Soort van 336: herfstvlieg

(2 december 2023)

Insecten kunnen op verschillende manieren overwinteren: als ei, larve, pop of volwassen insect (imago). Als ze als volwassen insect overwinteren, zoeken ze daar vorstvrije plekken voor op. Sommige insecten verblijven in huizen en andere gebouwen zoals verschillende soorten vliegen, lieveheersbeestjes, grauwe schildwants, dagpauwoog en kleine vos.
Vorige week werden we ‘verrast’ door honderden vliegen op onze vliering. Blijkbaar hebben ze ergens een gaatje gevonden en zijn ze zo massaal naar binnen gekomen. Hoewel ze niet schadelijk zijn, zijn ze inmiddels wel in de stofzuiger verdwenen.

Er zijn verschillende soorten vliegen die massaal in huizen overwinteren. Bij de bromvliegen noemde ik al de clustervlieg. Verder nog gaasvliegen, grasvliegen en, zoals bij ons, de herfstvlieg.
De herfstvlieg hoort tot de familie van de echte vliegen, net zoals de schorsvlieg en de huisvlieg (ook wel kamervlieg genoemd). Herfstvliegen en huisvliegen zijn even groot: 6-7 mm. Een herfstvlieg heeft een zwartgrijs gestreept borststuk. Het achterlijf is oranjegeel met een zwarte streep. Vrouwtjes zijn minder geel dan de mannetjes en hebben kleinere ogen. Bij de mannetjes raken de ogen bovenop de kop elkaar bijna.

In de nazomer en herfst verzamelen herfstvliegen zich en gaan ze met elkaar op zoek naar een overwinteringsplaats. In de natuur zijn dat holle bomen. (Hoge) gebouwen vinden ze ook geschikt. Ze kunnen daar in de spouwmuur gaan zitten, maar ook de gebouwen zelf binnendringen. Ze zoeken daar de hoogste plekken op. Bij ons is dat dus de vliering. In de winter zijn ze in een soort ruststand. In het voorjaar ontwaken ze als het warmer wordt. Ze kunnen zich dan door het hele gebouw verspreiden, op zoek naar kieren en naden om het gebouw te verlaten. Het schijnt dat je dan het beste de ramen tegenover elkaar open kunt zetten; ze zijn dan zo buiten. Dode vliegen in gebouwen moet je verwijderen want ze trekken tapijtkevers aan. En dat is pas echt vervelend.

Herfstvliegen zien wij niet alleen nu in ons huis, maar van februari tot november ook in onze tuin op allerlei soorten bloemen. Van rechtsboven met de klok mee op: perenbloesem, bosvergeet-mij-nietje, madeliefje, fluitenkruid, boerenwormkruid en basterdhemelsleutel. Volwassen herfstvliegen eten nectar, stuifmeel en honingdauw (afscheidingsproduct van bladluizen). Maar ze komen ook af op menselijke transpiratiegeuren (ze kunnen dan zo hinderlijk om je heen blijven hangen) en traanvocht. Zweet en traanvocht van allerlei boerderijdieren vinden ze nog aantrekkelijker. In het Engels heet deze vlieg ‘face fly’, vanwege zijn gewoonte om rondom de kop van rundvee en paarden te zwermen. De herfstvliegen steken niet maar kunnen wel lichaamssappen uit wondjes opzuigen. En zo kunnen ze ziektes overbrengen zoals ‘pink eye’ (bindvliesontsteking) waarvan koeien in het ergste geval blind kunnen worden.

Als een vrouwtje eenmaal uit haar winterrust is ontwaakt en de weg naar buiten heeft gevonden, zet ze haar honderd tot tweehonderd eitjes af in verse mest, voornamelijk van koeien, varkens en paarden. De larven (maden) leven van allerlei micro-organismen die op deze mest voorkomen. Onder optimale omstandigheden duurt de ontwikkeling van eitje tot vlieg maar twee weken. In een jaar komen zo’n zeven generaties voor. De volwassen dieren van de laatste generatie gaan op zoek naar de overwinteringsplekken.

Vliegen worden natuurlijk ook door allerlei dieren gegeten. Op de foto in het midden zie je een schorsmarpissa (een springspin) die een herfstvlieg verschalkt.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘬𝘢𝘥.𝘯𝘭, 𝘋𝘪𝘦𝘳𝘱𝘭𝘢𝘨𝘦𝘯𝘪𝘯𝘧𝘰𝘳𝘮𝘢𝘵𝘪𝘦 (3, 2018), 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 335: rond wintergroen

(1 december 2023)

Vandaag begint de meteorologische winter. Daarom aandacht voor een soort met ‘winter’ in de naam, namelijk rond(bladig) wintergroen.
Deze plant komt voor in de duinen (ook op de Waddeneilanden) en is elders in het land zeldzaam. Het staat op de Rode Lijst als kwetsbaar. Er is een plek waar ik je zo heen kan brengen om je de planten te laten zien, namelijk de Kabbelaarsbank (Brouwersdam). Ook groeit het bijvoorbeeld in de Pirola-vallei, een vochtige duinvallei aan de noordkant van de Schoorlse duinen, en op de Pirolavlakte ten zuiden ervan (de wetenschappelijke geslachtsnaam van wintergroen is Pyrola).

De plant heeft lange, ondergrondse uitlopers. Daaraan ontspruiten de bladeren die in rozetten staan.
De wintergroene bladeren zijn gesteeld, donkergroen, leerachtig en glanzend. De bladrand is omgerold. De bovengrondse stengels blijven zich ontwikkelen en blijven ’s winters groen. Pas na een paar jaar gaat de plant bloeien. Dat gebeurt van mei tot oktober met een tros van witte, hangende, klokvormige bloemen aan een bloemstengel. Heel opvallend is de stijl van de bloemen: deze is gekromd en steekt ver buiten de bloemkroon uit. De bloemen hebben geen nectar, dus insectenbezoek is zeldzaam. Ze doen vooral aan zelfbestuiving. Het zaad van wintergroen is stoffijn en wordt door de wind verspreid. In de winter blijven de stengels met zaaddozen staan.

Wintergroen behoort tot de heifamilie. Alle soorten uit deze familie (met uitzondering van stofzaad) zijn wintergroen. Denk maar aan struikhei, kraaihei of bosbes. De meeste soorten zijn houtig, behalve de wintergroensoorten en stofzaad. Net zoals alle andere soorten uit deze familie leeft wintergroen samen met schimmels en kan daarom op voedselarme bodems voorkomen. Verder moeten deze bodems vochtig en kalkarm tot iets kalkhoudend zijn en veel humus bevatten.
In de duinen vind je rond wintergroen vooral in vegetaties met kruipwilg. Kenmerkend is de dikke laag moeilijk afbreekbaar strooisel dat ook vaak nog eens overstoven wordt. In deze vegetaties komen veel schimmels voor, zowel afbrekers als symbionten. Op deze plekken kan ook een plant voorkomen die op schimmels parasiteert: stofzaad. Stofzaad is verwant aan wintergroen en heeft, zoals de naam al aangeeft, ook stoffijn zaad. Het is een plant zonder bladgroen die wat betreft zijn voedingsstoffen geheel afhankelijk is van een schimmel die samenleeft met kruipwilg. Je ziet de plant alleen als de bloemstengels bovengronds komen.
Volwassen planten van rond wintergroen leven samen met paddenstoelvormende schimmels (zie ook uitleg over mycorrhiza bij dag 293). Jonge planten hebben geen bladgroen en het stoffijne zaad bevat geen voedsel voor het kiemplantje. Zij betrekken hun voedsel van schimmels (waarschijnlijk van de afbrekers van het strooisel). De plantjes geven er niets voor terug, dus eigenlijk parasiteren ze op deze schimmels.
Je begrijpt: wil de plant zich ergens vestigen, dan moet er aan veel voorwaarden worden voldaan. Je vindt de plant overigens niet alleen op plekken met strooisel van kruipwilg, maar ook met dennennaalden en met blad van eiken, berk en beuk.
Een ingewikkeld verhaal? Je kunt ook gewoon van deze mooie planten genieten, net zoals Jac. P. Thijsse dat deed. Hier lees je wat hij in 1931 allemaal over dit plantje schreef.

Naast rond wintergroen komen nog andere soorten wintergroen in ons land voor. Klein wintergroen groeit op dezelfde plaatsen als rond wintergroen, maar mijdt kalk. Je vindt het bijvoorbeeld op plekken waar kraaihei groeit. De stijl steekt niet buiten de kroon uit en de bladeren zijn kleiner, lichter en doffer. Eenbloemig wintergroen heeft één bloem per bloemsteel; deze soort komt alleen op Terschelling voor. Eenzijdig wintergroen is in ons land uitgestorven.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. Wintergroen is voorgedragen door Aafke van Nierop.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘋𝘦 𝘓𝘦𝘷𝘦𝘯𝘥𝘦 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳 (1 𝘢𝘱𝘳𝘪𝘭 1931), 𝘦𝘤𝘰𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢.𝘣𝘦, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 334: groene en zwarte specht

(30 november 2023)

Er komen in ons land twee spechtensoorten voor die verzot zijn op mieren: de groene en de zwarte specht. Beide zijn standvogels, dus ze broeden bij ons en blijven ook in de winter hier. Ze zijn allebei groter dan de meer algemeen voorkomende grote bonte specht. Haviken zijn hun vijanden. Uiteraard zijn er ook verschillen tussen deze twee spechtensoorten.

De groene specht is goed te herkennen. Hij is olijfgroen met een zwart masker en een rood petje. Hij heeft een opvallende, lachende roep. Ook zijn vlucht is kenmerkend: een golvende vlucht die bestaat uit drie à vier vleugelslagen, gevolgd door een korte glijvlucht met dichtgevouwen vleugels.
Vergeleken met andere spechten is zijn snavel zwak; hij kan er alleen zacht hout mee bewerken. Het nest hakt hij daarom uit in populieren of in ingerotte delen van bomen met harder hout. Het nest wordt meerdere jaren achtereen gebruikt. De groene specht roffelt minder vaak en minder luid dan andere spechtensoorten.
Groene spechten verzamelen hun voedsel op de grond. Ze eten overwegend mieren, met een voorkeur voor bosmieren. In hun zoektocht naar mieren hakken ze in de grond en graven ze met hun poten in mierenhopen. Groene spechten hebben een kleverige tong van ongeveer tien centimeter, met kleine weerhaken aan het uiteinde. Hiermee likken ze de mieren en hun larven en cocons op. Meer informatie over groene spechten en mieren vind je hier.
Groene spechten komen vrij algemeen voor, vooral in het zuiden en oosten van ons land. Er zijn zo’n 10.000 broedparen. Ze hebben een voorkeur voor kleinschalige cultuurlandschappen met veel oude bomen, bosranden en duingebieden. Ook in tuinen worden ze wel gezien. Op de Waddeneilanden komen ze niet voor. In sneeuwrijke winters sterven veel groene spechten omdat ze dan moeilijk mieren kunnen vinden. Wegtrekken naar sneeuwvrije gebieden doen ze niet.

Ook zwarte spechten zijn makkelijk te herkennen: zwart met een rode kruin. Hun forse snavel is grijs. Het is de grootste spechtensoort van Europa, met de grootte van een zwarte kraai. Zwarte spechten vliegen in een rechte lijn en niet golvend zoals andere spechten. Ze zitten ook wel op de grond om te foerageren, maar bewegen zich daar onhandiger voort dan groene spechten. De zwarte specht heeft een zware en harde roffel die wel vergeleken wordt met een mitrailleur. Hun roep klinkt luid en klagend.
Ze komen pas sinds het begin van de 20e eeuw in ons land voor. Er werden toen veel productiebossen met naaldbomen aangeplant en hier kunnen de vogels hun voedsel vinden. Ze eten graag houtmieren die ze uit stobben en (liggend) dood hout halen. Daarnaast eten ze ook keverlarven, bijvoorbeeld van boktorren, die ze uit bomen hakken. Elk jaar hakken ze een nieuw nest uit. Dat doen ze in levende dikke loofbomen, vooral in beuken. De oude holen worden gebruikt door o.a. bosuilen, eekhoorns en boommarters.
De kans om een zwarte specht te zien is op de Veluwe of de Utrechtse Heuvelrug het grootst. Het exemplaar op de foto zagen we, in de verte, op landgoed Het Lankheet bij Staverden. Zwarte spechten zijn erg schuw. Zodra ze een mens zien, verstoppen ze zich aan de andere kant van de boom of vliegen ze weg. Daarnaast hebben ze een groot territorium. En er zijn er niet zoveel van. Ons land telt 1.100 broedparen.
Zwarte spechten nemen regelmatig een mierenbad. Ze laten dan mieren over hun verenkleed lopen. Het mierenzuur van de mieren is een afweermiddel tegen parasieten en schimmels.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. De groene specht is voorgedragen door Sander Uiterwijk.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 333: kleine wintervlinder

(29 november 2023)

Fruitbomen zijn belangrijke waardplanten voor diverse soorten vlinders waaronder een aantal spanners. Een voorbeeld van zo’n spanner is de kleine wintervlinder, een vlinder die actief is bij temperaturen rond het vriespunt. De kleine wintervlinder gebruikt allerlei loofbomen als waardplant en heeft een voorkeur voor eik en appel. Ze komen overal in ons land voor, vooral op de zandgronden.

Spanners zijn nachtvlinders waarvan de meeste soorten ’s nachts actief zijn. De naam ‘spanner’ verwijst naar de manier van voortbewegen van de rups. Het middendeel van het lichaam heeft geen poten en daarom vormen ze boogjes als ze lopen. In ons land komen zo’n driehonderd soorten spanners voor.
Bij verschillende soorten hebben de vrouwtjes geen of nauwelijks ontwikkelde vleugels. Dat is ook het geval bij de kleine wintervlinder. De vrouwtjes lopen liever want dat kost minder energie dan vliegen. Om die reden kunnen ze ook in november en december actief zijn. Dat heeft een groot voordeel: er vliegen nu geen vleermuizen rond die graag een vlindertje verschalken. Dat er nauwelijks bloemen zijn in deze tijd van het jaar is geen probleem: kleine wintervlinders eten als vlinder helemaal niets. Nog een voordeel van vleugelloze vrouwtjes is, dat ze hun eieren afzetten op de boom waar ze zelf zijn groot geworden. Dat betekent dat de eitjes op het juiste moment uit zullen komen, namelijk als het blad ontluikt. Dat moment verschilt per boom, ook van dezelfde soort.
Op de foto linksboven zie je de rups van een voorjaarsspanner. Ook van deze soort hebben de vrouwtjes geen vleugels. De mannetjes vliegen vanaf februari.

Het zijn dus de mannetjes van de kleine wintervlinder die je ziet vliegen. Het schijnt dat je ze dan soms met tientallen exemplaren tegelijk kunt zien. Ik was vorig jaar al blij dat ik er een paar op een appelboom in onze tuin zag (foto’s rechts). Dit jaar heb ik ze nog niet gezien. Toch ben ik al een paar keer hiervoor naar buiten gegaan en heb ik, gewapend met een zaklamp, de boomstammen afgespeurd. Het beste moment om ze waar te nemen is vanaf een uur na zonsondergang.

Zowel mannetjes als vrouwtjes kruipen tussen eind oktober en eind december uit de grond. De vrouwtjes klimmen omhoog, in de hoop dat een mannetje ze opmerkt. Mannetjes vinden de vrouwtjes op geur. Na de paring kruipt het vrouwtje verder omhoog en legt haar 150 eitjes boven in de boom, aan het uiteinde van een tak op de bladknoppen of in schorsspleetjes. De eitjes komen pas in het voorjaar uit als de knoppen zich openen. De rupsjes eten van het ontluikende blad en later als ze groter zijn ook van ouder blad, bloemknoppen en jonge vruchten. Als er veel kleine wintervlinders zijn, kunnen bomen helemaal kaal gegeten worden.
Begin juni laten de rupsen zich aan een draadje op de grond zakken. Vervolgens blijven ze als pop in de grond zitten, op een diepte van 8 à 10 cm, tot ze in het najaar hun leven als vlinder bovengronds voortzetten.
De mannetjes zijn 1,5 cm lang en grijsbruin van kleur. De vrouwtjes zijn veel kleiner: 6 mm. De rupsen worden 2 cm lang en zijn geelgroen van kleur met een onduidelijke donkere streep over de rug en aan weerszijden van het lichaam drie lichte strepen.

Rupsen van kleine wintervlinders zijn belangrijk voedsel voor insectenetende zangvogels en hun jongen. Zij zorgen voor de ‘rupsenpiek’ en bepalen mede of een broedseizoen slaagt of mislukt. Door klimaatverandering kwamen de rupsen eerder uit hun ei terwijl er nog geen blad aan de boom zat. Dus er was geen voedsel voor ze. Dat had ook weer gevolgen voor de vogels. Inmiddels hebben de rupsen zich aangepast: bij dezelfde hogere temperatuur komen ze nu later uit het ei.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. De kleine wintervlinder is voorgedragen door Margo Slot.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘮𝘪𝘫𝘯𝘵𝘶𝘪𝘯.𝘰𝘳𝘨, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘯𝘦𝘮𝘰𝘬𝘦𝘯𝘯𝘪𝘴𝘭𝘪𝘯𝘬.𝘯𝘭

Soort van dag 332: fruitbomen

(28 november 2023)

Van de fruitgewassen die in ons land worden gekweekt, hoort het grootste deel tot de rozenfamilie. Denk maar aan appel, peer, kers, pruim, braam, framboos en aardbei. Ook wilde soorten als lijsterbes, meidoorn, roos, vogelkers en sleedoorn horen tot deze familie. De bloemen van al deze bomen en struiken worden door een verscheidenheid aan insecten bestoven. In boomgaarden wordt daar vaak de honingbij voor ingezet. Op de foto linksonder zie je een kegelbijvlieg op perenbloesem; op de foto daarnaast appelbloesem.
De soortvorming binnen de rozenfamilie is nog steeds in ontwikkeling. Soorten binnen één geslacht kruisen daardoor onderling makkelijk met elkaar. Bij de braam en de meidoorn kwam dit al ter sprake. Zo is vermoedelijk ook de pruim ontstaan: als kruising tussen de sleedoorn en de (niet inheemse) kerspruim.
Van de appel en de peer (en mogelijk ook de kers) komt een wilde soort in ons land voor. De cultuurvormen van appels, peren en kersen die wij telen en eten, komen van oorsprong uit Zuid-Europa en Klein-Azië en zijn meegenomen door de Romeinen. Nakomelingen hiervan en kruisingen met inheemse soorten vind je op allerlei plekken in de natuur.

De wilde peer komt slechts nog maar op een paar plekken voor, in Zuid-Limburg en bij Winterswijk. Deze soort heeft takdorens; de ronde vruchtjes zijn slechts enkele centimeters groot en zitten vol steencellen. De wilde peer is overigens een andere soort dan de peer waarvan wij de cultuurvariëteiten eten; ze kunnen onderling wel kruisen.
Ook bij de wilde appel eindigen de takken in dorens. Wilde appeltjes zijn groengeel, hard, wrang en maar drie centimeter groot. Hij groeit alleen nog hier en daar op de Veluwe en de stuwwal bij Nijmegen en in de Achterhoek, Drenthe en Noord-Limburg. De appels die wij eten, stammen af van kruisingen van meerdere appelsoorten.
Van de zoete kers is niet duidelijk hoe hij in ons land terecht is gekomen: spontaan of door de mens. In ons land komt deze boom vooral in de zuidoostelijke helft van het land voor en hij wordt ook aangeplant. Op de foto linksboven zie je een bloeiende zoete kers in het Bunderbos. De kersenvariëteiten voor consumptie stammen af van kruisingen van de zoete kers met de (niet inheemse) zure kers.

Fruitbomen zijn waardplanten voor allerlei organismen die in de fruitteelt ‘ziekten en plagen’ worden genoemd. Op deze website zie je een aantal staan.
Wat opvalt, is dat veel organismen op alle fruitboomsoorten voorkomen. Dat heeft te maken met al die nauwe verwantschappen binnen de rozenfamilie. Veel soorten binnen de rozenfamilie zijn daardoor gastheer voor dezelfde organismen.

Vooral veel vlindersoorten hebben fruitbomen als waardplant. Bijvoorbeeld de psi-uil die nu als pop achter de schors of in een schorsspleet overwintert. Of de voorjaarsuilen die als pop in de grond zitten en vanaf maart rondvliegen. Ook enkele spanners (waarover morgen meer), kokermotten, een stippelmot en mineervlindertjes zijn op fruitbomen te vinden.
Ook voor andere insecten zijn fruitbomen een waardplant. Denk maar aan verschillende soorten snuitkevers en galvormende insecten zoals galmuggen en bladluizen. Te veel om op te noemen dus. Al deze ‘plaaginsecten’ zijn weer voedsel voor insectenetende zangvogels en sluipwespen.
Uiteraard wordt het fruit ook gegeten, niet alleen door mensen, maar ook door allerlei dieren.

Op fruit en fruitbomen komen verschillende schimmels voor. Denk maar aan meeldauw, grauwe schimmel, schurft en verschillende vormen van vruchtrot. Deze laatste wordt o.a. veroorzaakt door een Monilia-schimmel (foto rechtsonder). Op peer kun je peer-jeneverbesroest vinden. Verschillende soorten bacteriën kunnen de bomen of het fruit aantasten zoals bacterievuur dat al genoemd is bij meidoorn.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. ‘Fruitbomen’ zijn als soortgroep voorgedragen door mijn zus Thanja.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭, 𝘢𝘳𝘵𝘪𝘬𝘦𝘭 ‘𝘍𝘳𝘶𝘪𝘵 𝘪𝘯 𝘥𝘦 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳’ (𝘉. 𝘔𝘢𝘦𝘴, 2011)

Soort van dag 330: stuifballen en stuifzwammen

(26 november 2023)

Ons land kent verschillende groepen stuivende zwammen. Ze horen allemaal tot de buikzwammen. Bij deze zwammen worden de sporen in het bolvormige vruchtlichaam gevormd. Als ze rijp zijn, komen ze bij aanraking naar buiten. Twee groepen stuivende buikzwammen zijn al aan de orde geweest: aardappelbovisten en aardsterren. Dan blijven nog over: bovisten, stuifzwammen, stuifballen en nestzwammetjes. Het zijn allemaal opruimers.

Ook de stinkzwammen horen tot de buikzwammen maar verspreiden hun sporen op een andere manier.

(Echte) bovisten zijn bolvormig en hebben geen steel (hooguit een hele korte). Als ze rijp zijn, laten de vruchtlichamen makkelijk los. De rijpe sporen komen door een gat bovenin naar buiten. In ons land komen zeven soorten voor. Er zijn ook soorten die bovist genoemd worden, maar tot een ander geslacht horen.

Bij nestzwammetjes worden de sporen in eivormige lichaampjes gevormd die in een nestvormige beker zitten. De zwammetjes worden hooguit één cm hoog. Ik heb ze nog nooit gezien. Ze schijnen zelfs in bloempotten te zitten, dus ik moet wat beter opletten.

Stuifballen vind je vooral in de kustduinen. Ze bestaan uit een bolletje en een lange steel die vaak in het zand verzonken ligt. Stuifballen vind je altijd in mos. Ze leven van afgestorven graswortels en dood mos. Nieuwe (verse) exemplaren vind je in november en december. Omdat ze niet snel vergaan, kun je stuifballen het hele jaar tegenkomen. In ons land komen vier soorten voor.

Op de foto linksboven zie je de gesteelde stuifbal. Deze komt vrij algemeen voor en groeit vaak te midden van het mos groot duinsterretje. De mondopening heeft een tuitje en is gaafrandig. De steel is lichtbruin of bruingrijs.

Op de foto rechtsboven zie je een andere soort, namelijk de ruwstelige stuifbal. Hierbij ontbreekt het tuitje en de mondopening is wat rafelig. Deze vind je vooral bij klauwtjesmossen.

Rechtsonder zie je een parelstuifzwam. Soorten uit het geslacht waartoe de parelstuifzwam behoort, zijn allemaal omgekeerd peervormig en hebben bovenop een gat waaruit de rijpe sporen komen. In totaal komen van dit geslacht in ons land tien soorten voor.

Parelstuifzwammen zijn eerst wit, later worden ze bruin. De jonge vruchtlichamen zijn bedekt met korte, witte stekeltjes (wratten) die later deels afvallen. De parelstuifzwam komt zeer algemeen voor in loofbossen en wegbermen op zandgronden. Ze worden 10 cm hoog.

Dan is er nog een geslacht van stuifzwammen waarbij de bovenkant kratervormig openscheurt als de sporen rijp zijn. Uiteindelijk blijft alleen de papierachtige, bekervormige basis van de paddenstoel over. Die kun je tot in de zomer erna nog vinden. Er komen drie soorten van dit geslacht in ons land voor: plooivoetstuifzwam, ruitjesbovist en reuzenbovist.

Van de reuzenbovist heb ik geen foto, maar deze is onmiskenbaar. Deze komt voor op ruigtes en in bemeste weilanden; het vruchtlichaam kan een doorsnede hebben van een halve meter.

In het midden zie je twee stadia van de plooivoetstuifzwam. Dit is een zeer algemene soort die je in het hele land op zandgronden kunt tegenkomen. Het vruchtlichaam heeft een duidelijke bol en steelgedeelte. Op de overgang van steel naar bol zitten plooien. Jonge exemplaren zijn wit, bedekt met witte schubjes die later afvallen. Later worden ze grijsbruin. Ze worden maximaal 15 cm hoog.

Linksonder zie je een jonge ruitjesbovist. Kenmerkend zijn de hoekige witte schubjes op het vruchtlichaam. Ze zijn eerst wit maar worden al snel grijs en vervolgens bruin. De vruchtlichamen worden 5-15 cm groot. Je ziet ze alleen of in groepjes op matig bemeste graslanden op de zandgronden. Het is daar een zeer algemeen voorkomende soort.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘗𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯 𝘐𝘐, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭, 𝘣𝘢𝘴𝘪𝘴𝘤𝘶𝘳𝘴𝘶𝘴 𝘱𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯

Soort van dag 331: hermelijn

(27 november 2023)

Roofdieren van het formaat tijger of leeuw komen in ons land niet voor. Het grootste roofdier is de wolf, sinds 2011 weer terug in ons land. Een ander bekend roofdier is de vos. Verspreid door het land zijn waarnemingen gedaan van de goudjakhals, net zoals de wolf en de vos een hondachtige. In Zuid-Limburg komt de wilde kat voor en als dwaalgast wordt daar wel eens de lynx gemeld. De meeste roofdiersoorten uit ons land horen tot de marterachtigen.

In ons land komen acht marterachtigen voor waarvan één een exoot is. De das en de otter zijn al aan de orde geweest. De andere soorten zijn: bunzing, wezel, boommarter, steenmarter, hermelijn en Amerikaanse nerts. Bij de laatste gaat het om ontsnapte of ‘bevrijde’ exemplaren uit nertsenfokkerijen. De verwachting is dat deze soort zich niet blijvend in ons land vestigt. Tot 1 maart 2021 werd dit dier nog in ons land gefokt voor zijn vacht. Eigenlijk zouden pas in 2024 alle fokkerijen gesloten worden, maar dat is vervroegd omdat nertsen gevoelig bleken voor het COVID-19-virus.
Marterachtigen zijn vooral ’s nachts actief. Een soort die ik een paar keer overdag heb gezien, is de hermelijn. Daarbij ging het om exemplaren in hun witte wintervacht. Die vallen natuurlijk extra op als er geen sneeuw ligt. Mijn man heeft ze ook wel in onze tuin gezien.

Op de foto’s zie je opgezette exemplaren uit Naturalis (de bovenste is wit). Overal waar voedsel (muizen) en dekking te vinden zijn, kunnen hermelijnen voorkomen. Je vindt ze in struwelen, bij heggen en in ongemaaide slootkanten. Op de Waddeneilanden, met uitzondering van Texel, ontbreken ze.
Een hermelijn is net zo groot als een konijn maar veel slanker. In de zomer hebben ze een bruine rug en een witte buik, in de winter is een deel van de hermelijnen wit. Ze behouden dan wel hun zwarte staartpunt. Volledig witte dieren zie je van december tot maart. Vroeger werden van wintervachten van hermelijnen koningsmantels gemaakt.
In de zomer zou je een hermelijn kunnen verwarren met een wezel. Wezels zijn kleiner, hebben een kortere staart en hebben geen zwarte staartpunt. Ze komen veelal in drogere gebieden voor dan de hermelijn. Zowel hermelijn als wezel zijn vrij zeldzaam. Hermelijnen staan als kwetsbaar op de Rode Lijst. Door schaalvergroting is veel leefgebied verloren gegaan. Verdere bedreigingen zijn het verkeer, muskusrattenklemmen, toename van het aantal vossen en parasitaire wormen.

Hermelijnen jagen op kleine zoogdieren zoals woelmuizen, ratten en konijnen. Hun lichaam is daar helemaal op aangepast: ze kunnen moeiteloos in de holen van deze dieren kruipen. Verder eten ze vogels, vogeleieren, reptielen en amfibieën. Hermelijnen moeten op hun beurt uitkijken voor vossen en uilen.
Het is geen probleem als een prooidier groter is dan de hermelijn. Ze doden hun prooi met een beet in de nek. Soms bewaren ze hun prooi onder een polletje gras of achter boomschors om deze later op te halen. Een hermelijn eet per dag ongeveer 25% van zijn eigen lichaamsgewicht.
Hermelijnen leven solitair in een eigen territorium dat ze afbakenen met geurstoffen uit de anaalklieren, urine en uitwerpselen. Ze leven in holen, bijvoorbeeld een oud mollennest of een konijnenhol. Ze verplaatsen zich langs elementen die dekking geven zoals heggen, muurtjes en oeverlijnen. Tijdens hun route gaan ze vaak op hun achterpoten staan om de omgeving te overzien; ‘kegelen’ wordt dat genoemd. Ze kunnen ook klimmen en zwemmen.
Als nest gebruiken ze een holle boom, een ruimte tussen rotsen of een verlaten hol. De paartijd valt in mei-juni. Het jaar daarop worden, na een uitgestelde embryonale ontwikkeling, in april-mei de jongen geboren.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘻𝘰𝘰𝘨𝘥𝘪𝘦𝘳𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 329: taxus

(25 november 2023)

Taxus is één van de drie naaldbomen (coniferen) die van nature in ons land voorkomen. De andere zijn de grove den en de jeneverbes. Deze naaldbomen zijn wintergroen en vallen, samen met hulst en ‘exotische’ groenblijvers, nu extra op tussen de bomen en struiken die hun blad verliezen.
Eigenlijk wel vreemd dat een oorspronkelijk inheemse soort als officiële Nederlandse naam de wetenschappelijk geslachtsnaam heeft. Taxus is afgeleid van het Griekse ‘toxon’ wat ‘boog’ betekent. Van het harde maar buigzame taxushout werden vroeger namelijk o.a. bogen gemaakt. De taxus heeft veel Nederlandse (streek)namen waarvan ijf (en afleidingen daarvan) en venijnboom het bekendst zijn. De plaatsnaam IJhorst is afgeleid van ‘ijf’.

Van taxus is het woord toxisch (giftig) afgeleid. Bijna alle delen van de venijnboom zijn giftig voor mens en dier. Het enige deel van de venijnboom dat niet giftig is, is de rode schijnbes. Het zaad erin overigens weer wel. Vogels die de bessen eten, poepen de pitjes onverteerd uit. Dat moeten wij niet proberen, want enkele zaden kunnen voor ons al dodelijk zijn.
Dieren eten er normaliter niet van, maar toch zijn er vergiftigingsgevallen bekend van paarden en vee. Een klein handje naalden is al dodelijk voor een paard. Er is een kever die op taxus te vinden is: de gegroefde lapsnuitkever of taxuskever. Deze eet van de randen van de naalden en is ook op veel andere planten te vinden. De larve eet van de wortels.
Op warme dagen zou taxus hallucinerende stoffen afgeven. Daarom mede dat de boom zo’n grote rol speelt in Europese mythologieën waar mensen onder een taxus allerlei openbaringen kregen. Yggdrasil, de wereldboom uit de Noorse mythologie, is vermoedelijk geen es, zoals vaak gedacht wordt, maar een taxus. Ook de kerstboom waarvoor we tegenwoordig de spar gebruiken, was oorspronkelijk een taxus.
Zoals zo vaak hebben giftige stoffen uit planten ook een geneeskrachtige werking. Uit verschillende taxussoorten wordt de stof taxol geïsoleerd dat als paclitaxel gebruikt wordt bij chemotherapie.

De taxus kwam vroeger door heel Midden-Europa voor. Nu zijn er alleen nog wat versnipperde natuurlijke standplaatsen over. In ons land is dat het geval bij Winterswijk, Boekelo en in Twente. Voor het verdwijnen van de taxus worden twee oorzaken genoemd. Aan de ene kant een natuurlijke. In Noordwest-Europa verscheen na de laatste IJstijd de taxus eerder dan de beuk en de haagbeuk. Omdat de taxus veel moeizamer kiemt en veel langzamer groeit, werd hij weggeconcurreerd en kon hij alleen nog groeien op plekken waar de andere twee boomsoorten niet kunnen groeien zoals op steenhellingen. De andere oorzaak was de mens. Die hakte bomen om voor het hout en omdat ze als bedreiging werden gezien voor het vee.
Daar staat tegenover dat de mens ook veel taxussen aanplantte. Eerst vooral op begraafplaatsen, later ook in parken en tuinen (op de foto linksboven in arboretum De Dreijen in Wageningen en linksonder een taxusbosje op landgoed Gooilust in ‘s-Graveland). Mensen plantten graag taxus aan omdat hij wintergroen is en omdat je hem in allerlei vormen kunt snoeien. Vogels hebben er vervolgens voor gezorgd dat de taxus in ons land verwilderd voorkomt.

De taxus is eerder een struik dan een boom. Op lage hoogte vertakt hij zich al. De schors is (rood)bruin en afschilferend. Taxussen groeien langzaam maar kunnen honderden jaren oud worden. In Engeland zijn exemplaren bekend die dateren van rond het begin van de jaartelling.
De zachte, donkergroene naalden zijn 2-3 mm breed en staan verspreid langs de twijgen, in een plat vlak. Ze zitten jarenlang aan de boom. Jonge twijgen zijn groen en o.a. daarmee te onderscheiden van de twijgen van sparren.
Taxus is tweehuizig, dus heeft of mannelijke of vrouwelijke bloemen die van februari tot mei bloeien. Op de foto rechtsboven zie je de mannelijke bloemen. Uit de steel van de zaadknop ontwikkelt zich de rode, bekervormige ‘bes’ waarin je het zaadje kunt zien liggen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. De foto met bessen is van Alexas_Fotos via Pixabay.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 328: heggenmus

(24 november 2023)

Erg duidelijke foto’s heb ik niet van de heggenmus. Maar misschien past dat ook wel bij een vogel die nauwelijks opvalt maar toch talrijk in tuinen voorkomt. Mannetjes en vrouwtjes zien er gelijk uit en zijn bruingrijs van kleur. Op de rug gezien lijken ze wel wat op mannetjes huismus, maar ze onderscheiden zich daarvan door de leigrijze kop en de spitse snavel. Heggenmussen zijn ondanks hun naam niet verwant aan mussen.
Heggenmussen zitten vaak op de grond waar ze schuifelend en scharrelend tussen blaadjes op zoek zijn naar voedsel. Dat voedsel bestaat uit insecten, spinnetjes en andere kleine bodemdiertjes. In de winter eten ze ook zaden. Je kunt er dan vaak eentje onder de voedertafel vinden waar hij eet van zaden die op de grond vallen. Heggenmussen zul je nooit in groepen zien. Ze blijven voor hun veiligheid altijd in de buurt van struiken.

Een eeuw geleden was de heggenmus een schaars voorkomende broedvogel die je vooral in bosranden en bosjes vond. Maar de verstedelijking, en vooral de toename van het aantal tuinen, heeft ervoor gezorgd dat de soort flink in aantal is toegenomen. Er zijn nu zo’n 175.000-225.000 broedparen in ons land. Na een koude winter neemt het aantal tijdelijk af, maar herstelt zich dan weer. Over de hele linie neemt het aantal iets af wat geweten wordt aan verstening van tuinen. Je vindt heggenmussen overal in het land, minder in grootschalige landbouwgebieden.
Heggenmussen zijn standvogels: ze zijn hier het hele jaar en trekken in de winter hooguit naar de stad. In de winter worden ze aangevuld met wintergasten en doortrekkers die in Scandinavië en Noord-Duitsland hebben gebroed.

De heggenmus is één van de eerste vogels die zich in het voorjaar laat horen. Al vanaf begin februari zingen de mannetjes op een hoge post, in een top van een boom. Het riedeltje klinkt hoog en ijl en het wordt wel vergeleken met een onregelmatig piepend karrenwiel. Hier kun je de zang en roep horen.
In de broedtijd vallen heggenmussen meer op dan in de rest van het jaar. Mannetjes en vrouwtjes jagen achter elkaar aan. Ze kunnen er meerdere partners op na houden en paren meerdere keren op een dag. Meer over het seksleven van heggenmussen kun je hier lezen.
Heggenmussen broeden van april tot in augustus, met twee of drie legsels per jaar. Het nest zit vrij laag in een struik of heg, in elk geval nooit hoger dan twee meter, en bestaat uit mos en twijgjes. De heggenmus is één van de waardvogels van de koekoek.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. De heggenmus is voorgedragen door Karins Heemrijke Natuurtuin.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘴𝘰𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 327: leermossen

(23 november 2023)

In de duinen kun je tussen rendiermossen, heidestaartjes en bekermossen nog meer korstmossen tegenkomen, namelijk leermossen (niet te verwarren met levermossen). Deze zijn bladvormig en grijs, bruin of groenachtig van kleur. Er kunnen al dan geen voortplantingsstructuren op voorkomen. Onder andere hieraan kun je verschillende soorten van elkaar onderscheiden.
Bij leermossen gaat het om een symbiose tussen een schimmel en een blauwalg (en dus niet met een groene alg). Blauwalgen zijn geen planten, maar cyanobacteriën. Deze bacteriën zijn tot fotosynthese in staat en daarom dus interessant als samenwerkingspartner voor de schimmel.

Cyanobacteriën zijn berucht, omdat een bepaalde soort in zeer voedselrijk water en bij hoge temperaturen ‘algenbloei’ kan veroorzaken. In water met ‘blauwalg’ kun je beter niet zwemmen omdat je hierdoor huiduitslag kunt krijgen of zelfs vergiftiging kunt oplopen. Ook stinkt het water vaak en treedt er vissterfte op door zuurstoftekort.
Cyanobacteriën van het geslacht Nostoc vormen kolonies en kun je vinden in vijvers, bij bronnetjes en op paden en stenen. Als de kolonie droog is, is het een flinterdun laagje. Wordt het nat, bijvoorbeeld na een regenbui, dan krijg je een groene, geleiachtige massa.
Veel Nostoc-soorten leven in symbiose met planten en schimmels, zoals met kroosvarens en met schimmels in leermossen. Nostoc-bacteriën kunnen vrije stikstof uit de lucht omzetten in oplosbare stikstofverbindingen. Omdat ze zo in hun eigen stikstofbehoefte kunnen voorzien, groeien leermossen sneller dan andere korstmossoorten. Verder ontwikkelen ze bepaalde gifstoffen (neurotoxines) die voorkomen dat de korstmossen gegeten worden.
Op korstmossen, dus ook op leermossen, kunnen schimmelparasieten voorkomen zoals het leermosgalschijfje.

Leermossen komen vooral op de grond voor. Volgens een bericht van Nature Today uit 2018 vestigen zich overigens steeds meer leermossen op bomen, m.n. op wilgen zoals in de Biesbosch. Mogelijk hangt dit samen met de klimaatverandering.
In ons land komen veertien leermossoorten voor waaronder een aantal heel zeldzame. Op de foto rechtsboven zie je soredieus leermos. Op de andere foto’s staat vermoedelijk allemaal groot leermos, maar het kan ook klein leermos zijn. Voor een goede determinatie zou ik ook foto’s van de onderkant moeten hebben.

Het soredieus leermos op de foto is aan het einde van zijn levenscyclus. Het is dan goed te herkennen aan de roodbruine orgaantjes aan het eind van de lobben waarin de schimmelsporen gevormd worden. Verder is dit leermos bruingrijs van kleur en er kunnen (in een eerder stadium) grijze soralen op voorkomen. Soralen zijn plekken waar de schorslaag op de lobben is opengebarsten. Hier worden broedbolletjes (sorediën) gevormd en uitgestoten. Deze bestaan uit schimmeldraden en blauwalgen. Op deze manier kan de soort zich ongeslachtelijk voortplanten.
Dit leermos heeft een andere groeiplaats dan veel andere leermossen. Het groeit niet alleen op de grond, maar ook op stenen. Je vindt deze vrij algemene soort in wegbermen en tuinen en op begraafplaatsen, maar ook in de duinen zoals hier op Ameland. Het is een pionier van natuurontwikkelingsgebieden.

In de duinen kun je groot en klein leermos tegenkomen, ook naast elkaar. De lobben van groot leermos zijn grijs tot bruingrijs van kleur. De randen van de lobben stijgen op en buigen vervolgens weer naar buiten. Vanwege de gelijkenis met hondenoren wordt groot leermos ook wel hondenkorstmos genoemd. De onderkant is witviltig. Je ziet daarop ook witte rhizinen. Met deze ‘worteltjes’ kan het korstmos zich aan een ondergrond hechten.
Klein leermos lijkt erg op groot korstmos, maar bij deze soort hangen de opstijgende lobuiteinden niet af. De rhizinen van klein leermos zijn bruin.
Groot en klein leermos hebben geen soralen zoals soredieus leermos. Ook hebben ze geen andere structuren voor ongeslachtelijke voortplanting. Sporen worden gevormd in de bruin-zwarte toppen van de lobben.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘒𝘰𝘳𝘴𝘵𝘮𝘰𝘴𝘴𝘦𝘯, 𝘣𝘭𝘸𝘨.𝘯𝘭, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺