Soort van dag 146: groot dikkopje

(26 mei 2023)

Gisteren ging het o.a. over grassen en insecten die ervan afhankelijk zijn. Zo’n twintig soorten dagvlinders gebruiken grassen als waardplant. Daartoe behoren de zandoogjes (zoals de argusvlinder) en een deel van de dikkopjes. Daarom vandaag aandacht voor één van de dikkopjes, het grote dikkopje. Ze vliegen vanaf eind mei tot half augustus. Er is één generatie. Ze voeden zich met nectar van onder andere gewone braam, dophei en akkerdistel. De rupsen leven op verschillende breedbladige grassoorten waaronder kropaar.

Er bestaan over de hele wereld ongeveer vierduizend soorten dikkopjes, waarvan de meeste in Zuid-Amerika voorkomen. In Nederland komen veertien soorten voor. Dikkopjes zijn vrij klein met een naar verhouding grote kop en kleine vleugels. Ze lijken wel wat op nachtvlinders. Dagvlinders kun je van nachtvlinders onderscheiden door naar de voelsprieten te kijken. Bij dagvlinders eindigen deze altijd in een knop. Bij nachtvlinders is het einde draad- of veervormig. Verder kun je naar de stand van de vleugels kijken. Dagvlinders houden die in rust dichtgeklapt, haaks op het lichaam. Nachtvlinders houden in rust de vleugels plat boven het lichaam. De roltong van een dikkopje is in vergelijking met die van dagvlinders uit andere families erg lang.

Het groot dikkopje is warm oranje van kleur en heeft aan onder- en bovenzijde vlekjes. De voelsprietknop eindigt in een kromme punt. Met deze kenmerken onderscheidt het groot dikkopje zich van andere geelbruine dikkopjes.

De rups is vrij fors (tot 28 mm). Het lichaam loopt naar beide uiteinden smal toe. Hij is blauwachtig groen met een donkere streep over het midden van de rug. De kop is van de rups is ook vrij groot (zwart met bruin).

Hoe verloopt het leven een groot dikkopje? De moeder zet de eitjes af op bladeren van gras, in vrij hoge vegetatie. Eén eitje per blad. Als de rups uit het ei komt (vanaf eind juli), eet die eerst de eischaal op. Vervolgens spint de rups een koker door zijden draden tussen grasbladeren te spinnen. Daarin bivakkeert de rups, behalve als hij ’s nachts gaat eten. De rups maakt meerdere vervellingen door en na elke vervelling maakt hij een nieuwe koker. Tegen de winter is de rups half volgroeid. Dan spint hij tussen de bladeren een winterverblijfplaats (een hibernaculum genoemd). Hier blijft de rups de hele winter zitten. In het voorjaar eet de rups weer verder. Als de rups volgroeid is, maakt hij vlak boven de grond een cocon tussen enkele grassprieten. Vanaf eind mei verschijnen vervolgens de vlinders.

Het groot dikkopje is een algemene vlinder van zand- en veengronden. Op de meeste kleigronden ontbreekt hij. De verspreiding is sinds 1995 hetzelfde gebleven, maar het aantal exemplaren is wel afgenomen. Dat blijkt uit het Meetnet Vlinders. Voor het behoud van de vlinder is het belangrijk dat er van juli tot in mei vegetatie blijft overstaan.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 145: kropaar

(25 mei 2023)

Gisteren ging het over de argusvlinder. Deze vlinder gebruikt diverse grassoorten als waardplant, waaronder kropaar. Ongeveer twintig soorten dagvlinders hebben grassen als waardplant (de zandoogjes en een deel van de dikkopjes). Van zo’n honderd soorten nachtvlinders leven de rupsen op gras (o.a. uiltjes, spanners, grasmotten en grasmineermotten). Daarnaast zijn er nog veel meer insecten met grasetende larven: verschillende soorten kevers, vliegen en wespen. Sprinkhanen eten gras en er zijn insecten die het sap uit grassen zuigen: verschillende soorten wantsen, cicaden, bladluizen en schildluizen. Al deze insecten zijn weer voer voor insecteneters.

Er zijn relatief weinig insectensoorten gespecialiseerd op een bepaalde grassoort. Grassen hebben namelijk geen afweerstoffen die alleen door specialisten doorbroken kunnen worden. Overigens is gras niet echt voedzaam: rupsen op grassen zijn langer rups dan op andere planten (vaak maanden lang). Niet alle grassen zijn even geschikt als rupsenvoer. Kropaar is in elk geval geliefd, zeker bij de zandoogjes. Kropaar kent zelfs een paar specialisten: een halmvlieg, een mineervlieg, een bladluis en twee soorten bladwesp. Ook een paddenstoel (grasvlamhoed) heeft een voorkeur voor kropaar; het is te vinden op de rottende basis van het gras.

Op de foto’s zie je rechtsboven een stukje dijk pal voor ons huis. De grassen die hierin opvallen en nu (bijna) bloeien, heb ik geplukt en naast elkaar gelegd (foto linksonder). Van links naar rechts: zachte dravik, gestreepte witbol, een beemdgras, grote vossenstaart, kropaar en glanshaver. Het stuk wordt onderhouden door het waterschap: twee keer per jaar wordt er gemaaid en afgevoerd (nadat het gras een paar dagen is blijven liggen). Het randje pal langs de weg maaien we zelf regelmatig. De eerste meter wordt door de gemeente geklepeld, voor de verkeersveiligheid. Dit jaar zijn ze nog niet langs geweest. In dit stuk staat vooral zachte dravik, een eenjarig gras. Twintig jaar geleden is de kade versterkt en is er nieuwe klei aangebracht.

Op de foto rechtsonder zie je kropaar, zowel in knop als bloeiend. En linksboven een detail van de bloeiende pluim. Kropaar vind ik een vrij makkelijk herkenbare grassoort; je herkent het zelfs vanuit een rijdende auto. De plant is grijzig groen, voelt ruw aan door stekelhaartjes en groeit in dikke pollen. In de winter vallen de pollen op omdat ze opvallend groen zijn, soms nog met bloeiwijzen. De plant staat in de top 25 van bloeiende planten die waargenomen worden bij de eindejaarsplantenjacht.
De bloeiwijze is een eenzijdige, driehoekige pluim. De aartjes staan dicht opeen (‘gekropt’, in een kluwen) en zijn tot 9 mm lang. Elk aartje heeft twee tot vijf bloempjes. Het stuifmeel (pollen) is sterk allergeen en draagt dus bij aan hooikoortsklachten.

Kropaar is een soort van voedselrijke graslanden, wegbermen, ruigten en bosranden. Ze staat op matig voedselrijke tot zeer voedselrijke, vochthoudende bodems. Ze verdraagt droogte vrij goed. Vroeger was het een van de voedingsgrassen, maar nu is dat overwegend Engels raaigras (waarover een andere keer). Kropaar is erg vormenrijk. Er worden (minimaal) twee ondersoorten onderscheiden: gewone kropaar en ijle kropaar. De laatste komt voor in hellingbossen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨

Soort van dag 144: argusvlinder

(24 mei 2023)

Tot nu toe valt het bij ons in de tuin tegen met het aantal dagvlinders. Afgelopen dagen zag ik verschillende soorten witjes en bonte zandoogjes. Dat was het wel ongeveer. Reden??? Uiteraard speelt mee dat in grote delen van Europa het aantal dagvlinders achteruit gaat. Maar mogelijk komt het ook door het relatief koude weer.

Een vlinder die je nu zou kunnen verwachten, is de argusvlinder. Deze hoort tot de familie van de zandoogjes (negen soorten in Nederland). De argusvlinder is oranjebruin met bruine strepen en vlekken. In de vleugelpunt bevindt zich een zwarte oogvlek met witte kern. Mannetje en vrouwtje verschillen iets van elkaar: mannetjes hebben een bruine geurstreep, vrouwtjes niet.

Argusvlinders voelen zich thuis in warme, open graslanden met veel variatie in vegetatiehoogte. Er moet beschutting aanwezig zijn en ook warme plekken om op te warmen. Dat zijn bijvoorbeeld stukjes open grond, molshopen, muurtjes, stenen trappen, houten hekken. Argusvlinders zijn typische soorten van bermen en dijken.

Argusvlinders vliegen in Nederland in twee tot drie generaties. De eerste generatie vliegt van eind april tot eind juni. De tweede generatie vliegt vanaf half juli tot eind augustus. In warme zomers kan er nog een derde generatie vliegen (half september tot eind oktober).

Argusvlinders halen hun nectar bij verschillende planten. Op de foto’s zie je de argusvlinder op knoopkruid (mannetje), kruldistel (vrouwtje) en een tuinsteenraket (mannetje). Als waardplant gebruikt de vlinder verschillende soorten grassen zoals kropaar, ruwe smele, rood zwenkgras, kweek, beemdgras en struisgras. De rupsen zijn grasgroen met aan beide zijden van het lichaam een geelwitte streep.

Helaas gaat het niet goed met deze eens zo algemene vlinder. Van het aantal dat twintig jaar geleden rondvloog, is nog maar 10% over. Vooral in het oosten van het land wordt deze vlinder nauwelijks meer waargenomen. Er is wel wat bekend over de oorzaken van de achteruitgang, maar nog veel zaken zijn onduidelijk. Zeker is dat het verdwijnen van (kwalitatief goede) kruidenrijke graslanden een rol speelt. Ook het verdwijnen van landschapselementen en van het nectaraanbod zijn debet aan de achteruitgang. Mogelijk spelen ook stikstofdepositie (met als gevolg verruiging) en klimaat­verandering (met als gevolg verdroging) een rol.

De Vlinderstichting heeft een speciaal soortbeschermingsplan opgesteld. Hierin staat ook welke maatregelen getroffen kunnen worden voor de argusvlinder. Hierbij moet je denken aan gefaseerd maaien (niet alles in één keer maaien), maaien en afvoeren (tegengaan verruiging) en zorgen voor kale plekken. Al deze maatregelen helpen ook andere graslandvlinders en andere insecten.

Om meer te weten te komen over de verspreiding van de argusvlinder wordt in het pinksterweekend (26-29 mei) een landelijke telling georganiseerd. Want hoe beter bekend is waar de vlinder nog wel en niet (meer) voorkomt, hoe beter achterhaald kan worden welke elementen een rol spelen bij de achteruitgang.

Voor het tellen van argusvlinders en andere vlinders kun je de app ButterflyCount op je smartphone installeren. Ik heb dat vandaag ook gedaan (kan ik nog even oefenen). (Maar je kunt natuurlijk ook een waarneming doorgeven via waarneming.nl, de app ObsIdentify of op de website van de Vlinderstichting.)

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 143: visdief

(23 mei 2023)

De visdiefjes zijn weer volop in de polders rond ons huis te zien, speurend en soms krijsend boven de sloten. Dan hangen ze even stil en vervolgens duiken ze naar beneden om een visje te pakken. Je ziet ze niet alleen boven sloten en plassen, maar ook langs de kust en op het IJsselmeer. Helder water is belangrijk, omdat ze op zicht jagen.

Visdiefjes zijn sterns. Sterns lijken wel wat op meeuwen, maar ze vliegen eleganter en hebben een langere staart en langere vleugels. De visdief heeft een zwarte kopkap en een gevorkte staart. Hij lijkt erg op de verwante noordse stern. Je kunt ze o.a. uit elkaar houden door naar de punt van de rode snavel te kijken. Die van de visdief heeft een zwarte punt, die van de noordse stern niet. Verder komen noordse sterns alleen langs de kust voor.

In Nederland broeden m.n. visdief, noordse stern, dwergstern, grote stern en zwarte stern (een moerasstern).

Visdiefjes zijn kolonie- en grondbroeders. Dat doen ze het liefst op onbegroeide eilandjes, dus op plekken waar vossen, andere landroofdieren en recreanten niet kunnen komen. Ze broeden ook wel op grinddaken. De grootste kolonies bevinden zich in het IJsselmeer: op De Kreupel ter hoogte van Andijk en op de Marker Wadden. Ook onbewoonde zandeilanden (Griend, Rottumerplaat, Rottumeroog) zijn geliefd. Bij ons in de buurt broeden ze in de Nieuwkoopse Plassen.

Na het broedseizoen, vanaf augustus, trekken ‘onze’ visdieven weg naar West-Afrika om daar te overwinteren. De eerste keren in maart weer terug.

In de jaren ’50 waren er bijna 50.000 broedparen in ons land. In 1965 waren er nog maar 5.000 over! Dat kwam vooral door lozing van landbouwbestrijdingsmiddelen. Nadat dit werd verboden, namen de aantallen weer toe. Het stagneert nu op zo’n 14.000 broedparen. De belangrijkste oorzaak is overbevissing (voedselgebrek). De visdief staat op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels.

Een extra bedreiging voor vogels die in kolonies broeden, is de vogelgriep. In 2022 vielen vooral onder grote sterns veel slachtoffers. Maar ook visdiefjes, kokmeeuwen en zilvermeeuwen werden getroffen. Er zijn verschillende maatregelen die terreinbeherende organisaties kunnen treffen om introductie en verspreiding van vogelgriep in broedkolonies te voorkomen. Een belangrijke is het verwijderen van karkassen van dode vogels. Meer hierover lees je hier.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘚𝘖𝘝𝘖𝘕, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 142: zomereik

(22 mei 2023)

22 mei is door de Verenigde Naties uitgeroepen tot Internationale Dag van de Biodiversiteit. Op deze dag wordt wereldwijd stilgestaan bij de waarde en rijkdom van het leven op aarde. Wij danken ons leven aan die rijke biodiversiteit. Het levert ons voedsel, drinkbaar water, zuurstof en zuivere lucht. Bovendien is al dat leven een bron van verwondering en inspiratie. Natuur en biodiversiteit hebben in mijn ogen bovenal een eigen, zelfstandige waarde (intrinsieke waarde) waar we met beleid mee om moeten gaan.

Bij mij is het dit jaar elke dag ‘Dag van de Biodiversiteit’. Dus welke soort past dan het beste bij vandaag? Ik heb gekozen voor de boom die zelf veel betekent voor de biodiversiteit, de zomereik. Honderden (duizenden?) soorten organismen leven in en op deze boom, eten ervan of leven ermee in symbiose. Sommige soorten zijn er volledig afhankelijk van.

Ook voor de mens is de eik altijd van belang geweest. Eiken hadden (en hebben) een godsdienstige betekenis. Mensen gebruiken het hout (als constructie-, meubel- en brandhout). De schors werd gebruikt bij het leerlooien en als kleurstof. Van de vezels werden visnetten gemaakt. De eikels waren belangrijk voer voor varkens. In tijden van schaarste aten mensen zelf ook eikels. De meeste eikenbossen in ons land zijn dan ook van oorsprong (eeuwenoude) hakhoutbossen.

In de Nederlandse bossen komen drie soorten eiken voor: zomereik, wintereik en Amerikaanse eik. De laatste is een exoot die je herkent aan de spitse bladpunten. De bladeren van zomer- en wintereik zijn gelobd. Bij de wintereik heeft het blad een bladsteel en zijn de eikels ongesteeld. Bij de zomereik is dat net andersom: ongesteelde bladeren en gesteelde eikels. De bomen bloeien in mei bij het ontluiken van het blad. Een boom heeft aparte mannelijke en vrouwelijke bloemen. In oktober zijn de vruchten (eikels) rijp. Deze worden door veel dieren gegeten. Eekhoorns en gaaien verstoppen ze als wintervoorraad. Gaaien en bosmuizen zorgen voor de verspreiding van de eikels.

Op de bovenste foto’s zie je de knoppen, de mannelijke bloemen (katjes), eikels en de kroon van de zomereik.

Na de laatste IJstijd zijn de eiken uit zichzelf vanuit Spanje en Italië onze kant opgekomen. Mensen hebben ook zomereiken uit andere gebieden aangeplant. Er werden altijd meer zomer- dan wintereiken aangeplant, omdat de eikels van zomereiken voedzamer zijn. Mensen hebben eiken steeds bevoordeeld ten opzichte van andere boomsoorten en daarom komen ze zo massaal in onze bossen voor.

Op de foto’s een paar organismen die op, in, met of van de zomereik leven. In het midden van links naar rechts: roodbruine slanke amaniet (leeft in symbiose met o.a. eiken); biefstukzwam (een stamparasiet op eiken); eikelbekertje (een paddenstoel op eikels); eikenmos (een korstmos op m.n. eiken). Onderaan van links naar rechts: een verlaten nest van de eikenprocessierups; aardappelgallen; knikkergallen; ananasgal. De gallen worden door verschillende soorten galwesp verwekt.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘣𝘰𝘮𝘦𝘯𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢

Soort van dag 141: echte koekoeksbloem

(21 mei 2023)

Een opvallende plant die in het late voorjaar / vroege zomer bloeit, is de echte koekoeksbloem. Vroeger was het een heel algemene plant; nu wordt deze soort op minder plekken aangetroffen. Het is een plant van natte, matig voedselrijke hooi- en graslanden (vooral op veen), sloot- en waterkanten en duinvalleien. Vaak groeien ze op plekken waar inmiddels de dotterbloemen zijn uitgebloeid. Omdat de meeste graslanden tegenwoordig te veel bemest en te veel ontwaterd zijn, is de echte koekoeksbloem daar verdwenen; je vindt ze hooguit nog aan de waterkant.

De echte koekoeksbloem hoort tot de anjerfamilie. Eerder kwam uit deze familie vogelmuur al aan de orde. Soorten uit deze familie hebben een doosvrucht en vijftallige bloemen (vijf kroonblaadjes en vijf kelkblaadjes) die in bijschermen staan. De hoofdas van de bloeiwijze loopt uit in een bloem die als eerste bloeit. De zaden worden uit de rijpe vruchten geworpen, bijvoorbeeld bij harde wind.
De echte koekoeksbloem valt op door de in vieren gespleten kroonbladen waardoor de bloem een rafelig uiterlijk heeft. Meestal bloeien ze roze, soms kom je ook exemplaren met witte bloemen tegen. De plant bloeit van mei tot juli, met soms nog een nabloei in het najaar. De plant wordt bestoven door honingbijen, wilde bijen, hommels en dag- en nachtvlinders. De plant vormt een aantal stengels, waarvan het onderste gedeelte op de grond ligt. De uiteinden van de stengels zijn opgericht. Langs de stengel staan twee aan twee enkele lancetvormige bladeren.

De echte koekoeksbloem hoort tot het geslacht Silene. Daarvan komen in Nederland nog veel meer soorten voor, ook (verwilderde) tuinplanten. Op de collage zijn onder de twee afbeeldingen van echte koekoeksbloem te zien: dagkoekoeksbloem, avondkoekoeksbloem, blaassilene en nachtsilene.

De echte koekoeksbloem is waardplant voor diverse vlindersoorten (spanners, kokermotten en uilen). De gevorkte silene-uil (vroeger anjeruiltje genaamd) gebruikt verschillende soorten uit de anjerfamilie als waardplant. Ze legt haar eitjes bij de vruchtbeginsels, één ei per bloem. De rups eet de zich ontwikkelende doosvrucht leeg, kruipt naar buiten en gaat op zoek naar een volgende doosvrucht. Een ander soort insect dat afhankelijk is van verschillende soorten uit de anjerfamilie, is de anjersnuittor.

In de bladoksels van koekoeksbloemen vind je vaak het zogenaamde koekoeksspog, slijm met luchtblaasjes afkomstig van de larve van een schuimcicade. Vroeger werd wel gedacht dat dit spuug van de koekoek was, vandaar de Nederlandse naam van deze plantensoort. (En hierbij een verhaal hierover.)

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 140: aardhommel-groep

(20 mei 2023)

Vandaag is het World Bee Day (Wereldbijendag). Deze dag is uitgeroepen door de Verenigde Naties om aandacht te vragen voor het belang van bijen (en bestuivers in het algemeen). Wereldwijd gezien is bijna 90% van de wilde plantensoorten afhankelijk van bestuiving door dieren. Van de voedselgewassen geldt dit voor 75% van de gewassen. Bestuivers dragen dus bij aan de voedselzekerheid én zijn van belang voor de biodiversiteit. Dan is het dus ook van belang om goed voor de bestuivers te zorgen: geen gif gebruiken en zorgen dat ook aan andere behoeften voldaan wordt. Zelf kun je ook een bijdrage leveren door het planten van inheemse planten in je tuin of op je balkon, geen gif te gebruiken en gifvrije planten te kopen. En door het kopen van gifvrij voedsel.

Tot de wilde bijen horen ook de hommels (zie ook de akkerhommel). In Nederland komen 31 soorten hommels voor. Vandaag aandacht voor de aardhommel. Omdat deze moeilijk te onderscheiden is van nauw verwante soorten, wordt vaak gesproken van de ‘aardhommel-groep’. Hiertoe behoren ook de veldhommel, de grote veldhommel en de wilgenhommel.

Al deze soorten zijn zwart met twee gele banden en een wit achterlijfspunt (zie foto’s). In maart komt de koningin al tevoorschijn. De koninginnen zijn vrij groot en vliegen traag. Je kunt deze hommels tot oktober zien vliegen. De mannetjes en jonge koninginnen verschijnen in juni. Het nest van deze hommel zit onder de grond, in oude mollengangen of muizennesten, soms wel 1,5 meter diep. Ze kunnen ook nesten in spouwmuren maken.

De aardhommels zijn niet kieskeurig. In het begin van het jaar vliegen ze op wilg en later in het jaar veel op distels, klaver en vingerhoedskruid. Op de foto’s van linksboven met de klok mee zie je ze op beemdkroon, rietorchis, struikheide, bonte krokus en wilde marjolein. Hommels van de aardhommel-groep hebben allemaal een korte tong. Soms breken ze in bij bloemen waar de nectar diep verscholen ligt, zoals bij de gewone smeerwortel. De werksters zijn ook op bladeren van fruitbomen aan te treffen, waar zij de zoete afscheiding van bladluizen (honingdauw) oplikken.

Net zoals de akkerhommel heeft de aardhommel een broedparasiet, de grote koekoekshommel. Verder kan een nest ‘gekraakt’ worden: een andere koningin dringt het nest binnen en probeert de koningin dood te steken om zo het nest over te nemen.

Aardhommels kun je bijna overal in Nederland tegenkomen. In stedelijk gebied is het een van algemeenste en talrijkste hommelsoorten. De aardhommel wordt ook gebruikt in de tuinbouw, m.n. bij de tomatenteelt.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯.𝘯𝘭

Soort van dag 139: veldleeuwerik

(19 mei 2023)

Vandaag (derde vrijdag van mei) is het de Internationale Dag van de Bedreigde Diersoorten (Endangered Species Day). Door ontbossing, vernietiging van natuurgebieden, de klimaatcrisis, vervuiling en exploitatie neemt de wereldwijde dierenpopulatie af. Daarom heeft de IUCN (International Union for Conservation of Nature) deze dag in het leven geroepen.

Ook Nederland kent bedreigde diersoorten. Van de 36.000 (bekende) wilde diersoorten zijn er zo’n 500 beschermd. De regels rond beschermde dieren en planten staan in de Flora- en faunawet. Diersoorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen, zet de Rijksoverheid op de zogenoemde Rode lijsten. Deze lijsten worden gebruikt om meer inzicht te krijgen in welke soorten de meeste prioriteit hebben om te beschermen. Het jaar 1950 geldt als basisjaar. Elke 10 jaar beoordeelt de overheid of het een Rode lijst moet actualiseren. Voor sommige diersoorten gelden extra maatregelen, zoals voor de weidevogels.

Daarom heb ik voor vandaag gekozen voor een weidevogel (boerenlandvogel) die op de Rode lijst als ‘gevoelig’ staat, namelijk de veldleeuwerik. Bij de herinneringen uit mijn jeugd hoort de zang van de veldleeuwerik. Toen was het een zeer algemeen voorkomende broedvogel die je hoorde jubelen boven weilanden, akkers en heidevelden. Nu hoor ik hem veel minder vaak. Als ik hem hoor, ben ik blij verrast.

Begin jaren ’70 waren er zo’n 750.000 broedparen in Nederland, nu nog maar 38.000 (een afname van 95%). De afname is het grootst in graslandgebieden. De veldleeuwerik bleek niet opgewassen tegen de moderne, zeer intensieve landbouw. Ook in heidegebieden en open duinen is er een afname door verruiging en vergrassing.

Ik mis de veldleeuwerik; jongeren missen de veldleeuwerik niet omdat ze hem nooit hebben gezien of gehoord. ‘Shifting baselines’ wordt dat genoemd (ons natuurbeeld verandert van generatie op generatie). En dat heeft gevolgen voor plant- en diersoorten. Marc Argeloo schreef hierover een boek: “Natuuramnesie. Hoe we vergeten zijn hoe de natuur er vroeger uitzag.”

Ik heb zelf alleen foto’s van leeuweriken hoog in de lucht. Daarom heb ik een afbeelding van Kev via Pixabay geleend. Veldleeuweriken hebben een lichtbruin, gestreept kleed, een korte snavel en een kort kuifje. Ze lijken erg op graspieper en boomleeuwerik. Onderscheidend is in elk geval de zang. De mannetjes laten in het voorjaar en de zomer hun zang horen terwijl ze stil hoog in de lucht hangen. Vervolgens duiken ze al jubelend naar beneden.

De soort maakt zijn nest op de grond, op open (boomloze) terreinen zoals heide, duinen en agrarisch gebied. Tijdens de broedtijd eten veldleeuweriken insecten die ze op de grond vinden. In de winter eten ze vooral granen en zaden. Van de vogels die bij ons broeden, trekt een deel in de winter weg naar Zuidwest-Europa. De blijvers worden aangevuld door vogels uit Scandinavië. Verder komen er in het najaar en voorjaar veel op doortrek door ons land.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘳𝘪𝘫𝘬𝘴𝘰𝘷𝘦𝘳𝘩𝘦𝘪𝘥.𝘯𝘭, 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘚𝘖𝘝𝘖𝘕

Soort van dag 138: grote brandnetel

(18 mei 2023)

Vandaag is het ‘Fascination of Plants Day’ (Wereld Plantendag). De dag is een initiatief van de European Plant Science Organisation (EPSO). In 2022 deden 54 landen mee, ook van buiten Europa. In 2024 zijn er weer nieuwe activiteiten gepland. Rond deze dag wordt aandacht gevraagd voor het belang van planten en de plantenwetenschap voor de samenleving. Ook is er aandacht voor onderwerpen zoals plantenveredeling, landbouw, tuinbouw, sierteelt, bosbouw, milieu en (duurzame) productie van onder andere voedsel, hout, papier en energie.

Welke inheemse, wilde plant past het beste bij de Wereld Plantendag? Ik heb gekozen voor de grote brandnetel vanwege zijn veelzijdigheid. Het is een soort die iedereen wel herkent, al is het door de jeuk die de brandharen veroorzaken. Niet alleen daarom hebben brandnetels een slecht imago. Hij kan flink woekeren met zijn wortelstokken en wordt dan ook door velen als een echt onkruid beschouwd. Brandnetels groeien welig op stikstofrijke (matig vochtige en beschaduwde) bodems. Dat we momenteel een stikstofprobleem hebben, is algemeen bekend. Brandnetels (en ook bramen en grassen) profiteren daarvan, krijgen de overhand en verdrukken andere planten.

Toch is het niet allemaal kommer en kwel. Integendeel. Voor heel veel organismen zijn brandnetels van levensbelang. Niet voor bestuivers, want brandnetel is een windbestuiver. Wel voor vijftig soorten dag- en nachtvlinders die de grote brandnetel als waardplant gebruiken. Daar zitten bekende bij zoals atalanta, kleine vos en dagpauwoog. Maar er zijn nog veel meer insecten en ook schimmels die van brandnetels leven. Ook grote grazers (en vee) eten brandnetels, m.n. gedroogd en in het najaar als de plant zijn neteligheid verliest. Juist omdat de brandnetel veel stikstof opneemt en bevat, is het een waardevolle voedselplant. Want alle organismen hebben stikstof nodig voor hun groei. Nachtegaal en bosrietzanger, tenslotte, broeden graag tussen de brandnetels.

Ook de mens gebruikt de grote brandnetel. Brandnetels zijn gezond en we kunnen op allerlei manieren de bladeren, wortels en zaden eten. In de tuin wordt brandnetelgier ingezet als bladluisbestrijder en meststof. Van de vezels kun je neteldoek, touw en papier maken. In de Noordoostpolder was een project voor commerciële brandnetelteelt opgezet. Helaas is dat project om meerdere redenen mislukt. (Wil je zelf brandnetels kweken? Op internet staat een handleiding voor brandnetelteelt.)

Als er een ‘grote’ brandnetel is, dan is er ook een kleine. Dit is een eenjarige soort zonder wortelstok die je vooral in moestuinen aantreft. De bloeiwijzen van de grote brandnetel hangen. De bloemtrosjes van de kleine brandnetel staan rechtop. Sinds enkele jaren wordt ook de zuidelijke brandnetel in Nederland aangetroffen. De meeste soorten van de brandnetelfamilie zijn tropische planten; een bekende is de pannenkoekplant.

Op de foto’s zie je bovenaan: brandnetelboorvlieg, gallen op brandnetelblad, bonte brandnetelmot. Midden: grote brandnetel, zaden en brandharen, kleine brandnetel. Onder: rupsen van de kleine vos, brandnetel-zeggeroest, brandnetelmot.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘊𝘰𝘳𝘳𝘦𝘴𝘱𝘰𝘯𝘥𝘦𝘯𝘵, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 137: fuut

(17 mei 2023)

Afgelopen week zag ik jonge futen die meeliftten op de rug van hun ouders. Zo worden de kuikens warm gehouden en zijn ze beschermd tegen predatoren.

Het begint allemaal in februari/maart met de prachtige en uitgebreide baltsdans van een paartje futen. Hierbij schudden ze hun kop, komen ze hoog uit het water en duiken ze waterplanten op. Het vrouwtje legt de eieren op een drijvend nest dat verankerd is aan de oevervegetatie. Mannetje en vrouwtje wisselen elkaar af bij het broeden. Enkele dagen nadat ze uit het ei zijn gekomen, kunnen de kuikens al zwemmen. Toch gaan ze de eerste twee weken mee op de rug van een van de ouders. Na ongeveer tien weken zijn de jongen zelfstandig.

Het voedsel van de fuut bestaat vooral uit vis die ze uit het water opduiken. Het allereerste dat jonge futen te eten krijgen, zijn veren, geplukt uit de borst van de ouder. Hiermee krijgen ze een beschermend laagje in hun maag waardoor ingeslikte graten minder prikken en geen schade kunnen aanrichten. Na een tijdje worden de onverteerde veren en graten als een bal uitgekotst. Vervolgens eet een fuut weer borstveren voor een nieuw beschermend laagje. En dat gaat zo zijn leven lang door.

Mannetjes en vrouwtjes zien er hetzelfde uit. Aan het einde van de winter hebben de futen hun prachtkleed met de mooie roodbruine kopveren en kuif. In de winter zijn ze grijs van kleur. Verder vallen de rode ogen op. De jongen zijn zwart-wit gestreept.

De poten van een fuut staan ver naar achteren. Daardoor kan een fuut makkelijk duiken en zwemmen, ook onder water. Lopen gaat moeizaam en daarom zul je futen niet op het land zien. Vliegen kunnen ze uiteraard wel. Dat doen ze vooral ’s nachts.

Futen zie je in de broedtijd in moerassen, op plassen en ook op wateren in het stedelijk gebied. Na de broedtijd zijn duizenden futen op grote open (zoete en zoute) wateren te vinden om te ruien. Tijdens de rui kunnen ze niet vliegen en op grote open wateren voelen ze zich veilig. In de winter overwinteren ook noordelijke futen in ons land. Bij strenge vorst verplaatsen de futen zich naar de zoute open wateren in Zuidwest-Nederland en naar de Noordzee. In de winter verblijven zo’n 30.000 futen in Nederland.

In de loop van de vorige eeuw is het aantal futen gegroeid doordat er een einde aan de bejaging kwam en door de toename van de voedselrijkdom (en daarmee van vis) van de wateren. Sinds de jaren ’90 is er weer een daling. Om die reden staat de fuut op de oranje lijst met vogels die bij ons doortrekken of overwinteren.

Er zijn nog meer futensoorten die je in Nederland kunt zien: dodaars, geoorde fuut, roodhalsfuut en  kuifduiker. Zie ook dit filmpje. De naam fuut komt waarschijnlijk van ‘aars-voet’. Dat verwijst naar de poten die ver naar achteren staan en waarbij het lijkt alsof ze uit de aars steken.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘚𝘖𝘝𝘖𝘕, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘸𝘢𝘤𝘩𝘵𝘥𝘦𝘭𝘧𝘵.𝘯𝘭, 𝘝𝘳𝘰𝘦𝘨𝘦 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘴