Soort van dag 46: citroenvlinder

(15 februari 2023)

Afgelopen maandag zag ik bij het Quakjeswater op Voorne mijn eerste citroenvlinder van dit jaar vliegen. Het was een patrouillerend mannetje. Het lukte niet om er een foto van te maken. Dus daarom foto’s uit mijn ‘archief’.

Citroenvlinders zijn vrij groot en horen tot de familie van de witjes. De mannetjes zijn citroengeel. Het vrouwtje is bleekgeel tot bijna wit. De onderkant van de vleugels is groenachtig. Op elke vleugel zit een bruin vlekje. De citroenvlinder komt algemeen voor. Je ziet ze vooral als ze vliegen of nectar eten; als ze rusten vallen ze niet op tussen de blaadjes van een boom of struik.

Vlinders kunnen overwinteren als vlinder, pop, rups of eitje. De meeste doen het als eitje; de citroenvlinder overwintert als vlinder. Ze doen dat in dichte vegetatie, bijvoorbeeld in hulst, klimop of braam. Maar soms doen ze dat ook in een graspol, vlak bij de grond. De vlinders paren vroeg in het voorjaar. Daarna draagt het vrouwtje de eitjes een tijdje bij zich omdat de eitjes nog moeten rijpen. In deze tijd moet ze veel nectar eten. Die haalt ze van vroegbloeiende struiken zoals wilg (die bloeit vanaf maart). Mannetjes komen eerder uit winterrust dan de vrouwtjes en gaan dan ‘op patrouille’: op zoek naar vrouwtjes.

Het vrouwtje zet de eitjes af op struiken uit het geslacht vuilboom: wegedoorn en sporkehout. Wegedoorn komt voor op kalkhoudende grond zoals de duinen van Voorne (foto rechtsonder). Sporkehout is veel algemener; wij hebben het ook in onze tuin staan (foto linksboven). Deze struik bloeit heel lang, van begin mei tot begin september en levert heel veel nectar, niet alleen voor vlinders, maar ook voor bijen en andere insecten.

De groene rupsen zijn er van half april tot eind juni. Ze zijn moeilijk te vinden. Dat komt vooral doordat ze parallel aan de bladnerven rusten. Vanaf eind juni tot oktober vliegen de vinders die daarna in winterrust gaan. Vanaf begin februari tot begin juni vliegen ze vervolgens weer. Sommige vlinders hebben meerdere generaties in een jaar; de citroenvlinder één. De citroenvlinder kan dus een jaar oud worden en is daarmee de langstlevende vlinder van ons land.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 45: Turkse tortel (en andere duiven)

(14 februari 2023)

Welke vogel past beter bij Valentijnsdag dan de tortelduif? Bovendien klinkt het geluid van het mannetje bijna als ‘I love you’. Duiven staan voor veel symbool, ook voor eeuwige trouw: een duivenpaar blijft zijn leven lang bij elkaar.

Turkse tortels zijn vrij kleine duiven. Ze zijn leigrijs-beige van kleur en slanker dan stads-, holen- of houtduiven. Ze hebben een zwart-witte nekband. Ook hun ogen zijn opvallend: een zwarte iris met een wit randje eromheen.

Op de foto’s onderaan zie je Turkse tortels. Bovenaan van links naar rechts: stadsduiven, houtduif en holenduif. Stadsduiven stammen af van de rotsduiven; ze kunnen er heel divers uit zien maar hebben allemaal oranje ogen. Houtduiven zijn vrij groot, hebben een witte nek, een witte streep op de vleugel en gele ogen. Holenduiven hebben een groene nek en donkere ogen. Er is nog een duivensoort die in Nederland broedt: de zomertortel. Momenteel zit die nog in West-Afrika.

De Turkse tortel broedt van half februari tot in november, dus bijna het jaar rond. In die tijd heeft de vogel twee tot vijf legsels, met twee eieren per keer. De jongen uit het eerste nest kunnen zich nog dit jaar voortplanten. Een succesvolle broedvogel dus. Dat is ook wel nodig, want veel jonge vogels sneuvelen. Tortels broeden in struiken of bomen, maar ook onder rolluiken en luifels. Hun nesten maken ze van een paar slordig in elkaar gestoken takken.

De Turkse tortel broedde tot 1900 nog alleen in Klein-Azië. In de jaren ’50 is het eerste broedgeval in Nederland gemeld en inmiddels komt deze vogel in bijna heel Europa voor. In Nederland zijn er nu ongeveer 68.000 broedparen.

Turkse tortels eten granen en andere zaden, en daarnaast ook torretjes, rupsen en vruchten. Je ziet ze vaak op of onder de voedertafel in de tuin. Bij de laatste Tuinvogeltelling stond deze soort op nummer 7.

Duiven zijn de enige vogels die kunnen drinken zonder hun kop op te tillen. Ze hoeven het water niet op te scheppen en in hun keel te laten lopen, maar houden hun snavel in het water en zuigen het omhoog.

Jonge duiven, dus ook tortels, worden met zogenaamde duivenmelk gevoed. Dat maken beide ouders aan in hun krop. Het is erg voedzaam en zo kunnen de jonge duifjes de eerste dagen doorkomen, ook in de winter als er nog maar weinig eiwitrijke insecten te vinden zijn.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘴𝘰𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 44: vroegeling

(13 februari 2023)

De bladrozetten van de vroegeling zijn er al vanaf oktober; hier en daar verschijnen nu ook de eerste bloemen (zie foto rechtsboven). De rozetjes zijn maar zo’n 2 cm in doorsnee en de blaadjes zijn spatelvormig en behaard (zie foto rechtsonder).

Dit kleine schattige plantje is bij ons een echt stoepplantje. Het staat vooral in het grind en tussen de klinkers. Het is een soort van open zandgrond. Daarom vind je ze ook op kwekerijen en spooremplacementen en in geschoffelde plantsoenen, moestuinen en de duinen. Soms staan ze ook op oude muren. Het is echt zo’n soort waarop je gewezen moet worden en daarna zie je hem vaker.

Vroegeling is een eenjarige uit de familie van de kruisbloemen (de familie waartoe ook koolzaad, herderstasje en pinksterbloem behoren). Dat betekent dat de bloemen vier kroonblaadjes hebben. Bij vroegeling zijn die zo ver ingesneden, dat het er acht lijken. Bij alle kruisbloemigen vormen zich na de bloei hauwen (langwerpig) of hauwtjes (ovaal tot rond). Vroegeling heeft hauwtjes. Als de zaden zijn uitgezaaid, blijft er een klein vliesje over. Dat lijkt net op een mini-judaspenning (ook een kruisbloemige). Voor de zomer zijn de plantjes weer verdwenen. Na de zomer ontkiemen de zaadjes en voor het einde van het jaar zie je weer bladrozetten verschijnen.

Het plantje wordt niet door insecten bestoven, maar het doet aan zelfbestuiving. De exemplaren in mijn tuin zijn dus waarschijnlijk genetisch identiek. Ze kunnen wat uiterlijk betreft uiterlijk een beetje verschillen van exemplaren op andere plekken in ons land. Soms worden daarom ondersoorten onderscheiden.

Er zijn ook andere kruisbloemigen die vanaf nu beginnen te bloeien. Een daarvan is kleine veldkers. Die heeft heel andere blaadjes (oneven geveerd) en vruchten (lange hauwen) en de kroonblaadjes zijn niet ingesneden. Je ziet ze wel vaak op dezelfde plekken. Ook het herderstasje begint te bloeien en heeft bij ons in de tuin al vruchten.

Het geslacht waartoe de vroegeling behoort, heet hongerbloempje. Daarvan komt nog een soort in Nederland voor: het wit hongerbloempje. Deze is forser en hiervan zijn de bloemstelen bebladerd.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

Bronnen: floravannederland.nl, Nederlandse oecologische flora, Nature Today

Soort van dag 43: regenwormen

(12 februari 2023)

Gisteren aandacht voor de mol, vandaag voor zijn hoofdvoedsel: regenwormen. Bovendien is het vandaag Darwindag; de dag waarop Charles Darwin, de grondlegger van de moderne evolutietheorie, wordt herdacht. Darwin heeft ruim veertig jaar onderzoek gedaan naar regenwormen. Het boek dat hij hierover schreef verscheen in 1881, een jaar voor zijn dood. Tegen zijn verwachting in werd het een bestseller.

Dé regenworm bestaat overigens niet. Het is een familie die behoort tot de ringwormen. In Nederland komen 23 soorten voor. De Nederlandse naam ‘regenworm’ slaat op het feit dat de wormen voornamelijk na een regenbui te zien zijn. Daarnaast zijn er nog andere aardwormen die we ook vaak ‘regenworm’ noemen.

Het lichaam van een regenworm kan uit meer dan honderd segmenten (ringen) bestaan. Het voorste segment bevat de mondopening. Vooraan, na ongeveer het dertigste segment, zit bij volwassen regenwormen een verdikking: het zadel. De segmenten hebben borstelige uitsteeksels (zie foto). Als je een worm over papier laat lopen, hoor je een raspend geluid. Regenwormen zijn hermafrodiet: ze bezitten zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen.

Regenwormen zijn heel belangrijk in de natuur. Ze mengen dood plantaardig materiaal met de bodem. Ze eten halfverteerde bladeren en met hun uitwerpselen komen voedingsstoffen vrij waar planten weer van kunnen groeien. Behalve op plekken waar de bodem te zuur is, zijn regenwormen de belangrijkste bodemomwoelers. Zo brengen ze zuurstof in de bodem. Door die grote aantallen waarin ze voorkomen, zijn regenwormen het belangrijkste voedsel voor dieren als merels, mollen, dassen en grutto’s. Ook kraaien, roodborstjes, egels, verschillende insecten (waaronder kevers), naaktslakken en platwormen eten regenwormen.

Regenwormen kun je in drie groepen verdelen: grondeters, strooiseleters en pendelaars. Is de regenworm over zijn hele lichaam licht gekleurd, dan is het een grondeter (die ziet het daglicht niet). Is zijn hele lichaam donkerrood, dan is het een strooiseleter (die zit aan het oppervlak). Is het achterlijf afgeplat en lichter van kleur dan de voorkant, dan heb je te maken met een pendelaar.  Pendelaars zoals de gewone regenworm, graven diepe verticale tunnels en trekken blaadjes de grond in (zie foto). Door hun tunnels wordt het regenwater goed afgevoerd. De uitwerpselen zie je als hoopjes op het oppervlak liggen (zie foto).

Over regenwormen valt nog veel meer te vertellen én zelf te onderzoeken. Heel veel informatie en leuke weetjes vind je hier.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘣𝘰𝘥𝘦𝘮𝘥𝘪𝘦𝘳𝘦𝘯𝘥𝘢𝘨𝘦𝘯.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘝𝘳𝘰𝘦𝘨𝘦 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘴, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 42: mol

(11 februari 2023)

Vandaag en morgen is de landelijke Mollentelling, georganiseerd door o.a. de Zoogdiervereniging. Het doel hiervan is om beter inzicht te krijgen waar mollen precies voorkomen. Mensen zien vaak wel molshopen maar geven die niet door op waarneming.nl of bij de Jaarrond Tuintelling.

Een mol kan in principe overal leven waar hij in de grond kan graven en waar voldoende regenwormen te vinden zijn. Op de Waddeneilanden komen geen mollen voor. Verder lijkt het erop dat mollen ontbreken op droge heideterreinen, in monotone naaldbossen en in centra van grote steden.

Het aantal molshopen in een gebied zegt weinig over het aantal mollen. Want het verschilt per gebied en per periode hoeveel molshopen één mol maakt. In de paartijd (februari-april) gaan de mannetjes op zoek naar de vrouwtjes. Hierbij maken ze mollenritten (oppervlakkige gangen). Ook het weer heeft invloed op hoeveel molshopen een mol maakt. Als het kouder wordt en regenwormen dieper de grond in trekken, dan moet de mol dieper graven om bij zijn voedsel te kunnen komen.

Elke mol heeft een eigen gangenstelsel dat tegen soortgenoten wordt verdedigd. Enkele weken na de geboorte worden de jongen door de moeder uit haar territorium verdreven. Bij hun zoektocht naar een eigen woonplek graven de jonge mollen lange ritten vlak aan het oppervlak (juni-juli).

Het gangenstelsel is een val voor ongewervelde dieren. De mol patrouilleert door zijn gangen en eet onderweg de gevangen diertjes op. In het voor- en najaar legt de mol in ondergrondse kamers een voedselvoorraad aan van regenwormen. Daarvoor bijt hij de kop van een regenworm af, zodat die verlamd raakt.

Molshopen en mollenritten zie je dus op veel plekken, maar mollen zelf zie je niet zo gauw. Ik zie wel eens een exemplaar in de snavel van een blauwe reiger. Of een dood exemplaar in de tuin (foto). Een paar jaar geleden zag ik op een droge zomerse dag een mol de grond uit schieten, een regenworm achtervolgend. De regenworm wist overigens te ontsnappen.

Mollen zijn helemaal aangepast aan hun leven onder de grond. Zo zijn hun voorpoten omgevormd tot grote graafhanden (met vijf vingers en een duimpje). De haren van de zwarte vacht zijn zo ingeplant dat ze alle kanten op kunnen bewegen. Ze hebben geen uitwendige oren. Mollenogen zijn klein en slecht ontwikkeld, maar blind zijn ze niet. Verder vallen de spitse, slurfvormige roze snuit met gevoelige snorharen en het kleine staartje op.

Sommige mensen vinden mollen maar lastig: ze maken hun mooie gazon kapot. Maar bedenk dat mollen erg nuttig zijn. Naast regenwormen eten ze slakken en larven van (schadelijke) insecten. Door het graven van gangen zorgen ze ervoor dat de grond luchtig blijft en dat het regenwater weg kan stromen. Zie ook de website van MilieuCentraal.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘻𝘰𝘰𝘨𝘥𝘪𝘦𝘳𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘔𝘪𝘭𝘪𝘦𝘶𝘊𝘦𝘯𝘵𝘳𝘢𝘢𝘭

Soort van dag 41: gaspeldoorn

(10 februari 2023)

Vandaag is het Wereld Peulvruchten Dag (World Pulses Day). Met deze dag willen de Verenigde Naties de voordelen van het eten van peulvruchten onder de aandacht brengen. Alle peulvruchten behoren tot de vlinderbloemenfamilie.

Er worden in Nederland wel peulvruchten geteeld, maar er zijn geen inheemse of ingeburgerde peulvruchten. Er zijn inheemse vlinderbloemigen die we kunnen zoals rode klaver of het vrij zeldzame aardaker. Sommige vlinderbloemigen zijn voedergewassen voor vee.

Vlinderbloemigen heten zo omdat de vorm van de bloem wel wat van een vlinder weg heeft. Na de bevruchting vormt zich een peul met daarin de zaden. Verder hebben alle vlinderbloemigen met elkaar gemeen dat ze in symbiose leven met stikstofbindende Rhizobium-bacteriën. Als reactie op deze bacteriën vormt de plant wortelknolletjes (een soort plantengallen dus; zie hier voor uitleg). Door de opname van stikstof zijn de planten, vruchten en zaden zeer eiwitrijk (eiwitten bestaan voor ca. 16% uit stikstof). Daarom zijn vlinderbloemigen belangrijk als ‘voer’. Vanwege de stikstof worden vlinderbloemigen ook als groenbemester gebruikt.

Een inheemse vlinderbloemige die momenteel in bloei komt, is de gaspeldoorn. Gaspeldoorn is een forse en gedoornde struik die twee tot drie meter hoog kan worden. Op jonge planten en beschadigde delen van de struik zitten (vaak drietallige) blaadjes. Op de rest van de struik zie je bladdoorns. De goudgele alleenstaande bloemen staan aan het eind van de twijgen in de oksels van de bladdoorns. Ze zijn vrij groot (1,5-2 cm). De hoofdbloei is van maart tot mei, maar ze kunnen het hele jaar door bloeiend aangetroffen worden.

De gaspeldoorn groeit op kalkarme zandige bodems met leem, löss of slib erin (daar houden de Rhizobium-bacteriën van). Je vindt ze van de duinen tot in Noord-Brabant en Twente. Ik ken hem ook van de taluds van de snelwegen die de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug doorsnijden. De gaspeldoorn is vorstgevoelig. In strenge winters sterft hij tot op de wortel af, maar loopt daarna weer uit. Het hout van de struik is erg brandbaar, maar ook na brand loopt de struik weer uit.

De gaspeldoorn is de waardplant voor verschillende vlindersoorten waaronder blauwtjes. Ook zijn er verschillende motvlindertjes gespecialiseerd op deze struik. Bestuiving vindt plaats door bijen (waaronder hommels), zweefvliegen en dag- en nachtvlinders. De struik is een fijne broedplek voor kleine vogels en een schuilplek voor kleine zoogdieren.

‘Gaspel’ is een verkleinwoord van het Middelnederlandse ‘gaspe’ dat haak of gesp betekent. In de middeleeuwen werden doorns van planten, zoals die van de gaspeldoorn, gebruikt als speld voor het sluiten van kleding. Gaspeldoorn werd ook als verfplant gebruikt.

NB: deze ‘peulvrucht’ is giftig voor mensen. De plant en de zaden bevatten het giftige cytisine dat ook in zaden van de goudenregen zit. Dus vandaag toch maar andere peulvruchten eten.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢𝘷𝘢𝘯𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭, 𝘣𝘦𝘭𝘦𝘷𝘦𝘯.𝘰𝘳𝘨

Soort van dag 40: zwanenmossel

(9 februari 2023)

Zoeken naar soorten die onder water leven, vraagt wat extra inspanning. Hiervoor heb je een schepnet nodig (of je moet hiervoor het water in willen gaan). En dan vind je nog lang niet alles, want er leven ook organismen in de blubber. Soms kun je boven water zien wat er onder water leeft. Een voorbeeld hiervan is de zwanenmossel. Op plekken waar sloten geschoond worden, zie je de schelpen hiervan aan de kant liggen. Ook kun je ze vinden op plekken waar ze gegeten zijn. Op de foto rechts onder ligt een zwanenmossel op de kop van een paaltje van de ecologische oeververdediging langs de Kromme Mijdrecht.

Zwanenmosselen zijn tweekleppige weekdieren die in zoet water leven. Ze hebben een voorkeur voor stilstaand water; je treft ze aan in plassen en sloten waar ze zich ingraven in de modderige, kale bodem. Uitdrogende plassen en vervuild water vormen een bedreiging voor de zoetwatermossel. Ze worden daarom wel gebruikt als indicator voor waterverontreiniging. Sterven er veel of vertonen ze ander gedrag dan normaal, dan is dat een reden om nader onderzoek te doen naar de waterkwaliteit. In heel strenge winters kan een groot deel van de populatie verdwijnen.

Mosselen voeden zich door zwevende organismen zoals algen uit het water te zeven. Zelf staan ze op het menu van bruine ratten, muskusratten, blauwe reiger en zwarte kraai. Ook waterhoen en meerkoet (soort van dag 3) eten mosselen, al gaat hun voorkeur vooral uit naar de kleinere driehoeksmosselen. Wie de zwanenmossel op het paaltje heeft gegeten, weet ik niet.

Jonge zwanenmosselen hechten zich met tandjes aan een passerende vis. Daar leven ze een maandlang van de slijmlaag van de vis en zo laten ze zich transporteren. Na deze maand laten de mosselen los. De rest van hun leven brengen ze door als bodembewoners.

Zwanenmosselen zijn van belang voor de voortplanting van de bittervoorn. Het mannetje van deze vis zoekt een zwanenmossel uit. Hij verdedigt die tegen andere mannetjes. Af en toe stoot hij de mossel aan, zodat de mossel aan de bittervoorn gewend raakt en zijn schelp niet zal sluiten tijdens het paren. Als een vrouwtje nadert, laat ze zich door het mannetje naar de mossel leiden. Ze legt haar eitjes met behulp van haar legbuis in de kieuwholte van de levende zoetwatermossel. Het mannetje laat zijn hom vrij bij de instroomopening van de zoetwatermossel. De larven (kleine visjes) blijven in de mossel tot ze ongeveer een centimeter groot zijn. Zo zijn ze goed beschermd tegen predatie en hebben ze een veel grotere overleving dan vislarven van andere karperachtigen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘳𝘢𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭

Soort van dag 39: winterakoniet

(8 februari 2023)

Deze week staat bij ons de winterakoniet volop in bloei. De zon hoeft maar even te schijnen, of de bloemen openen zich. Ook komen er al insecten op af, vooral allerlei soorten vliegen.

Net zoals het sneeuwklokje hoort de winterakoniet tot onze stinzenflora. Ze ‘overzomeren’ niet met bollen, maar met verdikte wortelstokken waarin het voedsel voor het volgende groei- en bloeiseizoen zit opgeslagen.

Aan de ondergrondse wortelstokken ontspruiten stengels met enkel een blad (na de bloei) of stengels met een bloem. Deze stengels zijn zo’n 5-15 cm lang. Onder de gele bloem zit een kraag van drie diep handvormig gedeelde bladeren. Winterakonieten horen tot de ranonkelfamilie en zijn verwant aan de boterbloemen.

Misschien herinner je je het nog van de biologielessen: een standaardbloem heeft groene kelkbladeren, gekleurde kroonbladeren, meeldraden en een stamper. Op deze ‘regel’ zijn veel uitzonderingen. Zo ook bij de winterakoniet. De drie groene bladeren onder de bloem zijn gewone bladeren (geen kelkbladeren). Er is geen onderscheid tussen de kroon- en kelkbladeren: er zijn zes gele bloemdekblaadjes. Verder vallen de tuitvormige honingklieren op; deze zijn evolutionair uit kroonblaadjes ontwikkeld. Met de lekker geurende nectar worden insecten gelokt. Er zijn veel meeldraden zoals bij alle ranonkelachtigen. Het vruchtbeginsel groeit uit tot een kokervrucht met veel zaad (mits de plant bestoven is, uiteraard). En voordat het blad aan de bomen verschijnt, zijn de winterakonieten weer ondergronds gegaan.

Oorspronkelijk komt deze plant uit Zuid-Europa. Vanaf de 17e eeuw zijn ze aangeplant op landgoederen en buitenplaatsen. Daar hebben ze zich verwilderd en inmiddels is de plant ingeburgerd. In een boek uit 1846 staat dat de ‘gele winterbloem’ is aangetroffen op Paddenburg bij Baambrugge en deze zou daar toen al ‘sedert bijna eene eeuw jaarlijks in menigte’ voorkomen.

Maandagmiddag stonden de winterakonieten uitbundig te bloeien, dinsdagochtend waren ze bedekt met een laagje rijp. Dat roept de vraag op: kunnen die bloemen daar wel tegen? Vriezen ze niet kapot?

Planten bestaan uit cellen die o.a. gevuld zijn met water. Als de temperatuur onder het vriespunt zakt, bevriest het water en worden er naaldvormige kristallen gevormd. Deze boren zich dwars door de cellen heen. De plant wordt lek geprikt en gaat dood.

Bij winterharde planten (en bloemen) lossen suikers op in het water van de cellen. De suiker werkt hierbij als een antivries en zo ontstaan er niet van zulke kristallen. Bloembollen en wortelstokken bevatten grote hoeveelheden zetmeel. Die kunnen heel snel omgezet worden in suikers.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢𝘷𝘢𝘯𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭, 𝘝𝘳𝘰𝘦𝘨𝘦 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘴, 𝘣𝘰𝘦𝘬 𝘚𝘵𝘪𝘯𝘻𝘦𝘯𝘱𝘭𝘢𝘯𝘵𝘦𝘯, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢

Soort van dag 38: kokmeeuw en stormmeeuw

(7 februari 2023)

Meeuwen: wie kent ze niet? Sommige soorten zie je alleen aan de kust, andere kom je ook in de stad en op het platteland tegen. Bij ons in de buurt zie je ‘s winters op de weilanden vooral twee wat kleinere meeuwensoorten door elkaar lopen: de kokmeeuw en de stormmeeuw. In de stad kom je de kokmeeuw tegen, samen met de grotere zilvermeeuw en de kleine mantelmeeuw. In totaal zijn in Nederland drieëntwintig verschillende soorten meeuwen waargenomen, inclusief tien zeldzame dwaalgasten.

In de winter lijkt het alsof de kokmeeuw een koptelefoon op heeft. Die witte kop met zwarte ‘oor’vlekken gaat nu geleidelijk aan over in een chocoladebruine kap; vandaar dat ze ook wel bekend zijn als kapmeeuw. Verder herken je ze aan de rode poten en snavel.
De stormmeeuw lijkt wel wat op een zilvermeeuw, maar dan kleiner en met een vriendelijk uiterlijk, door de rondere kop en de donkere ogen in plaats van gele. De poten van een stormmeeuw zijn geelgroen. Verder vallen de lange vleugels op.
Bij meeuwen zien onvolwassen (juveniele) vogels er anders uit dan volwassen (adulte) vogels. Als juveniel hebben ze bruine veren en ook de kleur van de snavel en poten is anders. Dat maakt het herkennen van meeuwen er soms niet makkelijk op.

Meeuwen zijn koloniebroeders. Het nestelen in een kolonie heeft als voordeel dat de vogels minder last van predatie hebben dan wanneer ze afzonderlijk zouden broeden. Elk vogelpaar heeft verder maar een klein nestterritorium nodig. Nadelen zijn er ook, zeker als er te weinig voedsel in de buurt is. Of als er een ziekte uitbreekt. Kokmeeuwenkolonies hebben vaak te leiden onder predatie door ratten. Bij stormmeeuwen zijn sinds de jaren tachtig vossen een bedreiging voor het broedsucces.

Kokmeeuwen zijn alleseters. Ze eten insectenlarven, slakken, wormen, visjes, vogeleieren, muizen en kleine vogeltjes. Ze scharrelen tussen drijvend afval en je ziet ze op vuilnisbelten. Ook komen ze af op mensen die eenden voeren. Kokmeeuwen vangen ook vliegende insecten. Het is in de zomer een prachtig gezicht om ze tussen vliegende mieren te zien laveren. Kokmeeuwkolonies vind je zowel in het binnenland als aan de kust. Bij ons in de buurt zit bijvoorbeeld een kokmeeuwkolonie in de Nieuwkoopse Plassen waar ze samen met de zwartkopmeeuw broeden. In Nederland zijn er zo’n 100.000 broedparen.

Stormmeeuwen eten schelpdieren, zeepieren, regenwormen en andere ongewervelden. Daarnaast vis en soms ook kleine vogels en zoogdieren. Ze zoeken vooral lopend in de weilanden naar voedsel. Ze broeden in de duinen en op daken, meestal in de kustgebieden maar ook wel landinwaarts (3.000 broedparen). Stormmeeuwen zijn weersvoorspellers: als er een storm nadert, zoeken ze het binnenland op; vandaar hun naam. In de winter verblijven er honderdduizenden wintergasten uit het noorden en oosten van Europa in ons land.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘤𝘩𝘢𝘱𝘯𝘰𝘰𝘳𝘥𝘩𝘰𝘭𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘳𝘢2000.𝘯𝘭

Soort van dag 37: grauwe schildwants (en andere schildwantsen)

(6 februari 2023)

Een van de insecten die in ons huis overwintert, is de grauwe schildwants. Zo nu en dan zien we er een. Een mooi moment om zo’n beestje wat nader te bekijken, want het zijn trage dieren die niet zo maar wegvliegen.

Wantsen zijn insecten en hebben twee paar vleugels: de grotendeels verharde voorvleugels zijn taai en dik en de achtervleugels zijn vliesachtig. Ze lijken wel wat op kevers, maar wantsen zijn over het algemeen platter. Het belangrijkste verschil is dat bij wantsen de voorvleugels elkaar kruisen, terwijl bij kevers de vleugels naast elkaar liggen. Nog een verschil is dat kevers larven hebben. Wantsen niet. Nadat een wants uit het ei  is gekomen, doorloopt het vier of vijf nimfenstadia. Nimfen hebben geen vleugels. De overwinteraars zijn volwassen exemplaren.

Er bestaan heel verschillende soorten wantsen: kleine en grote; ronde, lange en smalle. Je hebt plantetende en rovende wantsen (zoals de bedwants). In totaal komen in Nederland zo’n 640 soorten wantsen voor, verdeeld over 24 families landwantsen en 12 families water- en oppervlaktewantsen. Een van de families onder de landwantsen zijn de schildwantsen, met 38 soorten in Nederland.

Kenmerkend voor de schildwantsen zijn de vijfledige antennes. Verder is hun steeksnuit vierledig (kun je niet zien op de foto’s) en hun poten drieledig. Als je zo van bovenaf bekijkt, is hun lichaam ongeveer schildvormig. Schildwantsen worden ook wel stinkwantsen genoemd. Bij bedreiging scheiden ze een vies stinkende vloeistof uit waarvan de geur nog lang aan je handen blijft hangen.

Veel schildwantsen worden gezien als ‘plaaginsecten’, omdat ze zich voeden met allerlei planten, ook met voedselgewassen voor de mens. De grauwe schildwants voedt zich met name met plantensappen van houtachtigen, zoals kers, meidoorn, lijsterbes, hazelaar, iep, braam en klimop. Hij zuigt ook uit dode insecten.

Soms komen er weer nieuwe soorten in Nederland, zoals de bruingemarmerde schildwants uit Azië. Deze exoot lijkt erg op de grauwe schildwants en beide overwinteren ze in huizen. De bruingemarmerde schildwants richt schade aan in de fruitteelt doordat ze fruit aanprikken.

De grauwe schildwants zag ik afgelopen tijd meerdere malen in ons huis. Zaterdag zag ik buiten op een linde de snuitkeverschildwants (onderaan rechts), een rover die kevers en hun larven eet. Daarnaast zie je de pyamaschildwants; deze leeft op schermbloemigen en zag ik afgelopen zomer in de Achterhoek op wilde peen. De groene is de groene schildwants, een algemeen voorkomende soort van bosranden en struwelen. En tenslotte links onderaan: de andoornschildwants, een vrij kleine soort die leeft op lipbloemigen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats: .

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘦𝘪𝘴-𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺