Soort van dag 316: sperwer

(12 november 2023)

De winter nadert en veel mensen gaan dan de vogeltjes in de tuin bijvoeren. Een vogel die daarvan profiteert, is de sperwer. Ook voor deze kleine roofvogel is een voedertafel een uitgelezen plek om aan voedsel te komen. Vanuit dekking kan hij daar de vogels observeren en vervolgens ‘vanuit het niets’ toeslaan. Dat is vaak een goed moment om deze vrij schuwe vogel te zien te krijgen, zeker als hij een vogel heeft gevangen die te groot is om mee weg te vliegen.
Op de foto rechts, gemaakt door Sander Uiterwijk, zie je een mannetje sperwer met zijn prooi. Zelf zie ik ook regelmatig een sperwer, maar bij ons eet hij de prooien nooit zo in het zicht op. Wij vinden vooral de veren op de plukplek terug. Op de foto links zit een vrouwtje sperwer op een paaltje met daarboven een andere kleine roofvogel, de torenvalk.

Sperwers komen door het hele land voor. Ze zijn vooral te vinden in halfopen landschappen, dus met bosjes waarin veel kleine vogels zitten, en in bosranden. Soms kunnen we ze ook in de stad zien. Je kunt ze onderscheiden van andere kleine roofvogels door hun brede, afgeronde vleugels en lange staart met vierkant uiteinde. Ook hun relatief lange poten zijn kenmerkend.
Sperwers zijn nauw verwant aan haviken; ze horen tot hetzelfde geslacht. Haviken zijn groter en forser gebouwd dan sperwers. Een mannetje sperwer is vrij makkelijk te herkennen door zijn formaat en zijn kleuren. Een vrouwtje is een stuk groter en kan worden verward met een mannetje havik. Havikvrouwtjes zijn nog een slag groter, ongeveer zo groot als een buizerd. Haviken hebben een staart met een afgerond uiteinde en de vleugels zijn puntiger en in verhouding tot de staart langer. Zit de roofvogel op een paaltje, dan herken je de havik aan zijn stevige poten en forse snavel. Haviken zitten in dicht bos en open landschap.

Mannetjes sperwer vangen mezen, mussen en vinken. De grotere vrouwtjes jagen vooral op vogels van het formaat merel, spreeuw of gaai. Maar ook een Turkse tortel wordt wel gevangen. Als in je tuin een roofvogel achter een mees aan zit, zal het meestal om een sperwer gaan en niet om een havik of een torenvalk. Haviken jagen ook op vogels, o.a. op (jonge) sperwers.

Sperwers maken hun nest hoog in de bomen in dichte bosjes. De jongen komen uit als de jonge mezen uitvliegen. Die vormen in die periode dan ook het belangrijkste voedsel. Ons land kent zo’n 2.500 broedparen.
De vogels die bij ons broeden, blijven meestal ook in de winter hier. Vogels uit Noord-Europa trekken naar onze streken of gaan verder naar Zuidwest-Europa. In de winter zijn hier zo’n 10.000-15.000 sperwers.

Na een dieptepunt in de jaren ’70 nam het aantal sperwers toe toen allerlei landbouwpesticiden werden verboden. Maar sinds 2000 neemt het aantal broedparen weer af. Ook het aantal wintergasten is lager geworden. Er worden hiervoor verschillende oorzaken genoemd. Het kan komen door een verminderd voedselaanbod (er zijn tenslotte ook minder mussen) en door een toename van het aantal haviken buiten de bosgebieden (op de hogere gronden neemt hun aantal ook af).

De naam ‘sperwer’ is afgeleid van een samentrekking van de Oudhoogduitse woorden sparo (= mus; vergelijk het Engelse sparrow) en aro (= arend); mussenarend dus.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘴𝘰𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 315: stekelhuidigen

(11 november 2023)

Vandaag nemen we weer eens een hele dierenstam onder de loep, namelijk die van de stekelhuidigen. Een groep van ongewervelde zeedieren die maar weinig verwantschap met andere diergroepen vertoont. Wereldwijd zijn zevenduizend soorten beschreven (plus twintigduizend soorten die bekend zijn als fossiel). In de Nederlandse zeewateren komen ruim twintig soorten voor.
Tot de stekelhuidigen horen zeelelies, zeesterren, slangsterren, zee-egels en zeekomkommers. Zeelelies komen bij ons niet voor; zeekomkommers worden slechts incidenteel gevonden.

Stekelhuidigen zijn zeebodemdieren die niet kunnen zwemmen. Ze kruipen rond op buisvoetjes met zuignapjes. Met die zuignapjes kunnen ze zich ook vasthechten aan bijvoorbeeld stenen of schelpen. Die buisvoetjes worden aangestuurd vanuit een inwendig watervaatstelsel dat werkt op basis van waterdruk. Hier kun je zien hoe een zeester zich voortbeweegt. Het watervaatstelsel speelt ook een rol bij de ademhaling.
Kenmerkend voor stekelhuidigen is de vijfstralige symmetrie van de volwassen dieren. Ze hebben een ruwe huid met stekels of knobbels. Deze groeien uit het onderhuidse skelet dat bestaat uit kalkplaatjes die al dan niet met elkaar vergroeid zijn. Ze hebben een soort primitief centraal zenuwstelsel in de vorm van een zenuwring. Onder stekelhuidigen vind je grazers, jagers en filtervoeders.
Stekelhuidigen hebben gescheiden geslachten en planten zich voort door hun eicellen en spermatozoïden aan het water af te geven. Uit bevruchte eitjes komen larven (die tweezijdig symmetrisch zijn). Deze kunnen wel zwemmen. Na enige tijd veranderen ze in een kleine zeester, zee-egel of zeekomkommer. En dan zinken ze af naar de bodem waar ze de rest van hun leven doorbrengen. Ze kunnen enkele jaren oud worden.

Op de foto’s bovenaan zie je zeesterren. Een zeester heeft een schijfvormig lijf met vijf langwerpige lobben, de armen. Aan het einde van elke arm zit een soort oogje. De stekels zijn knobbelvormig. Zilvermeeuwen zijn een belangrijke vijand van zeesterren, zoals je op de eerste foto kunt zien. Op de foto ernaast zie je de onderkant van een zeester. (Deze foto is gemaakt in een zeeaquarium in Vancouver.) Hierop kun je de mondopening zien (in het midden) en de rijen van buisvoetjes met zuignapjes. Op de derde foto zie je de bovenkant van het skelet van een zeester.
Van de drie zeesterren die bij ons voorkomen, is de gewone zeester zeer algemeen. Ze zitten op stenen en rotsen. Ook zijn ze vaak te vinden op mosselbanken. Mosselen zijn hun voornaamste voedsel. Met hun zuignapjes trekken ze de mosselschelpen uit elkaar.

Op de foto’s onderaan zie je zee-egels. Ze kunnen hun stekels bewegen. Ze gebruiken ze als verdediging en om zich mee voort te bewegen, bijvoorbeeld door het zand. Hun buisvoetjes stulpen ze door de gaatjes in het skelet naar buiten.
Op de foto links zie je het restant van een zeeklit, een soort die regelmatig aanspoelt. Zeeklitten worden maximaal 9 cm groot en zijn geel, grijs of bruin van kleur. De stekels zijn niet hard, maar dun en gebogen. Zeeklitten leven in gangen in de bodem. Ze komen algemeen langs de kust voor.
Op de foto ernaast zie je de gewone zeeappel. Ook deze is langs de hele kust te vinden en wordt 4,5 cm groot. Deze soort heeft groenige, stevige stekels. Ze zitten vaak tussen stenen op strekdammen en ook op mossel- en oesterbanken.
Op de derde foto zie je zanddollars, schijfvormige zee-egels. Bij de grote zie je de onderzijde, met de mondopening. Bij de kleine zie je de bovenkant. Deze zee-egels heb ik al heel lang; geen idee hoe ik eraan gekomen ben. Volgens mij vind je deze soort niet bij ons. Een van de zanddollars die je wel bij ons op het strand vindt, is het zeeboontje, een zee-egel van 1 cm.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

(Er komen, als het goed is, nu nog vijftig soorten. Misschien heeft u, als lezer, een suggestie welke soort / soortgroepen echt niet mogen ontbreken. Laat mij dat dan weten en ik kijk of ik er iets mee kan. De soort moet bij voorkeur inheems zijn. En ik plaats deze alleen als ikzelf deze soort ook een keer gezien heb (of de sporen ervan) en ik moet er een foto van hebben.)

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢 𝘦𝘯 𝘧𝘢𝘶𝘯𝘢 𝘷𝘢𝘯 𝘥𝘦 𝘻𝘦𝘦, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘢𝘯𝘦𝘮𝘰𝘰𝘯.𝘰𝘳𝘨

Soort van dag 314: boleten

(10 november 2023)

Boleten zijn paddenstoelen met hoed en steel, maar zonder plaatjes. In plaats daarvan hebben ze buisjes (gaatjes, poriën). Er zijn meer paddenstoelen met gaatjes, namelijk de houtzwammen. Bij houtzwammen kun je de laag met buisjes er niet af krabben, bij boleten wel. Als groep zijn boleten dus makkelijk herkenbaar, zeker ook omdat ze vaak vrij fors zijn en daardoor opvallen. In ons land komen 65 verschillende soorten boleten voor.

De meeste boleten zijn symbionten: ze leven samen met bomen. Twee soorten zijn een uitzondering hierop, namelijk de kostgangerboleet die parasiteert op de gele aardappelbovist, en de zeldzame houtboleet die leeft als opruimer op dood naaldhout. Er zijn boleten die op voedselarme, zure grond voorkomen, maar ook soorten die op voedselrijkere bodems groeien.
Bodemsoort en bomen in de buurt kunnen je dus helpen bij het op naam brengen van een boleet. Verder zijn er verschillende zaken waar je naar moet kijken. Dat zijn o.a. de kleur en grootte van de buisjes, de kleur van de hoed, eventuele verkleuring bij kneuzing of doorsnijden van de paddenstoel en de structuur van het oppervlak van de steel. Het oppervlak van de steel kan een netstructuur hebben of bedekt zijn met schubjes of vezeltjes. Sommige boleten hebben een ring en andere hebben melk.

In de collage zie je een aantal boleten die ik in de loop der jaren gefotografeerd heb. Ik heb ze destijds niet doorgesneden of gekneusd of heel goed op andere veldkenmerken gelet. Dus ik kan niet met zekerheid zeggen om welke soorten het precies gaat.
In de linkerkolom zie je boleten met een rode hoed die ik gefotografeerd heb op de houtkades bij Kockengen, in het veenweidegebied. Bij de bovenste zie je duidelijk een soort craquelé-effect van de hoed. Dat zou erop kunnen wijzen dat het om de wijnrode boleet gaat die voorkomt op veen bij berk. Om er zeker van te zijn dat het de wijnrode is en niet bijvoorbeeld de rode boleet, moet je de boleet verder onderzoeken. De rode boleet komt bij verschillende loofboomsoorten voor op humusrijke grond en staat meestal op wat drogere plekken dan de wijnrode.
In de middelste kolom zie je bovenaan twee foto’s van berkenboleten. Daar bestaan verschillende soorten van. Ze hebben schubjes op de steel. De verschillende soorten kun je van elkaar onderscheiden door naar de kleur van de hoed en de verkleuring van de steel bij doorsnijden te kijken. Berkenboleten zien er wat slanker uit dan sommige andere boleten en vind je bij berken.
Onder de berkenboleten zie je een foto van eekhoorntjesbrood, waarschijnlijk gewoon eekhoorntjesbrood. Eekhoorntjesbrood heeft witte buisjes die later wat geel verkleuren, een netwerkstructuur op de steel en meestal robuuste stelen. Eekhoorntjesbrood vind je vooral bij eiken.
In de rechterkolom zie je 2x de gewone heksenboleet. Heel zeker ben ik niet, want ik heb niet naar de verkleuring bij kneuzing gekeken die doorslaggevend is. Deze soort leeft samen met eik of beuk op voedselarme, zure zandbodems. Rechts onderaan zie je een voor mij onbekende boleet waarbij je goed de buisjes kunt zien.

Onder de boleten vind je goed eetbare soorten zoals gewoon eekhoorntjesbrood en de gewone heksenboleet. Er zijn ook giftige soorten waarvan de satansboleet het meest giftig is. Niet alleen mensen eten boleten, ook allerlei dieren eten ervan. Eekhoorntjesbrood heet tenslotte niet voor niets zo. Verder zijn er allerlei insecten, naaktslakken en springstaarten die graag van boleten eten.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦, 𝘣𝘢𝘴𝘪𝘴𝘤𝘶𝘳𝘴𝘶𝘴 𝘱𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 313: witte dovenetel

(9 november 2023)

Bij ons in de tuin staat de witte dovenetel op allerlei plekken volop in bloei. De eerste roomwitte bloemen verschenen al in het vroege voorjaar. In de zomer waren de planten overwegend uitgebloeid en zo’n twee maanden geleden liepen ze opnieuw uit en zijn ze weer gaan bloeien.
Ook de gevlekte dovenetel bloeit opnieuw. En op allerlei plekken komt de eenjarige paarse dovenetel op en begint gelijk te bloeien. Op de foto rechts zie je van links naar rechts een bloem van de witte, de paarse en de gevlekte dovenetel.
In het voorjaar en de zomer werden de bloemen van witte dovenetel druk bezocht door bijen en hommels. Vorige maand zag ik nog een enkele hommel in de buurt van de witte dovenetels, maar nu zie ik ze niet meer, ook niet als de zon even schijnt. Het lijkt me dat deze uitgebreide nabloei de planten veel energie kost terwijl er geen zaadvorming en verspreiding van de soort tegenover staat. Maar witte dovenetels zijn sterke planten, dus ze zullen daar niet direct onder lijden.

Op de foto rechtsonder kun je heel goed zien dat de bovenlip van de bloem de vier meeldraden beschermt. Je ziet de zwarte helmhokjes met het gele stuifmeel erop. De meeldraden zijn tweemachtig: er zijn twee lange en twee korte. Tussen de meeldraden zie je de stijl, een onderdeel van de stamper. Op de onderlip zit een honingmerk dat bestaat uit gele vlekken en strepen. Dat kun je goed zien op de foto rechtsboven. Het honingmerk wijst bezoekende insecten de weg naar de nectar in de kroonbuis. Als de insecten de nectar verzamelen, wordt gelijktijdig het stuifmeel op hun rug afgezet. Bezoeken ze daarna een volgende bloem, dan komt het stuifmeel op de stempel die aan het einde van de stijl zit.
Na bevruchting ontstaat de vierdelige splitvrucht. Elk deelvruchtje heeft een mierenbroodje, dus mieren zorgen voor de zaadverspreiding. Daarnaast verspreidt de plant zich met ondergrondse uitlopers waardoor ze matten kunnen vormen.

Witte dovenetel is een plant van vochtige, zeer voedselrijke, enigszins beschaduwde plekken. Je vindt ze in bermen, bemeste weilanden en lichte loofbossen. Bij ons staan ze vooral onder de fruitbomen en bessenstruiken die van ons veel compost krijgen. Witte dovenetel tref je vaak samen aan met grote brandnetel, fluitenkruid, zevenblad, kleefkruid, kweek en kropaar.

Een insect die op en bij dovenetels leeft, is de dovenetelgraafwants. Deze wantsen zuigen aan de wortels, bladeren en stengels. (Op de foto linksonder zit hij overigens niet op een dovenetel.) De vrouwtjes leggen hun eitjes in kamers onder de grond, honderd stuk per kamer. Vervolgens beschermen ze de eitjes en ze doen zelfs aan enige broedzorg. Er bestaan meer soorten graafwants; die leven op en bij andere planten.
Verder zijn er verschillende mineervliegjes die speciaal op dovenetelsoorten mineren. Allerlei insecten die op andere lipbloemigen te vinden zijn, komen ook op witte dovenetel voor zoals de muntschildpadtor (foto links midden).

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘦𝘪𝘴-𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 312: bekermossen

(8 november 2023)

Speurend naar (kleine) paddenstoelen kun je soms op het verkeerde been gezet worden. Je denkt dat je een bekervormig paddenstoeltje vindt, maar het is het bekertje van een bekermos. En andersom komt natuurlijk ook wel voor.
Bekermossen zijn geen mossen maar korstmossen, levensvormen waarbij een alg en een schimmel samenwerken. Net zoals zwammen hebben de schimmels in bekermossen vruchtlichamen waarin de sporen gevormd worden. De bekertjes zijn de dragers ervan.

Bekermossen horen tot het geslacht Cladonia waarvan in ons land ruim vijftig soorten voorkomen. Ook de heidestaartjes en rendiermossen horen tot dit geslacht. Eerder kwam rood bekermos al aan de orde, een soort met opvallende, rode vruchtlichamen. Maar er zijn er nog veel meer zoals je in de collage kunt zien. Om ze te zien kun je het beste naar de zandgronden gaan, bijvoorbeeld naar de heide en de duinen.
Bekermossen en heidestaartjes hebben zogenaamde grondschubben. De kleur en vorm hiervan verschilt per soort. De bekertjes van bekermossen kunnen verschillende vormen, kleuren en groottes hebben. Het oppervlak kan bezet zijn met korrelige structuren die kunnen loslaten en vervolgens uitgroeien tot nieuwe korstmossen. Deze zorgen dus voor ongeslachtelijke (vegetatieve) voortplanting. Ook de vruchtlichamen op de bekers kunnen verschillende kleuren hebben zoals rood, bruin en zwart.
Om te weten met welke soort je te maken hebt, is het daarnaast belangrijk om te kijken naar de plek waar de bekermos groeit. Op dood hout? Als epifyt op de stam van een levende boom? Op een rieten dak? Op de grond? Is de bodem kalkrijk of kalkarm?

Op de foto’s zie je linksboven een bekertje tussen het mos. Is dit nu een bekermos of een bekervormig- of kelkvormig zwammetje? Ik heb niet naar eventuele grondschubben gekeken, dus ik kan het niet met zekerheid zeggen. Daarnaast zie je een bekermos tussen een van de heidestaartjes staan.
Volgens ObsIdentify (en gecheckt met de veldgids en Wikipedia) zie je op de tweede rij van links naar rechts: kopjes-bekermos, bruin bekermos (met op de achtergrond een heidestaartje) en rafelig bekermos. Op de derde rij zie je fijn bekermos, smal bekermos en zomersneeuw (ook wel bekend als elandgeweimos).

Zomersneeuw groeit op de grond en heeft grote, geelgroene grondschubben. Bij droogte krullen die om waardoor je de gelig witte onderzijde ziet. Het is een bekermos, maar de bekers ontbreken meestal. Je vindt deze soort vooral in de duinen.
Smal bekermos vind je alleen op zuur, rottend hout. Fijn bekermos leeft epifytisch op allerlei soorten bomen en ook wel op rottend hout. De andere drie bekermossen vind je op de grond, (rottend) hout en rieten daken. Kopjes-bekermos vind je bovendien op (bak)stenen. Omdat kopjes-bekermos op zoveel verschillende substraten kan groeien, kun je deze soort door het hele land aantreffen (minder in de zeekleigebieden).

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘒𝘰𝘳𝘴𝘵𝘮𝘰𝘴𝘴𝘦𝘯, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭, 𝘸𝘢𝘢𝘳𝘯𝘦𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭

Soort van dag 311: toortsen

(7 november 2023)

In de duinen zagen we gisteren prachtige, viltig behaarde bladrozetten van toortsen, waarschijnlijk van koningskaarsen. Het heeft een voordeel om als plant behaarde bladeren te hebben: zoogdieren eten er niet graag van. In de duinen laten de grote grazers ze dan ook staan. Verder helpt de beharing tegen uitdroging.
De meeste toortsen zijn tweejarig: de bladrozetten die dit jaar zijn gevormd, zullen de hele winter te zien zijn. Volgend jaar bloeien de planten, vanaf juni/juli tot in de herfst. Als de zaden gerijpt zijn, sterft de plant af. De hele winter kun je vervolgens nog de afgestorven, verhoute planten zien staan (foto midden rechts). Toortsen zijn zogenaamde winterstaanders: bij windstoten wordt een deel van de zaden weggeslingerd. De zaden behouden tientallen jaren hun kiemkracht.

Van de toorts komen wereldwijd zo’n driehonderd verschillende soorten voor. Bij ons zijn zes soorten inheems. In het algemeen komen toortsen voor op omgewerkte, humushoudende, voedselrijke en kalkhoudende zandgronden. De meeste soorten vind je in de dynamische duinen en het rivierengebied, maar ook vind je ze langs spoorwegen en op plekken waar gegraven wordt.
Een toorts als zodanig is vrij makkelijk te herkennen met zijn bladrozet en zijn rechtopstaande, bebladerde stengel. Toortsen hebben vijftallige bloemen die meestal geel zijn. Van de vijf meeldraden zijn de onderste twee groter dan de andere drie; deze dienen als landingsplaats voor insecten die stuifmeel komen halen.

In de collage zie je bovenaan (rechts van het bladrozet) de bloemen van mottenkruid en zwarte toorts. Van deze planten zijn de bladeren nauwelijks behaard en de meeldraden paars-wollig. Mottenkruid is vrij zeldzaam en wordt vooral in het rivierengebied aangetroffen. De alleenstaande bloemen kunnen geel of wit zijn. De zwarte toorts is algemeen voorkomend in het oosten en het midden van het land. Het is een meerjarige plant en de bladeren zijn gesteeld.

In het midden van de collage zie je van links naar rechts: keizerskaars, stalkaars en koningskaars. Deze ‘kaarsen’ hebben viltig behaarde bladeren en wit-wollige meeldraden. Bij de keizerskaars lopen de bladeren aan de bloeistengel niet door tot het volgende blad; bij de koningskaars en stalkaars wel. Keizerskaars is de meest zeldzame van de drie.
Koningskaarsen en stalkaarsen worden het hoogst: tot twee meter. De bloemen van de koningskaars zijn kleiner dan die van stalkaars en keizerskaars. Verder moet je naar de helmknoppen (meeldraden) kijken om zeker te weten met welke soort je te maken hebt.

Dan is er nog de melige toorts. Deze soort is zeldzaam. De bloemen van de melige toorts zijn niet zo fel van kleur (wit of zachtgeel) en hebben wit-wollige meeldraden. De bovenkant van de bladeren is kaal, de achterzijde is melig (witviltig).
Andere toortsen die je in ons land tegen kunt komen, zijn de vlokkige toorts (bossig uiterlijk), kandelaartoorts (bloemen in een pluim), beklierd mottenkruid en paarse toorts.

Kleine vogels eten van de zaden van toortsen, maar ook van insecten die in de dode stengels overwinteren. Toortsen zijn waardplanten van verschillende soorten vlinders en andere insecten. Toortsen en helmkruiden horen tot dezelfde familie, namelijk de helmkruidfamilie. Verschillende insecten zijn dan ook zowel op helmkruid als op toorts te vinden. De op rupsen lijkende larven van de helmkruidbladwesp (foto onderaan) heb ik in onze tuin zowel op helmkruid als op zwarte toorts aangetroffen. Ook is er een galmug die eitjes legt in de bloemknoppen van de zwarte toorts. Het resultaat zie je op de foto rechtsonder.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

Soort van dag 310: steenloper

(6 november 2023)

Ben je op het strand, dan kun je de drieteenstrandloper langs de vloedlijn heen en weer zien rennen, op zoek naar voedsel. Het is een soort uit de familie van de strandlopers en snippen waartoe ook de grutto en wulp behoren. Een andere soort uit deze familie is de steenloper. Deze is zeldzamer dan de drieteenstrandloper en vooral op stenige strekdammen en dijken te zien. Ook zie je ze wel op zandplaten, kwelders, schelpenbanken en kort grasland binnendijks. Een enkele keer worden ze meer landinwaarts waargenomen.

De exemplaren op de foto’s zag ik afgelopen weekend langs de Grevelingen bij Scharendijke waar ze vergezeld werden door scholeksters. Eerst vielen ze me met hun schutkleuren niet op tussen de stenen en schelpen langs de oever. Tot ze voor me uit renden.
Hier zie je ze in hun bruingrijze winterkleed. Hun zomerkleed is erg bont: roodbruin, chocoladebruin, zwart en wit. De onderbuik is altijd wit. Deze vrij gedrongen steltlopers van zo’n 20 cm hebben korte, oranjerode poten en een korte, donkere snavel.

Steenlopers zoeken hun voedsel tussen basaltblokken en in het zand. Ook doen ze dat door losse stenen, schelpen en wieren om te kieperen en dan snel hun prooi op te pikken. In het Engels worden ze daarom ‘turnstone’ genoemd. Ze hebben vooral allerlei kleine kreeftachtigen, weekdieren en insecten zoals strandvlooien op hun menu staan. Ze eten ook aas: dode, aangespoelde dieren. En het schijnt dat ze dol zijn op friet, brood en de pulp uit kokosnoten. Kokosnoten vinden ze uiteraard niet bij ons, maar wel in hun overwinteringsgebieden.

Op het hele noordelijke halfrond komen ze langs de kusten van zoute en brakke wateren voor. Bij ons is de vogel een doortrekker en een wintergast. In de winter verblijven hier zo’n 5.000 exemplaren. In het najaar en voorjaar komen daar nog eens duizenden doortrekkers bij die ons land als tussenstop gebruiken voor hun trektocht tussen Scandinavië en Afrika. Jonge, nog niet geslachtsrijpe exemplaren blijven soms bij ons overzomeren. Broeden doen ze bij ons niet. De dichtstbijzijnde broedlocaties bevinden zich in het Duitse deel van het Waddengebied. De meeste broeden in het uiterste noorden van Noord-Amerika en in Groenland, Scandinavië en Noord-Rusland. Dat doen ze op stenige kusten, moerasachtige hellingen en toendra’s. Ook de drieteenstrandlopers broeden in deze contreien. Zowel drieteenstrandlopers als steenlopers hebben het lastig omdat klimaatverandering leidt tot onvoorspelbare lentes in hun broedgebieden. Het ene jaar is de lente vroeg en missen ze de piek in insecten om hun jongen mee te voeden. Het andere jaar kan er nog sneeuw liggen als ze arriveren om te broeden.
Ik las dat de meeste Scandinavische broedvogels naar Afrika trekken (tot Zuid-Afrika en Australië aan toe) en dat de Canadese en Groenlandse vogels naar Europa trekken. En dat doen ze in één ruk, over de Atlantische Oceaan. Ook trekken vogels van een andere ondersoort uit Noord-Amerika naar Midden- en Zuid-Amerika. Het zijn dus niet alleen supertrekvogels, maar ook echte kosmopolieten.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯𝘳𝘦𝘨𝘪𝘴𝘵𝘦𝘳.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 309: kraakbeenvissen

(5 november 2023)

In de Noordzee komen zo’n 220 soorten vissen voor. Sommige soorten leven aan het oppervlak en zoeken daar naar plankton. Andere soorten zoeken hun voedsel op de bodem. En dan heb je nog vissen die op andere vissen jagen. Wil je al die vissen zien, dan moet je ze proberen te vangen met een hengel of een net. Een enkele keer vind je aangespoelde vissen op het strand.

Ik dacht altijd dat de gewervelde dieren ingedeeld werden in vijf klassen: zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen. Maar ‘vissen’ schijnt eigenlijk een soort verzamelnaam te zijn van koudbloedige gewervelde dieren die in het water leven, zich voortbewegen met vinnen en (meestal) ademhalen door kieuwen. De vissen die vandaag de dag leven, kun je onderverdelen in kaakloze vissen en vissen met kaken. De laatste groep kun je weer onderverdelen in de klasse van de kraakbeenvissen en de superklasse van de beenvisachtigen. Bij kraakbeenvissen bestaat het skelet alleen uit (flexibel) kraakbeen. Kraakbeenvissen waren de eerste gewervelde dieren met kaken. 95% van de hedendaagse vissoorten horen tot de beenvisachtigen.

Op de foto’s zie je een aangespoelde hondshaai en het eikapsel van een rog, volgens ObsIdentify van de gevlekte rog. Haaien en roggen horen tot de kraakbeenvissen. Zo’n 27 vertegenwoordigers hiervan komen (wel eens) in onze territoriale wateren voor.
Bij de meeste vissen vindt de paring plaats doordat het mannetje en het vrouwtje tegelijkertijd respectievelijk sperma (hom) en eicellen (kuit) afgeven. De eitjes worden in het water bevrucht. Dit wordt ‘paaien’ genoemd. Bij haaien en roggen gaat de voortplanting anders. De eitjes worden inwendig bevrucht. Veel roggensoorten en bodemhaaien zoals de hondshaai leggen eieren. Hierbij zit het embryo samen met een dooier in een taai, leerachtig zakje (het eikapsel). Aan het eikapsel zitten draadvormige aanhangsels waarmee het aan wieren, stenen of koralen vastgehaakt kan worden. Van acht roggensoorten en twee haaiensoorten kun je langs onze stranden de lege eikapsels vinden. Hier vind je een determinatiegids. De meeste haaien baren overigens hun jongen levend (waarbij verschillende variaties mogelijk zijn hoe de embryo’s gevoed worden).

Hondshaaien zijn de meest voorkomende haaien in de Noordzee. Het zijn kleine haaien die zo’n 80 cm lang worden. Hun voedsel zoeken ze ’s nachts op de zeebodem. Ze eten voornamelijk uit schaal- en schelpdieren, wormen en kleine visjes.
De grootste haai in de Noordzee is de reuzenhaai, de op één na grootste vis ter wereld (met een lengte van zes tot acht meter). Soms wordt deze ook wel langs de kust waargenomen en een enkele keer spoelt een dood exemplaar aan op het strand. Reuzenhaaien eten plankton.

Roggen herken je aan hun platte lichaam. De soorten die in de Noordzee leven, brengen de grootste deel van hun tijd liggend op de bodem door. De gevlekte rog is een kleine soort van zo’n 60 cm die wormen, kreeftachtigen, inktvis en kleine vissen eet.
De grootste rog in de Noordzee is de vleet die sinds de jaren zestig steeds zeldzamer is geworden en bij ons nauwelijks meer wordt waargenomen. Deze rog wordt zo’n twee meter groot. Een andere grote roggensoort die wel eens in de Zeeuwse wateren wordt gevangen, is de gewone pijlstaartrog. Die kan 1,4 meter lang worden.

Vergeleken met beenvissen planten haaien en roggen zich langzaam voort. Bovendien zijn ze pas na een paar jaar geslachtsrijp. Dat maakt dat ze extra gevoelig zijn voor verstoringen zoals overbevissing. Bij de vangst op platvissen die ook op de bodem leven, worden roggen en bodemhaaien vaak als bijvangst gevangen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘦𝘤𝘰𝘮𝘢𝘳𝘦.𝘯𝘭, 𝘢𝘯𝘦𝘮𝘰𝘰𝘯.𝘰𝘳𝘨, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 308: melkzwammen

(4 november 2023)

Bij de russula’s heb ik ze al even genoemd: melkzwammen. Melkzwammen zijn verwant aan russula’s, maar zijn vaak minder opvallend gekleurd. Ze hebben een steel, hoed, lamellen en geen ring. Ook bij melkzwammen is de steel bros. Het meest opvallende kenmerk is dat de paddenstoel melksap afgeeft. Dat zie je bijvoorbeeld als je over de lamellen krast. Die ‘melk’ is vaak wit, maar kan ook oranje zijn. Er komen in ons land een kleine zestig verschillende soorten voor.
Net zoals russula’s leven melkzwammen in symbiose met de wortels van bomen. Bij welke boom ze staan, is dus een belangrijk determinatiekenmerk. Er zijn melkzwammen die bij maar bij één boomsoort voorkomen zoals bijvoorbeeld de vuurmelkzwam bij hazelaar. Er zijn ook soorten die bij verschillende boomsoorten voorkomen. En er zijn boomsoorten waarbij je meerdere soorten melkzwammen aantreft. Bij de berk gaat het om wel veertien soorten.
Verder is het belangrijk om naar de kleur van de melk te kijken en ook om te kijken of die verkleurt en zo ja, hoe snel. Verder is de smaak van de melk (en de paddenstoel) belangrijk en de geur van de paddenstoel. Er zijn melkzwammen die naar bedwantsen ruiken, andere naar kokos. Natuurlijk kun je voor de zekerheid een sporenfiguur maken om te bekijken welke kleur de sporen hebben.
Goed om te weten is dat melkzwammen niet giftig zijn, maar niet allemaal even smakelijk. Dus je kunt met een gerust hart een druppeltje melk proeven (en uitspugen).

Wat is de functie van die melk eigenlijk? Daarover kon ik maar weinig vinden. Op de website van Natuurpunt las ik het volgende. Naast slakken eten ook muizen, eekhoorns en reeën graag van melkzwammen. De sporen blijven via de melk kleven in de vacht van deze dieren en worden zo verspreid.

Op de foto’s bovenaan zie je levermelkzwammen uit het Spanderswoud bij Hilversum. Deze soort leeft samen met naaldbomen en dit was een stukje bos waar inderdaad alleen sparren stonden. Verder is kenmerkend aan deze soort dat de witte melk na enkele minuten lichtgeel verkleurt, de iets pittige smaak en de bleke hoedrand. Je vindt levermelkzwammen op zure, voedselarme zandgronden waar ze in groepen van enkele tientallen exemplaren bij elkaar staan.
Daaronder zie je de vuurmelkzwam. Deze staat bij een hazelaar op het natuurterreintje naast ons huis. De melk van deze soort smaakt erg scherp; vandaar de naam ‘vuur’melkzwam. Als je denkt met deze soort te maken te hebben, is één druppel melk al voldoende om de scherpe smaak te proeven. Het is een soort van voedselrijkere bodems.

Op de onderste rij zie je melkzwammen die ik al eens eerder heb gefotografeerd maar toen niet op naam heb gebracht (en met OsIdentify lukt dat meestal niet). Linksonder is een melkzwam uit het Gadrabos bij Burgh-Haamstede. De andere melkzwammen heb ik vorig jaar in De Haeck bij de Nieuwkoopse Plassen gefotografeerd.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘉𝘢𝘴𝘪𝘴𝘤𝘶𝘳𝘴𝘶𝘴 𝘱𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯, 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘗𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯 𝘐, 𝘋𝘦 𝘨𝘳𝘰𝘵𝘦 𝘱𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘴𝘵𝘰𝘦𝘭𝘦𝘯𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘷𝘰𝘰𝘳 𝘰𝘯𝘥𝘦𝘳𝘸𝘦𝘨, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 307: bosrank

(3 november 2023)

Gisteren ging het over hop, een kruidachtige slingerplant die elk jaar opnieuw uitloopt. Op kalkrijke grond komt hop samen voor met o.a. bosrank, een houtige klimplant.
Bosrank is een indrukwekkende liaan: hij klimt in bomen, kronkelt als een slang over de grond en hangt als een deken over struwelen (en verstikt ze soms). Ook kunnen ze vanaf een boomtak als een sluier naar beneden hangen. De ‘stammen’ van bosrank zijn eveneens indrukwekkend. Ze kunnen polsdik worden en tot dertig meter lang. In de zomer zit de plant vol roomwitte bloemen, in de herfst en winter hangt hij vol pluizenbollen.

Bosrank hoort tot de ranonkelfamilie en is dus verwant aan boterbloem en speenkruid. Dat kun je o.a. zien aan de grote hoeveelheid meeldraden. Om vraat te voorkomen bevatten de planten hetzelfde type gif als andere ranonkelsoorten. Desondanks is de soort voedselplant voor verschillende soorten insecten zoals de tere zomervlinder. Ook is er een schorskever die gangen maakt in de merg van de stengels.
Het geslacht waartoe bosrank behoort, heeft de wetenschappelijke naam Clematis. Onder die naam kennen we natuurlijk allerlei tuinklimplanten. Een daarvan, de Italiaanse clematis, is bij ons ingeburgerd en komt zeer zeldzaam voor in het Maasdal.
Kenmerkend voor clematissen is dat ze geen kroonbladeren hebben maar zes tot acht (gekleurde) kelkbladeren. Bij bosrank zijn die roomwit. De bloemen bloeien van juli tot augustus en hebben eenzelfde muffe geur als meidoorn. Allerlei bijen en vliegen komen erop af; niet om nectar te halen maar stuifmeel. Vanaf september zijn de vruchten rijp. De dopvruchten hebben een lange uitloper waarop veel haren zitten. Ze blijven nog een hele tijd aan de struik hangen, ook nog lang nadat het blad afgevallen is. De wind zal uiteindelijk de vruchten verspreiden.
Ook al heet de plant bosrank, ranken heeft de plant niet. Het zijn de bladstelen die houvast zoeken en zich bij contact met een boom of iets anders vastdraaien.

Nederland is de noordgrens van het gebied waar bosrank van nature voorkomt. Hij groeit op voedselrijke, kalkhoudende, vochthoudende bodems. Het is een soort van bosranden, houtwallen, struwelen en kreupelhout. In Zuid-Limburg is de klimmer heel algemeen; daar komen ze massaal voor aan de voet van de krijthellingen en langs holle wegen. Noordelijker vind je hem langs de grote rivieren en in de kalkrijke duinen ten zuiden van Bergen. In stedelijk gebied komt hij steeds vaker voor. De foto rechtsonder is gemaakt op een kade tussen twee veenplassen. Het is niet bepaald kalkrijk daar. Maar mogelijk kan bosrank daar toch groeien omdat het huidige asfaltpaadje vroeger een schelpenpad was.

Bosrank heeft ook bijnamen: lierelei, heggenwurger en smookhout. De laatste naam heeft de plant gekregen omdat vroeger de gedroogde, houtige stengels als een soort sigaret werden gerookt. Vanwege de lange, zilverwitte pluizen wordt de bosrank in Engeland ‘old man’s beard’ genoemd.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢