Soort van dag 356: eider

(22 december 2023)

Langs de kust in het Deltagebied en op de Waddenzee heb je in de winter en het vroege voorjaar een goede kans om eiders te zien. Als wij in deze jaargetijden in Zeeland zijn, speuren we bij de Brouwersdam de zee af of we daar deze eenden zien dobberen. Soms komt er zelfs een aan land, zoals het mannetje dat op de foto linksonder tussen de meeuwen staat.

Het mannetje van de eider heeft opvallende kleuren: zwart-wit met een groene vlek op het achterhoofd en een lichtroze borst. Het vrouwtje is bruin met zwarte strepen. Eiders zijn een slag groter dan bijvoorbeeld de wilde eend.
Eiders overwinteren met tienduizenden exemplaren voor de Nederlandse kust. De meeste vogels trekken in het voorjaar naar de kusten van Scandinavië en het arctische gebied om te broeden. Toch kun je ze ook in de zomer in ons land zien, want het Waddengebied is het meest zuidelijke broedgebied van deze vogel. Rond de eeuwwisseling broedden hier nog ruim 10.000 paren; nu zijn er nog maar zo’n 3.500 broedparen in het Waddengebied. Een beperkt aantal broedt in het Deltagebied, op de werkeilanden van de Oosterscheldekering.
Eiders nestelen in de duinen. De jongen zijn nestvlieders: ze zoeken met hun moeder direct het open water op. Op de foto’s in de collage zie je moedereiders samen met hun jongen in de Slufter op Texel. Net zoals bergeenden vormen ze crèches: groepen kuikens van meerdere moeders die door één moeder in de gaten worden gehouden terwijl de andere rustig kunnen eten. Zo kunnen de eenden hun jongen beter beschermen tegen hongerige meeuwen en kiekendieven.

De eider leeft van schelpdieren, krabben en kreeftachtigen. Schelpdieren worden met schelp en al doorgeslikt. Met hun sterke spiermaag kraken ze de schelp waarna de vogel de harde delen uitbraakt.
Eiders zijn snelle vliegers: ze kunnen 113 km per uur halen.
De naam ‘eider’ heeft niets met eieren te maken, zoals ik altijd dacht. Het woord is afgeleid van het IJslandse woord æðarfugl, wat donsvogel betekent. Het verwijst naar het dons waarmee de nesten worden bedekt. M.n. op IJsland wordt het dons uit verlaten nesten verzameld. Het wordt gebruikt als vulling van jassen en dekbedden.

Er zijn uiteraard meer zeevogels die je in de winter (december-februari), met een beetje geluk, langs de kust kunt zien. De zwarte zee-eend, bijvoorbeeld, al zie je die meestal in slierten vliegend, als ze van het ene foerageergebied (schelpenbank) naar het andere trekken. Roodkeelduikers die op vissen jagen, zijn met rustig weer bij de Brouwersdam te zien. Verder komen er op open zee verschillende alkensoorten voor zoals alk, zeekoet en papegaaiduiker. Na een noordwesterstorm of aanhoudende harde aanlandige wind zijn ze soms vanaf de wal te zien. De papegaaiduiker staat bovenaan mijn lijstje met vogels die ik ooit nog eens in het wild hoop te zien. Dus als we in Zeeland zijn, houd ik de weersverwachting in de gaten en blijf ik speuren.
Al die vogels die op open zee dobberen en foerageren, kennen min of meer dezelfde bedreigingen. Denk maar aan (stook)olieverontreiniging, watervervuiling, overbevissing (ook van schaal- en schelpdieren), verstrikt raken in vissersnesten, jacht en verstoring tijdens de rui en het broeden.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭. 𝘴𝘰𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭, 𝘣𝘰𝘦𝘬 𝘈𝘷𝘪𝘧𝘢𝘶𝘯𝘢 𝘡𝘦𝘦𝘭𝘢𝘯𝘥𝘪𝘤𝘢

Soort van dag 355: muurplantjes

(21 december 2023)

In de winter is het leuk om eens te letten op planten die op muren groeien. En dan in het bijzonder op oude, verweerde muren met zachte kalkmortel. Denk hierbij aan muren van oude vestingwerken en kastelen, stadsmuren, gracht- en kademuren, sluismuren, oude kerkhof- en tuinmuren en gemetselde waterputten. Er zijn planten die je (bijna) uitsluitend op dergelijke muren aantreft. Van nature groeien deze planten in rotsspleten in bergachtige gebieden.

Op de foto’s links zie je van boven naar beneden de muurvegetatie bij de ingang van de Hortus in Leiden, muurleeuwenbek op de stadsmuur van Utrecht en de weelderige begroeiing van een kademuur langs de Dijle in Mechelen (België).
In het midden zie je bovenaan steenbreekvaren op een muur in de Voerstreek. Daaronder een muurvaren op een muur in het Begijnhof van Leuven. Het gewoon muursterretje zie je hier tussen de basaltblokken bij Hollum op Ameland. De gele helmbloem heb ik in Mechelen gefotografeerd. Onderaan zie je klein glaskruid op een kademuur in Leiden.
De foto rechts bovenaan laat een waterput in Leuven zien die vol staat met allerlei soorten varens waaronder de tongvaren (dag 53). Daaronder zie je een niet-bloeiende muurbloem in Leiden. En rechts onderaan tenslotte een exoot uit Mexico: muurfijnstraal op de muur van de varreput in Zierikzee.

Op een kale muur verschijnen als eerste algen en korstmossen. Zij tasten de stenen enigszins aan waardoor deze verruwen. Vervolgens verschijnen er mossen zoals gewoon muursterretje en gewoon muisjesmos. Zij zorgen voor een eerste humuslaag waarin een soort als de muurvaren zich kan vestigen. Deze varen groeit uitsluitend op stenen en is door het hele land te vinden. Varens houden in het algemeen van schaduw en vocht, maar de muurvaren vind je ook aan de zonnige zijde van een muur. In Zuid-Limburg komt deze soort ook voor in spleten van beschutte, rotsachtige plekken van krijthellingen, bijvoorbeeld bij de ingang van grotten.
Een andere varen die je vrijwel uitsluitend op muren vindt, is de steenbreekvaren. Deze groeit vooral op afbrokkelende plekken en is veel gevoeliger voor droogte en felle zon dan de muurvaren.
Muurleeuwenbek komt oorspronkelijk uit Zuid-Europa en is in de 17e eeuw meegenomen om muren te versieren. Inmiddels is de plant ingeburgerd. Na de bloei kromt de stengel zich van het licht af, naar de muur. Een deel van de rijpe zaden wordt in muurvoegen en spleten gedrukt. De rest van de zaden wordt door mieren verspreid. Deze plant vind je ook tussen straatstenen, langs spoordijken en op steenglooiingen.
De gele helmbloem komt oorspronkelijk uit de zuidelijke Alpen en is sinds de 19e eeuw bij ons ingeburgerd. Je vindt deze plant vaak samen met muurvaren en muurleeuwenbek. De zaden worden door mieren verspreid.
Klein glaskruid is oorspronkelijk inheems en verwant aan de brandnetel. Je kunt deze plant ook op voedselrijke, kalkrijke bodems in het rivierengebied tegenkomen. Hij heeft roodbruine stengels en bloeit met groene, onopvallende bloemen.
De muurbloem komt oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied en is vermoedelijk door de Romeinen meegenomen. Het is een kruisbloemige, dus verwant aan koolzaad e.d. Hij bloeit met goudgele bloemen.

Het duurt vele jaren voor een muur begroeid is met een diversiteit aan planten. Er kunnen uiteindelijk zelfs bomen en struiken op gaan groeien zoals op de kademuur in Mechelen te zien is. De belangrijkste bedreiging is de restauratie van de muren. Wil je de vegetatie behouden of terugkrijgen, dan zul je gebruik moeten maken van bakstenen en zachte kalkmortel in plaats van hard cement. Planten kunnen eventueel teruggeplaatst worden. Een aantal muurplanten is in Nederland beschermd: blaasvaren, groensteel (een varensoort), schubvaren en muurbloem.
Meer over muurplanten vind je hier.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘰𝘯.𝘯𝘭, 𝘦𝘤𝘰𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢.𝘣𝘦, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢

Soort van dag 254: bruine rat

(20 december 2023)

Een zoogdier die we soms in onze tuin zien, is de bruine rat. Zoals afgelopen zomer toen hij in het kippenhok van het kippenvoer kwam eten. Het is een beetje zoeken, maar op de onderste foto’s zit hij onder de voedersilo. Jaren geleden hebben we zelfs een rattennest onder het kippenhok gehad. Regelmatig hebben we dode ratten in onze tuin gevonden; we vrezen dat het om vergiftigde dieren ging. Foto’s daarvan zal ik jullie besparen. Sinds 1 januari van dit jaar is de verkoop van ratten- en muizengif aan particulieren verboden. Oude verpakkingen mogen nog tot 26 december dit jaar gebruikt worden. Er wordt nu vooral ingezet op preventie (beperken van voedselaanbod en schuilplaatsen), weren en bestrijden via klapvallen.
Chemisch bestrijden door particulieren mag niet meer omdat ook andere dieren zoals egels en vogels het slachtoffer worden. Ook dieren die van dode ratten eten (roofvogels, vossen en huiskatten), kunnen aan rattengif sterven.

Bruine ratten horen net zoals de huismuis tot de ware muizen. Met hun lichaamslengte van 30 cm is het de grootste ware muis van ons land. Bruine ratten zijn net zoals huismuizen en zwarte ratten cultuurvolgers: ze zijn (onbedoeld) door menselijk toedoen hier terecht gekomen. Van oorsprong komt de bruine rat voor in steppegebieden van Oost-Azië. In de 18e eeuw werd de bruine rat voor het eerst in West-Europa gesignaleerd. Ze zijn hier gekomen via handelsroutes en de scheepvaart.
Zwarte ratten zijn kleiner dan bruine ratten en hebben een staart die langer is dan hun lichaam; bij bruine ratten is de staart korter. Hier vind je een soortzoeker Muizen van Nederland. Laboratorium- en tamme ratten zijn gedomesticeerde bruine ratten.

Een bruine rat wordt een jaar (maximaal twee à drie jaar). Vanaf drie maanden zijn vrouwtjes geslachtsrijp. Ze zijn constant vruchtbaar. Per jaar hebben ze maximaal vijftien nesten, met gemiddeld acht jongen per nest. Als er genoeg voedsel en nestelgelegenheid is, kan een populatie ratten snel groeien en dat kan eventueel resulteren in een plaag.
Bruine ratten vind je in waterrijke milieus. Gangen en holen maken ze in slootkanten en in moerassen. In stedelijk gebied leven ze in en bij woningen, in het rioolstelsel, langs slootkanten en onder struiken. Ze zijn vooral ’s nachts actief. Ze eten van alles: granen, knolgewassen, groenten, fruit, vlees (huismuizen, kuikens en jonge eenden), vis en voedselresten van mensen. In steden worden ze bestreden als ze een gevaar voor de volksgezondheid vormen, maar het risico daarop is vrij klein. Buiten de bebouwde kom worden ratten niet bestreden. Ze staan daar op het menu van roofvogels en marterachtigen.

Zwarte ratten komen al sinds de vroege middeleeuwen in ons land voor. Ze waren toen heel algemeen. Het zijn dragers van rattenvlooien die besmet kunnen zijn met de pestbacterie. Deze vlooien bijten ook mensen en kunnen zo pestepidemieën onder mensen veroorzaken. De pestbacterie komt in Europa niet meer voor. In andere delen van de wereld overlijden nog jaarlijks duizenden mensen aan de pest.
Toen de bruine rat verscheen, werd de zwarte rat teruggedrongen. Tegenwoordig is de soort zeldzaam en komt ze vooral voor in havensteden en in gebieden met intensieve veehouderij. Ze heeft zich nog beter dan de bruine rat aangepast aan leven in gebouwen. Zwarte ratten worden twee jaar (maximaal vier jaar) en hebben drie tot zes worpen per jaar met gemiddeld zeven jongen per worp. Ze eten vooral plantaardig voedsel.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘻𝘰𝘰𝘨𝘥𝘪𝘦𝘳𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘬𝘢𝘥.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘨𝘨𝘥.𝘢𝘮𝘴𝘵𝘦𝘳𝘥𝘢𝘮.𝘯𝘭, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 353: reukeloze kamille

(19 december 2023)

Van Kerst tot en met 3 januari mogen we weer: ‘jagen’ op bloeiende planten tijdens de Eindejaars Plantenjacht van FLORON. Gezien de weersverwachting zouden we best veel bloeiende planten kunnen zien; soorten die nog, weer of al bloeien. Een van de planten die ik verwacht bloeiend te zien, is reukeloze kamille. Momenteel bloeit hij op de dijk voor ons huis.

Ook echte kamille (foto rechtsonder) die veel op reukeloze kamille lijkt, zou je bloeiend kunnen aantreffen, al scoorde die de afgelopen jaren lager bij de Eindejaars Plantenjacht. Als je aan de plant ruikt, merk je direct het verschil: echte kamille ruikt (meestal) sterk en reukeloze kamille slechts zwak naar kamille. Het beste ruik je dat als je een bloem kneust.
Er zijn meer verschillen. De bloemhoofdjes van reukeloze kamille zijn groter dan die van echte kamille. De bloemhoofdjes van echte kamille groeien tijdens het bloeien uit en worden kegelvormig. De witte lintbloemen slaan daardoor verder terug dan bij reukeloze kamille. De bloembodem van echte kamille is hol en die van reukeloze kamille is met merg gevuld.
Kamillebloemen lijken wel wat op die van margrieten en madeliefjes. Het zijn allemaal composieten, dat wil zeggen dat één bloemhoofdje is samengesteld uit heel veel kleine bloempjes. In het midden zie je gele bloemetjes, de zogenaamde buisbloemen. En aan de rand de witte lintbloemen. Kamilles hebben fijn verdeeld blad, in tegenstelling tot margriet en madeliefje.

Er komen in ons land nog meer soorten kamille voor: schijfkamille, gele kamille, stinkende kamille en valse kamille. Een belangrijk onderscheid tussen verschillende soorten is of er op de bodem van het bloemhoofdje al dan geen stroschubben staan. Dat zie je als je een hoofdje doorbreekt. Stroschubben zijn de schutblaadjes van de afzonderlijke bloempjes. Reukeloze kamille, echte kamille en schijfkamille hebben geen stroschubben; de andere soorten wel.
Bij schijfkamille die sterk naar kamille ruikt, ontbreken de witte lintbloemen. Bij gele kamille zijn ook de lintbloemen geel. Stinkende kamille staat op de Rode Lijst als bedreigd. De plant ruikt onaangenaam. De valse kamille lijkt hier op, maar de geur is veel minder sterk. Deze soort staat als kwetsbaar op de Rode Lijst.
Roomse of loopkamille is een soort die in tuinen wordt aangeplant en niet in de Flora wordt genoemd.

Kamillebloemen worden bestoven door verschillende soorten insecten waaronder honingbijen en wilde bijen. Op alle kamillesoorten kun je dezelfde insecten aantreffen zoals rupsen van de kamillevlinder en een aantal snuitkeversoorten en mineervliegjes.

Kamilleplanten zijn eenjarig en soms komen er in een jaar meerdere generaties voor. Ze houden allemaal van zeer voedselrijke standplaatsen maar elke soort stelt er verder net weer wat andere eisen aan.
Reukeloze kamille vind je op allerlei open, zonnige, vochtige en stikstofrijke plekken. De plant vind je ook op brakke en zilte grond zoals vloedmerken, zeedijken en bermen van autosnelwegen (strooizout). En verder als pionier op akkers, braakliggende en opgespoten terreinen, tussen straatstenen enzovoort. Reukeloze kamille is vrij ongevoelig voor chemische onkruidbestrijding. Daarom dat deze soort in de landbouw als een ‘lastig onkruid’ wordt gezien.
Gezien de standplaats zou je kunnen denken dat reukeloze kamille een cultuurvolger is: een plant die meegekomen is met allerlei landbouwgewassen, net zoals klaprozen en de korenbloem. Maar uit archeologisch onderzoek is gebleken dat de plant hier al lang was voordat er landbouw werd bedreven. Alle andere kamillesoorten zijn cultuurvolgers of ingezaaid en verwilderd. Schijfkamille komt pas sinds de 19e eeuw in ons land voor.

Diverse kamillesoorten zijn gebruiksplanten. Gele kamille werd o.a. als verfplant gebruikt en wordt als zandbinder op taluds ingezaaid. Stinkende kamille werd als insectenwerend middel gebruikt. Echte kamille is bekend als geneeskrachtig kruid.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 352: schildmossen

(18 december 2023)

Staartmezen gebruiken korstmossen voor hun nest, konden jullie gisteren lezen. Daarbij gaat het om bladvormige of struikvormige korstmossen. Bladvormige korstmossen zien eruit als een verzameling gelobde blaadjes. Maar het zijn geen blaadjes, want korstmossen zijn geen planten. Een korstmos is een samenlevingsvorm van een alg en een schimmel. Bladvormige korstmossen zitten met zogenaamde rhizinen (soort wortelachtige orgaantjes) vast aan hun ondergrond. Je kunt ze er makkelijk vanaf halen.

Er bestaan verschillende groepen van bladvormige korstmossen zoals leermossen en schildmossen. Op een willekeurig groepje bomen in een park kun je al snel vijf tot acht verschillende soorten schildmos vinden. Schildmossen zijn net als struikvormige korstmossen gevoelig voor ammoniak. Meer hierover vind je bij de beschrijving van de struikvormige korstmossen.

In de collage zie je vier vrij algemeen voorkomende soorten schildmos (de namen met dank aan ObsIdentify).
Op de foto linksboven zie je gewoon schildmos. Kenmerkend zijn de grijze, enigszins hoekige lobben. Over de lobben lopen netvormige lijntjes. Dat zijn openingen in het oppervlak van de korstmos die zorgen voor de gasuitwisseling (zogenaamde pseudocyphellen). Deze openingen zie je ook op het schildmos daarnaast, maar hier hebben ze de vorm van stippels, van verschillende grootte. Deze soort heet dan ook witstippelschildmos. Bij het groot schildmos op de foto rechtsonder en bij het grofgebogen schildmos op de foto linksonder ontbreken de pseudocyphellen. Bij deze twee zijn de lobben aan de randen opstijgend.
Voor determinatie kun je ook naar de voortplantingsstructuren kijken. Bekervormige structuren waarin sporen gevormd worden, ontbreken (in Nederland) bij alle vier. Wel zijn er soralen aanwezig voor de ongeslachtelijke voortplanting. Soralen zijn plekken waar broedbolletjes (sorediën) worden gevormd en uitgestoten. Bij gewoon schildmos en groot schildmos liggen de soralen aan de randen van de lobben. Bij de andere twee liggen ze midden op de lobben. Bij grofgebogen schildmos zijn ze wratvormig en bij witstippelschildmos zijn ze wit en rond. Op de foto’s (even inzoomen) is dat goed te zien. (En met een loep gewapend kun je zelf in de winter eens goed naar al die verschillende soorten korstmossen kijken.)

Niet alleen staartmezen gebruiken korstmossen als nestmateriaal. Ook vinken bijvoorbeeld doen dat. Met korstmossen kan een vogel zijn nest camoufleren én isoleren. Het schijnt dat een staartmees voor een nest wel drieduizend stukjes korstmos gebruikt. Ook eekhoorns en hazelmuizen bedekken hun nesten met korstmossen.
Vogels eten geen korstmossen maar sommige wel het kleine grut dat zich tussen de ‘blaadjes’ van het korstmos schuilhoudt. In ons land worden korstmossen gegeten door o.a. slakken, springstaarten, mosmijten, beerdiertjes en bepaalde rupsen.
Schildmossen staan op het menu van de rupsen van de beertjes (een groep spinneruilen) zoals van het glad beertje op de foto in het midden. Ook de rupsen van de korstmosuilen eten korstmossen. Bovendien lijken de volwassen vlinders erg op korstmos. De rupsen van enkele soorten zakdragers maken van korstmossen coconnetjes om zich in te verschuilen.
Beerdiertjes (ook wel waterbeertjes of mosbeertjes genoemd) zijn een stam van kleine beestjes van hooguit een halve millimeter lang. Ze leven met duizenden in een plukje mos of korstmos. Ze kunnen heel extreme omstandigheden overleven en zijn daarmee heel veerkrachtig en (bijna) niet uit te roeien. Hun ideale leefomgeving is vochtig, maar ze overleven ook uitdroging van bijvoorbeeld een korstmos. Ze kunnen zelfs jarenlange uitdroging overleven. Beerdiertjes worden gegeten door o.a. springstaarten, spinnen en mijten. Er zijn in ons land achttien soorten beerdiertjes bekend.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘸𝘪𝘫𝘻𝘦𝘳.𝘯𝘢𝘵𝘶𝘳𝘢𝘭𝘪𝘴.𝘯𝘭, 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘒𝘰𝘳𝘴𝘵𝘮𝘰𝘴𝘴𝘦𝘯, 𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯.𝘯𝘭, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 351: staartmees

(17 december 2023)

In ons land komen negen soorten mezen voor. Zes daarvan zijn holenbroeders en die worden ‘echte mezen’ genoemd. De bekendste echte mezen zijn de koolmees en de pimpelmees die ook veel in tuinen voorkomen en broeden. De zwarte mees (de kleinste echte mees) en de kuifmees zijn soorten die in naaldbossen broeden en in de winter ook wel tuinen bezoeken. De glanskop vind je in beukenbossen en de matkop in moerasgebieden met veel wilgen.
Dan zijn er nog drie andere soorten meesachtigen: baardman, buidelmees en staartmees. De baardman leeft in rietlanden en maakt zijn nest onderin in het riet. De buidelmees komt voor op overgangen van riet naar bos. Daar maken ze een buidelnest aan het einde van een twijg, het liefst van een wilg. Deze zeldzame vogel trekt in de winter weg. In je tuin zul je deze twee soorten dus niet zo snel vinden. Staartmezen daarentegen wel.

Een staartmees kun je omschrijven als een klein, pluizig bolletje met een lange staart. De staart is langer dan het lijfje. Ze zijn zwart-wit met rozige flanken. Hun snaveltje is heel kort.
In het winterhalfjaar trekken ze in familiegroepen van acht tot vijftien vogeltjes tussen de bomen en struiken, op zoek naar voedsel. Als ze van boom naar boom vliegen, dan doen ze dat met een licht golvende vlucht. Ze houden contact met elkaar door pruttelende, hoge geluidjes en er wordt gewacht op achterblijvers. Ineens zijn ze er, en dan zijn ze ook weer zo verdwenen. Je hoort ze vaak eerder dan dat je ze ziet. Omdat ze zo onrustig bewegen, is het moeilijk om ze scherp op de foto te krijgen.
Soms sluiten ook andere mezen zich bij de groepjes aan. Want een voordeel van zo’n groep is dat een roofvogel zoals de sperwer eerder opgemerkt wordt. Elk groepje heeft zijn eigen leefgebied waarin ze rondtrekken. ’s Nachts slapen ze bij elkaar. Als het heel koud is, zitten ze met hun lijfjes dicht opeen om zo op temperatuur te blijven.
Als de winter voorbij is en de paartjes zijn gevormd, vallen de groepjes uit elkaar.

Staartmezen eten allerlei kleine insecten, spinnetjes en rupsen. Ze halen acrobatische toeren uit om ze van de dunste twijgjes af te kunnen plukken. In de winter eten ze ook kleine zaden en dan komen ze soms even op de vetbollen in de tuin zitten.

Staartmezen vind je in parken, bossen, landgoederen en tuinen waar zowel bomen, een dichte struiklaag en open stukken zijn. In je tuin kun je de vogel helpen door het aanplanten van struiken met doorns of stekels. Want ze maken hun nest graag in dichte struiken op ongeveer een meter vanaf de grond. Het nest is koepelvormig en bestaat uit mossen, korstmossen en spinrag. Met mos in je gazon help je de vogeltjes dus ook. De binnenkant van het nest bekleden ze met veertjes. Bij het grootbrengen van de jongen krijgen de ouders hulp van verwanten waarvan het broedsel mislukt is.
Staartmezen zijn standvogels: ze blijven in de buurt van de plek waar ze ter wereld kwamen. In sommige winters zijn er invasies van staartmezen uit Scandinavië en Oost-Europa. Daar kunnen ook staartmezen met volledig witte kopjes bij zitten. Hierbij gaat het om een ondersoort, namelijk de witkopstaartmees. De laatste keer dat ze massaal in ons land waren, was in 2010. Verwarrend is dat er ook onder de gewone staartmezen exemplaren zitten met een bijna witte kop.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘴𝘰𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 350: wilde liguster

(16 december 2023)

Nog tot in februari kun je zwarte bessen aan ligusterstruiken zien hangen. De meeste mensen kennen deze struik als tuinplant, vaak in de vorm van een haag. Dan gaat het veelal om de haagliguster, een soort die van nature voorkomt in Japan en Zuid-Korea. De wilde liguster is inheems in ons land. Ook deze struik wordt wel als haag gebruikt. Beide soorten zijn half wintergroen. Het blad blijft tot in de winter aan de struiken. In milde winters behouden ze grotendeels hun blad, vooral de haagliguster. Beide soorten kunnen goed tegen snoeien, maar in een haag zul je niet veel besjes vinden.

Liguster behoort tot de olijffamilie. Andere soorten uit deze familie zijn de en de uitheemse soorten olijfboom, sering, forsythia en winterjasmijn. De struik kan, als hij niet gesnoeid wordt, zo’n drie meter hoog worden. De (room)witte bloemen hebben een sterke, aangename geur. Aan de pluimvormige bloeiwijze zie je de verwantschap met de sering. De bloemen worden bestoven door vliegen, bijen, hommels, kevers en vlinders. De bruine eikenpage heeft een voorkeur voor de nectar van liguster. Ook parelmoervlinders komen er graag op af.
Jonge takken zijn kort zachtharig en o.a. daarmee kun je hem onderscheiden van de haagliguster; daarvan zijn de jonge takken kaal. Ook de vorm van het leerachtige blad en de bloemen zijn wat anders.
De bessen zijn eerst groen en verkleuren later naar zwart (bij haagliguster blijven ze vaak groen). De rijpe, zwarte bessen worden o.a. gegeten door fazant, zwartkop en lijsterachtigen. En met een beetje geluk zie je zelfs pestvogels ervan eten als ze in ons land zijn. De bessen, maar ook andere delen van de liguster, zijn voor mensen giftig.

Wilde liguster is een indicator van kalkrijke bodems. Je vindt de struik bij ons vooral in de duinen en Zuid-Limburg. Hij groeit in bosranden, op hellingen en in duinstruwelen. De struiken groeien vaak in dichte groepen doordat ze veel opschot maken. De noordgrens van het natuurlijk verspreidingsgebied loopt dwars door Nederland. Verder wordt de struik aangeplant en verwildert hij.
O.a. wilde liguster, sering en es zijn waardplanten van de ligusterpijlstaart, een grote nachtvlinder met een opvallende rups. Op deze struiken kun je ook de rupsen van de schedeldrager en de seringenmot vinden. Verder hebben een galmug, een bladluis en diverse motten (kleine nachtvlinders) de wilde liguster als waardplant.

De naam liguster is afgeleid van de wetenschappelijk geslachtsnaam Ligustrum. Dat komt vermoedelijk weer van ‘ligare’ wat binden of vlechten betekent. Van de buigzame twijgen van liguster werden vroeger namelijk manden gevlochten. Er bestaan ook streeknamen voor deze struik zoals heeg, heggensering, haagjes en wilde sering.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats: .

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭

Soort van dag 349: boktorren

(15 december 2023)

Boktorren zijn momenteel het onderwerp van gesprek in ons gezin. Want onze dochter en schoonzoon zijn op zoek naar een huisje in Utrecht. Liefst met ‘karakter’, met een tuintje (een echte dochter van haar ouders), op tien minuten fietsen van het CS en in een gezellige maar ook rustige buurt. En natuurlijk zonder verborgen gebreken zoals boktorren.

Boktorren zijn kevers. Als volwassen dier (imago) hebben ze een langwerpig lichaam en sprieterige poten. Ze zijn vrij groot en vaak mooi gekleurd. Sommige imiteren andere insecten zoals de kleine wespenboktor. Wat ze vrijwel altijd onderscheidt van andere langwerpige kevers, zijn de extreem lange voelsprieten. Deze zijn vaak net zo lang als het lichaam maar meestal veel langer. Hun leven als larve duurt bij sommige soorten wel vijf jaar. Als imago leven ze hooguit een paar weken.
Volwassen boktorren eten nectar en stuifmeel. De larven eten van levend of dood hout. En daarmee kunnen sommige soorten grote schade aanrichten. Dat kan schade aan levende bomen zijn, maar ook aan houtconstructies, meubelen en kunstvoorwerpen. Van sommige soorten leven de larven in plantenstengels (m.n. van distels).
In ons land komen zo’n negentig boktorsoorten voor. Daarnaast zijn er exoten die mee zijn gekomen met hout of planten uit het buitenland. In Nederland is alleen de huisboktor in huis schadelijk. De larven hiervan leven in onbehandeld, niet-geïmpregneerd naaldhout (vuren, grenen, lariks). In houtconstructies kunnen overigens ook larven van andere keversoorten voorkomen; deze larven worden vaak ‘houtwormen’ genoemd. Soorten die levende bomen aantasten, zijn de exoten Oost-Aziatische en Aziatische boktor. Deze staan op de quarantainelijst van de Europese Unie.

In de collage zie je bovenaan van links naar rechts de kleine wespenboktor, de veranderlijke boktor en de gewone bloesemboktor. Deze heb ik alle drie in onze tuin en/of huis waargenomen. Geen van deze boktorren tast verwerkt of bewerkt (droog) hout aan. Als ze in huis worden aangetroffen, zijn ze vaak meegekomen met haardhout.
Op de middelste rij zie je twee smalboktorren. De rechter is een geringelde smalboktor, zo genoemd omdat de voelsprieten ‘geringeld’ zijn. Deze vind je vooral in het zuidoosten van ons land.
Op de onderste rij zie je foto’s van keversoorten die wel wat op boktorren lijken. Op de twee linker foto’s zie je schijnboktorren. Deze kevers zijn overwegend metaalgroen. De mannetjes hebben vaak opvallende dikke achterdijen zoals op de linker foto is te zien (fraaie schijnboktor). De larven zitten in rottend hout. Verder zie je een foto van een wolkever en helemaal rechts van een vuurkever (roodkopvuurkever). Larven van wolkevers vind je in de strooisellaag. De larven van vuurkevers leven onder de schors van dode bomen en eten daar de larven van schorskevers en andere insecten.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯.𝘯𝘭, 𝘬𝘢𝘥.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 248: grote trilspin

(14 december 2023)

In bijna elk gebouw zijn grote trilspinnen te vinden. Honderd jaar geleden kwam deze soort nog nauwelijks in ons land voor. Deze spinnen houden zich vooral op in gebouwen, omdat het buiten te koud is voor deze spin die van oorsprong uit het Midden-Oosten komt en daar in grotten leeft.
Met zijn lange poten en kleine lichaam lijkt de grote trilspin veel op een hooiwagen (dag 247). Maar een hooiwagen heeft een lichaam dat uit één deel bestaat en kan geen draden spinnen.

Een trilspin heet zo omdat de spin in haar web sterk gaat trillen (eigenlijk ronddraaien) als ze zich bedreigd voelt. Zo maakt zij zich moeilijk grijpbaar.
Het web bestaat uit een slordige wirwar van draden en je vindt het vooral in hoeken bij het plafond en ook in schuren, garages en kelders. De spin hangt daar ondersteboven in. De draden van het web zijn niet kleverig. Als een prooi in het web belandt, komt de spin snel tevoorschijn om draden over de prooi heen te gooien zodat die niet verder kan lopen. Daarna pakt ze met twee poten haar prooi in. Met haar lange poten kan ze haar lichaam op voldoende afstand van de prooi houden voor het geval die een gevaarlijke angel of sterke kaken heeft.

Het vrouwtje kan drie jaar oud worden en kan zich al die tijd, het hele jaar door voortplanten. Het mannetje leeft maar een jaar. Na de paring gaat hij dood. Het vrouwtje draagt de eieren tussen haar kaken tot ze uitkomen. In die tijd eet ze niet. Dat is geen probleem, want spinnen kunnen lang zonder voedsel.

In het Nederlandse soortenregister staan 45 spinnensoorten die als exoot gezien worden. Deze zijn via allerlei vervoersmiddelen als toevallige passagier ons land binnengekomen of via de import van planten van over de hele wereld. Van deze 45 hebben zich 14 gevestigd, dat wil zeggen dat ze zich in ons land voortplanten. Er komen in ons land een paar soorten trilspinnen voor, ook soorten die alleen in tropische kassen te vinden zijn.

Trilspinnen in huis zijn erg nuttig. Ze vangen allerlei insecten waaronder muggen en kleermotten. Ze eten ook andere spinnen, zelfs soortgenoten (niet hun eigen nakomelingen), en houden zo ook het spinnenbestand in een huis op peil. Daarom probeer ik bij het opzuigen van de webben met prooiresten de spinnen te sparen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats: https://inekebams.com/soort-van-de-dag/.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘋𝘐𝘌𝘙𝘗𝘓𝘈𝘎𝘌𝘕 𝘐𝘯𝘧𝘰𝘳𝘮𝘢𝘵𝘪𝘦 2-2020, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦

Soort van dag 347: wild zwijn

(13 december 2023)

Het wild zwijn (everzwijn) is weer zo’n soort waarvan we wel vaak de sporen zien, maar de dieren zelf bijna nooit. In de collage zijn de volgende sporen afgebeeld: wroetsporen (o.a. langs wandelpaden), veegsporen op bomen, pootafdrukken in de modder en haren die aan prikkeldraad zijn blijven hangen. Dat je deze dieren zo weinig ziet, komt omdat ze vooral bij schemering en ’s nachts actief zijn. En in de nacht zijn de meeste bossen voor mensen verboden terrein.
Overdag rusten de zwijnen ‘in dekking’. Dan liggen ze in hun ‘ketel’ op een rustige plek. Dat maken ze door bladeren en grond weg te schrapen.

In Nederland zijn twee leefgebieden aangewezen waar wilde zwijnen mogen voorkomen, namelijk de Veluwe en de Meinweg. Daarbuiten komen ze ook voor, m.n. in Limburg en Oost-Brabant en bij Nijmegen. Ze zijn daar vanuit het buitenland of via natuurverbindingen gekomen. Buiten de leefgebieden geldt een ‘nulstandbeheer’ en mogen de dieren worden afgeschoten. De everzwijnen worden niet geduld in verband met schade aan landbouwgewassen, verkeersveiligheid en risico’s voor varkenshouderijen (verspreiding van ziektes zoals de Afrikaanse varkenspest). In de aangewezen leefgebieden geldt overigens een populatiebeheer, dus ook daar mogen zwijnen afgeschoten worden.
Er zijn ook andere maatregelen mogelijk om zwijnen te weren of binnen een leefgebied te houden, zoals rasters of via geluid en licht. Aanrijdingen door het verkeer ontstaan vaak doordat de zwijnen in de bermen naar eten zoeken. Een oplossing is om bermen te verschralen; dan is daar minder eten te vinden.

Wilde zwijnen leven o.a. in vochtige eiken- en beukenbossen. Daar vinden ze in de herfst eikels en beukennootjes (mast). Zien kunnen ze niet goed, maar horen, ruiken en voelen (met hun neus) kunnen ze als de beste. Voedsel onder de grond vinden ze op geur. Zwijnen zijn alleseters; naast beukennootjes, eikels en tamme kastanjes eten ze vruchten, wortels, gras, regenwormen, insectenlarven, kleine knaagdieren en aas. Ook eten ze landbouwgewassen en wroeten ze akkers om.
Voor de verzorging van hun huid en vacht nemen ze modderbaden. Daarom moeten er in hun leefgebied ook natte en moerassige plekken zijn. De modder inclusief huidparasieten schuren ze af aan bomen.

Wilde zwijnen leven in groepen, ook wel rotte genoemd. Een rotte bestaat uit een aantal volwassen zeugen (vrouwtjes), hun jongen (de frislingen) en tweejarige dieren (de overlopers).
In het voorjaar maakt een vrouwtje een kraamkamer. Ze graaft een kuil die ze bekleedt met bladeren, mos en planten. Jonge wilde zwijnen hebben een bruine vacht met goudgele strepen (een pyjama). Het aantal jongen hangt samen met het voedselaanbod. In ‘mastjaren’ (jaren met veel eikels en beukennootjes) worden meer jongen geboren.
De mannetjes (keilers) mogen niet in de buurt van de jongen komen, want zij maken zich soms schuldig aan kannibalisme. Vijanden die in de buurt van de jongen komen, kunnen door de vrouwtjes omver gelopen worden. Dat geldt ook voor mensen. De natuurlijke vijand van wilde zwijnen in ons land is de wolf.

Het gewroet van wilde zwijnen is belangrijk voor allerlei andere organismen. In de zo ontstane poeltjes kunnen amfibieën zich voortplanten. Op kale plekken warmen reptielen zich graag op. En verder kunnen allerlei planten ontkiemen op de omgewoelde plekken. Als er te veel zwijnen zijn, heeft dat ook allerlei gevolgen, bijvoorbeeld voor de vegetatie (minder bosverjonging) en een insect als het vliegend hert (omdat ze de larven eten).

In eerste helft van de 19e eeuw was het wilde zwijn door bejaging en vervolging in ons land uitgestorven. Prins Hendrik, de echtgenoot van koningin Wilhelmina, heeft ze weer uit laten zetten. Tamme varkens stammen af van het wilde zwijn.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘻𝘰𝘰𝘨𝘥𝘪𝘦𝘳𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘫𝘢𝘨𝘦𝘳𝘴𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘣𝘪𝘫12.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢