Soort van dag 306: hop

(2 november 2023)

Als bomen en struiken van heggen en hagen hun blad verliezen, kun je goed de hopbellen zien hangen. Hop is een kruidachtige slingerplant, dat wil zeggen dat de plant elk jaar bovengronds afsterft en in het voorjaar opnieuw uitloopt. De jonge scheuten zijn eetbaar als groente.
De plant loopt uit als de bomen en struiken waarin hij zich wil vestigen, nog bladerloos zijn en reikt naar het licht. Het is een slingerplant: de stengels willen ergens omheen slingeren en dat kunnen ook andere hopstengels zijn. De stengels voelen ruw aan en kunnen meters lang worden. De bladeren zijn handvormig en meestal driespletig.
Hopplanten zijn tweehuizig: je hebt te maken met een mannelijke of met een vrouwelijke plant. De bloemen zijn onopvallend en groen en staan in pluimen. Ik blijk er geen foto van te hebben. Ze bloeien van juli tot september. De wind zorgt voor de bestuiving. Na de bevruchting ontstaan de hopbellen: de schutblaadjes van de vrouwelijke bloemetjes groeien uit tot een soort vleugels. De hopbellen zijn eerst groen en na het rijpen zijn ze bleekgroen tot beige. Zoโ€™n hopbel valt op den duur uit elkaar en de gevleugelde vruchtjes worden door de wind verspreid.

Hop is inheems in ons land, behalve in de noordelijke zeekleigebieden. Je vindt hem veel in elzen- en wilgenbossen. Daarnaast is hop een cultuurplant en als zodanig over de hele wereld verspreid. De plant groeit graag op voedselrijke, humeuze, vochtige grond.
Afhankelijk van de standplaats tref je hop vaak samen met andere klim- en slingerplanten aan, bijvoorbeeld met bitterzoet, wilde kamperfoelie en op kalkhoudende grond met heggenrank en bosrank. Op steenglooiingen langs de grote rivieren groeit hop als bodembedekker, samen met bosrank. Deze laatste soort komt morgen aan de orde.

Op de schutbladen van de hopbellen zitten gele, karakteristiek geurende klieren. De geurstof uit deze klieren (lupuline) werd al lang als geneesmiddel gebruikt. Sinds de middeleeuwen wordt het gebruikt als smaakmaker (en conserveermiddel) bij het brouwen van bier. Voor die tijd werd daar vaak gagel voor gebuikt. Bij de teelt van hopbellen wordt ervoor gezorgd dat er geen mannelijke planten in de buurt staan, want zodra er zaad is gevormd, is de smaak minder lekker. Op de foto rechtsboven zie je een hopakker in het Openluchtmuseum.
Er bestaan verschillende cultuurvariรซteiten die elk hun eigen smaak hebben. Tegenwoordig halen brouwerijen de meeste hop uit het buitenland. Studenten Biotechnologie van Hogeschool Inholland zijn bezig om een typische Hollandse hopvariรซteit te ontwikkelen. Onderdeel van hun project was om aan de hand van DNA-onderzoek te kijken waar in ons land nog echt inheemse hop groeit. Dat blijkt te zijn bij Horst aan de Maas en bij de Nieuwkoopse Plassen.

Er zijn veel insecten die hop (mede) als waardplant hebben. De hopwortelboorder is een vlinder waarvan de rups in het winterhalfjaar op de wortels van hop en andere planten leeft. Hop is samen met brandnetel de waardplant voor de gehakkelde aurelia. In de hopteelt werden beide soorten vlinders destijds als schadelijke insecten gezien. Een enkele keer worden rupsen van de dagpauwoog op hop gevonden.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜–๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ, ๐˜ช๐˜ฏ๐˜ฉ๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ.๐˜ฏ๐˜ญ

Soort van dag 305: rotgans

(1 november 2023)

Het winterhalfjaar is bij uitstek de tijd om ganzen te kijken, iets wat wij graag doen. Bij ons in de buurt hebben we de eerste kolganzen alweer gezien. Een gans die vanaf eind september arriveert, is de rotgans. Hij heeft er dan een reis van vijfduizend kilometer op zitten die hij in etappes heeft afgelegd. In oktober en november komen de grote aantallen aan waarvan de meeste doortrekken naar Engeland en de Franse kust.
In ons land verblijven de rotganzen overwegend in het Deltagebied en rondom de Waddenzee. In het voorjaar verzamelen ze zich in het Waddengebied. Ze eten zich daar vol voor hun reis naar hun broedgebieden buiten Europa, op de Siberische toendraโ€™s. Pas eind mei of zelfs begin juni vertrekken ze. Bij aankomst hebben ze twee maanden de tijd om zich voort te planten, want de zomer in Siberiรซ is maar kort.

Rotganzen zijn vrij klein, niet veel groter dan een wilde eend. De voornaamste uiterlijke kenmerken zijn de zwarte kop, snavel en hals, de grijsbruine buik en rug en het witte achterlijf. Aan weerszijden van hun nek hebben ze een witte vlek.
Er komen verschillende (onder)soorten voor: witbuikrotgans, (zwartbuik)rotgans en zwarte rotgans. Elke (onder)soort heeft zijn eigen broedgebied. Bij ons zie je vooral de (zwartbuik)rotgans.
De naam van de vogel dankt hij aan het geluid dat hij maakt, een soort grommend rรดt, rรดt, rรดt. Hier kun je het horen: https://www.vogelgeluid.nl/rotgans/.

In hun broedgebieden eten rotganzen o.a. mossen, korstmossen en grassen. Bij ons waren ze tot de jaren โ€™30 in de winter vooral te vinden op zeegrasvelden. Het zeegras is door een schimmelziekte grotendeels uit onze wateren verdwenen. Daarna weken de vogels uit naar de kwelders en het boerenland. Ze eten nu vooral gras, oogstresten, wieren en kwelderplanten.

Er overwinteren enkele tienduizenden rotganzen in ons land. Dat aantal verschilt per jaar en hangt samen met het broedsucces. Dat broedsucces hangt weer samen met het aantal lemmingen, een woelmuissoort, in de broedgebieden. In jaren met veel lemmingen laten predatoren zoals poolvossen en sneeuwuilen de nesten van de rotganzen met rust. Lemmingenpieken traden tot de eeuwwisseling om de drie ร  vier jaar op. Maar die cyclus is verstoord. Waarschijnlijk hebben de lemmingen te lijden van de klimaatverandering: ze maken namelijk hun nest onder het sneeuwdek. Het aantal overwinterende rotganzen nam daardoor af, maar lijkt nu te stabiliseren. Er zijn ook weer jaren geweest met veel jonge rotganzen. Volgens Nature Today zijn de rotganzen dit jaar laat. En dat zou kunnen samenhangen met een goed broedseizoen. Rotganzen die jongen hebben grootgebracht, vertrekken namelijk later dan rotganzen zonder jongen.

Op de foto rechtsonder zie je dobberende rotganzen op de Oosterschelde. De overige fotoโ€™s zijn in 2022 op Ameland genomen. Op de foto rechtsboven worden ze vergezeld door een paar roodhalsganzen, een zeldzame wintergast in ons land. Ook de roodhalsganzen broeden op de Siberische toendraโ€™s maar overwinteren vooral rond de Zwarte Zee, Kaspische zee en het Oeralmeer.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ท๐˜ฐ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฃ๐˜ฆ๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฎ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ด๐˜ฐ๐˜ท๐˜ฐ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 304: knots-, koraal- en geweizwammen

(31 oktober 2023)

Vandaag aandacht voor een heel diverse groep zwammen die uiterlijk wel wat op elkaar lijken, maar toch tot heel verschillende families of zelfs stammen van het schimmelrijk kunnen behoren. Het gaat hierbij om knotsvormige, koraalvormige, draadvormige of vertakte kleine paddenstoeltjes.

Een heel bekende en algemeen voorkomende is de geweizwam. Op de fotoโ€™s bovenaan zie je ze in drie stadia. Jonge exemplaren zijn eerst draadvormig en later vertakken ze. Bij jonge exemplaren is de buitenkant bedekt met een wit poeder. Als de sporen in de zwam rijpen, verdwijnt het poeder en zwellen de zwarte toppen wat op. Je vindt deze zwam op stronken en stammen van dode loofbomen. Het hout is vaak al behoorlijk verrot. Overal in het land is deze zwam te vinden, ook in stedelijk gebied.
Verwant aan de geweizwam zijn de houtknotszwam en de esdoornhoutknotszwam. De laatste zie je op de foto in het midden links en vind je op dode, afgevallen esdoorntakken. De plompere houtknotszwam is veel algemener en vind je op allerlei soorten dood loofhout.

Ook heel algemeen voorkomend is de draadknotszwam, al heb ik die gisteren pas voor het eerst bewust gezien. Dat was in een bosje waar deze schimmels op rottend, afgevallen blad groeiden. Er is maar weinig knotsvormigs aan deze paddenstoel te zien. Ze worden 3 tot 6 cm lang en zijn maar 1 tot 2 mm dik. Wel een bijzonder gezicht, al die โ€˜harenโ€™ die uit de grond groeien. Dat het toch echt om paddenstoelen gaat, zag ik toen er bij aanraking wolkjes van sporen opstegen. (Fotoโ€™s: in het midden en rechts daarvan.)
Een heel andere knotszwam is de heideknotszwam (foto linksonder). Deze opvallende verschijning van maximaal 8 cm lang vind je op de grond in bossen, onder struiken en tussen grassen en mossen op heide en in veenmoerassen. Meestal groeien ze in kleine groepjes. Vermoedelijk is het een mycorrhiza-schimmel die samenleeft met planten uit de heidefamilie.
Tot dezelfde familie horen de koraalzwammen. Deze zijn vertakt en je hebt ze in allerlei kleuren. Op de foto rechtsonder zie je een van de witte koraalzwammen. Ze kunnen 4 cm hoog worden. Witte koraalzwammen zijn mycorrhiza-schimmels die samenleven met diverse loofboomsoorten. Je vindt ze in bossen en wegbermen op niet al te voedselarme bodems.

Uit een heel andere familie is het kleverig koraalzwammetje, een opvallende oranje verschijning. Hij groeit op dood naaldhout. Soms lijkt het net of de zwammetjes op de grond staan, maar dan zitten ze op begraven hout. Ze worden 3 tot 6 cm hoog. Bij vochtig weer is de zwam kleverig. Er zijn soorten die hierop lijken maar die hebben breekbaar vruchtvlees. Het kleverig koraalzwammetje voelt kraakbeenachtig aan.
Op de foto daaronder zie je het geel hoorntje dat verwant is aan het kleverig koraalzwammetje. De vruchtlichamen hiervan zijn priemvormig en hooguit 1,5 cm hoog. Ze komen voor op dode takken en omgevallen boomstammen van loofhout. Ze vallen het meest op in natte periodes. Bij droog weer krimpt deze zwam tot oranje sliertjes. Er zijn soorten die hierop lijken, maar die zijn vertakt of komen op naaldhout voor.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฅ๐˜จ๐˜ช๐˜ฅ๐˜ด ๐˜—๐˜ข๐˜ฅ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜ด๐˜ต๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฆ๐˜ฏ ๐˜๐˜, ๐˜‹๐˜ฆ ๐˜จ๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ต๐˜ฆ ๐˜ฑ๐˜ข๐˜ฅ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜ด๐˜ต๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜จ๐˜ช๐˜ฅ๐˜ด ๐˜ท๐˜ฐ๐˜ฐ๐˜ณ ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ธ๐˜ฆ๐˜จ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 303: berken

(30 oktober 2023)

De berken in onze tuin zijn al vrijwel kaal. Elders zie ik berken nog verkleuren van groen naar goudgeel. Als het blad gevallen is, kunnen we genieten van de prachtige silhouetten.
Berken zijn enorm winterhard. In het hoge noorden is de dwergberk de enige โ€˜boomsoortโ€™ die daar wil groeien. Deze soort die niet hoger wordt dan een meter, kwam in de laatste IJstijd ook bij ons voor. In Nederland zijn nu alleen nog de zachte berk en de ruwe berk inheems. In parken en tuinen vind je ook andere berkensoorten, vaak aangeplant vanwege het mooie silhouet en de witte stam. Kenmerkend voor berken is dat de bast horizontaal afbladdert.

Berken zijn eenhuizig. Dat wil zeggen: aan een boom vind je zowel mannelijke als vrouwelijke bloeiwijzen. De hangende mannelijke katjes zijn al voor de winter aanwezig. Het stuifmeel wordt door de wind verspreid en is zeer allergeen zoals mensen met een berkenpollenallergie zullen onderschrijven. De vrouwelijke katjes staan rechtop en komen pas in het voorjaar tegelijk met het blad tevoorschijn. Aan het eind van de zomer zijn de talloze zaadjes rijp. De vruchtjes hebben brede vleugels waarmee ze door de wind over grote afstanden worden verspreid. De vruchtjes worden door allerlei zangvogels gegeten.

Aan berken zijn veel zwammen verbonden. De bekendste daarvan is de vliegenzwam. Maar ook berkenboleet (foto linksonder) en verschillende soorten russulaโ€™s en melkzwammen leven samen berken. Op droge heidevelden is de samenwerking met de berkenboleet essentieel voor de ontwikkeling van de bomen. De berkenboleet is namelijk ongevoelig voor stoffen die de schimmelpartner van struikhei uitscheidt om andere zwammen in hun groei te remmen. Berken worden niet oud: zoโ€™n tachtig tot honderd jaar. Aan het eind van hun leven worden ze aangetast door de berkenzwam. Er zijn nog meer schimmels op berken te vinden, waaronder de schimmel die heksenbezems veroorzaakt. Het gaat hierbij om woekeringen die optreden doordat โ€˜slapendeโ€™ knoppen uitlopen onder invloed van de schimmel. Blaadjes kunnen aangetast worden door de berk-en-elsroest en vallen voortijdig af (foto rechtsonder).
Uiteraard zijn ook verschillende soorten insecten afhankelijk van de berk zoals een aantal wantsen, snuitkevers, bladwespen en vlinders.

Om ruwe en zachte berk van elkaar te onderscheiden moet je naar een combinatie van verschillende kenmerken kijken. Een opvallend verschil is dat de stammen van volwassen ruwe berken aan de onderzijde zwart zijn en barsten vertonen; die van zachte berk zijn tot onderaan (groezelig) wit. Twijgen van ruwe berk hangen meer dan bij de zachte berk en voelen wrattig aan. De bladeren van zachte berk zijn bij het uitlopen zacht behaard. In de nerfoksels aan de onderkant van het blad blijven toefjes haren staan die bij de bladeren van ruwe berk ontbreken. Ruwe berk wordt hoger, wordt vaker aangeplant en komt algemener voor dan zachte berk. Ze kunnen onderling kruisen.
Verder zit er een verschil in standplaats. Beide soorten hebben een voorkeur voor zure, voedselarme tot matig voedselrijke bodems. Op hele droge, zandige plekken groeien alleen ruwe berken; op hele natte, venige plekken overwegend zachte berken.

Beide soorten zijn pioniers. Het zaad kiemt makkelijk en de bomen groeien snel. Ruwe berk kan, samen met grove den, massaal opslaan op heidevelden en kapvlaktes. Op kalkrijkere bodems wordt hij al snel ingehaald door bomen die hoger worden. Zachte berk vind je vooral op venige grond, vaak samen met zwarte els. Berkenbroekbossen met zachte berk zijn voorlopers van hoogveen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 302: clausilia’s

(29 oktober 2023)

Ooit van clausiliaโ€™s gehoord? Ik kom ze zo nu en dan tegen in onze tuin. Clausilia is een familie van kleine huisjesslakken met een langwerpige vorm en waarvan de huisjes linksgewonden zijn. Richt je de top van het huisje omhoog, dan is de mondopening naar links gericht. Dat is bijzonder, want de meeste landslakken zijn rechtsgewonden. Vanwege hun vorm worden clausiliaโ€™s ook wel raketjes of torentjes genoemd.
Een week geleden stond er een berichtje op Facebook van iemand die in haar tuin heel veel clausiliaโ€™s had gevonden. Dat maakte me nieuwsgierig: waar moet je ze eigenlijk zoeken? Ik las dat ze zich vaak verstoppen onder schors, op de grond in het strooisel en tussen stenen. Tja, dat lijkt net op zoeken naar een speld in een hooiberg. Toch ging ik gisteren op zoek in onze tuin, en warempel: ik vond al snel een aantal die op een half verweerde (geschilde) iepenstronk zaten. Deze stronk staat tussen brandnetels en hondsdraf die er half overheen groeien. Daar vond ik overigens nog een klein slakje, de donkere glimslak, die ik nog nooit eerder had gezien. Wie weet welke mini-slakjes zich allemaal nog meer in onze tuin ophouden!

Wereldwijd komen 1.500 soorten clausiliaโ€™s voor, in ons land negen. Om die van elkaar te onderscheiden moet je op een paar dingen letten: het aantal windingen, de structuur (de ribjes op het slakkenhuis), de lengte, de breedte en de vorm van de mondopening van het slakkenhuisje. Ik heb ObsIdentify erop losgelaten en die maakte van de exemplaren die ik had gevonden de grote clausilia.
Nou zijn ze niet echt groot te noemen met hun lengte van 18 mm (en breedte van 4 mm), maar van de clausiliaโ€™s die in de Veldgids Slakken en mossels staan, is het zeker de langste. Een soort die bijna net zo lang is, is de gladde clausilia, maar die heeft geen ribjes.
De grote clausilia, ook wel grote regenslak genoemd, is een vrij algemeen voorkomende soort in grote delen van ons land. Je vindt hem niet alleen in tuinen, maar ook in bossen en op dijken met stenen taluds. Veel clausilia-soorten leven in kalkrijke gebieden (Zuid-Limburg, duinen), maar de grote clausilia vind je ook op plekken met minder kalk.

In september worden de piepkleine eitjes gelegd, in een zelf gegraven kuiltje tussen dode bladeren of in de strooisellaag. Rond deze tijd komen de babyโ€™s tevoorschijn. Over twee jaar zijn ze uitgegroeid. Ze kunnen vier jaar oud worden.
Clausiliaโ€™s eten algen die op beschaduwde bomen en stenen zitten. Door hun vorm kunnen ze zich bij droogte goed terugtrekken in allerlei spleten en kieren.

De naam clausilia is afgeleid van clausilium, de wetenschappelijke term voor het afsluitklepje (een soort deurtje) waarmee de mondopening afgesloten kan worden. Dit klepje kantelt opzij als de slak naar buiten komt. Zo kan de slak zich beschermen tegen vleesetende keverlarven. Clausiliaโ€™s worden in het Engels โ€˜door snailsโ€™ genoemd. Ik vind deurslakken een veel makkelijker te onthouden naam dan clausiliaโ€™s.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ: ๐˜๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฅ๐˜จ๐˜ช๐˜ฅ๐˜ด ๐˜š๐˜ญ๐˜ข๐˜ฌ๐˜ฌ๐˜ฆ๐˜ฏ ๐˜ฆ๐˜ฏ ๐˜ฎ๐˜ฐ๐˜ด๐˜ด๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ด, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ต๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฎ๐˜ช๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฆ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ๐˜ด๐˜ฐ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ต๐˜ฆ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ๐˜ด๐˜ฐ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ต๐˜ฆ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ

Soort van dag 301: rode klaver

(28 oktober 2023)

Ook rode klaver is een plant die ik op verschillende plekken in nabloei zie. Klavers zijn vlinderbloemigen, net zoals gaspeldoorn, gewone rolklaver en wikkesoorten.
Rode klaver hoort tot het geslacht klaver met als wetenschappelijke naam Trifolium. Dit verwijst naar het kenmerkende (overwegend) driedelige blad. Bij de rode klaver zit op het midden van de deelblaadjes een lichte V-vormige vlek. De onderste bladeren zijn langgesteeld, de bovenste kort. De bloemetjes van klavers zijn langwerpig en staan dicht opeen in trossen die wel wat op een bolvormig hoofdje lijken. De bloemetjes zijn roze-rood. Een enkele keer tref je een exemplaar met witte bloemetjes aan. De planten kunnen tot een halve meter hoog worden. Stengel en bladeren zijn behaard.
Alleen hommels met een lange uitrolbare tong zijn in staat om bij de nectar te komen en dus zijn het ook hoofdzakelijk hommels die rode klaver bestuiven. Maar ook hommels met kortere tongen komen op rode klaver af zoals de akkerhommel (links onder) en de steenhommel (op de foto daarnaast). Als ze niet bij de nectar kunnen, breken ze in door een gaatje te maken. De vrucht (een nootje) wordt omhuld door het uitgebloeide bloempje. Vrucht en kelk worden samen door de wind verspreid.

Er is een zeer zeldzame vlinder die alleen de rode klaver als waardplant heeft, het klaverblauwtje (zie bij de blauwtjes). Rupsen van de bruine daguil (foto rechtsonder) zijn op diverse klaversoorten te vinden. Er zijn verschillende parasitaire schimmels die op rode klaver voorkomen zoals de klaverbekerzwam die wortelrot veroorzaakt. De parasitaire plant klavervreter (een bremraap) heeft een voorkeur voor rode klaver.

In ons land komen dertien soorten klaver in het wild voor. Mijn favorieten zijn naast rode klaver het hazenpootje en de aardbeiklaver. Daarnaast zijn er ook diverse uitheemse soorten zoals inkarnaatklaver die gebruikt wordt als groenbemester en ook in mengsels van zogenaamde โ€˜wildeโ€™ bloemen zit.

Net zoals andere vlinderbloemigen leeft rode klaver samen met stikstofbindende Rhizobium-bacteriรซn. Rode klaver bevat veel eiwitten en was daarom al in de oudheid in cultuur als voedergewas. Verder wordt rode klaver als groenbemester gebruikt.
Rode klaver kun je in heel uiteenlopende graslandtypen vinden. De plant voelt zich vooral thuis op matig bemeste, kleiige, niet te droge hooilanden. De fotoโ€™s bovenaan zijn in mei genomen. Daarop zie je rode klaver op voormalige zandplaten in de Grevelingen waar ook veel orchideeรซn en ratelaars groeien. In de huidige cultuurgraslanden voelt de plant zich niet thuis waardoor de plant vooral te vinden is in bermen en in natuurgebieden. Witte klaver komt algemener voor dan rode klaver. Deze plant blijft lager dan rode klaver, mist de V-vormige vlekken op de bladeren en vind je wel in cultuurgraslanden.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜ง๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 300: ‘stoepkorstmossen’

(27 oktober 2023)

Nu er steeds minder bloeiende planten te zien zijn, gaat mijn aandacht automatisch weer meer naar mossen en korstmossen. Aan het begin van het jaar heb ik al verschillende korstmossen beschreven: groot dooiermos, rendiermossen, gewoon purperschaaltje en rood bekermos.
Vandaag gaat het over korstmossen waar je overheen loopt: korstmossen die groeien op de stoep. Sommige soorten lijken net op platgetrapte kauwgom. Daarom dat sommige mensen die korstmossen op de stoep niet zo waarderen. Op internet vind je allerlei tips om korstmossen te verwijderen. Maar waarom zou je?
Korstmossen tasten overigens tegels, klinkers en muren niet aan. Door weersinvloeden is er altijd een zekere mate van verwering van de bovenste laag en hierin vestigt het korstmos zich. Deze vormt vervolgens een beschermende laag en gaat verdere verwering tegen. Hier vind je informatie over korstmossen (en algen en mossen) op cultureel erfgoed.

Korstmossen zijn geen mossen. Het zijn organismen waarbij een alg (of een blauwalg) en een schimmel samenwerken. Ze hebben daar beide profijt van. De alg maakt met behulp van zonlicht suikers aan waar de schimmel van leeft. De schimmel zorgt voor de opname van regenwater en mineralen. Daarnaast beschermt de schimmel de algen tegen uitdroging en vraat. Tevens bepaalt de schimmel de vorm van het korstmos.
Korstmossen op steen groeien van nature op rotsen, in de meest onherbergzame gebieden, op plekken waar planten niet kunnen leven. Maar je vindt ze ook dichter bij huis op plekken waar de omstandigheden vrij extreem kunnen zijn zoals op dakpannen, muren en stoepstenen. De korstmossen gebruiken de stenen ondergrond alleen als vestigingsplaats. Ze halen daar geen voedingsstoffen uit. Het zijn vooral korstvormige korstmossen die je daar aantreft. Deze zijn met de hele onderkant vastgehecht. Bladvormige zitten losser.
Op korstmossen kun je bekervormige structuren vinden. Hierin worden de schimmelsporen ontwikkeld.

Op een stoeptegel kunnen wel tien verschillende soorten korstmossen voorkomen. Het meest in het oog springend zijn muurschotelkorst met zijn grijsgroene rozetten en kauwgommos dat inderdaad erg op platgetrapte kauwgom lijkt. Daartussen zijn, als je goed kijkt, de minder opvallende soorten te vinden.
In de collage zie je zes soorten. In het grote vlak zie je muurschotelkorst met linksonder een detail ervan. Daarboven betoncitroenkorst en linksboven kastanjebruine schotelkorst met rechts ervan kauwgommos. En tenslotte rechtsboven twee bladvormige stoepkorstmossen: stoeprandvingermos en groot dooiermos.

Kauwgommos is wit tot zeer lichtgrijs en groeit in rozetten van 6 cm doorsnede. Het midden kan donkerder van kleur zijn. Er komen bijna nooit bekervormige structuren op dit korstmos voor. Je kunt deze soort ook op schors van bomen vinden.
Muurschotelkorst is grijsgroen van kleur en ligt heel plat op het substraat. De rozetten kunnen een doorsnede hebben van 10 cm. Er bestaan nog veel meer schotelkorsten, zoals de kastanjebruine schotelkorst. Bij schotelkorsten zijn de bekervormige structuren meestal plat.
Bij betoncitroenkorst en andere citroenkorsten zijn het vooral de bekervormige structuren die dit korstmos een geel of oranje uiterlijk geven.
Stoeprandvingermos bestaat uit kleine, grijze rozetjes die tot matjes samengroeien.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ข๐˜ต๐˜ถ๐˜ณ๐˜ฆ ๐˜›๐˜ฐ๐˜ฅ๐˜ข๐˜บ, ๐˜๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฅ๐˜จ๐˜ช๐˜ฅ๐˜ด ๐˜’๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ด๐˜ต๐˜ฎ๐˜ฐ๐˜ด๐˜ด๐˜ฆ๐˜ฏ, ๐˜ท๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ด๐˜ฑ๐˜ณ๐˜ฆ๐˜ช๐˜ฅ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ๐˜ด๐˜ข๐˜ต๐˜ญ๐˜ข๐˜ด.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 299: gewone berenklauw

(26 oktober 2023)

Op allerlei plekken kun je nog bloeiende gewone berenklauw zien. En als tussen de regen door de zon even schijnt, zie je ook nog allerlei insecten de bloemen bezoeken. Zelfs in de mist zag ik een strontvlieg op een berenklauwscherm zitten.

Gewone berenklauw is een schermbloemige, net zoals fluitenkruid en peen. Hij is verwant aan de exoot reuzenberenklauw. In Nederland is gewone berenklauw na zevenblad en fluitenkruid de algemeenste schermbloem.

De overblijvende plant is vrij grof en fors en kan tot 1,5 meter hoog worden. De stengels zijn gegroefd en behaard. Je kunt dat zien op de foto linksboven. Rechtsboven zie je een foto van de grote schede waarmee een blad vastzit aan de stengel.

Grote berenklauw bloeit na het fluitenkruid, van juni tot in de herfst. De bloemetjes zijn wit; soms kunnen ze een beetje roze zijn. Ze staan in grote schermen. De buitenste bloemetjes zijn โ€˜stralendโ€™: de buitenste kroonblaadjes zijn groter dan de andere en bovendien zijn ze diep ingesneden.

Net zoals bij de andere schermbloemigen komen er heel veel insecten (meer dan honderdzestig soorten) op de makkelijk bereikbare nectar af. Vliegen, kevers, korttongige bijen en wespen: ze worden allemaal op berenklauw aangetroffen. Op de foto in het midden links zie je, als je goed kijkt, zogenaamde wappervliegen op een bloemscherm. Deze vliegjes die wel wat weg hebben van vliegende mieren, worden ook wenkvliegen genoemd. Onderaan in de collage zie je van links naar rechts: de gewone prachtwapenvlieg, de rozenbladwesp, een sluipvlieg (Eriothrix rufomaculata) en het nazomergitje (een zweefvliegsoort).

Na de bloei verschijnen de vruchten. Deze zijn afgeplat en behaard en hebben brede vleugels. De wind zorgt voor de verspreiding. Zaden ontkiemen pas na een lange vorstperiode.

Naast bloembezoekers zijn op gewone berenklauw nog meer insecten te vinden. De meeste daarvan tref je ook op andere schermbloemigen aan. Een paar insecten zijn min of meer gespecialiseerd op berenklauw.

Op de foto in het midden rechts zie je de rups van het groot platlijfje (een grasmot) die zich ingespinseld heeft in een scherm. De rupsen van deze vlinder vind je ook op pastinaak en groot moerasscherm.

Op de foto in het midden zie je een oranje dwergbladroller. Deze microvlinder legt haar eitjes in de bloemen van gewone berenklauw of gewone engelwortel. De rupsen rollen geen bladeren op zoals andere bladrollers doen, maar ze spinnen een paar zaden samen en eten hiervan.

Holle, dode bloemstengels worden door allerlei insecten en spinnen gebruikt als overwinteringsplek. Daarom is het goed om de stengels pas na de winter te verwijderen.

Je vindt gewone berenklauw op vochtige, (zeer) voedselrijke en vaak licht beschaduwde plekken zoals bermen, lichte loofbossen en ruigten. Je kunt overigens nog een andere forse schermbloemige in nabloei tegenkomen, namelijk de gewone engelwortel. Die groeit op nog vochtigere plekken, is onbehaard en ziet er โ€˜sappigโ€™ uit.

Gewone berenklauw kan goed tegen herhaaldelijk maaien; beweiding verdraagt hij een stuk minder goed.

De haren van gewone berenklauw kunnen net zoals reuzenberenklauw irritatie en brandblaren veroorzaken, maar veel minder ernstig. Mensen kunnen gewone berenklauw ook eten: jonge bladen, (geschilde) stengels en zaden. De zaden smaken een beetje als kardemom.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜•๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ญ๐˜ข๐˜ฏ๐˜ฅ๐˜ด๐˜ฆ ๐˜–๐˜ฆ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ ๐˜๐˜ญ๐˜ฐ๐˜ณ๐˜ข, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข

Soort van dag 298: russula’s

(25 oktober 2023)

Van het geslacht russula vormen alle soorten mycorrhizaโ€™s met bomen (zie voor uitleg over mycorrhizaโ€™s bij de vliegenzwam). In ons land komen zoโ€™n 125 soorten russulaโ€™s voor. Welke waar te vinden zijn, hangt af van de bomen die er groeien, en van de bodem.

Op zich is een russula als zodanig makkelijk te herkennen. De paddenstoel bestaat uit een hoed en een vrij dikke steel. De hoeden zijn vaak opvallend gekleurd en contrasteren met de meestal witte steel. Een ring en een beurs ontbreken. Kenmerkend is dat de steel van een russula breekt als een krijtje. (Dat doet de steel van een melkzwam ook, maar die heeft daarnaast ook nog melksap.)
Maar danโ€ฆ welke russula heb je precies gevonden? Als je gewoon wilt genieten, is dat niet zo van belang. Maar wil je een bijdrage leveren aan de kennis over de verspreiding van russulaโ€™s in ons land, dan is een naam nodig. En die krijg je niet door er alleen maar naar te kijken.

Ik ben bezig met een basiscursus paddenstoelen, georganiseerd door de mycologische vereniging. Ook de russulaโ€™s kwamen aan de orde. Als huiswerkopdracht moesten we twee verschillende russulaโ€™s beschrijven en zo mogelijk op naam brengen. Dat kan alleen als je een russula plukt.
Op zich ben ik niet zoโ€™n voorstander van paddenstoelen plukken: ook andere mensen moeten er van kunnen genieten en er zijn allerlei dieren die ervan eten. Russulaโ€™s bijvoorbeeld worden graag door (naakt)slakken gegeten. Voor wetenschappelijke en educatieve doeleinden mag je een exemplaar plukken, is het standpunt van de mycologische vereniging. (Overigens is het niet schadelijk voor de zwam: je kunt het plukken van paddenstoelen vergelijken met het pukken van appels. De zwamvlok blijft gewoon bestaan, net zoals de appelboom.)

Bij het op naam brengen van een russula gebruik je al je zintuigen. Allereerst kun je aan het โ€˜knappenโ€™ van de steel horen of je met een russula (of melkzwam) te maken hebt. Verder kijk je natuurlijk naar allerlei visuele kenmerken van hoed, steel en lamellen. Ook kijk je naar de omgeving: bij welke bomen staat hij. Verder voel je eraan: is de hoed droog of plakkerig. Veel russulaโ€™s hebben een karakteristieke geur, bijvoorbeeld die van rotte vis, latex, camembert of abrikozen. En tenslotte moet je een stukje proeven (en uitspugen). Voor het eerst dat ik een stukje van een โ€˜wildeโ€™ paddenstoel in mijn mond stopte om te proeven of die mild, pittig of scherp smaakt.
Verder is het belangrijk om een sporenfiguur te maken. Daarvoor moet je wel een exemplaar mee naar huis nemen. De hoed leg je onder een glas op een blad papier. De volgende dag kun je zien welke kleur de sporen hebben. Bij russulaโ€™s varieert dat van wit tot donker okergeel.

Met al die waarnemingen en een boek met determinatiesleutels kun je vervolgens op zoek gaan naar de juiste naam van jouw russula. Het is wel goed om het daarna te controleren aan de hand van beschrijving. Geur en smaak zijn bijvoorbeeld subjectief.
Een van de russulaโ€™s die ik heb onderzocht, zie je op de foto linksboven, met zijn sporenfiguur ernaast. Heel kenmerkend waren de geur (fris; geur van latex) en de kleur van de sporen (donkergeel). Ik kwam uit op de kleibosrussula. Dat klopte met de bomen die er stonden (m.n. eik) en de bodem.

Op de andere fotoโ€™s zie je russulaโ€™s die ik al eerder eens gefotografeerd heb. Met ObsIdentify zijn die dus niet op naam te brengen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ฎ๐˜บ๐˜ค๐˜ฐ๐˜ญ๐˜ฐ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ฃ๐˜ข๐˜ด๐˜ช๐˜ด๐˜ค๐˜ถ๐˜ณ๐˜ด๐˜ถ๐˜ด ๐˜ฑ๐˜ข๐˜ฅ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜ด๐˜ต๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฆ๐˜ฏ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฅ๐˜จ๐˜ช๐˜ฅ๐˜ด ๐˜—๐˜ข๐˜ฅ๐˜ฅ๐˜ฆ๐˜ฏ๐˜ด๐˜ต๐˜ฐ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฆ๐˜ฏ ๐˜

Soort van dag 297: ooievaar

(24 oktober 2023)

Vorige week zag ik ooievaars foerageren in de weilanden bij Breukelen (foto rechtsboven). Deze horen tot het kleine deel van de ooievaars dat in ons land overwintert. De rest is in augustus-september naar het zuiden vertrokken.

Iedereen herkent de ooievaar wel: een grote zwart-witte vogel met rode snavel en rode poten. Mannetjes en vrouwtjes zien er gelijk uit. Van ooievaars wordt gezegd dat ze elkaar trouw zijn, maar het schijnt dat ze vooral hun nest(plek) trouw zijn.
Dat nest maken ooievaars op hoge plekken, zowel natuurlijke (in hoge bomen) als door mensen gemaakte (bijvoorbeeld op ooievaarspalen). Op de foto linksonder zie je een ooievaar op zijn nest op landgoed Gooilust bij โ€™s-Graveland in maart 2022. Ik heb ze ook broedend gezien op de schoorsteen van het gebouw van BSO Natuurfontein in het Westerpark in Amsterdam waar ik destijds werkte. Een bekend beeld zijn de ooievaarsnesten op hoogspanningsmasten langs de snelweg bij Lelystad.

De voortplanting van ooievaars hoeft tegenwoordig voor ons geen geheimen meer te kennen: er zijn veel livestreams waarmee we die kunnen volgen. Hier zie je een samenvatting van het broeden van ooievaars in Rottige Meente dit voorjaar.
In februari keren de ooievaars terug naar de nestplek. Ze maken een nieuw nest, baltsen en paren. In april wordt er gebroed. De jongen zitten een kleine twee maanden op het nest. Als ze zijn uitgevlogen, worden ze nog een paar dagen bijgevoerd door hun ouders.
Ooievaars eten regenwormen, kikkers, muizen, mollen, jonge vogels, aas en insecten. Ze zoeken hun voedsel vooral in natte weilanden met poelen en slootjes. De overwinteraars halen bij vorst en sneeuw voedsel in stedelijk gebied en bij speciale bijvoederplaatsen.

Vorige eeuw nam het aantal ooievaars sterk af door intensivering van de landbouw en het gebruik van pesticiden. Aan het begin van de 20e eeuw waren er vijfhonderd broedparen; rond 1970 waren het nog maar tien. Daarom startte de Vogelbescherming in 1969 een herintroductie- en fokprogramma vanuit ooievaarsdorp Het Liesveld in de Alblasserwaard. Het begon met vijftien gekortwiekte ooievaars. Jongen werden naar buitenstations gebracht waar het fokprogramma werd voortgezet. Het doel van het programma was aanvankelijk om zoveel mogelijk jongen groot te brengen, later kwam de verbetering van het leefgebied centraal te staan. In 2003 waren er weer net zoveel ooievaars als een eeuw daarvoor. In 2009 is het fokprogramma afgesloten. Hier kun je meer lezen over de geschiedenis van het fokprogramma.
Het aantal broedpaar is na 2003 nog verder toegenomen. In 2022 waren het er 1650. Ze zijn nu door het hele land te zien, niet meer alleen in de buurt van ooievaarsstations. Sommige mensen vinden overigens dat er inmiddels te veel ooievaars zijn, want ze zouden schadelijk zijn voor de weidevogels.

Na het broedseizoen verzamelen ooievaars zich in grote groepen, aangevuld met ooievaars uit Scandinaviรซ en Duitsland. De jongen vertrekken allemaal en blijven de eerste twee tot vier jaar in hun overwinteringsgebied tot ze geslachtsrijp zijn. Daarna trekken ze jaarlijks na het broeden weg en sommige vogels blijven. Dat heeft o.a. met al dan niet bijvoeren te maken. In 1995 overwinterde nog 90% van de volwassen vogels in ons land, tegenwoordig 20%.
Ooievaars vliegen vooral op thermiek (warme opstijgende lucht) naar het zuiden. Omdat boven zee geen thermiek is, nemen ze bij de Middellandse Zee de kortste oversteek naar Afrika, namelijk bij Gibraltar. Andere Europese vogels vliegen via de Bosporus. Er zijn ook vogels die in Spanje blijven waar ze op vuilnisbelten genoeg te eten vinden.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

๐˜‰๐˜ณ๐˜ฐ๐˜ฏ๐˜ฏ๐˜ฆ๐˜ฏ: ๐˜ท๐˜ฐ๐˜จ๐˜ฆ๐˜ญ๐˜ฃ๐˜ฆ๐˜ด๐˜ค๐˜ฉ๐˜ฆ๐˜ณ๐˜ฎ๐˜ช๐˜ฏ๐˜จ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ด๐˜ฐ๐˜ท๐˜ฐ๐˜ฏ.๐˜ฏ๐˜ญ, ๐˜ž๐˜ช๐˜ฌ๐˜ช๐˜ฑ๐˜ฆ๐˜ฅ๐˜ช๐˜ข, ๐˜ฐ๐˜ฐ๐˜ช๐˜ฆ๐˜ท๐˜ข๐˜ข๐˜ณ๐˜ด.๐˜ฆ๐˜ถ