Soort van dag 326: liggende vetmuur

(22 november 2023)

Tussen de klinkers en tegels in onze tuin komt elk najaar volop mos tevoorschijn. Daar staan allerlei kleine (kiem)plantjes tussen, de moeite waard om hiervoor eens door je te knieรซn te gaan. Een van die plantjes is liggende vetmuur. Daarvan zie je op de bovenste fotoโ€™s de bladrozetjes. Het is een onopvallend, meerjarig plantje waarvan je op het eerste gezicht zou kunnen denken dat het om mos of een grasje gaat.

Liggende vetmuur hoort tot de anjerfamilie, net zoals vogelmuur en echte koekoeksbloem. De bloemen hebben vier (soms vijf) kelkblaadjes en witte kroonblaadjes. Deze laatste zijn kleiner dan de kelkblaadjes, vallen snel af en kunnen ook ontbreken. Daardoor zien de bloemetjes er groenig uit. De plant bloeit lang, van mei tot in september. Na de bloei kromt de bloemsteel zich naar beneden, later staat die weer rechtop. In die kleine bloemetjes schijnt nectar te zitten waar bijen op af komen. Mogelijk spelen ook loopkevers een rol bij de bestuiving. Verder vindt er zelfbestuiving plaats. Wind en regenwater zorgen voor de verspreiding van de zaden.

Het plantje heeft een penwortel en een bladrozet. De stengels die hieruit tevoorschijn komen, kunnen wel 20 cm lang worden. Ze liggen (vandaar de naam) en wortelen op de knopen. Zo kunnen de plantjes kussens vormen van maar een paar cm hoog. Net zoals andere vetmuursoorten hebben de plantjes naaldvormige, rolronde blaadjes met een stekelpuntje.

Liggende vetmuur ziet er fragiel uit, maar kan goed tegen betreding en berijding. Ze groeit op plekken waar andere planten het niet uithouden. Je vindt haar in voegen van bestrating en scheuren in het asfalt, op muren en in bermen die veel belopen worden. In voegen zie je het plantje vaak samen met verschillende mossoorten (bijvoorbeeld zilvermos) en eenjarigen zoals straatgras, straatliefdegras en herderstasje.
Ook twee andere vetmuursoorten komen op deze plekken voor: donkere en uitstaande vetmuur (vroeger samen tengere vetmuur genoemd). Deze eenjarige soorten vormen geen bladrozet en wortelen niet op de knopen van de stengels, wat liggende vetmuur wel doet. (Ik ga volgend jaar eens beter naar de vetmuur in onze tuin kijken, want ik denk dat ik ze vaak allemaal liggende vetmuur noemde.)
Er is nog een eenjarige vetmuur, namelijk zeevetmuur. Deze vind je vooral buitendijks op zilte plekken in Zeeland en het Waddengebied.

Sierlijke vetmuur, ook wel krielparnassia genoemd, zie je op de foto rechtsonder. Deze soort kan minder goed tegen betreding en is te vinden op natte, voedselarme, kalkrijke grond in duinvalleien en op begroeide stranden. Hiervan vallen de bloemetjes meer op doordat de kroonblaadjes langer zijn dan de kelkblaadjes. En dan is er nog priemvetmuur. Deze soort is in het wild uit ons land verdwenen, maar wordt wel als bodembedekker verkocht, vaak onder de naam โ€˜sterremosโ€™, vetmuur of de geslachtsnaam Sagina.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. Liggende vetmuur is voorgedragen door Norbert Daemen.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ, ๐˜ฏ๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฑ๐˜ถ๐˜ฏ๐˜ต.๐˜ฃ๐˜ฆ

Soort van dag 325: rugstreeppad

(21 november 2023)

Amfibieรซn hoor je nu eigenlijk niet meer tegen te komen. Normaliter gaan ze in september / oktober in winterslaap. Bij zacht najaarsweer, zoals nu, kan dat ook later zijn. Als je op waarneming.nl kijkt, zie je verschillende recente waarnemingen van padden, kikkers en salamanders.
Het grootste deel van de amfibieรซn zoekt voor de overwintering donkere, beschutte plekjes op; slechts enkele overwinteren onder water in de modder. Padden overwinteren nooit in het water. Ze kruipen in holletjes onder de grond, diep genoeg om niet te bevriezen. Een holletje dat bedekt is door een dikke laag bladeren en strooisel, is helemaal ideaal. Volwassen rugstreeppadden graven zich soms meer dan een meter diep in. Daar blijven ze tot april zitten.

Rugstreeppadden zijn kleiner dan de gewone pad. Ze worden tot 7 cm groot. Ze zijn grijsbruin met bruine en groene vlekken. Kenmerkend is de gele streep die over hun rug loopt, ook al kan die ook ontbreken. Hun wratten hebben rode vlekjes. De iris van de rugstreeppad is groengeel met een horizontale pupil. In de voortplantingstijd (april tot in augustus) maken de mannetjes een kenmerkend en opvallend geluid dat verward kan worden met het geluid van de veenmol of de nachtzwaluw. Hier hoor en zie je een roepend mannetje. Op de foto zie je rugstreeppadden die ik in onze tuin heb gezien.

De ideale leefomgeving voor een rugstreeppad heeft ondiep, snel opwarmend water waarin de eisnoeren afgezet kunnen worden en de larven kunnen opgroeien. Dat kunnen tijdelijke watertjes zijn zoals een regenplas, ondergelopen graslanden of karrensporen. Ook gebruiken ze duinplasjes, vennen en oevers van vorig jaar geschoonde sloten. De eitjes komen, afhankelijk van de temperatuur, tussen de twee dagen en twee weken uit. De metamorfose van larve naar volwassen kikker kan al na drie weken plaatsvinden, maar kan ook drie maanden duren. Larven van de rugstreeppad voeden zich hoofdzakelijk met organisch materiaal, algen en plantendelen.
Volwassen rugstreeppadden eten insecten, zoals vliegen en mieren, spinnen en andere ongewervelden. Ze gaan โ€™s nachts op jacht. Overdag schuilen ze in muizenholletjes of zelf gegraven holletjes. Ook schuilen ze onder tegels, in tractorbanden of onder andere elementen. Voor de winter moet de schuilplaats vorstvrij zijn en boven het grondwater liggen. Plekken waar ze makkelijk kunnen graven en met allerlei schuilelementen, zijn dus heel geschikt.

Rugstreeppadden lopen, net zoals de gewone pad. Op zoek naar een geschikt leefgebied leggen ze afstanden af van 5 km. En zo kunnen deze pioniers nieuwe gebieden koloniseren.
Rugstreeppadden houden van dynamische milieus zoals duinen en langs de grote rivieren, want daar vind je bodems waar je in kunt graven en met (tijdelijke) watertjes. Daarnaast komen ze voor in heidegebieden en veenweidegebieden. Deze gebieden zijn niet echt dynamisch; wat ze kenmerkt is dat er weinig schaduw is en dat de vegetatie laag is. Als een plek begroeid raakt met bomen en struiken, dan verdwijnt de rugstreeppad en komt de gewone pad.
Je vindt rugstreeppadden niet alleen op natuurlijke dynamische plekken, maar ook op plekken waar mensen voor dynamiek zorgen, zoals akkers, zand- en kleiafgravingen en opgespoten terreinen. Daardoor worden ze โ€˜gevreesdโ€™ door projectontwikkelaars en gemeenten. Want rugstreeppadden zijn beschermd vanuit de Europese Habitatrichtlijn. Wil je gaan bouwen in een gebied met rugstreeppadden, dan moet je eerst ontheffing vragen. Vooraf kun je maatregelen treffen zoals het (met toestemming) verplaatsen van rugstreeppadden, het plaatsen van paddenschermen of het zorgen voor vervangende voortplantingswateren. Meer hierover lees je in de Soortenstandaard Rugstreeppad.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. De rugstreeppad is voorgedragen door Bart de Koning.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ณ๐˜ท๐˜ฐ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ณ๐˜ข๐˜ท๐˜ฐ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 324: bekerzwammen en verwanten

(20 november 2023)

Onder paddenstoelen kun je verschillende vormgroepen onderscheiden, bijvoorbeeld de bekerzwammen en verwanten. Het gaat hierbij om beker-, kom-, kelk- of schijfvormige paddenstoelen waarbij het vlies waarin de sporen worden gevormd, naar boven is gericht. Dat betekent dat de sporen als ze rijp zijn, er niet uit kunnen vallen zoals bij plaatjeszwammen. In plaats daarvan worden de sporen uitgeworpen. Dat gebeurt als het vruchtlichaam wordt verstoord, bijvoorbeeld als je er een stevige tik tegenaan geeft. Je ziet dan de sporen als een dunne nevel opstijgen. Vervolgens kan de wind ze meenemen.
Het is een heel diverse groep waartoe ook morieljes en kluifjeszwammen gerekend worden. Je hebt soorten met hele kleine vruchtlichamen (minder dan 0,3 mm) en met heel grote vruchtlichamen (meer dan 10 cm). Er zijn soorten die erg op elkaar lijken en die je alleen met microscopisch onderzoek van elkaar kunt onderscheiden. In de collage zie je een aantal opvallende soorten.

Op de grote foto rechtsonder zie je het zandtulpje. De schimmel leeft op dode wortels van helm. Je vindt deze soort alleen in de buitenduinen langs de kust. Ik zag hem vorige week in de Amsterdamse Waterleidingduinen, op een stuivend duintje. Het onrijpe vruchtlichaam is bolvormig en zit onder het zand. Als de sporen rijp zijn, opent de bol zich en splijt die in twee tot vijf lobben. Deze lobben drukken het zand weg en dan kun je het โ€˜tulpjeโ€™ zien. De bekers hebben een diameter van maximaal 5 cm.

Links in het midden zie je een soort die tot hetzelfde geslacht hoort als het zandtulpje. Het gaat vermoedelijk om de vroege bekerzwam. Deze leeft op allerlei dood organisch materiaal: houtsnippers, strooisel, stro, compost, mest, maar ook op karton. Je vindt deze in loofbossen, parken, (moes)tuinen en kassen. Deze zag ik bij de kassen in Noordse Buurt.

Boven de vroege bekerzwam zie je een van de hazenoren, volgens ObsIdentify gewoon varkensoor. Deze vond ik een paar jaar geleden in het Voorster- en Waterloopbos in de Noordoostpolder. Hazenoren zijn geen opruimers, maar leven samen met de wortels van bomen.

Op de foto daarnaast zie je een morielje. Elke holte van de hoed van een morielje is gevuld met sporendragend vlies. Morieljes kun je in april en mei vinden. In ons land komen een paar soorten voor die allemaal op kalkhoudende bodems groeien. De schimmels van morieljes zitten op wortels van bomen en struiken (zoals es, iep en meidoorn).
Er is nog veel onbekend over morieljes. Uit DNA-onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat โ€˜gewone morieljeโ€™ eigenlijk uit verschillende soorten bestaat. Gezien de vindplaats (duinen van Goeree) en wat ObsIdentify ervan maakt, zou het op de foto om de duinmorielje kunnen gaan, een soort die ook op plekken zonder bomen groeit zoals hier. Deze soort is pas in 2020 als (nieuwe) Nederlandse soort erkend.

Rechtsboven zie je oranje mosbekertjes (of een van de nauwverwante soorten). Je vindt deze in de herfst en de winter als geeloranje schijfjes tussen mos op zandgronden. Hier zie je ze tussen de haarmossen in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Van de mosbekertjes is niet precies bekend of ze opruimers zijn of dat ze (ook) op mos parasiteren.

Rechtsonder zie je rode kelkzwammen (of een van de nauwverwante soorten). Deze opvallende soort vind je in de winter en het voorjaar op dood hout van wilg en els.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. Het zandtulpje is voorgedragen door Terenia de Reus.

Soort van dag 323: meidoorn

(19 november 2023)

Meidoorn is een belangrijke voedselplant voor allerlei bes-etende vogels, zoals lijsterachtigen (zie ook de soorten van gisteren). In ons land zijn drie soorten inheems: eenstijlige meidoorn, tweestijlige meidoorn en de zeer zeldzame koraalmeidoorn. Van nature staan ze op verschillende standplaatsen en ook verschillen ze iets in bloeitijd. De tweestijlige meidoorn komt vooral in het oosten van het land voor. De eenstijlige is heel algemeen, mede omdat deze soort vaak wordt aangeplant. Waar ze naast elkaar voorkomen, kunnen de soorten makkelijk kruisen. Het schijnt dat er nauwelijks meer zuivere tweestijlige meidoorns in ons land zijn. Daarom heb ik het hier gewoon over โ€˜meidoornโ€™.
Bij de aanplant van meidoorns werd (en wordt?) vaak plantmateriaal uit Zuid-Europa gebruikt. Verder worden ook andere (exotische) meidoornsoorten aangeplant, evenals allerlei cultuurvariรซteiten.

Een meidoorn is een struik met doorns die soms ook tot een kleine boom kan uitgroeien. Meidoorn hoort tot de rozenfamilie en dat is duidelijk aan allerlei kenmerken te zien, zoals de vijftallige bloemen en de vele meeldraden. De struik bloeit in mei met witte of enigszins roze bloemen. De bloemen worden bezocht door bijen en vliegen zoals de dansvlieg op de foto onderaan. Daarna vormen de bessen zich die in augustus rijp zijn. Vervolgens blijven die tot in de winter hangen, tot ze door hongerige vogels opgegeten worden.

Scheefgezakte meidoorns in de duinen kunnen vaak flink begroeid zijn met korst-, blad- en levermossen (foto rechtsonder). Er zijn verschillende zwammen die je in de buurt van meidoorns kunt aantreffen. Op afgevallen bessen kun je bijvoorbeeld vanaf mei de meidoornbesgeweizwam en het meidoornrotkelkje vinden. Nog nooit gezien, dus daar ga ik komend voorjaar eens naar op zoek. Ook is er een roest die je op meidoorn kunt vinden: de meidoorn-jeneverbesroet (foto onderaan).
Veel insecten die soorten van de rozenfamilie als waardplant hebben, vind je ook op meidoorn. Van de rookkleurige fruitmot en een bepaald bronsvliegje leven de larven in de bessen. Vanaf januari kun je in het zuiden en oosten van het land โ€™s nachts meidoornspanners zien vliegen die meidoorn (en sleedoorn) als waardplant hebben. En uiteraard is de struik waardplant van de meidoornstippelmot.
Meidoorn kan te lijden hebben van bacterievuur, ook wel perenvuur genoemd. Hierbij worden de uiteinden van de scheuten in het voorjaar bruin en zwart en hangen ze er als vaantjes bij. Vooral meidoorns die uit Italiรซ afkomstig zijn, zijn vatbaar voor deze bacterie. Meidoorn mag daarom in bepaalde gebieden ter bescherming van de fruit- en boomteelt niet meer aangeplant worden.

Meidoorn is door zijn doornen redelijk beschermd tegen (grote) grazers. Daar profiteren ook andere planten van die in een meidoornstruweel opgroeien. Allerlei dieren vinden er beschutting. Vanwege de doorns werd meidoorn, vaak samen met sleedoorn en andere struiken, aangeplant als veekering. Zoโ€™n stekelige heg houdt ook roofdieren tegen en bovendien geeft het vee meer beschutting tegen zon, regen en wind dan een prikkeldraadje.
In 2018 kregen de Maasheggen langs de Maas in Noord-Brabant en het noorden van Limburg de status van UNESCO-biosfeergebied. Een biosfeergebied is een gebied waar mens en natuur samenleven. In zoโ€™n gebied wordt intensief samengewerkt aan duurzame ontwikkeling en aan doelen op gebied van economie, natuur, toerisme en water. Tot nu toe zijn de Maasheggen het enige gebied in ons land met deze toekenning. De Maasheggen vormen een eeuwenoud heggenlandschap dat bestaat uit heggen, weides, drinkpoelen en oude knotbomen. De heggen worden door boeren op een speciale manier gevlochten. De meidoorn- en sleedoornstruiken vergroeien met elkaar en zo ontstaat een ondoordringbare, โ€˜levendeโ€™ omheining.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ฏ๐˜ท๐˜ธ๐˜ข.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ถ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ด๐˜ค๐˜ฐ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 322: kramsvogel en koperwiek

(18 november 2023)

Elke jaar overwinteren miljoenen vogels uit Scandinaviรซ en Rusland in ons land. Ze hebben daar gebroed, maar in de winter is er niet genoeg eten. Een aantal van deze vogels is al voorbij gekomen. Denk maar aan rotgans, steenloper en smient.
Ook verschillende soorten zangvogels overwinteren bij ons waaronder kramsvogels en koperwieken. Daarnaast trekken er in oktober/november en in het voorjaar ook nog eens honderdduizenden van deze lijsterachtigen op doortrek door ons land. Je ziet deze vogels in groepen, vaak met kramsvogels en koperwieken bij elkaar. Ze zoeken onder afgevallen bladeren naar kleine beestjes en in graslanden naar regenwormen. Verder eten ze van bessen zoals van de meidoorn, duindoorn, kardinaalsmuts en lijsterbes. Ook houden ze van rottend fruit in boomgaarden.

Je kunt aan beide soorten vogels zien dat ze familie zijn van lijsters en merels. Mannetjes en vrouwtjes zien er gelijk uit. Koperwieken hebben een lichte oogstreep en oranjerode โ€˜okselsโ€™. Kramsvogels zijn wat groter dan koperwieken. Als ze zitten, vallen de grijze kop en staart op. Verder hebben ze een roodbruine rug.

Op de foto rechtsonder zie je koperwieken (een jaar geleden gefotografeerd in De Haeck bij de Nieuwkoopse Plassen). In de winter verblijven zoโ€™n 25.000-100.000 koperwieken in ons land, vooral in het westen en het zuiden.
Van de kramsvogels verblijven er meer in ons land: 200.000-500.000 exemplaren. Op de fotoโ€™s zie je ze in de Amsterdamse Waterleidingduinen, afgelopen woensdag. Daar zaten ze tussen de damherten op het gras, maar ze vlogen vooral heen en weer tussen de goedgevulde meidoornstruiken. Daarbij maakten ze een tsjakkend geluid. Kramsvogels zie je vooral in de duinen, in fruitteeltgebieden en op graslanden met regenwormen.
Koperwieken broeden niet bij ons. Van de kramsvogel broeden elk jaar enkele tientallen paren in het oosten en zuiden van het land.

Als het kouder wordt, trekken ze verder naar het zuiden of zoeken ze onze tuinen op. Wil je deze vogels de winter doorhelpen, dan is het goed om inheemse bessenstruiken aan te planten of rottend fruit op de voedertafel te leggen.

Dit weekend kun je meedoen aan de herfstgastentelling. Het gaat hierbij om vogels die in de herfst (en winter) naar tuinen komen om daar gebruik te maken van het voedsel wat daar te vinden is. Daarbij kan het ook gaan om soorten die in ons land broeden, maar in het najaar vooral naar stedelijk gebied trekken.
Soorten die geteld worden, zijn koperwiek, kramsvogel, vink, keep, gaai, staartmees, houtduif, pimpelmees, koolmees, zwarte mees, winterkoning, goudhaan, merel, vuurgoudhaan en roodborst. Zie hier voor meer informatie.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. De kramsvogels en koperwieken zijn voorgedragen door Chiel Bakkeren.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ท๐˜ฐ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฃ๐˜ฆ๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฎ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ด๐˜ฐ๐˜ท๐˜ฐ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ต๐˜ถ๐˜ช๐˜ฏ๐˜ต๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ญ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ.๐˜ฏ๐˜ญ

Soort van dag 321: kroosvegetatie

(17 november 2023)

Bij ons in de buurt zijn de sloten nu โ€˜kaalโ€™: zonder drijvende draadalgen, plompenbladeren of een dek van kroos. Ideaal dus als je vanaf de waterkant vissen wilt kijken, zoals ik gisteren noemde bij de snoek.
Vandaag aandacht voor het kroosdek, ook wel kroosvegetatie genoemd. Deze bestaat uit een of meerdere soorten kroos. Daarnaast kunnen hierin ook watervarens (zoals de exoot grote kroosvaren), sterrenkroos en de levermossen watervorkje en kroosmos voorkomen.

Aleks Droog stuurde mij fotoโ€™s van een klein waterplantje uit zijn vijver (foto linksboven). Het bleek te gaan om gewoon watervorkje, een levermos en dus verwant aan het parapluutjesmos. Het komt voor in heldere, stilstaande of langzaam stromende wateren. Ook zie je het wel op drooggevallen plekken. In de herfst zinken de mosplantjes naar de bodem. In het voorjaar ontstaan er nieuwe plantjes uit de toppen van de afgestorven plantjes. Het is een goede zuurstofplant en wordt daarom ook gebruikt in aquaria en vijvers.

โ€˜Kroosโ€™ is niet รฉรฉn soort, maar het gaat hierbij om verschillende soorten die horen tot de aronskelkfamilie. Het zijn de kleinst bekende vaatplanten. De planten bestaan uit schijfjes (blad en stengel in รฉรฉn) die al dan geen worteltje hebben. Zoโ€™n schijfje is een paar millimeter tot een centimeter groot. Alle soorten komen voor op rustig, (zeer) voedselrijk water. Kroos overwintert als drijvend plantje of als overwinteringsknop op de waterbodem.
Op de foto rechtsboven zie je klein kroos, รฉรฉn van de soorten uit het geslacht eendenkroos. Elk schijfje eendenkroos heeft รฉรฉn worteltje. De worteltjes hebben twee functies: ze nemen voedsel op uit het water en ze zorgen ervoor dat de blaadjes in balans blijven.
Kroos kan in het voorjaar bloeien met piepkleine bloemetjes aan de rand van het blad, maar het vermeerdert zich vooral ongeslachtelijk (vegetatief). Uit een schijfje ontwikkelen zich nieuwe schijfjes (plantjes) die vaak nog een tijdje aan elkaar vast blijven zitten. Zo kan kroos zich bij gunstige omstandigheden (juiste temperatuur, aanwezigheid van (erg) veel voedingsstoffen) enorm snel vermeerderen. De plantjes worden verspreid door de beweging van het water en door watervogels bij wie ze aan het verenkleed blijven hangen.
Dikke drijflagen van kroos (foto midden links) laten geen zuurstof en licht door. Hierdoor kunnen er onder het kroos geen waterplanten groeien en kan er door zuurstoftekort vissterfte optreden. Door klimaatverandering ontwikkelen kroosdekken zich eerder in het seizoen.
Het eiwitrijke kroos wordt door allerlei dieren gegeten. Denk maar aan eenden, karperachtige vissen, kreeftachtigen en waterslakken. Ook wordt kroos wel als veevoer of als meststof gebruikt.
Je kunt het je bijna niet voorstellen, maar dat kleine kroos is ook nog waardplant voor verschillende insectensoorten. De rups van het kroosvlindertje (foto midden rechts) leeft onder water in een kokertje van kroosschijfjes dat met lucht gevuld is. Er bestaan ook mineerders van kroosschijfjes, namelijk de larven van het kroossnuittorretje en bepaalde oevervliegen.

En dan is er nog sterrenkroos. Op de foto linksonder zie je het in een kwelsloot in Vinkeveen, begin deze maand. En op de foto rechtsonder in een stroompje bij Staverden in maart. Sterrenkroos blijft in de winter groen en is in dat jaargetijde dan ook een belangrijke zuurstofplant.
Sterrenkroos is geen familie van eendenkroos, maar verwant aan weegbree. In ons land komen negen verschillende soorten voor. De meest algemene is gewoon sterrenkroos. Deze vormt lange, tengere stengels die wortelen in de bodem. Het heeft blaadjes langs de stengel en blaadjes die als โ€˜kroosโ€™ op het water drijven. Sterrenkroos bloeit ook, met onopvallende bloempjes, zelfs onder water.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ, ๐˜๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฅ๐˜จ๐˜ช๐˜ฅ๐˜ด ๐˜ž๐˜ข๐˜ต๐˜ฆ๐˜ณ- ๐˜ฆ๐˜ฏ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ท๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฑ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ต๐˜ฆ๐˜ฏ

Soort van dag 320: snoek

(16 november 2023)

In een bericht van Nature Today uit 2009 las ik dat november een goede maand is om in Nederlandse sloten op zoek te gaan naar vissen. Het water is vaak helder en bovendien zijn de vissen trager door de lagere temperaturen. Ook de snoek moet je dan vanaf de waterkant kunnen zien. Een ander moment waarop je, zonder hengel, snoeken kunt zien is in de paaitijd. Afhankelijk van de watertemperatuur paaien ze van maart tot mei. Dat doen ze in ondiep water en ondergelopen weilanden.

Snoeken zijn niet moeilijk te herkennen. Ze zijn lang en smal, met een grote kop en een platte, brede bek. Zijn onderkaak is langer dan zijn bovenkaak. Hun rugvin zit ver naar achteren, vlak bij de gevorkte staartvin. De zijkanten zijn gevlekt. Een vrouwtjessnoek kan wel 1,40 meter lang worden. Bij ons in de buurt worden meestal snoeken van 40-75 cm lengte gevangen.
Jonge snoekjes (tot zoโ€™n 10 cm lengte) eten vooral hele kleine waterdiertjes. Daarna gaan ze over op vis. Maar ze eten eigenlijk alles wat er in de sloot zwemt en in hun bek past. Dat kunnen ook kikkers, jonge vogels en kleine zoogdieren zoals ratten zijn. Bij zijn jacht op prooien hangt een snoek stil in het water. Ziet hij een prooi, dan schiet hij met een flinke slag van zijn staart naar voren. Kleine snoekjes verstoppen zich tussen de waterplanten om te jagen, maar ook om zich te verschuilen voor grotere roofvissen zoals volwassen snoeken. Want snoeken zijn kannibalen.
Helder water met waterplanten met veel andere vissen is dus van levensbelang voor snoeken. Daarom is hun voorkomen een graadmeter voor de waterkwaliteit.

Snoeken zijn roofvissen die in bijna alle watertypen voorkomen. Roofvissen eten vissen en gewervelde dieren. Andere roofvissen in onze zoete wateren zijn snoekbaars, meerval, roofblei, baars, paling, forel en pos. Veel soorten hebben tanden. De snoek heeft er wel zevenhonderd.
De snoek is de toppredator van ons land. In de tweede helft van de vorige eeuw waren onze wateren troebel door watervervuiling en te voedselrijk water. Hierdoor ging het niet goed met de snoek. De snoekbaars heeft toen de rol van toppredator tijdelijk overgenomen. De snoekbaars is een exoot die sinds het einde van de 19e eeuw is uitgezet ten behoeve van de beroeps- en sportvisserij. Snoekbaarzen jagen juist in troebel water en ze staan op het menu van de snoek. Een duidelijk verschil tussen een snoek en een snoekbaars is, dat een snoekbaars twee rugvinnen heeft en een snoek maar รฉรฉn. Momenteel is de snoek weer terug als toppredator en neemt het aantal snoekbaarzen af.
Snoeken worden door verschillende visetende vogels gevangen: aalscholvers, futen, reigers, zaagbekken, visarenden en ijsvogels.

Ik heb zelf geen fotoโ€™s van snoeken. Daarom heb ik Kees de Vries (sportvisser, voorzitter van HSV Wilnis) om fotoโ€™s gevraagd. Bij de onderste fotoโ€™s zie je een klein snoekje (10 cm) en een klein snoekbaarsje.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ณ๐˜ข๐˜ท๐˜ฐ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ฉ๐˜ด๐˜ท๐˜ธ๐˜ช๐˜ญ๐˜ฏ๐˜ช๐˜ด.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ด๐˜ฑ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ต๐˜ท๐˜ช๐˜ด๐˜ด๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ช๐˜ซ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 319: tamme kastanje

(15 november 2023)

Vandaag is het de Nationale Boomfeestdag. Hiermee wordt de opening van het boomplantseizoen gevierd. Eind maart wordt die weer afgesloten.
Bomen planten hebben mensen altijd gedaan, vooral โ€˜nuttigeโ€™ bomen: bomen die ons vruchten en (constructie)hout leveren. Deze bomen waren (en zijn) niet altijd van oorsprong inheems (inheems wil zeggen: ze hebben zich op eigen kracht hier gevestigd). Een soort die mogelijk al voor de Romeinse tijd in onze streken werd aangeplant, is de tamme kastanje. Deze komt oorspronkelijk uit Zuid-Europa. De Romeinen hebben deze vervolgens verder verspreid.
Tamme kastanje is daarmee een zogenaamde archeofyt: een plant die zich voor 1492 met behulp van de mens hier gevestigd heeft. 1492 is het jaar waarin Columbus Amerika โ€˜ontdekteโ€™; daarna kwamen nog veel meer soorten onze kant op (en vice versa). Soorten die na 1492 zijn geรฏntroduceerd, worden neofyten of exoten genoemd. Archeofyten worden als inheems beschouwd. Andere voorbeelden van archeofyten zijn korenbloem, zevenblad en cichorei.

Tamme kastanje is verwant aan beuk en eik. Ze horen tot de napjesdragers. Deze bomen hebben mannelijke en vrouwelijke katjes. De bloemen worden vooral door de wind bestoven. Kenmerkend is het napje, een uitgroeisel aan de voet van de vrouwelijke bloemen. Dit napje omsluit de vruchten. In het geval van de tamme kastanje is deze erg stekelig en zitten er meerdere vruchten in. In elke vrucht zit รฉรฉn zaad met twee grote zaadlobben. Deze bevatten reservevoedsel voor de nieuwe boom. Deze vruchten worden vanwege de voedingswaarde door allerlei dieren (en mensen) gegeten.

De meeste napjesdragers leven met een breed scala aan schimmels samen (de mycorrhizapaddenstoelen). Volgens de Nederlandse oecologische flora is de tamme kastanje in ons land opvallend arm aan dergelijke paddenstoelen. Ik ben op zoek gegaan maar kon inderdaad geen soorten vinden waarbij de tamme kastanje specifiek genoemd wordt. Althans: in onze streken. Toch zijn er soorten die ook bij tamme kastanje voorkomen, zoals de cantharel (hanenkam).
Er is een exotische, parasitaire schimmel die kastanjekanker veroorzaakt. Aangetaste bomen moeten volgens EU-richtlijnen direct worden vernietigd om verdere verspreiding te voorkomen.
Op tamme kastanje kun je verschillende insecten vinden die specifiek deze boom als gastheer hebben, zoals een snuitkever en een bladroller. Sinds 2010 komt de tamme-kastanjegalwesp in ons land voor; een exoot uit China. Deze kunnen schijnbaar de boom zodanig aantasten dat ze verzwakken. Verder komen op tamme kastanjes allerlei insecten voor die je op meerdere soorten bomen kunt vinden, vooral op de verwante eiken.

In ons land vind je de tamme kastanje vooral in wat heuvelachtige gebieden zoals de Veluwezoom, Rijk van Nijmegen en Zuid-Limburg. De boom groeit het beste op kalkarme, matige voedselrijke en vochtige bodems. Ook kent ons land een aantal monumentale tamme kastanjes. Een mooi staat bij de Gasthuishof in Venlo (foto linksboven). Kastanjes kunnen honderden jaren oud worden. Op de foto rechtsboven zie je hakhout van tamme kastanje in de Pรฉrigord (Frankrijk). Door de bomen als hakhout te beheren kon men steeds de sterke en buigzame jonge scheuten blijven oogsten.

Naast de tamme kastanje kennen we natuurlijk ook de (witte) paardenkastanje (ten onrechte wel wilde kastanje genoemd). Deze twee soorten zijn totaal niet verwant aan elkaar. Paardenkastanjes zijn veel recenter ingeburgerd en worden dus niet als inheems beschouwd.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 318: galwespen

(14 november 2023)

Ook insecten moeten de komende winter door zien te komen. Galwespen doen dat als larve in een gal, veilig opgeborgen en met voldoende voedsel. Gallen zijn woekeringen (afwijkingen van het normale uiterlijk van een plant) die de plant zelf vormt als reactie op een ander organisme zoals een galwesp.
Het vrouwtje legt met haar legboor eitjes in het plantenweefsel. Als de eitjes uitkomen, scheiden de larfjes bepaalde stoffen uit. Als reactie hierop vormt de plant een gal. Hoe die gal eruit ziet, verschilt per soort galwesp en in welk deel van de plant de eitjes gelegd zijn. Elke soort galwesp heeft een bepaalde waardplant. Ook zijn er galwespen die eitjes leggen in bestaande gallen. Deze gallen zien er vervolgens vaak wat afwijkend uit. In ons land komen zoโ€™n tachtig verschillende soorten galwespen voor en vele daarvan hebben de eik als waardboom.
Gallen kunnen best opvallend zijn, maar de galwespen zelf zijn dat niet. Ze zijn maar 1-8 mm groot. Meestal zijn ze roodbruin of zwart van kleur.

De meeste galwespsoorten kennen binnen een jaar twee generaties: een seksuele generatie, met zowel mannetjes als vrouwtjes, en een aseksuele generatie met alleen vrouwtjes. De gallen van de verschillende generaties zien er anders uit en zitten op een andere plek van de plant. Vroeger werden die generaties daarom wel als aparte soorten beschouwd. Al die gallen en galwespen hebben hun eigen verhaal. Ik licht er twee uit. (Zie ook de mosgal.)

Op de foto linksboven zie je ananasgallen op een eik, met de aseksuele generatie van de ananasgalwesp. De eitjes zijn in een bladknop gelegd en de knopschubben vormen de gal. In elke ananasgal zit een zogenaamde binnengal met รฉรฉn larve. Deze wordt in augustus naar buiten gedrukt en valt op de grond. In het voorjaar komt daar een aseksueel vrouwtje uit. Zij legt haar eitjes in de meeldraden van een eik. Uit de piepkleine gallen die hieruit voortkomen, kruipen in mei / juni de mannetjes en de vrouwtjes van de seksuele generatie. De bevruchte vrouwtjes leggen vervolgens hun eitjes in de knoppen van de eik.

In het midden zie je een eikenboom vol aardappelgallen. Ook hier zijn de eitjes in de bladknop gelegd, maar hier zwelt het bladweefsel op. In deze grote gallen zit de seksuele generatie van de aardappelgalwesp. In รฉรฉn gal kunnen wel dertig larfjes zitten, elk in een eigen kamertje. Soms zitten er ook larfjes van parasiterende galwespen in. In de zomer vliegen de mannetjes en vrouwtjes uit, ze paren en vervolgens kruipen de vrouwtjes in de grond waar ze hun eitjes afzetten op jonge wortels van de eikenboom. Ook hier ontstaan gallen. In februari kruipen de aseksuele vrouwtjes uit de grond. Ze hebben geen vleugels en lopen langs de boomstam omhoog naar de bladknoppen waarin ze hun eitjes afzetten.

In de collage zie je naast de ananasgal knikkergallen (aseksuele generatie, op eik). Lege knikkergallen blijven nog jarenlang aan de boom hangen en bieden andere insecten een schuilplaats. Rechtsboven zie je zogenaamde gordelgallen: zwellingen van de bladnerf van een eikenblad (seksuele generatie). Op de middelste rij zie je links een plaatjesgal en rechts rode erwtengallen op eikenblad, allebei met de aseksuele generatie. In de herfst vallen de bladeren op de grond waar de larfjes in de gallen overwinteren.
Op de onderste rij zie je links gallen op hondsdraf (hondsdrafbesjesgalwesp). Daarnaast zie je gallen op kruipwilg van een bladwesp. Rechts zie je bladgallen van de esdoorngalwesp.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats. De galwespen zijn als soortgroep voorgedragen door Bart de Koning.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ฃ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ฌ ๐˜—๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ต๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜จ๐˜ข๐˜ญ๐˜ญ๐˜ฆ๐˜ฏ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ฃ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฅ๐˜ฎ๐˜ช๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ด.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 317: Gelderse roos

(13 november 2023)

In onze tuin heeft de Gelderse roos nu prachtige herfstkleuren en de struiken hangen vol met rode bessen. Deze struik heeft een verwarrende naam, want het is helemaal geen roos. Het is familie van de vlier. Een oudere naam is โ€˜watervlierโ€™. Toepasselijk, want de struik staat graag op vochtige plaatsen: bodems die niet te nat zijn maar ook niet uitdrogen. Je vindt de struik van nature door het hele land, behalve in echte veengebieden en op zeeklei. Hij kan daar natuurlijk wel aangeplant zijn, zoals bij ons in de tuin.
Gelderse roos hoort tot het geslacht Viburnum, dat in het Nederlands sneeuwbal heet. Hiertoe hoort een aantal geliefde tuinplanten, waaronder de wollige sneeuwbal die overigens ook inheems is (op droge, kalkrijke grond).

De witte bloemen van de Gelderse roos staan in vlakke tuilen. Als je goed kijkt, zie je twee soorten bloemen (foto linksboven). De randbloemen zijn relatief groot en hebben als taak om insecten te lokken. Meeldraden en stampers ontbreken. De kleine bloemen middenin zijn de vruchtbare bloemen. Kevers, zweefvliegen en ook enkele vlindersoorten komen hier nectar en stuifmeel halen. De struik bloeit eind mei, begin juni.
De vruchten zijn knalrood en blijven lang hangen. Bij ons in de tuin hangen soms in het voorjaar de verschrompelde velletjes nog aan de struik. De bessen zijn namelijk erg bitter en ze ruiken ook nog eens onaangenaam muf. Vogels mijden de vruchten in eerste instantie. Maar als ze eenmaal bevroren zijn geweest, eten lijsters en merels er wel van. Vogels die bekend staan als liefhebbers van deze vruchten, zijn de pestvogels. Bij ons vorige huis hebben we eens een groep in onze tuin gehad, samen met een paar spreeuwen. Pestvogels broeden in Noord-Europa en komen in sommige winters massaal naar ons land als er in het noorden niet genoeg bessen zijn.

Een insect dat algemeen op Gelderse roos gevonden wordt, is het sneeuwbalhaantje dat het blad tot op de nerven kan opeten (foto linksonder). Ook enkele vlinders en bladluizen zijn gespecialiseerd op Gelderse roos, maar ze zijn ook op de wollige sneeuwbal te vinden. Op de foto naast het sneeuwbalhaantje zie je de eieren van de snuitkeverschildwants op de onderkant van een blad van de Gelderse roos. Deze wantsen eten niet van de plant maar jagen op kevers en hun larven, dus ook op sneeuwbalhaantjes.
Op de foto rechtsonder zie je een vergroeiing van een tak van de Gelderse roos, veroorzaakt door een bacterie. Deze bacterie (Agrobacterium tumefaciens) die op veel meer soorten bomen en struiken voorkomt, zet de cellen aan tot onbeperkte celdeling. De ontwikkeling van deze tumoren vraagt veel energie van de plant en dat heeft invloed op groei, bloei en vruchtontwikkeling. Het ziektebeeld wordt kroongalziekte genoemd.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜–๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข