Soort van dag 256: beuk

(13 september 2023)

De beuk hoort tot de napjesdragers, net zoals eiken en de tamme kastanje. Napjesdragers zijn eenhuizig, dus de bomen dragen of mannelijke of vrouwelijke bloemen. De mannelijke bloeiwijzen hebben de vorm van katjes. De vrouwelijke bloemen staan bij elkaar in een bekervormig omhulsel, het napje. De bestuiving gebeurt door de wind. Beuken bloeien in april en mei, gelijktijdig met het uitlopen van het blad. Daarna ontwikkelen de vruchten zich, de welbekende beukennootjes. Het napje beschermt de vruchten tot ze rijp zijn. Overigens bloeien de bomen niet elk jaar en zijn er dus ook niet elk jaar vruchten.
Opvallend aan de vruchten van de napjesdragers zijn de twee grote zaadlobben waarin het reservevoedsel voor de nieuwe plant zit. Daarom zijn de vruchten van napjesdragers bij veel dieren geliefd als voedsel. In jaren met veel beukennootjes overwinteren er extra veel kepen in ons land. Eekhoorns, muizen, boomklevers en mezen verslepen de vruchten en zorgen zo voor de verspreiding van de soort.
Niet alle vruchten worden opgegeten. In het voorjaar zie je daarom onder een beuk tientallen beukenzaailingen met hun karakteristieke niervormige blaadjes. Uitgroeien tot woudreuzen doen de meeste niet, want ze hebben geen overlevingskans in de schaduw van de moederboom.

De beuk is een typische soort van Midden- en West-Europa en komt ook van nature op de hogere gronden van ons land voor. Beuken gedijen het beste op kalkrijke, vochthoudende bodems. Daar kennen beukenbossen een rijke voorjaarsflora met planten die bloeien voordat het blad aan de bomen verschijnt (bijvoorbeeld Hallerbos in Vlaanderen). In beukenbossen staan weinig struiken vanwege de wortelconcurrentie: beuken wortelen oppervlakkig en dicht. Ook de zware schaduw van de bomen speelt natuurlijk een rol.
In ons land zie je weinig onderbegroeiing. De huidige beukenbossen zijn aangeplant en staan veelal op kalkarme (zure) en droge bodems. Beukenbladeren verteren slecht en zorgen nog eens voor extra verzuring van de bodem.

Er zijn verschillende insecten afhankelijk van beuken zoals de beukenwolluis (foto midden links). Op beukenbladeren kun je de puntvormige gallen vinden van de beukengalmug (foto linksonder). Verschillende vlinders gebruiken de beuk (mede) als waardplant zoals de tauvlinder. Beuken zijn belangrijk voor broedvogels zoals zwarte specht en fluiter.
Beuken leven, net zoals eiken, samen met heel veel soorten bodemschimmels. Deze vormen netwerken rondom de wortels. In ruil voor suikers verhogen de schimmels de opname van voedingsstoffen door de boom. Zeker op armere gronden is dat nodig om aan voldoende voedingsstoffen te komen. Daarnaast zijn ook andere zwammen gebonden aan beukenbossen zoals de prachtmycena die op dood beukenhout te vinden is (foto rechtsonder). Als beuken op hoge leeftijd zijn gekomen, vallen ze ten prooi aan talrijke parasitaire zwammen. Daarover vertel ik morgen meer. (Overigens worden beuken lang zo oud niet als eiken: slechts 150-300 jaar.)

Beuken groeien niet alleen in bossen, maar worden ook aangeplant als park- en laanboom en als haag. Er bestaan allerlei cultuurvariรซteiten waarbij geselecteerd is op bladkleur, bladvorm en vorm van de boom.
Beukenhout wordt o.a. gebruikt voor vloeren, meubels en het roken van vis. De gladde bast van een beuk nodigt uit tot het inkerven van namen en hartjes. Mensen kunnen beukennootjes, mits geroosterd, consumeren. Vers moet je er niet te veel van eten omdat er blauwzuur in zit.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ฆ๐˜ช๐˜ง๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฏ๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ.๐˜ฅ๐˜ฆ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 255: winterkoning

(12 september 2023)

Hoe zit het momenteel met de vogelgeluiden in de tuin? Ik was er afgelopen zondag eens rustig voor gaan zitten. In elk geval lieten de cettiโ€™s zanger en de tjiftjaf zich uitgebreid horen. Verder hoorde ik wat meesjes. Bij de buren klonk ineens het geschreeuw van een gaai, gevolgd door de alarmroep van een merel en van een winterkoning. Deze laatste laat zich al horen als wij of onze hond in de tuin verschijnen. Hem zien is een ander verhaal. Soms zie ik hem in een flits laag over het gras of de sloot wegschieten naar de beschutting van een struik of haag. Of ik zie blaadjes bewegen op de plek waar een winterkoning zich verstopt.

De winterkoning is een van onze kleinste vogelsoorten (goudhaan en vuurgoudhaan zijn kleiner). De winterkoning is 9 ร  10 cm lang en weegt net zoveel als twee suikerklontjes of twee A4-tjes. Hij is bruin en heeft een opwippend staartje. De zang van een winterkoning is erg krachtig voor zoโ€™n kleine vogel. Hier kun je de zang en de alarmroep horen.

Het mannetje van de winterkoning maakt in het voorjaar meerdere nesten waaruit het vrouwtje mag kiezen. Zoโ€™n nest is bolvormig en bedekt met veel mos. Het vrouwtje zal het nest kiezen dat in haar ogen het beste verstopt is. Als het vrouwtje op haar nest zit, probeert het mannetje een ander vrouwtje naar รฉรฉn van zijn nesten te lokken. Ze hebben twee of drie legsels per jaar, met per legsel vijf tot zeven eieren. De nesten vind je in struiken en hagen, maar ook op andere plekken. Bij ons in de tuin vonden we een begin van een nest in de holte van een knotwilg en een nest onder de dakrand (zie fotoโ€™s). Twee jaar geleden was dat laatste nest in gebruik.

De winterkoning kent wel 28 ondersoorten. Zo hebben verschillende eilandengroepen ten noorden van Groot-Brittanniรซ elk een eigen ondersoort (Shetland, Fair Island, IJsland, Faerรถer, Hebriden, Saint Kilda). Ook de ondersoort van Groot-Brittanniรซ en Ierland is een andere dan bij ons. Winterkoninkjes kunnen zich goed aanpassen aan de gebieden waar ze voorkomen (van bosrijk tot boomloos). De ondersoorten verschillen bijvoorbeeld wat betreft grootte, lengte van de snavel en kleur. Bij ons is de winterkoning een algemene vogel van bossen, parken en tuinen. Bij de laatste Tuinvogeltelling stond hij op plaats 21.

Winterkoninkjes eten vooral insecten en spinnen die ze bijvoorbeeld in struiken en schorsspleten vinden. In de winter worden โ€˜onzeโ€™ vogels aangevuld met exemplaren uit Scandinaviรซ.
Anders dan je zou denken, is de winterkoning niet winterhard. In de winter is er minder voedsel te vinden, zeker als het koud is. Het aantal fluctueert daardoor erg. In echt koude winters blijft maar 10% van de volwassen exemplaren over. Maar omdat ze met zoveel zijn en veel legsels met veel jongen hebben, herstelt de stand zich wel weer. Naast de winterkou is de huiskat de grootste vijand van de winterkoning. Winterkoninkjes worden meestal niet ouder dan twee jaar.

De winterkoning heeft veel andere namen, zoals klein jantje. Over de naam โ€˜winterkoningโ€™ bestaat een mooi verhaal dat Aristoteles al kende en dat in veel versies voorkomt. Ik heb het verhaal zelf regelmatig verteld. Hier vind je een mooie, uitgebreide versie waarin ook veel andere vogelsoorten een rol spelen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜๐˜ฐ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฃ๐˜ฆ๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฎ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ, ๐˜ต๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ถ๐˜ธ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 254: kaasjeskruidfamilie

(11 september 2023)

Momenteel kun je nog op veel plekken kaasjeskruid zien bloeien. Vier soorten worden als inheems beschouwd, maar komen ook verwilderd voor: groot kaasjeskruid, klein kaasjeskruid, muskuskaasjeskruid en vijfdelig kaasjeskruid. Ze hebben allemaal een zuidelijke herkomst en zijn al lang geleden als cultuurvolger in ons land terecht gekomen. Daarnaast zijn er nog twee soorten die minder lang in ons land voorkomen: rond en kleinbloemig kaasjeskruid.
Tot de kaasjeskruidfamilie horen verder de inheemse soorten heemst, winterlinde en zomerlinde (lindebomen komen een andere keer aan de orde). Ook verschillende bekende tuinplanten horen tot deze familie: stokroos, fluweelblad, lavatera en de hibiscussoorten drie-urenbloem en althaeastruik. Ook de katoenplant hoort tot deze familie. Verder komen van de inheemse soorten verschillende cultuurvariรซteiten voor.

Wat is zo kenmerkend voor de kaasjeskruidfamilie? De bloemen hebben niet alleen een kelk (vijf groene blaadjes onder de vijf gekleurde kroonbladen), maar ook een bijkelk. Dit zijn vergroeide steunblaadjes. Bij heemst heeft de bijkelk zes tot negen slippen (foto). De kaasjeskruiden hebben een drieslippige bijkelk. Verder zijn de meeldraden vergroeid tot een meeldraadbuis. Op die buis staat een kwastje met de helmknoppen. De stamper zit in de meeldraadbuis opgesloten en de stempels komen uit de top van de meeldraadbuis tevoorschijn. Dat gebeurt pas als de helmknoppen het stuifmeel hebben afgegeven. Zo wordt zelfbestuiving voorkomen. Op de foto kun je goed het zuiltje zien, met uitwaaierende helmknoppen en stempels. De nectar zit aan de voet (โ€˜nagelโ€™) van de kroonbladen. De bloemen worden bezocht door hommels en andere bijen.
De vrucht van de kaasjeskruiden is een zogenaamde splitvrucht: bij rijpheid splitst deze in afzonderlijke dopvruchten. Bij kaasjeskruid heeft de splitvrucht de vorm van een kaas, vandaar de naam.

Verschillende soorten insecten zijn afhankelijk van kaasjeskruid en heemst. Ze maken geen onderscheid naar soort. Er is een geslacht van snuittorretjes en een geslacht van aardvlooien die gespecialiseerd zijn op kaasjeskruid. Er zijn verschillende vlinders die uitsluitend kaasjeskruidsoorten als waardplant hebben: kaasjeskruiddikkopje, malvabandspanner en een motje dat van de zaadjes leeft. Distelvlinders gebruiken ook kaasjeskruid als waardplant. Verder is er een roest die je op alle kruidachtigen van de kaasjeskruidfamilie kunt aantreffen, namelijk kaasjeskruidroest, een exoot afkomstig uit Chili. Verschillende zaadeters eten de zaden van kaasjeskruid.

In de collage zie je linksboven groot kaasjeskruid met daarnaast de tuinvariรซteit die in veel zaadmengsels zit en grotere en donkerdere bloemen heeft (tuinkaasjeskruid). Daarnaast zie je muskuskaasjeskruid. Vijfdelig kaasjeskruid lijkt hier veel op maar heeft geen muskusgeur. Rechts zie je klein kaasjeskruid.
Onderaan links zie je heemst met een steenhommel. Daarnaast zie je de bijkelk van heemst, de meeldraadzuil van groot kaasjeskruid en tenslotte een van de stadia van kaasjeskruidroest.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 253: hangmatspinnen

(10 september 2023)

Ook vandaag kun je nog spinnen tellen in huis en tuin (https://www.tuintelling.nl/). Gisteren ging het om de meest opvallende spinnen, namelijk de wielwebspinnen. Vandaag gaat het om de familie met de meeste soorten in ons land (237), namelijk de hangmatspinnen, ook wel baldakijnspinnen genoemd. Een aantal soorten zijn middelgroot en vrij goed herkenbaar aan het patroon op hun achterlijf. Een groot deel zijn zogenaamde dwergspinnen: donkere, glanzende spinnetjes zonder achterlijfpatroon van een tot drie millimeter (fotoโ€™s rechts). Deze zijn alleen met een microscoop op naam te brengen. De exemplaren op de foto heb ik uit een struik geschud en opgevangen in een witte bak (vangmethode klopscherm).

De webben van hangmatspinnen zul je vast wel eens gezien hebben, vooral op een nevelige ochtend in het najaar. De webben zijn hangmatvormig en hangen in hagen (foto linksonder) of tussen de planten op bijvoorbeeld de heide (foto rechtsonder). In tegenstelling tot de draden van wielwebben kleven de draden van het web niet. De spin zelf hangt ondersteboven onder het web of heeft zich verstopt in een holletje dat verbonden is met het web. Voelt de spin trillingen in haar web, dan schiet ze tevoorschijn, bijt de prooi van onderen door het web heen en injecteert die met gif. Vervolgens trekt ze de prooi naar zich toe. Mieren kunnen deze val nog wel uit komen, maar zwaardere insecten zoals kevers en vliegen zijn verloren.
Ook andere spinnenfamilies maken hangmatvormige webben. Zit er een trechtervormige vluchtweg aan, dan heb je te maken met trechterspinnen. Zijn het warrige, kleverige, driedimensionale webben, dan gaat het om kogelspinnen.

De dwergspinnen worden ook wel hoog in de lucht aangetroffen, tot op 10 km hoogte. Uiteraard kunnen ze niet vliegen, maar ze zweven daar aan een draadje. Ballooning, wordt dat genoemd. Ook jonge exemplaren van bijvoorbeeld kruisspinnen en wolfspinnen doen aan ballooning. De dwergspinnen kunnen zich op deze wijze sneller en verder (tot 200 km) verspreiden dan andere spinnensoorten en zijn daarmee echte pioniers. Het zijn typische soorten van gematigde streken en ze worden tot in de poolstreken aangetroffen.

Een makkelijk herkenbare en veel voorkomende soort is de herfsthangmatspin (foto linksboven) die je o.a. in heggen en hagen kunt aantreffen. De soort heeft een lichaam van een ruim een halve centimeter groot en is herkenbaar aan het bruine bladpatroon op het achterlijf. Op het borststuk zit een figuur in de vorm van een stemvork. Je kunt volwassen exemplaren tegenkomen van juli tot oktober. Deze spin maakt boven het web struikeldraden waar insecten tegenaan vliegen. Vervolgens storten ze neer.
Mannetjesspinnen moeten in het algemeen uitkijken voor de vrouwtjes, want die zien in hen zeker na de paring een lekker, voedzaam hapje. Mannetjes van de herfsthangmatspin mogen in de paringstijd (september) het web met een vrouwtje delen. Ook na de paring blijft het mannetje nog even om te voorkomen dat andere mannetjes in het web willen kruipen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ฃ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ฌ ๐˜‰๐˜ข๐˜ด๐˜ช๐˜ด๐˜จ๐˜ช๐˜ฅ๐˜ด ๐˜š๐˜ฑ๐˜ช๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ, ๐˜ธ๐˜ฆ๐˜ฃ๐˜ด๐˜ช๐˜ต๐˜ฆ๐˜ด ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข ๐˜ฆ๐˜ฏ ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 252: wielwebspinnen

(9 september 2023)

Dit weekend is het de Nationale Spinnentelling. Mensen wordt gevraagd om in tuin รฉn huis op zoek te gaan naar spinnen en door te geven welke soorten en hoeveel ze zien. Tip: ga โ€™s avonds met een zaklantaarn buiten kijken. Je zult verbaasd staan hoeveel spinnen je ziet, want veel spinnen zijn vooral โ€™s nachts actief. Uiteraard zie je ook webben, waarvan de wielwebben het opvallendst zijn, zeker met mist zoals vanmorgen.

In ons land komen zoโ€™n 630 soorten spinnen voor. Al eerder zijn de strekspinnen en de huiszebraspin voorbij gekomen. Van de wielwebspinnen (kruisspinachtigen) komen in ons land 36 soorten voor. Op de fotoโ€™s zie je zes soorten die ik in onze tuin heb waargenomen.
Wielwebspinnen zijn middelgroot tot groot en hebben een breed achterlichaam. Ze maken wielwebben met een kleverige vangspiraal en een gevuld centrum. De mannetjes zijn veel kleiner dan de vrouwtjes. Vrouwtjes verpakken zoals alle spinnen hun eitjes in een cocon van spinsel. Bijna alle spinnen hebben een eenjarige cyclus.

De bekendste wielwebspin is de kruisspin (foto linksboven). Het achterlijf van deze spin is afgerond driehoekig met daarop het karakteristieke kruis, bestaande uit witte vlekken. Omdat deze grote spin dag en nacht in haar web hangt, is het een van de meest bekende en waargenomen spinnensoorten. Volwassen exemplaren zie je van augustus tot in de herfst. Het vrouwtje zet haar eitjes af op een beschutte plek; de cocon is bedekt met een geel wollig spinsel. Ze blijft erbij tot ze sterft. In het voorjaar komen de jonge spinnen tevoorschijn.
Op de foto ernaast zie je de rietkruisspin. Deze spin maakt haar web tussen hoge grassen en riet. Deze is kleiner dan de kruisspin en variabel van kleur. Het web heeft maar weinig spaken. Aan de rand van het web zit een schuilspinsel waar de spin zich overdag ophoudt. Hierin zit ook het eicocon. Ze is โ€™s nachts te zien van mei tot september.
Een soort die verward kan worden met de rietkruisspin, is de brugspin (foto midden links). Deze tref je met haar tamelijk grote webben vooral aan op gebouwen, onder bruggen, in tunnels enzovoort, vooral bij buitenlampen en straatverlichting. Rond onze hooiberg zitten tientallen exemplaren met overlappende webben. Overdag zie je ze niet; dan zitten ze in hun schuilspinsel. Vrouwtjes zijn het hele jaar te zien.
Daarnaast zie de platte wielwebspin die een breed en plat achterlijf met variabele kleur heeft. De soort kan makkelijk herkend worden aan het eikenbladpatroon op het achterlijf. Deze spin verstopt zich overdag onder schors en in kieren. Ze kan zich extra plat maken door pezen aan te spannen. De aanhechtingspunten van die pezen zijn zichtbaar als putjes.
Een mooi klein wielwebspinnetje is de komkommerspin. De soorten van dit geslacht worden zo genoemd omdat hun achterlijf groengekleurd is. De twee meest algemeen voorkomende soorten zijn met het blote oog niet van elkaar te onderscheiden. De komkommerspin maakt een horizontaal web en geen verticaal web zoals de andere genoemde wielwebspinnen. Je ziet de volwassen exemplaren in de zomer. Het eicocon legt ze op een blad dat in de herfst op de grond valt.
Een heel opvallende soort is de wespspin, ook wel tijgerspin genoemd. Deze soort is relatief nieuw in ons land, afkomstig uit Zuid-Europa. De webben zijn op een meter hoogte vooral te vinden in heidevelden en graslanden. Opvallend aan het web zijn de twee zigzagmatjes. De functie ervan is niet helemaal duidelijk. Wespspinnen zijn ook overdag te zien (juli-september) en vangen vooral sprinkhanen in hun web.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ฃ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ฌ ๐˜‰๐˜ข๐˜ด๐˜ช๐˜ด๐˜จ๐˜ช๐˜ฅ๐˜ด ๐˜š๐˜ฑ๐˜ช๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ, ๐˜ธ๐˜ฆ๐˜ฃ๐˜ด๐˜ช๐˜ต๐˜ฆ๐˜ด ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ฏ๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฑ๐˜ถ๐˜ฏ๐˜ต.๐˜ฃ๐˜ฆ ๐˜ฆ๐˜ฏ ๐˜ธ๐˜ข๐˜ข๐˜ณ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฎ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ.๐˜ฏ๐˜ญ

Soort van dag 251: Jacobskruiskruid en Sint-Jacobsvlinder

(8 september 2023)

Vanuit de auto viel me deze week op hoeveel (her)bloei er in de bermen is van gele composieten. Zo zag ik boerenwormkruid en Jacobskruiskruid, maar vooral veel bezemkruiskruid (foto linksboven). Deze laatste plant komt oorspronkelijk uit Zuid-Afrika en is waarschijnlijk met wol in Europa ingevoerd. In 1939 werden in ons land bij Tilburg de eerste exemplaren gezien. Via spoorlijnen en wegbermen heeft de plant zich inmiddels over bijna het hele land verspreid. Bezemkruiskruid kun je nog tot ver in de winter in bloei zien. Deze plant wordt door allerlei bestuivers bezocht maar heeft als exoot verder weinig ecologische waarde. Dat is wel anders voor een andere kruiskruidsoort, namelijk Jacobskruiskruid.

In ons land komen meerdere soorten kruiskruid voor, tegenwoordig op basis van DNA-onderzoek verdeeld over drie geslachten (kruiskruid, Jacobskruiskruid plus een geslacht waartoe alleen moerasandijvie behoort). In de Nederlandse oecologische flora vormen ze nog รฉรฉn geslacht. De allereerste soort die ik behandelde, was klein kruiskruid en die hoort tot hetzelfde geslacht als bezemkruiskruid. Tot het geslacht Jacobskruiskruid hoort o.a. ook waterkruiskruid (foto rechtsboven).
Alle in Nederland voorkomende kruiskruiden bevatten voor mens en dieren giftige pyrrolizidine alkaloรฏden (stoffen die bijvoorbeeld ook in smeerwortel zitten). Deze stoffen hopen zich bij consumptie op in de lever en kunnen onherstelbare schade veroorzaken. Paarden eten bijvoorbeeld geen levende kruiskruiden, maar kunnen de stoffen via hooi binnen krijgen. Elk jaar laaien weer discussies op over hoe gevaarlijk deze plant al dan niet is en of die bestreden moet worden. Die discussie ga ik hier niet herhalen. Er is een website waarop je alle feiten en fabels kunt vinden.

Jacobskruiskruid is een inheemse twee- of meerjarige plant. De zaden ontkiemen op open plekken in grasvegetaties. In het eerste jaar zie je alleen de rozetten (foto links midden). De bladen zijn liervormig en gelobd. Jakobskruiskruid bloeit meestal in het tweede jaar, van juni tot in oktober. De naam van de plant verwijst naar de datum van Sint-Jacob (25 juli), maar de plant kun je al veel eerder bloeiend aantreffen. Nadat de plant zaden gevormd heeft, sterft hij af. De bloeiwijze is tuilvormig met veel bloemhoofdjes en de bloemen zijn opvallend (boterbloem)geel.
Er worden twee ondersoorten onderscheiden: een met lintbloemen (gewoon Jacobskruiskruid) en zonder lintbloemen (duinkruiskruid). Ook tussenvormen worden wel aangetroffen.

De bloemen zijn een belangrijke bron van nectar en stuifmeel. Zoโ€™n 150 insectensoorten maken er gebruik van, waaronder veel bijen, zweefvliegen en vlinders. Op de fotoโ€™s onderaan zie je een roestbruine kromlijf en een pluimvoetbij. Beide insecten vliegen nog tot begin september. Er is een roest die vooral in de duinen op Jacobskruiskruid te vinden is: composieten-zeggeroest. Jacobskruiskruid is verder de waardplant van veel soorten insecten. De bekendste daarvan is de Sint-Jacobsvlinder.

De rupsen van de Sint-Jacobsvlinder kunnen de planten helemaal kaal eten. De zogenaamde zebrarupsen zijn erg opvallend (oranjegeel met zwarte banden) en nog tot in september te zien. Op de foto zie je ze op de ondersoort duinkruiskruid. Ook de vlinders die tot half augustus vliegen, vallen op (foto rechtsonder). Dat opvallen heeft een functie: zowel rups als vlinder zijn giftig voor vogels vanwege de opgeslagen alkaloรฏden. Overigens hebben ze wel belagers. Rode bosmieren, bijvoorbeeld, eten graag rupsen van de Sint-Jacobsvlinder. De soort overwintert als pop in de grond.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜๐˜ฆ๐˜ถ๐˜ฌ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ดโ€™ ๐˜๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข ๐˜ท๐˜ข๐˜ฏ ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ, ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 250: gewone zeehond

(7 september 2023)

Een maand geleden besteedde ik aandacht aan de grijze zeehond, ons grootste roofdier. Vandaag aandacht voor de gewone zeehond die kleiner en schuwer is en er aandoenlijk uitziet met zijn ronde kop. Maar ook de gewone zeehond is een roofdier dat vooral jaagt op bodemvissen zoals platvis. Per dag stouwt een volwassen dier wel acht kilo weg.

Op de foto in het midden links zie je zeehonden op de Galgenplaat in de Oosterschelde. We zagen deze tijdens een zeehondensafari in 2019. Van 1985-1988 werkte ik bij de Deltadienst in Zeeland en toen heb ik over de Galgenplaat rondgelopen. In die tijd waren hier geen zeehonden. Mijn man en ik hebben destijds een symposium bijgewoond over bedreigingen en kansen van zeehonden in het Deltagebied. Nu zijn er in West-Nederland 1.500 exemplaren.
In het Nederlandse deel van de Waddenzee komen zoโ€™n 8.000 gewone zeehonden voor. Op de foto in het midden rechts zie je gewone zeehonden in de buurt van Rottumerplaat (in 2008). Soms worden zeehonden ook in zoet water gezien, zelfs tot in Maastricht (in 2004).

Tot 1962 mocht er nog op zeehonden gejaagd worden. Toen de jacht stopte, duurde het nog wel even voor het aantal gewone zeehonden weer echt toenam. Zeehonden hadden namelijk ook te lijden van verstoring en watervervuiling, o.a. met PCBโ€™s . PCBโ€™s hebben een negatieve invloed op de vruchtbaarheid. (Pas sinds 2001 is de productie en het gebruik van PCBโ€™s wereldwijd verboden.)
Verder was er een paar keer een uitbraak van het zeehondenvirus; in 1988 en 2002 werd hierdoor de populatie in de Waddenzee gehalveerd. Gelukkig herstelde het aantal zich weer snel.
Jaarlijks worden in de internationale Waddenzee pups en ruiende zeehonden geteld. Het bleek dat er in 2022 bij de pups een afname was van 22% en bij de ruiende zeehonden van 12% ten opzichte van 2021. De oorzaak hiervan is onduidelijk.

Gewone zeehonden hebben een grijze tot bruingrijze vacht met vlekken. Jonge dieren zijn geel-grijs. De ogen zijn vrij groot en staan dicht bij elkaar. De neusgaten zijn V-vormig. Ze kunnen zwemmen met een snelheid van 35 km/uur en tot 500 meter diepte duiken. Elke 15 minuten moeten ze boven water komen om adem te halen. Op land bewegen ze zich voort door zich met de voorste vinnen (flippers) af te zetten en hun lichaam over de grond te slepen.

De gewone zeehond komt vooral voor in getijdengebieden, dus gebieden waar bij eb delen (platen, slikken) droogvallen. Hier kunnen ze rusten en de jongen zogen. Je ziet ze in groepen, soms wel van honderden dieren bij elkaar. Ze blijven altijd in de buurt van diep water waar ze met hoog water naar toe kunnen gaan om voedsel te zoeken of waarheen ze kunnen vluchten in geval van gevaar (of verstoring door mensen).
De paartijd van de gewone zeehond is in juli en augustus. Vanaf half mei worden de jongen geboren (die van de grijze zeehond in de winter). De pups kunnen gelijk zwemmen en duiken en gaan dan ook met hun moeder mee als de zandplaat onder water loopt. Ze worden drie tot zes weken gezoogd en door hun moeder tegen gevaar beschermd. Als hun moeder gaat jagen, blijven de pups op de zandplaat achter. Na de zoogtijd moet het jong voor zichzelf zorgen en paart de moeder opnieuw. Ook is dan de tijd aangebroken om te ruien (augustus-september).

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ธ๐˜ฆ๐˜ฃ๐˜ด๐˜ช๐˜ต๐˜ฆ๐˜ด ๐˜ก๐˜ฐ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ท๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜ช๐˜จ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ, ๐˜Œ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ฎ๐˜ข๐˜ณ๐˜ฆ, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 249: zwavelzwam

(6 september 2023)

Een paddenstoel die erg opvalt en makkelijk te herkennen is, is de zwavelzwam. De jonge vruchtlichamen van deze zwam zijn geel en oranje van kleur en hebben een lichtgele groeirand. Na twee maanden takelt de paddenstoel af. Oudere exemplaren verbleken en worden bros. De resten kun je nog heel lang aan een boom zien zitten.
De vruchtlichamen zijn 10-40 cm breed, groeien dakpansgewijs over elkaar heen en zijn vaak met elkaar vergroeid. Als je met een spiegeltje onder de hoed kijkt, zie je dat de onderkant citroengeel is en dat de zwavelzwam poriรซn (buisjes) heeft.

Zwavelzwammen horen tot dezelfde familie als de berkenzwam. De meeste soorten van deze familie leven als parasiet op bomen en struiken. Zwavelzwammen tref je aan op bomen in open landschappen, parken, boomgaarden en oude loofbossen en langs lanen. Ze komen vooral voor op eikenbomen, maar zijn ook op andere loofbomen te vinden zoals kers, robinia en wilg.
Alleen beschadigde bomen kunnen worden aangetast. Het kan hierbij gaan om een wond die ontstaan is door bijvoorbeeld maaischade aan de voet van de boom of door een afgescheurde of afgezaagde tak. Op die plek kunnen sporen in de boom dringen. De schimmel die hieruit ontstaat, veroorzaakt bruinrot. Het kernhout van de boom krimpt (de cellulose wordt afgebroken) en verkleurt roodachtig bruin in een blokjespatroon. Ernstig aangetast hout kun je tussen je vingers verpulveren tot een bruin poeder. De stam van de boom wordt geleidelijk aan uitgehold. Uiteindelijk bezwijkt de boom en zal de schimmel nog een aantal jaren doorleven als saprofyt op het dode hout.

De zwavelzwam is ook wel bekend onder de naam โ€˜boskipโ€™. Dat is een vertaling van de Engelse naam โ€˜chicken of the woodsโ€™. Niet dat de paddenstoel op een kip lijkt, maar de textuur en smaak lijken op kippenvlees. De paddenstoelen worden jong gegeten al zijn er mensen die allergisch zijn voor de alkaloรฏden die de paddenstoelen bevatten.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข.๐˜ฃ๐˜ฆ

Soort van dag 248: harig wilgenroosje

(5 september 2023)

Op allerlei natte, ruige en voedselrijke plekken staan nog steeds harige wilgenroosjes in bloei. De bossig uitgroeiende plant kan wel meer dan 1,5 meter hoog worden. De bloemen zijn vrij groot (2-3 cm in doorsnede). Op de foto linksonder zie je dat de bloem vier hartvormige, paars-roze kroonbladen heeft. De stempel heeft vier lobben die in een kruisvorm staan. Ook de meeldraden zijn goed te zien: vier korte en vier lange.
Het lijkt net alsof de bloemen op een lange steel staan. Die โ€˜steelโ€™ is het langwerpige vruchtbeginsel. De vrucht die hieruit ontstaat is ook langwerpig en lijkt wel wat op een hauw. Dergelijke vruchtbeginsels en vruchten zijn typerend voor soorten van de teunisbloemfamilie waartoe het harig wilgenroosje behoort. Als de zaden rijp zijn, splijt de langwerpige doosvrucht open en komen de zaden vrij (foto rechtsboven). Elk zaadje heeft een pluimpje van lichte haren, dat haarkuif wordt genoemd, en wordt door de wind meegenomen.

Harige wilgenroosjes hebben wortelstokken met lange uitlopers die flinke stukken grond kunnen koloniseren. Uit de knoppen aan het einde van de uitlopers verschijnen in de lente onbehaarde, glanzende bladeren (zie foto rechtsonder). De latere bladeren zijn behaard, net zoals de stengels. Hiermee onderscheidt de plant zich van het wilgenroosje dat onbehaarde stengels en bladeren heeft. Het wilgenroosje hoort ook tot de teunisbloemfamilie maar tot een ander geslacht. De bloemen zijn kleiner en staan in lange pluimen bij elkaar. Deze plant vind je o.a. op kapvlaktes.
Harig wilgenroosje is een basterdwederik. Van dit geslacht komen meer soorten in ons land voor. Deze hebben kleinere bloemen dan het harig wilgenroosje zoals de viltige basterdwederik (foto bovenaan in het midden). Basterdwederiken zijn allemaal pioniers op droogvallende gronden. We vinden ze ook bij ons in de moestuin. Harig wilgenroosje tref je vaak samen aan met koninginnekruid, riet, haagwinde, watermunt, echte valeriaan, bitterzoet en wolfspoot.

De bloemen worden bestoven door o.a. bijen en hommels. Er zijn verschillende insecten gespecialiseerd op basterdwederiken. Er is een geslacht van wilgenroosjesmotten (Mompha) dat wilgenroosje, harig wilgenroosje en andere basterdwederiken als waardplant heeft. Een voorbeeld is de gewone wilgenroosjesmot (foto midden onder). Op de foto rechtsonder zie je aardvlooien op de ontluikende rozetten van het harig wilgenroosje. Waarschijnlijk gaat het om de kattenstaartaardvlo die, zoals de naam al aangeeft, ook op grote kattenstaart voorkomt. Aardvlooien zijn bladkevers waarvan de dijen van de achterpoten sterk ontwikkeld zijn. Ze kunnen daarmee grote sprongen maken, net zoals een vlo. Tenslotte zie je in het midden nog een foto van de harig-wilgenroosjebochelwants: een blindwants die sappen van het harig wilgenroosje opzuigt.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 247: hooiwagens

(4 september 2023)

Komend weekend vindt de Nationale Spinnentelling plaats en dan zal ik aandacht besteden aan verschillende soorten (groepen) spinnen. Vandaag gaat het over andere geleedpotigen die vaak spinnen genoemd worden, maar dat niet zijn, namelijk de hooiwagens. Het is een aparte orde met wereldwijd meer dan 6.000 soorten. In Nederland komen 31 soorten voor. De meeste hebben nog geen Nederlandse naam.

Bij insecten kun je achterlijf, borststuk en kop onderscheiden. Insecten hebben zes poten. Bij (echte) spinnen zie je een van elkaar gescheiden voorlichaam (kopborststuk) en achterlichaam; spinnen hebben acht poten. Hooiwagens hebben ook acht poten, maar hun lichaam vormt รฉรฉn geheel. De poten van de meeste hooiwagens zijn (zeer) lang en dun. Het tweede potenpaar van een hooiwagen is langer dan de rest. Ze gebruiken deze poten om hun omgeving af te tasten. Hooiwagens kunnen geen spindraden maken en hebben geen gifklieren. Ze hebben รฉรฉn paar ogen die op een verhoging staan (spinnen hebben drie of vier paar ogen). Verder hebben ze net zoals spinnen twee tasters. Hooiwagens worden vaak verward met trilspinnen.

Hooiwagens leven op het land en zijn te vinden op bomen, in struiken en in de struiklaag. Sommige soorten zie je ook op muren. Overdag verstoppen ze zich en โ€™s nachts gaan ze op jacht. Bij mijn strooptocht naar nachtvlinders kwam ik best veel hooiwagens tegen.

Soms zie je exemplaren met minder poten. Ze laten namelijk makkelijk een poot vallen als ze worden aangevallen. Een hooiwagen kan bijna alle poten kwijtraken: op drie poten kan hij nog lopen. De afgevallen poot blijft nog wel een uur lang bewegen. Zo wordt de predator afgeleid en kan de hooiwagen ontkomen. Bij gevaar scheiden ze een stinkende vloeistof uit. Daarom dat sommige mensen denken dat ze โ€˜giftigโ€™ zijn.
Hooiwagens zijn alleseters; ze eten dood plantmateriaal, kleine levende plantjes, dode en levende dieren. Maar ze eten vooral (kleine) insecten. Ook kannibalisme komt voor.
Eitjes worden in het najaar met een legbuis in de aarde gelegd. De meeste soorten overwinteren als ei dat in de loop van het voorjaar uitkomt. Jonge hooiwagens hebben korte pootjes en lijken veel op mijten. Ze maken zeven of acht vervellingen door voordat ze volwassen zijn. De volwassen dieren zijn pas in de (late) zomer en herfst te zien en gaan als de vorst invalt dood. In zachte winters kun je ze de hele winter nog tegenkomen.

Op de fotoโ€™s zie je vier soorten die ik in onze tuin heb waargenomen.
Linksboven zie je een rode hooiwagen. Hij heeft donker gekleurde poten die duidelijk afsteken tegen het licht gekleurde lichaam met oranje tinten. Deze soort kwam eerst alleen in Zuid-Europa voor, maar eitjes zijn vermoedelijk met grond in ons land terecht gekomen. Rechtsboven zie je de gewone hooiwagen. Deze heeft een opvallende gele โ€˜snavelโ€™. Het lichaam is variabel van kleur. Linksonder zie je een strekpoot (ook wel zuidelijke hooiwagen genoemd). Deze soort is voor het eerst in 1993 in ons land waargenomen. Hij heeft opvallende, gevorkte tasters en strekt zijn poten zijwaarts. Deze is in de herfst en vroege winter op muren te vinden. De soort rechtsonder heet Leiobunum blackwalli; deze soort heeft geen Nederlandse naam en vind je vooral in vegetaties.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ฏ๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฑ๐˜ถ๐˜ฏ๐˜ต.๐˜ฃ๐˜ฆ, ๐˜ด๐˜ฐ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ต๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜ณ๐˜ฆ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ต๐˜ฆ๐˜ณ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ