Soort van dag 86: boomklever

(27 maart 2023)

Vorige week liepen mijn man en ik over een landgoed met oude bomen en hoorden we een vogel met een karakteristieke zang. We keken elkaar aan en zeiden: ‘Boomklever?!’ Vervolgens speurden we de bomen af of we hem ook konden zien. En jawel! Ik kon hem zelfs redelijk op de foto krijgen (foto’s onder). Hier hoor je het geluid van de boomklever. Voor een klein vogeltje is hij best luidruchtig.

Kenmerkend voor de boomklever is dat hij op én neer langs een boomstam kan lopen. Hij heeft lange tenen en lange nagels voor een goede houvast. Zijn rug is blauwgrijs, de buik is roestbruin en hij heeft een zwarte oogstreep. Het is een holenbroeder: hij broedt in boomholtes en oude spechtennesten. Is het gat van de holte te groot, dan metselt hij hem dicht. Boomklevers ondervinden in stadsparken enige concurrentie van de exotische halsbandparkieten. Boomklevers gaan in maart op zoek naar een geschikte broedplek. De beste zijn dan al vaak door halsbandparkieten ingenomen.

Boomklevers eten insecten, zaden en noten. Harde noten zetten ze vast tussen de bast van de boom zodat ze die open kunnen hameren. Grotere insecten worden met de snavel in stukjes geknipt. De boomklever legt ook voorraden aan. Je vindt boomklevers ook bij voedertafels, vooral als er pinda’s worden aangeboden. De bovenste foto is van een boomklever die om broodkorstjes kwam bedelen op een terras (bij een bezoekerscentrum in Wales).

De kans dat je een boomklever ziet, is de laatste jaren toegenomen. In 1973-19777 waren er in Nederland nog 5.000-6.000 paren, inmiddels zijn het er zo’n 20.000. Dat komt omdat de bossen ouder en gevarieerder zijn geworden. Ze komen nu ook meer in West-Nederland voor, bijvoorbeeld in parken. De boomklever is een standvogel, dus trekt niet weg in de winter.

Er is nog een klein vogeltje dat je op bomen kunt vinden, de boomkruiper. Deze is bruin met een spitse omlaag gebogen snavel. Deze kruipt alleen naar boven.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 85: vingerhelmbloem

(26 maart 2023)

Deze vroege voorjaarsbloeier is onder verschillende namen bekend. De officiële naam is vingerhelmbloem. Maar ik leerde hem vroeger kennen onder de naam voorjaarshelmbloem. Verder heeft het de naam vastwortelige helmbloem. En de mooiste naam is vogeltje-op-de-kruk.
Een nauwverwante soort is holwortel. Beide horen tot hetzelfde geslacht. Je kunt ze o.a. van elkaar onderscheiden door naar de schutblaadjes van de bloemen te kijken. Bij vingerhelmbloem zijn die (meestal) handvormig ingesneden (vandaar de naam) en bij holwortel gaafrandig (foto rechtsboven). Holwortel ziet er bovendien wat grover uit. Beide hebben een knol. Die van vingerhelmbloem is sponsachtig gevuld, die van holwortel is hol. (Maar dit laatste veldkenmerk kunnen we maar beter buiten beschouwing laten.)

Vingerhelmbloem komt in het wild voor in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse duinen en verder op sommige plekken in Limburg, Gelderland en Overijssel en langs de Utrechtse Vecht. Daarnaast vind je hem ook als stinzenplant in o.a. Groningen en Friesland. Afgelopen week zagen we deze plant massaal op buitenplaats Beeckestijn bij Velsen-Zuid. Holwortel vind je in Nederland alleen als stinzenplant.
Vingerhelmbloem houdt van vochtige loofbossen, bij voorkeur met kalkrijke bodems. In hellingbossen vind je ze vooral onderaan de helling, op weggespoeld bodemmateriaal.

Vingerhelmbloem en holwortel bloeien in maart-april. De bloemen hebben tinten tussen paarsrood en wit in. Er wordt ook mee gekweekt. Wij hebben in onze tuin per ongeluk ook planten met een zuurstokroze kleur (‘Beth Evans’). Mijn voorkeur gaat uit naar de natuurlijke kleuren. Na de bloei sterft de plant bovengronds af.

Zowel voor de bestuiving als voor de zaadverspreiding hebben beide plantensoorten insecten nodig. De bestuiving gebeurt door bijen en hommels. Ze komen op de nectar af die zich in de naar boven gerichte spoor van de bloem bevindt. Als de insecten op de bloemblaadjes gaan zitten, veren die omlaag waardoor de meeldraden en stamper tevoorschijn komen. Ze klappen dan tegen de buik van de landende bij aan. De spoor is zo lang dat alleen langtongige bijen bij de nectar kunnen. Dat zijn bijvoorbeeld de vroeg in het voorjaar vliegende sachembij en verschillende hommelsoorten. Bijen met een korte tong zoals de honingbij breken in: ze bijten een gat in het spoor. Zo halen ze wel de nectar, maar helpen ze niet mee met de bestuiving!
Ook de zaadverspreiding is insectenwerk. De zaden zijn zo’n drie weken na de bestuiving rijp. De bloeistengel verslapt en buigt naar de grond. De rijpe vrucht (een soort peultje met twee kleppen) springt open en de zaden vallen eruit. Aan de zaden zit een eiwitrijk aanhangsel (het mierenbroodje) waar mieren dol op zijn. Al binnen tien minuten nadat de zaden op de grond zijn gevallen, worden ze weggesleept. Mieren kunnen de zaden drie meter verplaatsen. Ze zijn alleen geïnteresseerd in het mierenbroodje; het zaadje laten ze vallen. Een mooie bijkomstigheid voor de plant: het mierenbroodje stoot zadeneters zoals muizen af.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘛𝘶𝘪𝘯𝘴𝘤𝘩𝘦𝘶𝘳𝘬𝘢𝘭𝘦𝘯𝘥𝘦𝘳, 𝘣𝘰𝘦𝘬 ‘𝘚𝘵𝘪𝘯𝘻𝘦𝘯𝘱𝘭𝘢𝘯𝘵𝘦𝘯’, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 84: das

(25 maart 2023)

Vandaag aandacht voor een ‘actueel’ dier. De Zoogdiervereniging heeft vandaag haar jaarlijkse Zoogdierdag, dus een zoogdier is wel gepast. Verder is het vanavond Earth Hour. Van 20:30 tot 21:30 uur worden mensen opgeroepen het licht uit te doen, om zo aandacht te vragen voor de natuur op aarde. Mooi om daarbij aan te sluiten met een nachtzoogdier. En tenslotte is er een nachtzoogdier dat momenteel volop in het nieuws is vanwege de overlast die het veroorzaakt: de das. Dit stukje is daarom ook wat langer dan jullie van me gewend zijn.

Een das is een marterachtige, wordt 65-80 cm lang en weegt maximaal 16 kilo. Dassen leven in zelf gegraven burchten, die decennialang in gebruik kunnen zijn bij opeenvolgende generaties. De burchten worden keer op keer opgeschoond en uitgebreid, waardoor een enorm stelsel van gangen en kamers kan ontstaan. Het territorium van de das is in Nederland afhankelijk van het voedselaanbod zo’n 30 tot 150 hectare groot.

Je ziet een das niet zo gauw, maar overal waar hij voorkomt, zijn zijn sporen aanwezig. De enige dassen die ik heb gezien, waren doodgereden exemplaren. Daarom zit er in de collage een foto via Pixabay, genomen door Yvonne Huijbens. De foto’s van sporen zijn van eigen hand (en van mijn man) en genomen in Gaasterland, in de buurt van Hilversum, in Limburg en net over de grens in de Voerstreek. Dassen vind je vooral op de hogere gronden in het oosten, zuiden en midden van ons land.

Op de foto’s bovenaan zie je van links naar rechts een plukje dassenhaar aan prikkeldraad (altijd wit en zwart), een mestputje en een snuitputje. In de mestputjes poepen ze. In tegenstelling tot katten gooien ze die niet dicht. Dassen willen dat andere dassenfamilies ruiken dat ze hier wonen. De uitwerpselen hebben een muskusachtige geur. Een snuitputje ontstaat als een das op zoek gaat naar emelten en engerlingen. Eerst graaft hij met een voorpoot een kuiltje en daarna wroet hij er met zijn neus in. Het hoofdvoedsel van dassen bestaat overigens uit regenwormen. Bij het zoeken daarnaar laat hij geen sporen achter.

In het midden zie je de das zelf met daarnaast een loopspoor (dassenwissel). Dassen verplaatsen zich altijd langs vaste routes die ze met hun neus weten te vinden.

Op de onderste foto’s zie je twee foto’s van holen in de Voerstreek. Bij de ingang van een hol zie je vaak zand of leem liggen. Ter vergelijking van de grootte staat de kop van onze labrador erop. Bij Remersdaal kun je een speciale dassenwandeling maken, met gegarandeerd veel dassensporen. Andere sporen zijn vraatsporen en prenten (pootafdrukken); hiervan heb ik geen foto’s.

Tenslotte rechtsonder een foto van een faunapassage, speciaal voor dassen gemaakt, op de grens van Noorderpark (Utrecht-Noord) en de zandgronden van Hilversum.

Dassen zijn beschermde dieren en dat hebben we onlangs weer gemerkt bij de twee spoorlijnen die dreigen te verzakken door dassenburchten en -gangen. Dassen zijn eeuwenlang vervolgd, eigenlijk al sinds de mens zich vestigde op plekken waar dassen voorkomen. De schade door dassen werd schromelijk overdreven (ze zouden hele veestapels opeten) en was een vrijbrief voor vervolging. Op zich redde de das het nog wel, totdat mensen de nog overgebleven ‘woeste gronden’ in cultuur brachten. Over hoe de vervolging van dassen ging, zal ik maar niet uitweiden. Meedogenloos, in elk geval. Dit ging door tot 1960, maar daarna ging het ook nog niet goed met de das. In 1980 was de das in Nederland bijna uitgestorven. Daarna zijn er herstel- en beschermingsplannen gemaakt en zijn er ook dassen uitgezet. Momenteel zijn er in Nederland zo’n 6.000 exemplaren.

Er zijn nog steeds allerlei bedreigingen: denk maar aan biotoopverlies door nieuwbouw, verdrinking door beschoeide waterkanten en het verkeer (jaarlijks sterft een vijfde van de dassenpopulatie in het verkeer). Een hele grote bedreiging is de eentonigheid van het huidige cultuurlandschap. De das had geleerd om uit het vroeger kleinschalige landschap het grootste deel van zijn voedsel te halen. Naast regenwormen en insectenlarven eet hij ook granen, fruit, knaagdieren en amfibieën.

Over de das valt nog veel meer te vertellen. Daarvoor verwijs ik je naar de website van Das & Boom. Hun mening over wat er bij dassenoverlast bij spoorlijnen moet gebeuren lees je hier.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘋𝘢𝘴 & 𝘉𝘰𝘰𝘮, 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴, 𝘯𝘰𝘴.𝘯𝘭, 𝘡𝘰𝘰𝘨𝘥𝘪𝘦𝘳𝘷𝘦𝘳𝘦𝘯𝘪𝘨𝘪𝘯𝘨

Soort van dag 83: wulk

(24 maart 2023)

Morgen, zaterdag 25 maart, is het schelpenteldag. Dat wordt niet alleen in Nederland gedaan maar ook België en Frankrijk doen mee. Zo wordt een beter beeld verkregen van de schelpen op het strand en in de zee langs de Noordzee. Hier kun je zien op welke locaties je mee kunt doen. In 2022 stonden de strandschelp, de zwaardschede en de kokkel in de top 3. Op de website vind je het telformulier met daarop 30 schelpensoorten die je zou kunnen vinden. Een van de soorten op het formulier is de wulk.

Ik heb dit altijd een intrigerende soort gevonden. De wulk is een mariene huisjesslak en het huisje hiervan zie je niet overal op het strand liggen. Hier in huis bleken we nog een exemplaar te hebben van het vroegere schelpenmuseum van onze kinderen (opbrengst van de entree ging naar het WNF). Verder kun je niet alleen de lege schelpen vinden maar ook de eierkapsels, soms nog met de embryo’s erin.
De schelpen van levende wulken zijn meestal grijsbruin van kleur. Bij de exemplaren die je op het strand vindt, is de schelp verkleurd naar lichtgrijs tot blauwzwart. De schelp kan 11 cm lang en 7 cm breed worden. Ze kunnen dertig jaar oud worden. Lege wulkenschelpen worden wel door heremietkreeften bewoond.
Wulken leven van vlak bij de laagwaterlijn tot op diepten van wel honderden meters. Ze eten zowel levende als dode dieren (carnivoor en aaseter). Ze hebben een voorkeur voor schelpkokerwormen. Op de foto rechtsonder zie je aangespoelde kokers van deze wormensoort.

Wulken zijn niet tweeslachtig zoals veel slakken. Van oktober tot maart zoeken wulken elkaar op en vindt de paring plaats. De eieren worden afgezet tussen planten of rotsblokken. De eiermassa’s zitten in hoornachtige eierkapsels. In elk kapsel zitten meerdere eitjes. Uitgekomen larfjes blijven nog even in het kapsel zitten en leven van de nog niet uitgekomen eitjes. Zo blijven de sterksten over. Als hun huisje 3 millimeter hoog is, verlaten de wulkjes het eierkapsel. De lege eierkapsels spoelen vervolgens vaak op het strand aan.

Er is een soort die wel wat op een wulk lijkt: de noordhoren. Hiervan spoelen de schelpen en eierkapsels vooral op de Waddeneilanden aan.

De wulk wordt ook door mensen gegeten. De wulk was algemeen voorkomend maar is vooral door aangroeiwerende coatings op schepen achteruitgegaan. Stoffen in deze verf hebben invloed op de hormonen van vrouwelijke wulken, waardoor de soort zich niet kan voortplanten. M.n. in Zeeland worden wulken gelukkig steeds weer vaker waargenomen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘴𝘤𝘩𝘦𝘭𝘱𝘦𝘯𝘵𝘦𝘭𝘥𝘢𝘨.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘢𝘯𝘦𝘮𝘰𝘰𝘯.𝘰𝘳𝘨, 𝘣𝘰𝘦𝘬 ‘𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢 𝘦𝘯 𝘧𝘢𝘶𝘯𝘢 𝘷𝘢𝘯 𝘥𝘦 𝘻𝘦𝘦’ (2002)

Soort van dag 82: kleine veldkers

(23 maart 2023)

Een van de kleine witbloeiende plantjes die je nu ziet, is het eenjarige kleine veldkers. Net zoals vroegeling is het een soort uit de kruisbloemenfamilie. Dat wil zeggen: de bloemen hebben vier kroonblaadjes in een kruisvorm en vier kelkblaadjes en de vrucht wordt een hauw (langwerpig) of hauwtje (ovaal tot rond) genoemd. Deze vrucht springt open met twee kleppen.
Bij het geslacht Veldkers zijn de bloemen wit, lila of paarsroze. De vruchten zijn sterk afgeplat. Als de zaden rijp zijn, rollen de kleppen naar boven toe op. Dat gebeurt met enige kracht en zo worden de zaden de wereld in geslingerd. Je kunt dit ook zien als je zachtjes tegen een rijpe hauw aan tikt.

Tegen de winter zijn de zaadjes van de kleine veldkers al ontkiemd. Je ziet dan de kleine bladrozetten met geveerde blaadjes al. Soms zijn er rond de jaarwisseling al bloemen aanwezig. Later wordt het rozet groter en komen meerdere bloeistengels tevoorschijn. Aan deze stengels kunnen een tot vier bladeren zitten. De bloemetjes zijn klein en wit. De plant doet aan zelfbestuiving. Kenmerkend is dat de 2 cm lange hauwen boven de bloemen uitsteken.

In de zomer kan er nog een generatie zijn, maar dan blijven de rozetjes klein. Soms zijn de plantjes paars aangelopen.
Kleine veldkers komt algemeen voor. Op plekken waar onkruidbestrijdingsmiddelen (herbiciden) gebruikt zijn, is kleine veldkers vaak een van de eerste plantjes die weer verschijnt. Ook schoffelen zorgt voor extra veel exemplaren. De zaden zijn lang kiemkrachtig, op z’n minst vijf jaar. Afhankelijk van de standplaats en het jaargetijde worden de planten 5 tot 30 cm hoog. Je vindt ze bloeiend van maart tot juni.

Kleine veldkers (blad en bloemen) is voor mensen eetbaar. Het bevat veel vitamine C, dus waardevol in de winter. Het smaakt peperig, vergelijkbaar met tuinkers (als je de blaadjes kneust, ruik je dat direct). Je kunt het toevoegen aan salades of kruidenboter en gebruiken als garnering. Uiteraard pluk je ze niet op plekken waar gif gebruikt is!

De ene kleine veldkers is de andere niet. Naast de soort kleine veldkers worden steeds vaker twee exotische vergelijkbare eenjarige veldkerssoorten gevonden: de Nieuw-Zeelandse veldkers en Aziatische veldkers . De laatste is waarschijnlijk meegekomen met containerplanten. Bij deze soort die je o.a. bij tuincentra ziet, ontbreekt het bladrozet. Deze soort bloeit eerder: al vanaf september (tot in april). Bij de Nieuw-Zeelandse zijn de stengels onbebladerd en zijn de stengels liggend tot opstijgend. Deze wordt wel gevonden in stenige tuinen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘏𝘦𝘶𝘬𝘦𝘭𝘴’ 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢 𝘷𝘢𝘯 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥, 𝘰𝘰𝘨𝘴𝘵𝘦𝘯𝘻𝘰𝘯𝘥𝘦𝘳𝘻𝘢𝘢𝘪𝘦𝘯.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 81: ijzerbacterie

(22 maart 2023)

Het oppervlak van onze planeet is voor 70% bedekt met water en al het leven op aarde is afhankelijk van water. Om het belang van (schoon) water te onderstrepen werd 22 maart in 1992 door de Verenigde Naties uitgeroepen tot Wereld Water Dag. Ook in Nederland worden rondom deze datum verschillende activiteiten georganiseerd waaronder het schoonmaken van stukken rivier.

Water wordt niet alleen bevolkt door allerlei planten en dieren, maar ook door eencellige micro-organismen (microben). Als we het hebben over biodiversiteit moeten we bijvoorbeeld bacteriën niet vergeten. Er bestaan bacteriën die ziekmakend zijn. Maar de meeste bacteriën zijn niet schadelijk; ze zijn juist onmisbaar voor het leven op aarde en onontbeerlijk voor de gezondheid van plant, dier en mens. Bacteriën in water kunnen bijvoorbeeld olieverontreiniging opruimen.

Soms zie je op water een olieachtig laagje, met allerlei kleuren. Als je het aanraakt en het breekt in hoekige stukken, dan is het geen olie maar een vliesje waarin ijzerbacteriën zitten, dus een natuurlijk verschijnsel. (Als het laagje na verstoren weer snel samenvloeit, dan heb je wel te maken met olie.)

IJzerbacteriën vind je in water dat veel opgeloste ijzer bevat. Vaak gaat het om kwelwater dat vanuit de ondergrond opwelt. Als het water aan het oppervlak komt, komt het in contact met zuurstof in de lucht en gaat het oxideren (‘roesten’). Je ziet dit aan de bruine kleur van de waterbodem. Het opgeloste ijzer kan zich ook binden aan fosfaten in het water. Dan ontstaan er onoplosbare ijzerverbindingen, een bruine drab. De ijzerbacteriën spelen een rol bij de oxidatie van ijzer.

Daarom even een stukje scheikunde. IJzer (Fe) kan in twee verschillende opgeloste vormen voorkomen: tweewaardig ijzer (Fe2+) en driewaardig ijzer (Fe3+). IJzerbacteriën zetten het tweewaardige ijzer om in het driewaardige en halen daar hun energie uit. Het driewaardige ijzer is de vorm die zich aan fosfaat bindt.

In kwelgebieden vind je bijzondere planten die profiteren van de mineraalrijke en fosfaatarme omstandigheden (het fosfaat is immers gebonden aan het ijzer). Ook profiteren veel organismen in de winter ervan dat het uittredende kwelwater zo’n 10 graden is en niet bevriest.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘣𝘰𝘴𝘸𝘢𝘤𝘩𝘵𝘦𝘳𝘴𝘣𝘭𝘰𝘨 𝘚𝘵𝘢𝘢𝘵𝘴𝘣𝘰𝘴𝘣𝘦𝘩𝘦𝘦𝘳, 𝘮𝘪𝘤𝘳𝘰𝘱𝘪𝘢.𝘯𝘭

Soort van dag 80: vink

(21 maart 2023)

We horen nu dagelijks aan weerszijden van ons huis de vinkenslag: de laatste tonen aan het einde van het korte liedje van de vink. Hier kun je de zang horen, samen met de verschillende roepen van de vink. Overigens zingen vinken in dialecten. In Vlaanderen klinkt de vinkenslag als ‘suskewiet’ en zo wordt de vogel daar dan ook wel genoemd. Vinken leren hun zang van hun vader of van andere ‘leermeesters’. Ze kunnen twee tot drie liedjes leren, in verschillende variaties. Vinken kunnen ook liedjes leren van andere vinkachtigen zoals kanaries.

De vink is een heel algemene zangvogel. Het mannetje is, zeker in broedkleed, makkelijk herkenbaar met zijn grijsblauwe petje, roestrode borst en twee witte vleugelstrepen. Het vrouwtje is fletser en bruiner. Ze lijkt wel wat op een vrouwtje huismus, maar die heeft geen twee witte vleugelstrepen.

Aan de korte stevige snavel kun je zien dat vinken zaadeters zijn. In het najaar eten ze graag beukennootjes. Vandaar dat de vink ook wel boekvink (beukvink) wordt genoemd. In de tuin eten ze rond de voedertafel vooral de zaadjes die andere vogels morsen. Verder eten ze bladknoppen en in het broedseizoen eiwitrijke insecten. Andere bekende vinkachtigen zijn appelvink, goudvink, putter, groenling, keep en sijs.

De vink is in Nederland een talrijke broedvogel, met 400.000-500.000 broedpaar. De broedvogels zijn grotendeels standvogels. In bomen en struiken maken ze een nest van mos en gras dat ze afkleden met dierenhaar en veren. Vinken leven in bossen, parken en tuinen. Ze hebben een voorkeur voor plekken met oude bomen. De meeste vinken komen voor in het midden, oosten en zuidoosten van ons land. In de winter vind je vinken vaak in groepen met andere vinkachtigen en gorzen.
Daarnaast zijn vinken trekvogels. In de winter verblijven er 1 à 2 miljoen vinken in ons land. In najaar en voorjaar trekken meer dan een miljoen vinken door ons land, van en naar hun broedgebieden in Noord-Europa.

Vinken werden eeuwenlang gevangen om ze op te eten of om ze te houden als zangvogel. Het vangen van vinken gebeurde op een zogenaamde vinkenbaan die je vooral op de buitenplaatsen in de Hollandse duinstreek aantrof. In 1912 werd het vangen van vinken voor culinaire doeleinden verboden. Pas sinds 2003 mogen vinken alleen nog gevangen worden om ze te ringen. Wel worden er nog altijd vinken gehouden en wordt ermee gefokt. En nog steeds, m.n. in West- en Oost-Vlaanderen, worden zangwedstrijden met vinken gehouden. In de 18e en 19e eeuw werden vinken blind gemaakt, omdat men het idee had dat blinde vogels beter zongen. In 1921 werd dat verboden.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

Bronnen: Wikipedia, Vogelbescherming, natuurpunt.be

Soort van dag 79: akkerhommel

(20 maart 2023)

De afgelopen dagen speurde ik onze tuin af, op zoek naar de eerste hommels. Het viel me nog tegen. Soms zag ik er één vliegen, maar dan kan ik niet zien om welke soort het ging. Maar dit weekend zag ik er dan eindelijk één op de Kaukasische smeerwortel die ik heb kunnen fotograferen (foto bovenaan). Het bleek een akkerhommel te zijn, een heel algemene soort. Ook in onze tuin zien we deze hommel volop, van maart tot eind oktober (andere foto’s).

Het borststuk en kontje van de akkerhommel zijn oranjebruin. De rest van het lijf is in West-Nederland min of meer zwart en in Oost-Nederland gelig-grijs. Ook kun je allerlei tussenvormen tegenkomen. Een vergelijkbare hommel die ook algemeen in tuinen voorkomt, is de boomhommel. Maar die heeft een wit kontje.

Hommels horen tot de familie van bijen en hommels. Het zijn sociale insecten. Net zoals de honingbij en de sociale wespen leven ze in kolonies met een koningin. Een volgroeide kolonie van akkerhommels bestaat uit 60-200 werksters.

De koningin start in het voorjaar met het maken van een nieuw nest. Bij de akkerhommel kan dat onder de grond zijn, in een verlaten muizenhol. Maar ook bovengronds in een vogelnest, composthoop of onder mos of een graspol. De koningin eet nectar van vroege voorjaarsbloeiers en verzamelt stuifmeel voor de larven. Voor het nest maakt ze vooral gebruik van mos. En verder legt ze zich toe op het leggen van eitjes.

De koningin kun je vanaf begin maart tot in mei zien vliegen; de werksters van begin met tot half oktober. De jonge koninginnen en de mannetjes vliegen van half augustus tot eind oktober rond. In oktober sterven alle hommels, behalve de jonge bevruchte koninginnen.

Akkerhommels halen stuifmeel voor de larven en nectar voor henzelf bij allerlei soorten planten. Distels, smeerwortel en heide zijn favoriet. Het stuifmeel nemen ze mee in klompjes aan hun achterpoten. Hommels zijn belangrijke bestuivers.

Akkerhommels worden geparasiteerd door de gewone koekoekshommel. De vrouwtjes (koninginnen) van deze soort sluipen het nest binnen, doden de akkerhommelkoningin en leggen hun eitjes in het akkerhommelnest. De werksters van de akkerhommel verzorgen vervolgens de larven van de koekoekshommel. Koekoekshommels lijken op de soort waar ze op parasiteren.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘌𝘐𝘚 𝘒𝘦𝘯𝘯𝘪𝘴𝘤𝘦𝘯𝘵𝘳𝘶𝘮, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘢𝘭𝘪𝘴

Soort van dag 78: bruine kikker

(19 maart 2023)

RAVON organiseert van 17 tot en met 26 maart de Landelijke Kikkerdriltelling.  Je kunt kikkerdril zoeken in je eigen tuinvijver, maar ook buiten je tuin in een sloot, plas, vijver of poel. Het gaat hierbij om kikkerdril van de bruine kikker, want groene kikkers zijn nog niet zo ver. Hier vind je hoe het tellen gaat.

Ik heb zelf geen foto van de bruine kikker, dus ik heb er één geleend van PublicDomainPictures via Pixabay. Het kikkerdril heb ik een jaar geleden gefotografeerd in een kleiput in het Jammerdal bij Venlo. De kikkervisjes zijn van mei 2017 uit het Bunderbos in Zuid-Limburg. Bruine kikkers komen door heel Nederland voor, ook in de stad.

De bruine kikker is een kikker met een stompe snuit. De bruine kleur is variabel. De kleur verandert in de voortplantingstijd. Kenmerkend is de grote donkerbruine driehoekige vlek die vanaf de neusgaten over het oog naar de voorpoot loopt. Op die vlek zit ook het trommelvlies (ongeveer net zo groot als het oog). Mannetjes worden 10 cm lang, vrouwtjes 11 cm.

De bruine kikker zou verward kunnen worden met de heikikker. Die is kleiner, heeft een spitse snuit en de grootte van het trommelvlies is kleiner dan de grootte van het oog.

Bruine kikkers hebben de winter doorgebracht op beschutte vorstvrije plekken of in het water. Als het voorjaar aanbreekt, zoeken de mannetjes als eerste het water op. Daar lokken ze met hun gekwaak de vrouwtjes. Hier hoor en zie je het concert van de bruine kikker. Bruine kikkers hebben geen uitwendige kaakblaas (zoals groene kikkers hebben). Daardoor draagt het geluid minder ver.

De vrouwtjes zetten ’s nachts de eierklompen in ondiep water af. Een eierklomp bestaat uit 700-4500 eitjes. Na 1 à 2 weken komen de eitjes uit (bij koud weer later). Kikkervisjes eten vooral algen. Volwassen kikkers gaan ’s nachts op jacht en eten allerlei ongewervelde dieren.

De bruine kikker heeft veel vijanden. De kikkervisjes worden bijvoorbeeld gegeten door kleine watersalamanders. Volwassen dieren door wel twintig soorten vogels en daarnaast ook door bunzing, vos en das. Verder staan ze op het menu van grote roofvissen en van de ringslang.

Je kunt in deze tijd van het jaar ook sterrenschot (heksensnot) tegenkomen. Een predator heeft dan een zwangere vrouwtjeskikker of -pad gegeten. In de maag zwelt de eierklomp op. En vervolgens braakt de predator dit uit.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 77: sleutelbloemen

(18 maart 2023)

Tot onze favoriete planten horen ook de sleutelbloemen. En dan denken we niet aan de bontgekleurde gekweekte soorten, maar aan de drie inheemse: echte sleutelbloem, stengelloze sleutelbloem en gulden sleutelbloem. Onze ‘liefde’ voor sleutelbloemen hangt ook samen met de plekken waar ze groeien; plekken met mooie voorjaarsvegetaties. Voor wie alle drie de soorten vlak bij elkaar wil zien: in maart-april kun je ze zien bloeien in de heemtuinen (o.a. Thijssepark) in Amstelveen. Uiteraard hebben we ze ook alle drie in onze tuin staan.

Sleutelbloemen zijn een van de eerste bloeiers in het voorjaar en vandaar de Latijnse geslachtsnaam ‘Primula’. Wilde sleutelbloemen in onze omgeving hebben allemaal gele bloemen terwijl de soorten uit de bergen wit, roze, violet of blauw zijn. Dat heeft te maken met de voorkeur van de bestuivers. Bij ons zijn dat overwegend bijen, in de bergen vlinders. De naam ‘sleutelbloem’ verwijst naar de vorm van de bloeiwijze die op een sleutelbos lijkt (vooral te zien bij de slanke en gulden sleutelbloem). De plant wordt ook wel Sint-Petruskruid genoemd: Petrus zou als bewaker van de hemel zijn sleutelbos op aarde hebben laten vallen en op die plek groeide de eerste sleutelbloem.

De bladeren van sleutelbloemen staan altijd in een wortelrozet en zijn behaard en zien er een beetje kreukelig uit. De bloemen staan in schermen met vijf tot tien bloemen per scherm. Welke insecten de meest effectieve bestuivers zijn, is niet bekend. Er worden veel verschillende soorten op sleutelbloemen aangetroffen: sachembij, wolzwevers, hommels, zweefvliegen, vlinders, tripsen en allerlei kleine kevertjes. De planten zijn voedselplant voor de uilvlinder en voor een mineervliegje.

Rechtsonder zie je de 𝘨𝘶𝘭𝘥𝘦𝘯 𝘴𝘭𝘦𝘶𝘵𝘦𝘭𝘣𝘭𝘰𝘦𝘮 (ook bekend onder de naam echte sleutelbloem). Dit is een soort van vochtige kalkrijke graslanden. In de gele bloemen zitten oranje vlekken. Links zie je de 𝘴𝘭𝘢𝘯𝘬𝘦 𝘴𝘭𝘦𝘶𝘵𝘦𝘭𝘣𝘭𝘰𝘦𝘮, met bleekgele bloemen. Hij komt van nature op vochtige bodems voor in Zuid-Limburg en het oosten van het land en heeft een voorkeur voor slibrijke bodems. Bij de 𝘴𝘵𝘦𝘯𝘨𝘦𝘭𝘭𝘰𝘻𝘦 𝘴𝘭𝘦𝘶𝘵𝘦𝘭𝘣𝘭𝘰𝘦𝘮, rechtsboven, staan de bloemen in een zittend scherm. Hij komt van nature voor in de duinen en Drenthe. Sleutelbloemen zijn ook aangeplant als stinzenplant op landgoederen, bijvoorbeeld langs de Vecht in Kennemerland. Ook kennen we ze als tuinplant. Ze zijn alle drie zeldzaam.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴