor de verdere vertering. Veel soorten leven op de bodem, maar er zijn ook soorten zonder ogen die in de bodem leven, en soorten die achter boomschors zijn te vinden.
Miljoenpoten zelf worden gegeten door vogels (lijsterachtigen), kikkers, egels en kevers. Ze schijnen veel last te hebben van parasieten (mijten e.d.) en schimmels. Ze zijn daarom veel tijd kwijt aan het schoonhouden van hun lichaam. Er zijn soorten die irriterende stoffen uitscheiden. Hiermee verjagen ze parasieten en ook eventuele vijanden.
Haar eitjes legt een miljoenpoot in de grond. Kleine miljoenpootjes hebben slechts acht poten. Bij elke vervelling komen er segmenten en poten bij.
Er komen in ons land vijf ordes van miljoenpoten voor. De soortenrijkste en meest algemene zijn de platruggen (12 soorten) en de slangenmiljoenpoten (28 soorten).

Op de foto linksonder zie je (weliswaar vaag) een platrug. Deze miljoenpoot is afgeplat en lijkt daardoor erg op een duizendpoot. Ze hebben 19 of 20 lichaamssegmenten met platte uitsteeksels (zijvleugels). Ze hebben geen ogen.
Op de andere foto’s zie je slangenmiljoenpoten. Op de foto bovenaan (en rechtsonder) gaat het om de knotskronkel. Dit is een heel algemeen voorkomende soort. Als je goed kijkt, kun je de twee paar pootjes per segment zien. Bijna overal waar dood hout is, vind je deze miljoenpoot. Hij heet zo omdat hij een knotsvormig staartje heeft. Ze hebben ongeveer honderd pootjes.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘏𝘦𝘵 𝘨𝘦𝘭𝘦𝘦𝘥𝘱𝘰𝘵𝘪𝘨𝘦𝘯𝘣𝘰𝘦𝘬, 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭

Soort van dag 272: duizendpoten

(29 september 2023)

We zitten midden in de bodemdierendagen. Het bodemleven is erg divers en sommige diertjes zijn microscopisch klein. Daarom dat de organisatoren tien diergroepen hebben geselecteerd als ‘ambassadeur’ voor al dat bodemleven, de ‘Tiny Ten’. Het gaat om dieren die je zonder microscoop of loep kunt bekijken.
Van de ‘Tiny Ten’ zijn de volgende zeven groepen al behandeld: regenwormen, pissebedden, mieren, huisjesslakken, naaktslakken, spinachtigen en de mol. De drie resterende groepen zijn: duizendpoten, miljoenpoten en kevers.

Duizendpoten en miljoenpoten horen tot de veelpotigen, een onderstam van de geleedpotigen. Wereldwijd zijn 16.000 veelpotigen beschreven. Ze leven allemaal op het land en je kunt ze vinden op vochtige plekken, in bodems en tussen dode bladeren. Duizendpoten hebben één paar poten per segment; miljoenpoten hebben twee paar per segment. Dat is het duidelijkste onderscheid tussen deze twee groepen, niet het aantal poten, want dat verschilt per soort. Vandaag aandacht voor de duizendpoten, morgen voor de miljoenpoten.

Er zijn meer dan 3.000 duizendpoten bekend waarvan 44 soorten in Nederland zijn waargenomen.
Een duizendpoot heeft een kop en een afgeplat achterlijf dat uit een aantal segmenten bestaat. Hoeveel, dat verschilt per soort. De meeste duizendpoten worden enkele centimeters groot. In het Amazonegebied komt een soort voor die 30 cm lang kan worden.
Duizendpoten hebben vrij lange voelsprieten. Ogen hebben ze ook maar deze zijn niet zo goed ontwikkeld als die van insecten. De meeste duizendpoten hebben gifklauwen. Hiermee doodt een duizendpoot zijn prooi. Vervolgens knipt de duizendpoot zijn maaltijd met die klauwen in stukken en eet hij de stukjes op. Dat ook mensen door een duizendpoot ‘gebeten’ kunnen worden, heb ik zelf gemerkt toen ik een grote duizendpoot wilde oppakken. Het voelde aan als een steek door een bij of wesp. Kleine duizendpoten komen niet door je huid heen.
De vrouwtjes zetten hun eitjes af op de bodem of onder stenen. Verschillende soorten bewaken hun eitjes en verzorgen deze (beschermen tegen beschimmeling). Jonge duizendpoten hebben minder segmenten en poten dan de ouders. Bij elke vervelling komt er weer een segment en een potenpaar bij. Het kan jaren duren voordat een duizendpoot volwassen is. Ze kunnen dan ook jaren oud worden.

Duizendpoten zijn snelle jagers. Ze eten allerlei kleine bodemdiertjes (wormen, slakken, insecten, spinnen, pissebedden) en worden als nuttig beschouwd omdat ze ook veel soorten eten die aan planten knagen. Zelf worden ze gegeten door amfibieën, reptielen, roofkevers en vogels.

Ik had geen echt goede foto’s van duizendpoten. Dus ik ben gisteren nog even op zoek gegaan in onze tuin. Gekeken onder poten en stenen, in de compost, onder gras en bladeren. Alle diergroepen van de ‘Tiny Ten’ heb ik gezien (van de mol zijn sporen).
In de collage zie je vertegenwoordigers van de drie orden duizendpoot die in ons land voorkomen. Links en rechts bovenaan zie je een van de gewone duizendpoten, ook wel steenlopers genoemd. Deze hebben als ze volwassen zijn 15 paar poten. Onder de steenloper zie je een bladkruiper. Bladkruipers hebben 21 paar poten. Daaronder zie je een aardkruiper. Deze zijn lang en dun, hebben meer dan 35 paar poten en geen gifklauwen. Ze leven ondergronds, zijn relatief langzaam en eten ook wel van plantenwortels.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘏𝘦𝘵 𝘨𝘦𝘭𝘦𝘦𝘥𝘱𝘰𝘵𝘪𝘨𝘦𝘯𝘣𝘰𝘦𝘬, 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭

Soort van dag 271: vleesetende planten

(28 september 2023)

In principe zitten al de voedingsstoffen die een plant nodig heeft, in de bodem. Maar hoe zit dat met planten op arme, zure gronden met maar weinig beschikbare voedingsstoffen? Je zult daar geen planten vinden die snel groeien en veel voedingsstoffen nodig hebben. Veel planten, zoals soorten van de heifamilie, werken samen met schimmels in de bodem om zo het weinige dat er is op te kunnen nemen. Planten uit de zonnedauwfamilie doen het anders. Zij halen een deel van de benodigde voedingsstoffen uit insecten die ze zelf vangen.
De meeste zonnedauwsoorten komen op het zuidelijk halfrond voor. Er zijn drie soorten die je in Europa en ook in Nederland kunt vinden: lange, kleine en ronde zonnedauw.

Lange zonnedauw komt alleen voor aan de randen van levend hoogveen en daarvan hebben we niet veel meer in Nederland. Deze soort is dan ook ernstig bedreigd en komt voor zover bekend nog maar op één plek in ons land voor (in het Bargerveen).
Kleine zonnedauw (foto linksboven) vind je op natte heide, bijvoorbeeld op afgeplagde stukken en andere verstoorde open plekken, en op oevers van vennen. Het is een kortlevende pioniersoort. Kleine zonnedauw heeft spatelvormige, omhooggerichte bladeren. Vooral muggen vallen ten prooi aan kleine zonnedauw.
Ronde zonnedauw (foto rechtsboven) is de soort die ik zelf het vaakst zie, o.a. op het natuurbouwproject van Stichting De Bovenlanden in de polder achter ons huis en op verschillende plekken bij de Nieuwkoopse Plassen. Deze groeit o.a. tussen veenmos in hoogvenen en in veenmosrietland, maar ook in natte duinvalleien. Het bladrozet is meestal plat tegen de grond gedrukt en de blaadjes zijn rond. Ronde zonnedauw vangt ook spinnen en grotere insecten.
Ontginning, ontwatering, verdroging en bemesting zijn bedreigingen voor alle zonnedauwsoorten.

Hoe gaat dat vangen en ‘eten’ van insecten in zijn werk? De bladeren van zonnedauw zijn bedekt met rode ‘tentakels’ (gesteelde klieren) die een kleverige stof uitscheiden. Daardoor lijkt het net alsof er dauwdruppeltjes op de bladeren liggen. Hier komen kleine organismen zoals insecten en spinnen op af. Wanneer een insect de tentakels aanraakt, kleeft het vast. Het blad rolt zich om het insect heen. De tentakels scheiden vervolgens enzymen uit die de eiwitten van het insect oplossen. De plant neemt de opgeloste voedingsstoffen op. Na een paar dagen zijn van het insect alleen nog de onverteerbare delen over en opent het blad zich weer.
Zonnedauw bloeit ook. Vóór de bloei is de bloeiwijze (een schicht) als een horlogeveer opgerold; tijdens de bloei steken de bloemen boven de blaadjes uit. Eventuele bestuivers moeten natuurlijk niet opgegeten worden. De kleine, witte bloemen gaan alleen open als de zon volop schijnt. Bij weinig zonneschijn en regenachtig weer komt er ook zelfbestuiving voor.
Uit zonnedauw wordt een medicijn gemaakt tegen keelaandoeningen. Vroeger werd hiervoor vooral ronde zonnedauw verzameld; tegenwoordig worden Afrikaanse soorten gebruikt.

In ons land komen nog meer vleesetende planten voor, namelijk van de blaasjeskruidfamilie. Daartoe horen vetblad en vier soorten blaasjeskruid.
Vetblad (foto midden onder) groeit op moerassige heiden en blauwgraslanden. Ook deze plant heeft klieren op zijn blaadjes. Kleeft er een insect aan vast, dan rolt het blad zich op en wordt het insect verteerd. Blaasjeskruid groeit in het water. Aan de bladeren die onder water zitten, zitten vangblaasjes waarmee kleine kreeftachtigen en waterinsecten worden gevangen. Op de foto rechtsonder zie je de bloemen van groot blaasjeskruid, in een sloot bij Nieuwkoop.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 270: langpootmuggen

(27 september 2023)

Sommige insecten brengen het grootste deel van hun leven onder het maaiveld door en zijn slechts een paar dagen in hun volwassen vorm bovengronds te zien. Dat geldt bijvoorbeeld voor de langpootmuggen, een familie van muggen. Hiervan komen in ons land bijna negentig soorten voor. De meest algemeen voorkomende soorten zijn de weidelangpootmug (foto linksonder) en de koollangpootmug (foto linksboven). In de collage zie je verder de hoefijzertijger (foto rechtsboven) en de bruine tijger (foto rechtsonder). Deze zijn allemaal in onze tuin gefotografeerd.

Rond deze tijd van het jaar steken de vrouwtjes van de weidelangpootmuggen hun legboor in de grond en leggen daarin hun ca. 300 eitjes. Daaruit komen de larven die we emelten noemen. Deze leven in de bovenste laag van de bodem. Ze eten daar van rottend plantaardig materiaal en jonge planten. ’s Nachts komen ze boven de grond om daar van plantendelen te eten. In de winter eten ze gewoon door, mits het niet vriest. Ze groeien en vervellen een aantal keer. In augustus gaan ze het popstadium in wat zo’n dag of tien duurt.
Als ze als volwassen insect uit de grond kruipen, hebben ze slechts nog maar een paar dagen te leven. Die tijd besteden ze niet aan eten; hooguit drinken ze wat of zuigen ze nectar op. Nee, het volwassen stadium is erop gericht om zich voort te planten. Paren gebeurt door de achterlijven tegen elkaar aan te houden. Hierna legt het vrouwtje de eitjes. En de volwassen dieren sterven. Na een jaar is het tijd voor de nieuwe generatie.
De weidelangpootmug vliegt van begin augustus tot begin oktober. De koollangpootmug heeft twee generaties. Die kun je zien vliegen van april tot juni en van augustus tot in oktober. Bruine tijgers en hoefijzertijgers vliegen in mei en juni. Dan worden ook de eitjes gelegd die pas aan het eind van de zomer uitkomen.

Ik blijk geen foto’s van emelten te hebben terwijl ik ze toch vaak in de moestuin tegenkom. Als je ze vergelijkt met hun ouders, zijn ze ook niet echt fotogeniek. Emelten zijn pootloos, hebben geen duidelijke kop en zijn grauw van kleur. Ze kunnen 2,5 tot 5 cm lang worden. Door hun eetgedrag kunnen emelten van sommige langpootmugsoorten flinke schade aanrichten in gazons, sportvelden, graslanden, akkers en moestuinen. Voor veel dieren zijn ze een belangrijke voedselbron: spreeuwen, kauwen, roeken en mollen. Bij hun jacht op emelten kunnen ook deze dieren schade aanbrengen aan een grasmat. Tenminste, in de ogen van mensen.

Langpootmuggen zijn vrij groot, hebben lange achterpoten en vliegen onbeholpen, een beetje slungelig. Ze zijn vooral ’s nachts actief en je ziet ze dan in de buurt van lichtbronnen een beetje rondfladderen. Overdag zitten ze verstopt in de vegetatie. Mannetjes en vrouwtjes kun je van elkaar onderscheiden door naar hun achterlijf te kijken: mannetjes hebben een knots en vrouwtjes een legboor. Steken of bijten kunnen langpootmuggen niet, ook al kunnen ze met hun legboor en uitstekende monddelen er best gevaarlijk uit zien.
Langpootmuggen worden ook door allerlei vogels en door spinnen gegeten. Je zou ze kunnen verwarren met hooiwagens maar die hebben acht poten en geen vleugels.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦

Soort van dag 269: gaai

(26 september 2023)

In de bodem, onder het maaiveld, kun je goed voedselvoorraden voor de winter aanleggen. Verschillende dieren doen dat dan ook, waaronder gaaien.

Ik heb een aantal jaar herfstactiviteiten verzorgd voor basisscholen in De Ronde Venen. Ik had dan een opgezette gaai bij me. Bijna geen kind of volwassene wist overigens wat voor vogel dat was. Ik vertelde dan dat gaaien als wintervoorraad eikels en andere noten in de grond stoppen. Een gaai verzamelt vijf eikels. Met vier in zijn krop en een in zijn snavel vliegt hij naar een geschikt plekje binnen zijn territorium. Daar duwt of tikt hij ze één voor één in de grond. Ik las ergens dat een gaai in een herfst wel 5.000 eikels weg kan werken. Hij kiest plekken die hij makkelijk kan herkennen, ook als er sneeuw ligt. Bijvoorbeeld bij een paaltje of een boomstronk. In onze tuin gebruikt hij de voet van de beukenhaag. Ziet hij dat hij bespied wordt, dan graaft hij ze later weer op en verstopt ze opnieuw.
De kinderen (groep 3 en 4) kregen van mij elk vijf eikels die ze moesten verstoppen. Na afloop van de activiteit moesten ze die eikels zien terug te vinden. En dat lukte vaker niet dan wel. Ze wisten de plek niet meer of de eikels waren intussen door andere kinderen gekaapt. Het respect voor de gaai was groot!

Niet alle verstopte eikels worden overigens in de winter opgegeten. De gaaien vergeten er een paar of ze hebben ze niet allemaal nodig. Op deze manier zorgen gaaien voor de verspreiding van de eik en andere notenbomen. De gaai is niet de enige vogel die noten verstopt. Ook raven, eksters en kauwen (allemaal kraaiachtigen) maken voedselvoorraden.
Gaaien eten vooral in de winter noten. Verder eten ze insecten, eieren en jonge zangvogels. In het najaar eten ze ook vruchten.

Gaaien zijn kraaiachtigen en dus zangvogels. De zang is heel gevarieerd, vol imitaties. Maar hun geschreeuw… dat kan ik toch wat minder waarderen. Gaaien slaan snel alarm als er gevaar is en daar profiteren andere vogels weer van. Hier vind je hun geluiden.
Gaaien zijn mooie vogels, met hun bruinroze kleur. Maar het mooist zijn de blauw-zwart gestreepte veertjes op de vleugels. Laatst vond ik de prooiresten van een vogel in onze tuin. Dankzij het veertje wist ik dat het om een gaai ging.

De gaai is van oorsprong een bosvogel maar hij is steeds vaker in parken en tuinen te vinden. Toch blijven ze nog wel schuw. Ze broeden elk jaar bij onze buren in de tuin en ik zie ze vaak overvliegen. Maar rustig stilzitten voor een goede foto: ho maar.
Bij de laatste Nationale Tuinvogeltelling stond hij op nummer 15. De gaaien die in ons land broeden, blijven hier. In de winter worden ze aangevuld met gaaien uit Noord- en Oost-Europa. Dat kan in sommige jaren om aanzienlijke aantallen gaan (‘invasies’). Gaaien worden ook wel Vlaamse gaaien genoemd. Hier zijn verschillende verklaringen voor. Een ervan luidt dat wij in Nederland dachten dat de invasies van gaaien vooral uit Vlaanderen zouden komen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 268: linde

(25 september 2023)

Gisteren had ik het over microben onder het maaiveld die organisch materiaal zoals afgevallen bladeren afbreken. Niet alle bladeren verteren even makkelijk. Beukenblad bijvoorbeeld verteert slecht en daardoor ontstaat er een dikke, verzuurde strooisellaag waar maar weinig op wil groeien. Het blad van lindebomen daarentegen verteert juist heel goed en snel. Daar komt nog bij dat lindes, afhankelijk van de ondergrond, heel diep kunnen wortelen. Ze nemen allerlei mineralen uit de ondergrond op waaronder calcium. Hierdoor wordt verzuring van de bodem tegengegaan. Op een bodem met veel calcium en een dunne strooisellaag kunnen allerlei voorjaarsplanten groeien zoals witte klaverzuring, bosanemoon en daslook.

In ons land komen van nature de winter- en de zomerlinde voor. Daarnaast is er een kruising van die twee, de Hollandse linde. Paar verschillen: het hartvormige blad van de winterlinde is kleiner dan dat van de zomerlinde en de vruchtjes van de zomerlinde hebben ribben. De Hollandse linde heeft kenmerken van beide ouders. Verder worden in ons land ook andere soorten en kruisingen aangeplant.
Lindes zijn forse bomen die wel veertig meter hoog kunnen worden. Ze hebben een kenmerkend silhouet. De bomen bloeien in juni met heerlijk geurende, geelwitte bloemen. Er wordt veel nectar afgescheiden waar honingbijen en ’s nachts uilen (vlinders) op af komen. Vooral het schutblad is opvallend. Bij vruchtverspreiding door de wind dient het schutblad als vleugel.

Zowel de winter- als zomerlinde kwamen na de laatste ijstijd uit zichzelf in ons land. Nadat de mens verscheen en invloed had op de bossen (rooien voor landbouwgrond, bevoordelen van de zomereik), is de linde als ‘wilde’ boom grotendeels verdwenen. Daarentegen werden in de buurt van bebouwing juist veel lindes aangeplant vanwege hun symbolische waarde en de bescherming die de bomen zouden bieden tegen allerlei kwaden. Op de foto linksboven zie je lindebomen bij de Sint-Annakapel bij De Hamert.
Lindes verdragen snoeien heel goed. Bij boerderijen werden tot leiboom gesnoeide lindes van oudsher gebruikt als wind- en zonnescherm. Ook bij ons huis staan leilindes die elk jaar door onze zonen worden gesnoeid.
Lindes kunnen oud worden. De linde van Sambeek is de dikste en met zijn 500 jaar mogelijk ook de oudste van ons land.

Langs een lindelaan kun je allerlei paddenstoelen vinden van schimmels die met de bomen samenleven. Het zijn overigens soorten die ook met andere bomensoorten samenleven. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om russula’s, heksenboleten en vezelkoppen. Op de bast van lindebomen komen allerlei stikstofminnende korstmossen voor.
Op lindes zijn allerlei insecten te vinden. De boom is bijvoorbeeld de waardplant voor de lindepijlstaart. Er is ook een bladluis die de linde als waardplant gebruikt: de lindebladluis. In de honingdauw die de luizen afscheiden, kan de roetdauwschimmel zich ontwikkelen. Deze schimmels vormen een zwart laagje op het blad. De combinatie roetdauw en honingdauw maakt dat sommige mensen liever geen lindebomen in hun straat zien.
In de nerfoksels van lindebladeren kunnen toefjes haren zitten. In deze zogenaamde mijtenhuisjes verblijven roofmijten die het voorzien hebben op de bladluizen.

Aan de voet van lindebomen kun je vuurwantsen tegenkomen (foto linksonder). Deze warmteminnende wants leeft van de sappen van afgevallen bladeren, zaden en dode insecten. In onze tuin zit de vuurwants vooral op heemst en eet daar van de onrijpe zaden. Niet zo gek overigens: heemst en lindes horen tot dezelfde familie (kaasjeskruidfamilie).

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘦𝘥𝘦𝘱𝘰𝘵.𝘸𝘶𝘳.𝘯𝘭/11864

Soort van dag 267: grote stinkzwam

(24 september 2023)

Onder onze voeten, onder het maaiveld, wemelt het van het leven. Een theelepeltje grond van een gezonde bodem bevat meer levende organismen dan dat er mensen op aarde zijn! Het gaat hierbij uiteraard om (zeer kleine) organismen: bodemdieren en vooral microben. Tot de microben behoren bacteriën, virussen en schimmels. Ook schimmels die met grote vruchtlichamen bovengronds komen, worden tot de microben gerekend.
Microben leven van organische stof dat in de bodem aanwezig is of eraan toegevoegd wordt (denk aan uitwerpselen, dode organismen, afgevallen bladeren). Vaak is dit organische materiaal al voorbewerkt door allerlei bodemdiertjes. Microben zetten de resten om in voedingsstoffen die door planten opgenomen kunnen worden. Met elkaar vormt dit het bodemvoedselweb, een zeer complex systeem dat gevoelig is voor allerlei verstoringen en waarvan nog veel niet bekend is.

Een schimmel die leeft van vermolmd hout in of op de bodem, is de grote stinkzwam. Deze behoort tot de buikzwammen. Bij deze zwammen worden de sporen in het vruchtlichaam gevormd en als ze rijp zijn komen ze naar buiten. Dat kan op verschillende manieren. De zak waarin de sporen zich ontwikkelen, kan openscheuren. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de aardappelbovisten. Er zijn ook buikzwammen die (deels) ondergronds blijven: de truffels. Deze worden gegeten door dieren en verspreiden hun sporen via de uitwerpselen van deze dieren. Een andere opvallende groep buikzwammen zijn de stinkzwammen. Je ruikt ze vaak eerder dan dat je ze ziet. De meest algemeen voorkomende in ons land is de grote stinkzwam.

De ontwikkeling van een grote stinkzwam begint met een zogenaamd duivels- of heksenei, dat uit de grond omhoog komt (foto’s rechtsboven). Zo’n duivelsei is 3-6 cm groot. Binnen in dat ei vindt de vorming van de sporen plaats. Zijn de sporen rijp, dan breekt het duivelsei open en komt het fallusvormige vruchtlichaam tevoorschijn dat maximaal 20 cm hoog kan worden. De steel hiervan is sponsachtig. Op de top zit een wit kapje met een honingraatstructuur. Hierop zit de kleverige, olijfgroene sporenmassa. De aasgeur die de paddenstoel verspreidt, trekt vliegen en kevers aan. Deze voeden zich met de sporenmassa en verspreiden de sporen via hun uitwerpselen. Soms kan de groene laag al binnen twee uur opgegeten zijn en dan zie je alleen nog het witte kapje. Ook de resten van de stinkzwammen vallen bij allerlei dieren in de smaak zoals je op de foto rechtsonder kunt zien.

Een soort die veel op de grote stinkzwam lijkt, is de duininktzwam. Deze komt alleen langs de zeereep voor, een plek waar je de grote stinkzwam niet zult aantreffen. Deze schimmel leeft op plantenresten van helm.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘢𝘭𝘭𝘦𝘴𝘰𝘷𝘦𝘳𝘱𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘢𝘬𝘣𝘭𝘢𝘥 𝘕𝘓𝘉 𝘴𝘱𝘦𝘤𝘪𝘢𝘭 𝘣𝘰𝘥𝘦𝘮, 𝘰𝘯𝘥𝘦𝘳-𝘩𝘦𝘵-𝘮𝘢𝘢𝘪𝘷𝘦𝘭𝘥.𝘯𝘭