Soort van dag 116: gierzwaluw

(26 april 2023)

Rond Koningsdag keren ‘onze’ gierzwaluwen terug uit Afrika om te broeden. Ze zijn er maar kort: over drie maanden zijn ze weer vertrokken naar het gebied tussen Mali en Congo. Gierzwaluwen associeer ik met zwoele zomeravonden waarbij je ze over je hoofd ziet scheren en hoort gieren. Heel kenmerkend voor gierzwaluwen zijn de sikkelvormige vleugels en het geheel donkere verenkleed.

Hoewel hun naam anders doet vermoeden zijn gierzwaluwen niet verwant aan (echte) zwaluwen, maar aan kolibries. Gierzwaluwen zitten nooit op een tak, dak of telefoondraad. Echte zwaluwen (huis-, boeren en oeverzwaluw) kunnen van de grond af opvliegen. Gierzwaluwen kunnen dat met moeite. De foto van de gierzwaluw op de grond is genomen in de tuin van mijn zoon en schoondochter in Weesp. Ze hebben de gierzwaluw op de schutting gezet zodat hij weg kon vliegen.

Gierzwaluwen doen alles vliegend, behalve broeden. Ze slapen in de lucht, op zo’n drie kilometer hoogte. Hun voedsel (vliegende insecten zoals muggen, (zweef)vliegen en dag- en nachtvlinders en zwevende spinnen) vangen ze al vliegend. Ook drinken doen ze vliegend: scherend boven het water nemen ze een hapje water. Nestmateriaal (sprietjes, pluisjes) halen ze ook uit de lucht en plakken ze met speeksel aan elkaar vast.

Gierzwaluwen zijn van nature rotsbroeders. Hun poten zijn hierop afgestemd: hun vier tenen staan naar voren gericht en hiermee kunnen ze aan rotsen hangen. Wij hebben in onze steden en dorpen surrogaatrotsen gebouwd: kerktorens, huizen en kantoorgebouwen met “holen” om in te broeden. Bij renovatie en isolatie van (oude) huizen verdwijnen vaak broedgelegenheden. Ook in nieuwbouw is voor hun geen plek. Daarom zijn er speciale nestkasten en dakpannen die je op kunt hangen. Meer informatie vind je hier. Hoeveel paartjes precies in Nederland broeden, is moeilijk te inventariseren. Geschat wordt dat het om 45.000-70.000 broedparen gaat.

Mannetje en vrouwtje vliegen in Afrika gescheiden rond. In mei komen ze weer samen op hetzelfde nest als het jaar daarvoor. Dan blijven ze ook ’s nachts op het nest. De niet-broeders (zonder nest en vogels van één en twee jaar oud) komen ook terug, maar blijven dag en nacht in de lucht.

Het broeden en opgroeien van de jongen kun je binnenkort weer volgen via ‘Beleef de lente’.

Voor hun jongen verzamelen de ouders enkele honderden insecten per keer in een voedselbal, die ze aan hun jongen voeren. Bij slecht weer zijn er weinig insecten in de lucht en vliegen de ouders soms honderden kilometers ver om voedsel te halen. Fascinerend is dat jonge vogels dan enkele dagen zonder voedsel kunnen. Ze raken in een soort winterslaap: hun temperatuur daalt en hun ademhaling en hartslag vertragen. Zo verbruiken ze minder energie en kunnen ze enkele dagen op hun reserves teren. De niet-broedende vogels blijven bij aanhoudend slecht weer langere tijd weg.

Vanaf half juli vliegen de jongen uit. Voor die tijd hebben ze hun vleugel- en borstspieren al getraind door zich op te drukken. Nadat ze het nest verlaten hebben, blijven ze twee à drie jaar in de lucht, tot ze geslachtsrijp zijn.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘨𝘪𝘦𝘳𝘻𝘸𝘢𝘭𝘶𝘸.𝘸𝘦𝘣𝘴𝘪𝘵𝘦, 𝘨𝘪𝘦𝘳𝘻𝘸𝘢𝘭𝘶𝘸𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭

Soort van dag 115: pinksterbloem (en oranjetipje)

(25 april 2023)

Gisteren ging het over raapzaad en o.a. over de gevolgen van klepelen als maaibeheer. Een van de (berm)planten die daaronder te lijden heeft, is de pinksterbloem. Het is een algemeen voorkomende soort van matig voedselrijke, vochtige graslanden, loofbossen en moerassen. Door de intensivering van de landbouw vind je op weilanden minder pinksterbloemen dan vroeger. Daar groeien ze vooral nog langs de slootkanten. Ook in gazons kunnen ze voorkomen. Wil je pinksterbloemen zien bloeien, dan moet je voorlopig niet maaien. Dat komt ook andere bloeiende voorjaarsplanten en hun bezoekende insecten ten goede. Hiervoor is de actie ‘Maai mei niet’ bedacht. Ook als particulier kun je meedoen. Laat nu alvast de maaimachine staan (op een deel van je gazon) en geniet van pinksterbloemen, paardenbloemen, madeliefjes enzovoort en hun bezoekers.

De pinksterbloem is een kruisbloemige, net zoals raapzaad. Het hoort tot hetzelfde geslacht als kleine veldkers. Het is een overblijvende plant met wortelrozetten. Ze bloeit in april tot juni met lila bloemen. Soms zijn de bloemen wit. Dan kun je haar van de verwante bittere veldkers onderscheiden door te kijken naar de kleur van de helmknoppen. Bij bittere veldkers zijn die roodpaars, bij pinksterbloemen zijn die geel.

De naam ‘pinksterbloem’ suggereert dat de plant met Pinksteren zou bloeien, maar de hoofdbloei is eerder. De naam verwijst er waarschijnlijk naar dat de plant bloeit op het moment dat de pinken de wei in gaan.

In principe zorgen zaden voor de vermeerdering van de soort. Maar in natte gebieden (veenmoerassen) komt een ondersoort voor die nog een andere manier heeft om zich te verspreiden. Op hele natte grond die blijvend onder water staat, kunnen zaden niet ontkiemen. Daarom maakt de plant stekjes (er groeien wortels aan gesteelde deelblaadjes). Deze breken makkelijk af en hieruit groeien nieuwe planten.

Net zoals kleine veldkers kun je pinksterbloemen eten. De jonge bladeren smaken als tuinkers en bevatten veel vitamine C.

Van half april tot eind mei kun je in de buurt van pinsterbloemen het oranjetipje zien vliegen. Alleen de mannetjes van dit witje hebben de opvallende oranje vlekken op hun vleugels. Bij beide geslachten is de onderkant van de achtervleugel geelgroen gemarmerd. De belangrijkste waardplanten van deze vlinder zijn pinksterbloem en look-zonder-look. De groene rups eet van de onrijpe zaden en hauwtjes. Vanaf juni verpopt hij zich en blijft tot in het volgende voorjaar als pop aan een houtige stengel in de kruidlaag of aan een struik hangen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘰𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 114: raapzaad

(24 april 2023)

Langs veel Nederlandse wegen zie je nu volop goudgele kruisbloemigen bloeien. In de meeste gevallen gaat het om raapzaad, vaak ‘koolzaad’ genoemd. Beide planten zijn cultuurgewassen die oorspronkelijk uit Zuid-Europa komen. Uit onderzoek is gebleken dat koolzaad zich moeilijk in de Nederlandse natuur kan vestigen. Raapzaad heeft daar geen moeite mee. Zie je een geel veld, dan staat daar waarschijnlijk koolzaad op.

Raapzaad en koolzaad zijn beide een- of tweejarig. Ze bloeien van april tot augustus en kunnen meer dan een meter hoog worden. Hoe weet je of je met raapzaad of koolzaad te maken hebt? De knoppen van de ongeopende bloemen steken bij koolzaad (meestal) duidelijk boven de bloemen uit, terwijl bij raapzaad de bloemen de knoppen (meestal) min of meer bedekken. Als ezelsbruggetje heb ik geleerd: bij raapzaad moet je de bloemen tussen de bloemen vandaan rapen. Een ander ezelsbruggetje: rapen groeien onder de grond en kolen boven de grond. Bij koolzaad overlappen de gele kroonblaadjes elkaar; bij raapzaad niet. Verder hebben beide soorten stengelomvattende bladeren; bij raapzaad zijn ze geheel stengelomvattend en bij koolzaad gedeeltelijk. Verder zijn van koolzaad alle bladeren blauwgroen. Bij raapzaad geldt dat alleen voor de bovenste stengelbladeren; de onderste bladeren zijn grasgroen. Ook is er een verschil in de hauwen (de vruchten).

Koolzaad is ontstaan als kruising tussen raapzaad en kool. Uit zaden van koolzaad en raapzaad wordt olie gewonnen. Deze wordt in de keuken gebruikt, als biobrandstof en vroeger ook als lampolie. Verder worden koolzaad en raapzaad gebruikt als voedergewas en groenbemester.

Raapzaad groeit op voedselrijke, verstoorde bodems. Je zult het vaak (tijdelijk) zien op plekken waar de bodem is verstoord, bijvoorbeeld in verband met wegwerkzaamheden. Of je ziet het op plekken waar door droge zomers het gras is afgestorven. Op die open plekken verschijnen het jaar erop een- en tweejarige planten zoals raapzaad.

Het heeft wel wat: al die gele bermen. Toch wordt raapzaad gezien als symbool voor slecht bermbeheer. Je ziet het namelijk in bermen die geklepeld worden: hierbij wordt de vegetatie verhakseld en de resten blijven liggen. Hierdoor neemt de voedselrijkdom van de bodem toe en is er eigenlijk alleen nog maar plaats voor ruigtekruiden (naast raapzaad zijn dat grassen, fluitenkruid, ridderzuring, gewone berenklauw en grote brandnetel). Nog een nadeel van klepelen: maar 6% van de insecten overleeft het (bij maaien met een cyclomaaier en afvoeren van maaisel is dat 40%). Voor klepelen wordt vooral vanuit kostenoverwegingen gekozen (zoals in onze gemeente De Ronde Venen).

Er leven allerlei organismen op raap- en koolzaad (zodra het om commerciële teelt gaat, worden die gezien als een ziekte of plaag.) Op de foto rechts zie je melige koolluis. Beide soorten zijn, net als andere kruisbloemigen, waardplant voor groot en klein koolwitje. De bloemen hebben veel nectar te bieden en worden door allerlei insecten bezocht (op de foto’s onder: een zandbij en een rouwvlieg). Beide planten zijn goede drachtplanten voor honingbijen (koolzaadhoning).

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢

Soort van dag 113: torenvalk

(23 april 2023)

Zie je langs de weg een roofvogel ‘bidden’, grote kans dat het om een torenvalk gaat. Lange tijd was dit de talrijkste roofvogel van Nederland, maar dat is nu de buizerd. De torenvalk is een kleine valk met een relatief lange staart en een roodbruine rug. De man heeft een grijze kop en een grijze staart met zwarte eindband.

Torenvalken maken zelf geen nesten. Ze gebruiken oude kraaiennesten en nissen van gebouwen en broeden ook in speciale nestkasten. In het buitenland broeden ze in rotsspleten. De naam ‘torenvalk’ verwijst ernaar dat ze vroeger in kerktorens broedden. Dat kan nu vaak niet meer, omdat de gaten hierin werden gedicht vanwege duivenoverlast. Torenvalken broeden van april tot juli. De eieren komen na zo’n vier weken uit. Een maand later zijn de jongen vliegvlug. Nog wekenlang worden ze door hun ouders bijgevoerd.

Torenvalken eten vooral kleine zoogdieren (woelmuizen zoals de veldmuis), drie à vier per dag. Ook eten ze zangvogels, kuikens van weidevogels en grote insecten. In de stad eten ze vooral mussen en spreeuwen. Ze zoeken hun prooi vanaf een hoge plek of biddend in de lucht. Bij dat bidden hangen ze stil in de lucht door snel met hun vleugels te bewegen en met een gespreide staart tegen de wind in te vliegen. Zien ze een prooi, dan duiken ze erop af. De prooi wordt vanaf de grond opgepakt, niet uit de lucht. Torenvalken kunnen UV-licht waarnemen en daardoor zijn ze in staat om urinesporen van muizen te zien en zo muizen op het spoor te komen.

Net zoals andere roofvogels produceren torenvalken braakballen. Deze bestaan uit onverteerbare resten zoals haren van muizen. In tegenstelling tot uilenballen bevatten braakballen van roofvogels nauwelijks botjes. In de eerste plaats komt dat omdat roofvogels hun prooi plukken. Een uil eet een muis in een keer op. In de tweede plaats is het maagzuur van torenvalken en andere roofvogels veel sterker dan dat van een uil. De eventueel opgegeten muizenbotjes lossen daar in op. Aan de hand van braakballen wordt onderzoek gedaan welke muizen in een bepaald gebied voorkomen.

Torenvalken vind je in open en halfopen gebieden, op plekken met veel woelmuizen. Je vindt ze ook in de stad. In Nederland broeden zo’n 3.800-7.700 paren. In de winter blijven de meeste in Nederland. Daar komen zo’n 10.000-20.000 overwinteraars bij.

Sinds 2017 staat de torenvalk op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels. Men denkt dat de achteruitgang van het aantal torenvalken vooral komt door intensivering van de landbouw waardoor er in het algemeen minder veldmuizen zijn.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘦𝘤𝘰𝘮𝘢𝘳𝘦.𝘯𝘭

Soort van dag 112: iep

(22 april 2023)

Binnenkort gaat het weer beginnen: de lente- of iepensneeuw. Hiermee worden de neerdwarrelende vruchtjes van de iep (olm) bedoeld. En dat kan op straat flinke pakketten ‘sneeuw’ opleveren. Er is een speciale iepenroute door de hoofdstad uitgezet (zie https://springsnow.nl/). Want de iep is dé boom van de stad Amsterdam. Er staan daar meer dan 75.000 exemplaren (bijna een kwart van het hele Amsterdamse bomenbestand is iep), van 32 verschillende cultuurvariëteiten. En dat is niet voor niets: iepen zijn ideale bomen voor ons klimaat en voor in de stad. Ze kunnen tegen een stootje en verdragen verharding. Daarom worden iepen veel aangeplant als laan- en wegbeplanting.

In Nederland komen in het wild gladde iep (veldiep), fladderiep (steeliep) en ruwe iep (bergiep) voor. Hiervan komt de gladde iep het meeste voor. De Hollandse iep bestaat ook; dat is een (spontane) kruising tussen de gladde en de ruwe iep. Er bestaan veel cultuurvariëteiten waarbij geselecteerd is op bepaalde eigenschappen zoals kroonvorm en resistentie tegen iepenziekte. De gladde iep die veel wortelopslag maakt, wordt ook gebruikt voor dichte hagen.

Alle iepen hebben als kenmerk een asymmetrische (scheve) bladvoet. Verder zijn de bladeren veernervig en hebben ze een gezaagde of dubbelgezaagde bladrand. Als er geen blad aan de boom of struik zit, dan kun je iepen herkennen aan de typische V-vormige vertakking (iepenveren; visgraat).

Iepen bloeien voordat het blad verschijnt. Vervolgens rijpen de iepenzaden die omgeven worden door een vleugelrand. Het lijkt dan net alsof de boom al vol blad zit, maar het zijn dus de vruchten die je ziet. Als deze vruchten (ook wel iependubbeltjes genoemd) naar beneden dwarrelen, verschijnen de bladeren.

Iepen hebben te lijden onder de iepenziekte. Deze ziekte wordt veroorzaakt door een schimmel die overgebracht wordt door iepenspintkevers. De kever zet haar eitjes af op verzwakte of dode bomen. De schimmel kan vervolgens via de wortels op andere (gezonde) iepen terecht komen. Ook brengen de volwassen kevers de schimmel over op gezonde bomen als ze eten van de okselknoppen en de bast. De schimmel veroorzaakt verwelking van de takken en uiteindelijk sterft de boom. Ook dood hout (haardhout) kan een besmettingsbron zijn.

Vermoedelijk is de schimmel tijdens de Eerste Wereldoorlog met een houtimport van Azië naar Europa overgekomen. Omdat Nederlanders de ziekte als eerste beschreven, wordt de ziekte ook wel Dutch Elm Disease genoemd. De iepenziekte heeft grote gevolgen gehad (en heeft het nog steeds) voor het Nederlandse iepenbestand. Van 1977 tot 1991 gold landelijk het Besluit bestrijding iepziekte. Nu wordt de bestrijding gemeentelijk via de APV geregeld. Bestrijding houdt in: aangetaste bomen kappen en schillen en de bast vernietigen. Er zijn cultuurvariëteiten ontwikkeld die bestand zijn tegen de iepenziekte. Verder worden (beeldbepalende) iepen ook wel geïnjecteerd tegen de iepenziekte.

Niet alleen iepenspintkevers vind je op iepen. Er zijn verschillende galmuggen, galluizen en galmijten die hun eitjes in het iepenblad leggen. Het loof en de schors van iepen zijn geschikt als veevoer. Op de schors van iepen vind je meer soorten korstmos en mos dan op de schors van andere bomen.

Op de foto’s bovenaan: iepenblad, wegbeplanting met iepen en boom vol iependubbeltjes. Middelste rij: iependubbeltjes en iepenveer. Onderaan: bloeiende iep, iepenknobbelmijt en vraatgangen van de iepenspintkever.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘴𝘱𝘳𝘪𝘯𝘨𝘴𝘯𝘰𝘸.𝘯𝘭, 𝘵𝘳𝘰𝘶𝘸.𝘯𝘭

Soort van dag 111: zandbijen en broedparasieten

(21 april 2023)

Tot en met zondag kun je, mits het droog en zonnig is, nog meedoen met de Nationale Bijentelling. Over bijen in het algemeen heb ik het al gehad bij de de rosse metselbij.

Het grootste geslacht van solitaire bijen zijn de zandbijen. Daarvan komen er in Nederland vijfenzeventig soorten voor. Alle zandbijen graven hun nesten in de grond. Afhankelijk van de soort ligt het nest op vijf tot zestig cm diep. Ook de grootte van de nesten verschilt per soort. Een vrouwtje zandbij stopt in elke nestcel een klompje stuifmeel. Daarop legt ze een eitje en vervolgens maakt ze de cel dicht. Metselbijen verzamelen het stuifmeel tussen de haren op de buik. Zandbijen verzamelen stuifmeel tussen de lange haren aan hun achterpoten.

Er zijn zandbijen die op verschillende planten vliegen om stuifmeel te verzamelen. Er zijn ook bijen die zich beperken tot planten van één geslacht of zelfs van één soort. Een voorbeeld is de knautiabij die alleen stuifmeel van beemdkroon verzamelt. Deze bij zie je dan ook alleen als deze plant bloeit (juni-juli).

De insecten van de collage heb ik allemaal in onze tuin gefotografeerd. Op de bovenste rij zie je van links naar rechts het roodgatje, de tweekleurige zandbij (vorig jaar) en de viltvlekzandbij. Onderaan links zie je een onbekende zandbij zich heerlijk wentelen in het stuifmeel van een paardenbloem. De twee andere insecten zijn geen zandbijen, maar zijn zogenaamde broedparasieten. Beide zag ik afgelopen dagen in onze tuin.
Midden onderaan is een wespbij, een zogenaamde koekoeksbij. Het vrouwtje van deze bij sluipt op een onbewaakt moment het nest van een zandbij binnen en legt daar een eitje op de voedselvoorraad. De larve eet vervolgens de voedselvoorraad op.
Rechts onderaan is een gewone wolzwever. Deze lijkt wel wat op een hommel, maar aan uiterlijk en gedrag kun je zien dat het een vlieg is (zie ook de uitleg bij de hommelbijvlieg). Deze vlieg haalt met zijn lange tong nectar uit bloemen. Als hij zo voor een bloem hangt, heeft hij wel wat weg van een kolibrie. Ook deze vlieg parasiteert op zandbijen. Vrouwtjes van gewone wolzwever ‘slingeren’ hun eitjes in een open nestopening van een zandbij. De larve (made) van de gewone wolzwever leeft eerst van de stuifmeelvoorraad en eet vervolgens de larve van de zandbij op.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘣𝘦𝘴𝘵𝘶𝘪𝘷𝘦𝘳𝘴.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦𝘴𝘰𝘰𝘳𝘵𝘦𝘯.𝘯𝘭

Soort van dag 110: hondsdraf

(20 april 2023)

Een bodembedekkend plantje dat nu volop bloeit, is hondsdraf. Sommige mensen verwarren het met paarse dovenetel. Ze zijn dan ook verwant aan elkaar: het zijn allebei lipbloemigen. Maar er zijn duidelijke verschillen, zoals de bloemkleur. Paarse dovenetel bloeit roodpaars, hondsdraf blauwpaars.
Zoals alle lipbloemigen heeft hondsdraf een vierkante stengel, tegenover elkaar staande bladeren en bloemen die in schijnkransen om de stengel staan. De stengels van hondsdraf kruipen en wortelen op de knopen. De bloeistengels staan rechtop. In het voorjaar, tijdens de bloei, is het blad enigszins paars van kleur. In de rest van het jaar is het blad groen. Het blad is niervormig met een gekartelde rand. Hoe zonniger de standplaats, hoe kleiner het blad. En dan vallen de bloemen het beste op. Bij kneuzen van de plant ruik je een sterke netelgeur.

Hondsdraf komt heel algemeen voor. Het groeit op humeuze, stikstofrijke bodems. Verder is de plant niet veeleisend. Ze groeien zowel in de zon als in de schaduw, op vochtige en op droge plekken; in graslanden, langs beekoevers en in bossen. Ook kunnen ze op bomen groeien. De stengels kruipen dan via schorsspleten omhoog.
Hondsdraf wordt vaak vergezeld door gewoon dikkopmos (foto links boven). Deze mossoort houdt net zoals hondsdraf van de meest uiteenlopende standplaatsen.

Er zijn verschillende hommels en solitaire bijen die op hondsdraf vliegen. Dus houd ook deze plant in de gaten voor de bijentelling (t/m 23 april)! Enkele galmuggen, een galwesp en een roestzwam zorgen voor galvorming op hondsdraf.

De naam ‘hondsdraf’ roept natuurlijk vragen op. Wat heeft het met honden en met ‘draf’ te maken? Niets. Het woord hondsdraf is afgeleid van het Middelnederlandse gondrave. Gond betekent zweer, etter. Het tweede deel ‘rave’, betekent rank. Dus letterlijk betekent het ‘zweerrank’. De plant werd (en wordt) in de volksgeneeskunde gebruikt tegen ontstoken en zwerende wonden. Hondsdraf heeft ook enkele volksnamen zoals aardveil, aardklimop en kruip-door-de-tuin.

Hondsdraf werd niet alleen als geneesmiddel toegepast. Ook werd het gebruikt bij het brouwen van bier. En je kunt het in de keuken als toekruid gebruiken of er thee van maken. Fijngewreven blad helpt tegen de jeuk van brandnetels.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢 𝘷𝘢𝘯 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘌𝘵𝘺𝘮𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩 𝘞𝘰𝘰𝘳𝘥𝘦𝘯𝘣𝘰𝘦𝘬

Soort van dag 109: hazelworm

(19 april 2023)

Nu het warmer wordt, ontwaken de reptielen. In Nederland komen zeven soorten voor: vier hagedissen (zandhagedis, levendbarende hagedis, muurhagedis en hazelworm) en drie soorten slangen (ringslang, gladde slang en adder). Reptielen zijn koudbloedige gewervelde dieren. Ze leggen eieren. Amfibieën hebben een larvaal stadium in het water (kikkervisje); reptielen hebben dat niet.

De hazelworm is een pootloze hagedis en wordt daarom wel eens ten onrechte aangezien voor een slang. Een belangrijk verschil is dat slangen hun ogen niet kunnen sluiten; hagedissen, dus ook de hazelworm, kunnen dit wel. Het lichaam van een hazelworm is stijver dan van een slang en een hazelworm kan net zoals ander hagedissen zijn staart (de helft van zijn lichaam) afwerpen. Slangen hebben een enkele rij buikschubben; hagedissen hebben heel veel rijen met kleine buikschubben. Hazelwormen bijten niet en zijn ook niet giftig.

Hazelwormen paren in mei. Daarna ontwikkelen de embryo’s zich in de drachtige vrouwtjes. Om de ontwikkeling te bevorderen nemen de vrouwtjes vaak een zonnebad. Hazelwormen zijn eierlevendbarend. Dat wil zeggen dat de jongen (in augustus en september) geboren worden met een eivlies om zich heen. Binnen enkele seconden tot minuten na hun geboorte scheurt het vlies. De jonge hazelwormen zijn gelijk zelfstandig.

Hazelwormen eten vooral regenwormen, naaktslakken en spinnen. Zelf worden ze gegeten door uilen, roofvogels, fazanten, kippen, eksters, kraaien, vossen, ratten, dassen en huiskatten. Ze worden tot 40 cm lang en kunnen vijftien jaar oud worden.

Hazelwormen leven nogal verborgen. Hun winterslaap houden ze onder de grond. Je vindt ze in bossen, bosranden, houtwallen en bermen, op heideterreinen en in grote tuinen en op erven. Rommelige hoekjes zijn ideale schuilplekken. Hazelwormen zijn overdag actief.

Hazelwormen komen voor op zand- en lössgronden. De eerste hazelworm die ik zag, was zo’n dertig jaar geleden tijdens een sanitaire stop de Brunssumerheide. De laatste jaren heb ik ze vaker gezien, op de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. De hazelworm rechtsonder lag te zonnen op een mountainbikepad. Met een stok heb ik hem van het pad af gedirigeerd. Net op tijd, want er kwamen drie mountainbikers aan. Afgelopen jaren is regelmatig in het nieuws geweest dat er honderden slachtoffers vallen onder hazelwormen en andere hagedissen op fiets- en mountainbikepaden.

In delen van Noord-Brabant zijn maar weinig waarnemingen van de hazelworm bekend. Mensen worden daarom opgeroepen om dit jaar waarnemingen rondom Tilburg door te geven. Hier lees je er meer over.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘙𝘈𝘝𝘖𝘕, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 108: krakeend

(18 april 2023)

De meeste mensen (her)kennen de wilde eend wel. De krakeend is veel minder bekend. Dat heeft te maken met zijn minder opvallende uiterlijk. En zijn er minder van. Terwijl het met de wilde eend minder goed gaat, nemen de aantallen krakeend juist toe. Een eeuw geleden was de krakeend een zeldzame broed- en trekvogel. In de jaren ’70 broedden er een paar honderd paartjes in Nederland, nu zijn het er tussen de 21.000 en 26.000! Op sommige plekken is de krakeend inmiddels talrijker dan de wilde eend.

De grootste kans om krakeenden te zien is in de polders van West-Nederland en Friesland. Vooral in de winter als er ook overwinteraars zijn uit oostelijke en noordelijke streken, is de kans groot dat je ze ziet. In de zomer zoeken ze elkaar op het open water op. Dan kun je er honderden tot duizenden bij elkaar zien, bijvoorbeeld op het Haringvliet.

Mannetjes krakeend zijn grijsbruin van kleur. De vrouwtjes van wilde eend en krakeend lijken erg op elkaar. De vrouwtjes van de wilde eend hebben een paarsblauwe spiegel; de vrouwtjes van de krakeend een witte. Verder hebben vrouwtjes krakeend een oranje rand langs hun snavel. Een wilde eend kwaakt, een krakeend kraakt.

De wilde eend is al volop aan het broeden en kuikentjes heb ik ook al gezien. De krakeend broedt later, in mei. Ze broeden op een nest dat op de grond ligt, tussen het hoge gras, bij voorkeur in ruigtes. Ze eten vooral planten (wortels, stengels, zaden) maar lusten ook insecten.

De vraag is natuurlijk: waarom gaat het zo goed met de krakeend? De soort heeft zich in de twintigste eeuw enorm uitgebreid vanuit Aziatisch Rusland naar West-Europa. Gedacht wordt dat dat komt omdat de Aziatische broedgebieden zijn ontgonnen en drooggemaakt. Tegelijkertijd werden in West-Europa wateren aangelegd, afgedamd en verzoet. Hier profiteert hij van en zijn broedgebied breidt zich nog steeds uit.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺

Soort van dag 107: paardenbloem

(17 april 2023)

De paardenbloem, wie kent hem niet? Deze plant heeft wel 86 geregistreerde Nederlandse (streek)namen. In 1906 is ervoor gekozen om de plant officieel ‘paardebloem’ te noemen (en sinds 2005 paardenbloem).

De paardenbloem is een composiet. Dat wil zeggen dat de bloeiwijze bestaat uit hoofdjes: veel kleine bloemen ingeplant op een bloembodem die met elkaar één schijnbloem vormen. Bij composieten komen drie soorten bloemen voor: straal-, lint- en buisbloemen. Bij paardenbloemen zijn er alleen lintbloemen. De hoofdbloei is in april, maar het hele jaar door kun je bloeiende paardenbloemen aantreffen. De plant heeft een penwortel die tot enkele decimeters diep in de grond kan dringen. De bladeren staan in een rozet. De bloemsteel is hol, bladerloos en onvertakt. De plant bevat melksap. De zaden worden met ‘parachuutjes’ (vruchtpluis) door de wind verspreid.

Paardenbloemen planten zich voort via zaad, maar dat gebeurt wel voor het grootste deel ongeslachtelijk. Het vruchtbeginsel groeit uit tot zaad zonder dat er bevruchting heeft plaatsgevonden. De nakomelingen zijn dus klonen van de moederplant. Dit verschijnsel zorgt ervoor dat je onder de paardenbloem allerlei microsoorten kunt onderscheiden (in Nederland alleen al meer dan 250). Verschillen zitten bijvoorbeeld in het blad (kleur; de insnijdingen; wel/geen vlekken), de bloemsteel (kleur) en de bloemen (met of zonder stuifmeel; kleur omwindselblaadjes). De verschillende microsoorten stellen verschillende eisen aan hun standplaats. Sommige zijn heel zeldzaam. Microsoorten kunnen overigens ook weer kruisen met elkaar en daaruit kunnen weer nieuwe klonen ontstaan. Hier vind je daar meer over.

Ook al vindt er (in Nederland) overwegend ongeslachtelijke voortplanting plaats, toch maakt de plant nectar en in de meeste gevallen stuifmeel aan. Hiermee is de paardenbloem van zeer grote waarde voor allerlei soorten insecten. Van de 350 in Nederland voorkomende bijensoorten is een derde op paardenbloem aangetroffen! In de collage vind je verschillende insecten die ik in de loop der jaren op paardenbloemen heb gefotografeerd. Afgelopen weekend zag ik vooral het roodgatje (een zandbij) in onze tuin op de paardenbloemen (foto linksboven).

Paardenbloemen zijn verder een belangrijke voedselbron voor allerlei planteneters (reeën, konijnen, hazen maar ook vee). Ook mensen kunnen paardenbloemen eten, m.n. de bloemen en de bladeren als molsla (gebleekt onder een molshoop).

Verder zijn er verschillende insecten die gespecialiseerd zijn op paardenbloemen, o.a. verschillende soorten waardoor de plant gallen vormt. Ook verschillende schimmels en roesten kun je op paardenbloemen aantreffen.

De paardenbloem wordt wel als boegbeeld van de biodiversiteit gezien. Niet alleen vanwege het aantal microsoorten, maar ook vanwege de insecten en soorten die daar weer van afhankelijk zijn zoals de weidevogels. De laatste zondag van april is officieel de dag van de paardenbloem, maar ik wilde daar niet op wachten. Je kunt waargenomen bijen (o.a. op paardenbloemen) nog steeds doorgeven bij de Nationale Bijentelling, want deze is verlengd tot 23 april!

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺