Soort van dag 166: Engels raaigras

(15 juni 2023)

Een van de grassen die vanaf juni bloeit, is Engels raaigras. Van nature vind je dit gras in tredvegetaties, omdat het goed herstelt van betreding. Je ziet het daar o.a. samen met grote weegbree, varkensgras en straatgras. Ook komt het voor in uiterwaarden, samen met o.a. witte klaver, paardenbloem, madeliefje, kruipende boterbloem en zilverschoon.

Maar Engels raaigras kennen we vooral van cultuurgraslanden zoals weilanden, hooilanden, sportvelden, speelvelden en gazons. Het wordt daar ingezaaid (vaak in mengsels met andere grassoorten) vanwege een aantal eigenschappen. Zo is Engels raaigras een belangrijk voedergewas voor melkvee. Koeien vinden het lekker, het is voedzaam en het verteert goed. Het gras groeit snel en met voldoende bemesting levert het een hoge opbrengst. Het is geschikt voor weilanden, sportvelden enzovoort omdat het goed tegen betreding kan en snel herstelt bij intensief gebruik. Het graszaad ontkiemt snel waardoor het onkruiden kan onderdrukken. Het is een van de snelst groeiende meerjarige grassen en kan goed tegen kort maaien; daarom is het geschikt voor gazons.

Engels raaigras komt vermoedelijk uit het Middellandse Zeegebied en heeft zich van daaruit over o.a. vrijwel heel Europa verspreid. In de 17e eeuw werd het gras in cultuur genomen, voor het eerst in Engeland. Vandaar Engels raaigras. Raaigras is een verbastering van rye-grass: roggegras.

In bloeiende toestand is Engels raaigras vrij makkelijk te herkennen. De aar is plat; de aartjes zitten tegen de spil van de aar aangedrukt. Deze spil zigzagt tussen de aartjes. Als je met twee vingers over de aar strijkt, voel je geen weerstand. (Dat voel je wel bij kweek waarvan de bloeiwijze op die van Engels raaigras lijkt. Bij kweek zitten de aartjes een kwartslag gedraaid op de spil.) De plant is glanzend groen; de basis van de plant is felrood van kleur.

Omdat Engels raaigras voor allerlei doeleinden kan worden gebruikt, zijn er tientallen rassen ontwikkeld. Het ras Rossera op de foto is bijvoorbeeld een laat doorschietend type. Dat betekent: het komt laat in bloei en is daarom geschikt voor weilanden. Van bloeiend gras is namelijk de voederwaarde minder. Andere eigenschappen waarop geselecteerd wordt, zijn bijvoorbeeld winterhardheid, resistentie tegen kroonroest en uiteraard de opbrengst.

Engels raaigras is dus een inheemse plant. Net zoals allerlei andere grassen is het een waardplant van verschillende vlinders (zoals het bruin zandoogje; zie foto). Maar doordat het in de melkveehouderij zoveel toegepast wordt, draagt het bij aan de verarming van de biodiversiteit (vooral als je bedenkt dat de melkveehouderij de grootste grondgebruiker van Nederland is). Nog maar twee generaties terug maakten kruidenrijke graslanden meer dan 50% van het totale graslandareaal in ons land uit. Daarvan is nog slechts een paar procent over. Op het grootste deel van de graslanden is nu Engels raaigras dominant door (her)inzaaien en veel bemesten. Op die velden (โ€˜grasfaltโ€™) is het slecht gesteld met het bodemleven en is er geen plaats voor weidevogels of insecten die op zoek zijn naar nectar en stuifmeel. Gelukkig wordt er steeds meer gestimuleerd dat melkveehouders meewerken aan het herstel van de biodiversiteit. (Kruidenrijk gras is bovendien gezonder voor de koeien en zorgt voor gezondere melk.)

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats: https://inekebams.com/soort-van-de-dag/.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข ๐˜ท๐˜ข๐˜ฏ ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ, ๐˜จ๐˜ณ๐˜ข๐˜ด๐˜ป๐˜ข๐˜ข๐˜ฅ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ณ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ต.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ฃ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ถ๐˜ณ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ฃ๐˜ช๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ท๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ด๐˜ช๐˜ต๐˜ฆ๐˜ช๐˜ต๐˜ด๐˜ฎ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ช๐˜ต๐˜ฐ๐˜ณ.๐˜ฏ๐˜ญ

Soort van dag 165: roesten

(14 juni 2023)

Op allerlei (levende) planten kun je roesten (roestschimmels) tegenkomen. Het gaat hierbij om gele, oranje, bruine of zwarte vlekjes op bladeren en/of (blad)stelen. Roesten vormen hun vruchtlichamen in het weefsel van hun gastheer en zijn met het blote oog nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Gelukkig zijn veel roestsoorten specifiek voor bepaalde plantensoorten (waardplanten). Als je op de Verspreidingsatlas kijkt, lijkt het wel of roesten zeldzaam zijn. Dat is niet zo: ze worden onvoldoende geรฏnventariseerd.

Op cultuurgewassen worden ze als schadelijke plantenziekten beschouwd. Ze kunnen grote (economische) schade aanrichten. Er komen in ons land ook exoten voor zoals de peer-jeneverbesroest (oranje vlekken op perenbladeren) en kaasjeskruidroest (op m.n. stokroos). Deze exoten zijn in ons land gekomen met invoer van plantmateriaal.

Roesten zijn een klasse van parasitaire schimmels. Kenmerkend is dat ze (in principe) een levenscyclus van vijf stadia doorlopen, op twee heel verschillende waardplanten. In elk stadium worden weer andere sporen gevormd. Er zijn geen andere organismen waarbij dat gebeurt. Wel zijn er variaties mogelijk: รฉรฉn of meer typen sporen worden niet gevormd en/of er is geen waardplantwisseling.

Ik ben me in coronatijd voor roesten gaan interesseren, toen ik iets had gelezen over roest op speenkruid en ik die ook in onze tuin vond. Ik heb in 2021 een webinar gevolgd. Sinds die tijd zoek ik regelmatig gericht naar roesten op planten. In 2011 verscheen een boekje met de Nederlandse roestsoorten. Je kunt het hier downloaden. Er worden in dit boek 345 roestsoorten beschreven. Hiervan zijn 163 soorten bekend in ons land (en komen voor op 300 plantensoorten). Daarnaast worden er nog 182 soorten beschreven die bij ons zouden kunnen voorkomen omdat de waardplanten hier voorkomen.

Verschillende roesten zijn al eerder bij โ€˜soort van de dagโ€™ genoemd. Op bijgaande fotoโ€™s zie je vier verschillende soorten die ik in onze tuin heb waargenomen.

Brandnetel-zeggeroest (linksboven) heeft drie stadia op zeggensoorten en twee stadia op brandnetel.

Algemene oranje roest (rechtsboven) is een soort die op verschillende plantensoorten kan voorkomen, zoals hier bijvoorbeeld op ruig klokje. Op ruig klokje komen drie stadia van de roest voor. De andere waardplant zijn dennen. (Die komen niet bij ons in de buurt van nature voor. Kun je nagaan hoe ver sporen door de wind verspreid worden!)

Kroonroest (linksonder) heb ik gefotografeerd op onze vuilboom (sporkehout). Inmiddels zijn de geรฏnfecteerde delen van de twijgen boven de roest afgestorven. Waardplanten zijn enerzijds wegedoorn en sporkehout, anderzijds grassen. Een ondersoort komt in de nazomer vooral voor op Engels raaigras. Volgens de website graszoden.nl komt kroonroest tegenwoordig veel vaker voor dan vroeger en dat zou ermee te maken hebben dat volgens de wetgeving geen late stikstofbemesting meer gegeven mag worden; extra stikstof remt namelijk de grasziekte af. (Maar misschien komt het ook door de monoculturen van Engels raaigras? Morgen meer over dit gras.)

Op speenkruid kunnen drie soorten roest voorkomen. Op dit speenkruidblad (rechtsonder) zit speenkruidroest.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ฃ๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ฎ๐˜ฑ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ต.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜จ๐˜ณ๐˜ข๐˜ด๐˜ป๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ฎ๐˜บ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 164: gewone vlier

(13 juni 2023)

Een struik die momenteel bloeit, is de gewone vlier. Hij kan zoโ€™n zes meter hoog worden. Vlieren hebben geveerd blad. Soms zie je in december al blaadjes verschijnen (foto rechtsboven). De takken zijn grijs en wrattig en bevatten wit merg. De โ€˜wrattenโ€™ zijn zogenaamde lenticellen. Via lenticellen vindt gasuitwisseling (โ€˜ademhalingโ€™) plaats tussen de weefsels in de takken en de omringende lucht. De twijgen en bladeren van gewone vlier hebben bij kneuzing een kenmerkende geur.

De witte bloemen geuren ook, maar dan aangenamer. Ze staan in vlakke tuilvormige schermen. Naast bestuiving door insecten vindt er ook windbestuiving plaats. Drie maanden na de bloei zijn de vruchten rijp. Dat is ook het moment waarop allerlei zangvogels gaan trekken. Die eten graag van de blauwzwarte bessen; vooral spreeuwen zijn er gek op. Door het uitpoepen van de zaden zorgen ze voor verspreiding van de vlier. Die kun je dan ook op de meest onverwachte plekken zien opkomen, bijvoorbeeld in knotwilgen. De gewone vlier wordt ook veel aangeplant.

Net zoals de grote brandnetel is de gewone vlier een indicator van stikstofrijke bodems. Allerlei soorten bemesting bevoordelen de gewone vlier ten opzichte van andere struiken. Ze doen het bijvoorbeeld goed op plekken met vogelkolonies van blauwe reigers en roeken. Gewone vlier heeft een voorkeur voor droge, kalkrijke bodems. Je vindt ze dan ook samen met duindoorn en wilde liguster in de zeereep van kalkrijke duinen.

De schors van gewone vlier kan veel water opnemen. Dat komt de groei van mossen en korstmossen op de schors ten goede, vooral langs de kust. De bekendste parasiet op gewone vlier is de paddenstoel echt judasoor. Oude holle vliertakken bieden nestelgelegenheid aan solitair levende wespen en bijen. Een vlindersoort die o.a. de gewone vlier als waardplant gebruikt, is de vliervlinder (foto linksonder).

De gewone vlier is inheems maar het voorkomen hangt sterk samen met de menselijke bewoningsgeschiedenis, blijkt uit stuifmeelonderzoek in bodemprofielen. Het was altijd een echte โ€˜gebruiksplantโ€™. Het hout en de twijgen werden voor allerlei doeleinden gebruikt. Daarnaast zijn de bloesems en (rijpe) bessen eetbaar. Ook werden er allerlei eigenschappen aan de struik toegekend zoals het weren van de duivel en van heksen. De vlier zou ook bescherming bieden tegen blikseminslag en brand. Daarom dat er bij elke boerderij wel een vlier stond. De geur zou ook vliegen weren. In het Duits heet de struik Holunder en een Zuid-Nederlandse streeknaam is heulenteer. Deze naam verwijst naar Holla, de Germaanse godin van leven en dood (Vrouw Holle uit het sprookje). Volgens het etymologisch woordenboek is โ€˜vlierโ€™ een toponiem, dus afgeleid van een plaatsnaam of landschapselement. Vlier of vledder is een Noord-Nederlands toponiem voor slecht ontwaterd grasland.

Er komen nog twee vliersoorten in ons land voor: de trosvlier en de kruidvlier. De takken van de trosvlier zijn gevuld met geel tot roodbruin merg. De bloemen staan in eivormige pluimen en de bessen zijn rood (niet eetbaar). De kruidvlier is geen struik maar een kruidachtige plant. Hij komt voor in Zuid-Limburg en in het rivierengebied. De bloemen staan in tuilen en de vruchten zijn zwart (niet eetbaar). Van de gewone vlier komen ook cultuurvariรซteiten voor zoals de peterselievlier (met fijn verdeeld blad) of variรซteiten met donkere bladeren en roze schermen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ด๐˜ฑ๐˜ณ๐˜ฆ๐˜ช๐˜ฅ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ๐˜ด๐˜ข๐˜ต๐˜ญ๐˜ข๐˜ด, ๐˜๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข ๐˜ท๐˜ข๐˜ฏ ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ

Soort van dag 163: fazant

(12 juni 2023)

Een soort die de laatste jaren steeds vaker in onze tuin opduikt, is de fazant. Zowel in de zomer als de winter zien en horen we hem. Vooral de mannetjes vallen op, zowel wat betreft hun uiterlijk als hun klokkende geluid. De vrouwtjes hebben goede camouflagekleuren; dat is wel zo handig voor een grondbroeder.

Wist je dat de fazant eigenlijk een exoot is? Hij komt oorspronkelijk uit een gebied dat zich uitstrekt  van de Kaukasus via China tot in Japan. In dit gebied komen wel dertig ondersoorten van de fazant voor. De naam verwijst naar het oorspronkelijke herkomstgebied. โ€˜Fazantโ€™ is afgeleid van het Latijnse phasianus: van de stad Phasis (het huidige Poti, een stad in Georgiรซ).

De fazant is rond het begin van de jaartelling bij ons geรฏntroduceerd door de Romeinen omdat ze het vlees zo lekker vonden. De Romeinen namen dus niet alleen allerlei planten mee naar onze streken (zie ook bij soort van dag 149), maar ook dieren. Inmiddels beschouwen we fazanten als onderdeel van onze avifauna. De fazant zoals die bij ons voorkomt, is een kruising van de verschillende ondersoorten.

Het fazantenbestand in Europa groeide overigens pas na de Romeinse tijd. Vooral in de 18e eeuw werden voor de plezierjacht grote aantallen fazanten gefokt en losgelaten. Ook werden ze massaal bijgevoerd. Sinds 1993 mag de fazant niet meer uitgezet worden hoewel het nog wel illegaal schijnt te gebeuren. Ook mogen ze niet worden bijgevoerd. Sinds die tijd daalt het aantal fazanten. Vooral in Zeeland en Groningen komen ze nog veel voor.

Het is, volgens de Jagersvereniging, nog steeds een aantrekkelijke jachtvogel. Op hun website staat: โ€œJacht op fazanten is gericht op duurzame benutting. Hierbij geven jagers aandacht aan het voorkomen van maaiverliezen, leggen ze wildakkers aan, beheren ze kraaiachtigen en vossen. Deze inspanningen hebben een positieve uitwerking op de fazantenpopulatie en andere akkervogels. De patrijs, kwartel en veldleeuwerik liften op deze inspanningen mee.โ€

De fazant is nu een beschermde diersoort. Het is een van de weinige soorten waarop, onder strikte voorwaarden, gejaagd mag worden (van 15 oktober tot 31 december op fazantenhennen en tot 31 januari op fazantenhanen).

Fazanten komen in allerlei gebieden voor maar hebben een voorkeur voor open gebieden (graslanden, akkers) met ruigtes en bosjes. In dichte bossen zul je ze niet vinden. Ze eten zaden, bessen, wormen, insecten, hagedissen en muizen. Ze kunnen een bedreiging vormen voor de hazelworm.

Fazantenhanen bakenen in het voorjaar hun territorium af. Ze hebben een harem van twee of drie vrouwtjes. De hennen maken hun nest op de grond, in hoog gras. De kuikens zijn nestvlieders en eten de eerste tijd vooral insecten. Ze blijven de eerste maanden nog wel onder de hoede van hun moeder. Tot in juni kunnen er nog jongen uit het ei kruipen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜๐˜ฐ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฃ๐˜ฆ๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฎ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ซ๐˜ข๐˜จ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ด๐˜ท๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜ช๐˜จ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ.๐˜ฏ๐˜ญ

Soort van dag 162: gele plomp

(11 juni 2023)

Vandaag is de laatste dag van de Slootjesdagen. Daarbij wordt niet alleen naar waterdiertjes maar ook naar waterplanten gekeken. Een overblijvende waterplant met grote drijvende bladeren is de gele plomp. Deze is verwant aan de waterlelie.

In de bodem onder water heeft de plant een dikke wortelstok. Hiermee overwintert de plant ook. De wortelstok komt soms boven drijven als er stukken zijn los geraakt (rechtsonder). Op de โ€˜littekensโ€™ stonden in vorige jaren de blad- en bloemstelen ingeplant. De plant heeft zowel ondergedoken als drijvende bladeren. De ondergedoken lichtgroene bladeren lijken wel wat op grote slabladeren (linksboven) en zijn het hele jaar aanwezig. De drijvende bladeren zijn eirond en komen in de lente boven. In de blad- en bloemstelen bevinden zich luchtkanalen. Deze zorgen voor transport van zuurstof naar de ondergrondse wortelstokken.

De bloemen zijn goudgeel en hebben een doorsnede van ongeveer vijf centimeter. Ze steken een eindje boven water uit. De buitenste vijf bloembladen zijn de kelkbladen. Diep in de bloem zie je een krans van korte, brede kroonbladen. De gele meeldraden staan met hun lange gebogen helmknoppen in een dichte spiraal om de groene stamper. Verschillende soorten insecten komen op de bloemen af. De vrucht is flesvormig (linksonder). De vruchten rijpen half onder water en laten dan los van de stengel.

De gele plomp komt voor in stilstaand tot matig stromend, diep tot vrij ondiep, voedselrijk water. Je vindt hem vooral in laagveen- en kleigebieden.

Voor allerlei dieren is de gele plomp een fijne woon- en schuilplaats. Vissen, libellen, slakken en mijten zetten er hun eitjes op af. Watervogels eten van de wortelstokken, bladeren, bloemen en vruchten. De zachte onderwaterbladeren van de gele plomp zijn voedsel voor de posthoornslak. In de bladeren van de gele plomp zie je vaak gangen van minerende insecten (rechtsboven). Ook de larven van het waterleliehaantje (rechts midden) leven van de bladeren van waterlelie en gele plomp. De waterleliemot zet haar eitjes onder water af op de bladranden van waterlelie en gele plomp. De rupsen maken kokertjes van stukjes blad; deze zijn aanvankelijk met water gevuld en later bevatten ze lucht als de rupsen overgaan op luchtademhaling. De verpopping vindt onder water plaats. Gele plomp werd vroeger aan vee gevoerd.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข ๐˜ท๐˜ข๐˜ฏ ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ, ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข.๐˜ฃ๐˜ฆ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 161: haagbeuk

(10 juni 2023)

Vandaag aandacht voor de haagbeuk. Ik beschouw de haagbeuk als โ€˜mijnโ€™ boom, want deze boom hoort volgens de Keltische bomenkalender bij mensen die geboren zijn tussen 4 en 13 juni. De haagbeuk is รฉรฉn van de laatste bomen die na de laatste ijstijd op eigen kracht in onze streken is teruggekeerd.

In Nederland is de haagbeuk algemeen in Zuid-Limburg, delen van Gelderland en in de Kempen. Daarnaast wordt hij vaak aangeplant, ook als haag. Hij geeft de voorkeur aan vochtige, voedselrijke en kalkrijke bodems. Een volwassen boom verdraagt schaduw en de haagbeuk komt dan ook voor onder hoge zomereiken in het eiken-haagbeukenbos. In dit bostype komen ook hazelaar, klimop en een heel diverse voorjaarsflora voor. Je vindt het o.a. op de hellingen van het Zuid-Limburgse heuvelland. Het blad van de haagbeuk verteert goed en is een goed tegengewicht tegen bodemverzuring door het afgevallen blad van de zomereik.

De boom is eenhuizig: mannelijke en vrouwelijke bloemen zitten aan รฉรฉn boom. De boom bloeit in het midden van de lente, tegelijk met het verschijnen van het blad. Het blad lijkt wel wat op een beukenblad. Alleen: de bladrand van een beukenblad is gaaf/golvend en dat van een haagbeukenblad is dubbelgezaagd. Ik vind vooral de stam erg mooi: de stam van een oudere haagbeuk ziet er uit als verticale aangespannen spierbundels. De schors is glad en grijs.

Als je goed kijkt, zie je nu aan de haagbeuken onrijpe, groene trossen met de vruchten (nootjes) hangen. In het najaar worden ze bruin. De nootjes liggen op een drieslippig omhulsel waarvan de  middelste slip veel langer is dan de zijslippen. Dit omhulsel vangt de wind en zorgt ervoor dat het nootje in een spiraalvormige beweging wordt weggeblazen. De nootjes worden gegeten door appelvinken, boomklevers, bosmuizen en hazelmuizen. Rupsen van verschillende soorten nachtvlinders eten van de bladeren. Volwassen meikevers eten ook van de blaadjes van de haagbeuk (en ook van die van andere bomen). Mannetjes van de meikever komen af op de geur (alcohol) die vrijkomt als vrouwtjes van de bladeren eten. Pas daarna ruiken ze de vrouwtjes.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 160: gewone oeverlibel

(9 juni 2023)

Er is weer van alles om aan mee te doen. Zo zijn er van 5 t/m 11 juni de Slootjesdagen. Als je toch bij het water staat, kun je gelijk meedoen met de Landelijke Libellentelling (9 t/m 11 juni), georganiseerd door de Vlinderstichting. En natuurlijk kun je ook nog altijd meedoen met de actie โ€˜Tel de Libelโ€™.

Op de fotoโ€™s zie je de gewone oeverlibel, de grootste en algemeenste libel van Nederland. Boven zie je een mannetje (een afbeelding van Aad Kleijweg via Pixabay) en onder een vrouwtje (een eigen foto).

Eerder besteedde ik al aandacht aan het lantaarntje, de meest voorkomende waterjuffer. De gewone oeverlibel is een echte libel. Libellen zijn groter dan juffers en in rust zijn de vleugels gespreid.

De mannetjes van de gewone oeverlibel hebben een blauw berijpt achterlijf met een donkere achterlijfspunt. Vrouwtjes zijn geelbruin met zwarte vlekken langs de zijkant van hun achterlijf. Jonge mannetjes zijn ook geelbruin; hun achterlijf verkleurt geleidelijk aan blauw. Aan de rand van de vleugel zit een zwart vlekje; op de vleugels zelf zitten geen vlekken. Hiermee onderscheidt de gewone oeverlibel zich van gelijkende soorten.

De gewone oeverlibel is een soort van stilstaande en zwak stromende wateren, het liefst met kale oevers. Je kunt ze zien vliegen van begin mei tot eind september. De kale oevers gebruiken de mannetjes als zitplaatsen om van daaruit hun territorium te verdedigen. Gewone oeverlibellen zie je ook vaak op zandpaden of tegels zitten. Het vrouwtje komt alleen naar het water voor de paring en de eiafzet.

Onder het toeziend oog van het mannetje zet het vrouwtje de eitjes een voor een af op het water, in de buurt van waterplanten. Ze kleven direct aan de waterplanten of andere voorwerpen in het water. De larven die na zes weken uit de eitjes komen, leven in de modder en tussen plantenresten op de bodem. Ze eten kleine waterbeestjes. Zelf staan ze op het menu van vissen, waterroofkevers en grotere libellenlarven. De larven van libellen hebben geen kieuwbladen zoals waterjuffers waarmee ze adem kunnen halen. Zij halen zuurstof uit het water dat zich in het laatste deel van hun darmen bevindt. De larve overwintert twee tot drie keer.

Het uitsluipen (een soort verpoppen; de laatste vervelling van de libellenlarve) vindt plaats van mei tot half augustus. De huidjes die achterblijven, kun je tot op enkele decimeters hoogte in de oevervegetatie vinden. En dan begint het volwassen leven die enkele weken duurt. Ze leven van vliegende insecten zoals muggen, vliegjes en motten. Soms vangen ze zelfs een vlinder of een andere libel. Veel libellen jagen vanaf een vaste uitkijkpost. Libellen worden zelf gegeten door vogels (o.a. zwaluwen en boomvalken). Ook kikkers en insectenetende zoogdieren lusten een libel.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜๐˜ญ๐˜ช๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ด๐˜ต๐˜ช๐˜ค๐˜ฉ๐˜ต๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ป๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ถ๐˜ณ.๐˜ฃ๐˜ฆ, ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ๐˜ด๐˜ฐ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ต๐˜ฆ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ

Soort van dag 159: huismus en ringmus

(8 juni 2023)

Vandaag twee soorten die erg op elkaar lijken, namelijk de huismus (links) en de ringmus (rechts). Beide hebben afgelopen tijd in onze tuin gebroed. De ringmus in een nestkastje, de huismus onder de dakpannen van het tuinhuisje en in een nestkastje daar vlakbij.

Bij de huismus zijn de mannetjes en vrouwtjes verschillend. Het meest opvallende aan het mannetje is het grijze petje met roodbruine zijden en zwart op de borst. Dominante mannetjes hebben meer zwart op de borst dan mussen die lager in de rangorde staan. Het vrouwtje is lichtbruin en heeft een wenkbrauwstreep achter het oog. Ze wordt nog wel eens verward met het vrouwtje van de vink.
Ringmussen zijn iets kleiner dan huismussen. Mannetjes en vrouwtjes zien er hetzelfde uit. Ze hebben een kastanjebruine kop, een zwarte wangvlek, een klein zwart befje en een witte halsring. Ik kijk altijd eerst of er al dan geen wangvlek is.
Beide soorten hebben een vrij dikke snavel; dat is kenmerkend voor soorten die granen eten. Verder staan zaden en insecten (en hun larven) op het menu. De huismus eet ook bloemknoppen en fruit.

Mussen horen tot de zangvogels en beide soorten โ€˜tsjilpenโ€™. Hoor je verschil tussen de huismus en de ringmus?

Huismussen broeden bij elkaar in de buurt. Het nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten. Ringmussen zijn holenbroeders: ze broeden in natuurlijke holtes, in schuren, onder dakpannen en in nestkasten.

De ringmus is een vogel van het kleinschalige cultuurlandschap met bouwland. Je ziet ze vooral in dorpen en op boerenerven. Het aantal ringmussen is sinds 1990 gehalveerd (nu 25.000-38.000 broedparen). Oorzaken zijn de intensivering van de landbouw en schaalvergroting van het landschap (verdwijnen van heggen en houtwallen). Vooral jonge ringmussen schijnen het zwaar te hebben.
Ook met de algemeen voorkomende huismus gaat het niet goed. Van het aantal broedparen begin jaren โ€™80 is nog maar de helft over (nu 600.000-1.000.000 broedparen). Huismussen komen voor in de buurt van mensen, in een beetje rommelige omgeving. Het talrijkst zijn ze in dorpen en oude woonwijken. Oorzaken voor de achteruitgang is afname van geschikte nestgelegenheid (door renovatie van huizen) en verstening van tuinen. Ook het beheer van het openbaar groen speelt een rol (vaak te netjes).
Mussen hebben veel natuurlijke vijanden. Ze staan op het menu van roofvogels, uilen en kraaiachtigen. Ook meeuwen en reigers lusten wel een mus. Daarnaast is de huiskat een groot gevaar.
Beide soorten staan als โ€˜gevoeligโ€™ op de Nederlandse Rode Lijst van broedvogels.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜๐˜ฐ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฃ๐˜ฆ๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฎ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜š๐˜–๐˜๐˜–๐˜•

Soort van dag 158: oorkwal

(7 juni 2023)

Een van de bekendste kwallen van Nederland is de oorkwal. De meeste mensen kennen hem omdat er in de zomer vaak veel aangespoelde exemplaren op het strand liggen, zeker bij oostenwind. Vorig jaar heb ik rond deze tijd in het heldere water van de Grevelingen en het Veerse Meer levende oorkwallen kunnen fotograferen (en filmen).

Oorkwallen zijn zogenaamde schijfkwallen. Schijfkwallen bestaan uit een schijf (ook wel hoed of klok genoemd) met langs de rand korte of lange tentakels. Bij oorkwallen wordt de schijf 40 cm in doorsnee en zijn de tentakels kort. Daarnaast heeft de kwal onder de hoed, rond de mondopening, vier geplooide armen. Meestal laten oorkwallen zich meenemen door de stroming maar ze kunnen ook zwemmen door ritmische lichaamsbewegingen te maken. Een kwal bestaat voor 95% uit water.

Op de tentakels zitten speciale cellen (netelcellen) die een bijtend gif bevatten waarmee prooidieren worden verlamd. Oorkwallen eten alles wat er maar tegen hun tentakels aan zwemt: plankton, kleine kreeftachtigen en visjes. Met de armen halen ze hun prooi naar binnen. Zelf worden kwallen maar door weinig dieren gegeten.

Schijfkwallen kennen een geslachtelijke en een ongeslachtelijke voortplanting. De vier โ€˜orenโ€™ zijn de geslachtsorganen. Bij mannetjes zijn die geel, bij vrouwtjes roze. Het vrouwtje spuit haar eicellen de zee in, het mannetje zijn spermacellen. Na bevruchting in het water ontstaat er een vrij zwemmende larve die zich op de bodem vestigt. Dat is het zogenaamde poliepstadium. Van dat poliepje worden kleine kwalletjes afgesnoerd. Bij de oorkwal gebeurt dat in de winter. Kleine kwalletjes vind je van januari tot april. Daarna vind je steeds grotere exemplaren. Vanaf oktober, nadat de kwallen zich geslachtelijk hebben voortgeplant, kom je de oorkwal niet meer tegen.

Vooral de laatste decennia stijgt de zeewatertemperatuur als gevolg van klimaatverandering. Dat heeft ook effect op de kwallen. De temperatuurdrempel waarop kwallen zich afsnoeren van de poliepen, wordt eerder in het jaar bereikt dan vroeger. Afhankelijk van het aanwezige voedsel kunnen de stijgende temperaturen ervoor zorgen dat de opkomst, piek en het weer afnemen van de soort verschuiven naar eerder in het jaar. Bij de oorkwal was de piek in 1995 eind mei; in 2018 was die verschoven naar half april. Er wordt onderzoek gedaan naar de gevolgen, vooral ook naar gevolgen voor interacties tussen soorten.

Vorig jaar waren er eind juni / juli extra veel oorkwallen in het Veerse Meer. Het voorjaar was toen redelijk warm en daardoor was er extra veel plankton, dus volop voedsel voor de kleine kwallen. Verder is er sprake van โ€˜verkwallingโ€™ van de Noordzee: er zwemmen steeds meer kwallen en minder vissen in de Noordzee. Door overbevissing krijgen andere zeeorganismen zoals kwallen meer kans om plankton te eten, waardoor ze sterker worden. Daarnaast zijn kwallen beter bestand tegen de klimaatverandering.

Hoewel de oorkwal kan steken, hebben mensen hier geen last van. Andere veelvoorkomende schijfkwallen zijn de blauwe haarkwal, de gele haarkwal en de kompaskwal. Deze kunnen wel vervelend steken.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ฌ๐˜ธ๐˜ข๐˜ญ๐˜ญ๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜ณ๐˜ข๐˜ฅ๐˜ข๐˜ณ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฅ๐˜จ๐˜ช๐˜ฅ๐˜ด ๐˜๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข ๐˜ฆ๐˜ฏ ๐˜ง๐˜ข๐˜ถ๐˜ฏ๐˜ข ๐˜ท๐˜ข๐˜ฏ ๐˜ฅ๐˜ฆ ๐˜ป๐˜ฆ๐˜ฆ, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 157: grote ratelaar

(6 juni 2023)

Vroeger was de grote ratelaar heel algemeen in (vochtige) graslanden, nu vind je hem eigenlijk alleen nog in natuurgebieden en ecologisch beheerde bermen e.d. De grote ratelaar is een eenjarige halfparasiet op gras. Dat wil zeggen: hij haalt niet zelf water en mineralen uit de bodem, maar tapt deze af op van een grasplant. De ratelaar is een groene plant, dus zorgt wel zelf voor de fotosynthese. Je kunt aan het gras zien dat het โ€˜lijdtโ€™ onder de gastheer: het gras blijft veel lager. Op termijn, als de grassen uitgeput zijn, kan de ratelaar weer verdwijnen.

De grote ratelaar heeft gele bloemen die bestoven worden door hommels. Opvallend is de grote opgeblazen kelk. De gele kroon bestaat uit twee lippen. De bovenlip heeft blauwpaarse tanden. Als de zaden rijp zijn en je schudt de plant heen en weer, dan hoor je ze โ€˜ratelenโ€™ in de kelk. Vandaar de naam. De zaden worden verspreid door hooitransport, een stortbui en maaimachines. De zaden zijn maar heel kort kiemkrachtig. In het najaar verschijnt het kiemworteltje al; de bladeren verschijnen in het voorjaar.

De grote ratelaar komt van nature voor in vochtige, matig voedselrijke graslanden. Planten die je vaak samen met grote ratelaar ziet, zijn rode klaver, echte koekoeksbloem en brede orchis. In de duinen komt grote ratelaar ook op drogere plekken voor.

De plant heeft erg geleden onder de intensivering van de landbouw. Bovendien wil een boer gras en zal hij niet zo blij zijn met zoโ€™n halfparasiet op zijn land. Maar tegenwoordig is de grote ratelaar weer in opkomst, o.a. in ecologisch beheerde bermen. Wij hebben het ook in onze tuin om het gras te โ€˜onderdrukkenโ€™ zodat andere planten meer ruimte krijgen. Om ervoor te zorgen dat het zaad zich kan verspreiden, is het belangrijk om laat in het seizoen te maaien. Wij verspreiden het zaad ook handmatig.

Er komen in Nederland nog twee soorten ratelaar voor: de kleine en de harige. De harige ratelaar vind je vooral in Zuid-Limburg en heeft een donzig behaarde kelk. De kleine ratelaar heeft een kleinere kelk dan de grote ratelaar en heeft meestal geen paarse tanden op de bovenlip. Hij is op wat drogere plekken te vinden. Het verschil tussen de twee soorten is niet altijd duidelijk en bovendien kunnen de grote en kleine ratelaar hybriden vormen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ