Distelfauna deel 2

Op 28 juni schreef ik een bericht over het leven op en rond een speerdistel die nog niet in bloei stond. Meer dan vijftig soorten kleine beestjes had ik gezien. Vooral de onderlinge samenhang tussen de soorten maakte het zo interessant om het leven op deze plant te volgen.

Eind juni begon de speerdistel te bloeien en dat trok weer allerlei andere insecten aan. Inmiddels vliegen de eerste pluizen met zaadjes in het rond: voer voor o.a. puttertjes (distelvinken). Na de bloei zullen de planten afsterven en ook bij dat proces zullen weer allerlei organismen een rol spelen.

De bloemen van de speerdistel zijn erg in trek bij groot koolwitje, dagpauwoog en atalanta.

Ook hommels zijn gek op de nectar en het stuifmeel van de speerdistel. Bovenaan zie je een boomhommel, hommels van de aardhommelgroep en een tuinhommel. Onderaan zie je links een akkerhommel (meest voorkomende hommel in onze tuin) en rechts een mannetje van de steenhommel. Hij steekt een van zijn middelste pootjes omhoog. Dat is een waarschuwingsteken; blijkbaar kwam ik met de camera te dichtbij.

Ook allerlei soorten (zweef)vliegen vind je op de bloemhoofdjes. Bovenaan zie je links een bosbijvlieg en rechts een snorzweefvlieg. Die laatste heeft misschien wel als larve gegeten van de bladluizen op de plant. Onderaan zie je een bessenbandzweefvlieg en citroenpendelvliegen.

Ook na 28 juni heb ik nog steeds gekeken naar beestjes op bladeren en stengels. Want er zitten nog steeds bladluizen op de plant.

Bovenaan zie je twee wantsen: miersikkelwants en slanke diksprietblindwants. Daaronder een sluipwesp (Gelis melanocephalus) en rode hooiwagen.

Tenslotte heb ik het vergaan van twee strontvliegen gevolgd die besmet waren geraakt met een schimmel (Entomophthora muscae). Een is met de harde wind begin deze maand van de plant gewaaid. Van de andere resten nog de pootjes. Wat moet die vlieg zich vastgeklampt hebben aan de plant!

De eerste foto is van 11 juni, de laatste van afgelopen weekend.

Op verschillende plekken in het gras zijn inmiddels de rozetten te zien die volgend jaar zullen gaan bloeien. Een aantal daarvan laten we staan, want speerdistels zijn een bron van leven. Dat bleek wel uit mijn observaties van de afgelopen weken. Dat geldt ook voor de andere vederdistels in onze tuin (kale jonker en moesdistel) en voor soorten die nauw verwant zijn aan de vederdistels, namelijk de klitten en de centauries (zoals knoopkruid).

Natuursprokkel 10: Distelfauna

Het begon op 11 juni. Op die dag vielen me de vele insecten op die zich op en rond een speerdistel in onze tuin bevonden. Toen ik wat beter keek, zag ik dat deze speerdistel vol zat met bladluizen. Dat trok allerlei insecten aan die van de honingdauw (afscheiding van bladluizen) snoepen of die bladluizen eten. Ook zag ik een tweestippelig lieveheersbeestje haar eitjes leggen aan de onderkant van een blad. Het leek me leuk om te volgen wanneer die eitjes zouden uitkomen en om gelijk naar alle andere beestjes op en rond de speerdistel te kijken. Op 20 juni verscheen de eerste larve van het tweestippelig lieveheersbeestje. Op 24 juni werd het eerste bloemhoofdje paars. Een mooi moment om een verslagje te maken van al mijn waarnemingen gedurende die twee weken.
Ik heb geprobeerd de beestjes zo min mogelijk te verstoren. Het enige wat ik soms deed was hier en daar een blaadje optillen om eronder te kijken. Dat is trouwens geen pretje, want speerdistels hebben vele scherpe stekels.
In totaal heb ik meer dan vijftig soorten gezien en op naam kunnen brengen (met Obsidentify en de hulp van mensen uit verschillende Facebookgroepen). Onder deze soorten zitten ook toevallige bezoekers die zich niet door de stekels laten afschrikken.

Hierbij laat ik jullie meegenieten aan de hand van een aantal fotocollages.

Speerdistel

Allereerst iets over de speerdistel zelf. Op de foto links zie je het ‘studieobject’. Op de foto rechtsboven zie je een rozet van dezelfde plant van afgelopen maart. De speerdistel is in principe een tweejarige plant die afsterft als hij gebloeid heeft en zaad heeft gevormd.
Speerdistels zijn zogenaamde vederdistels. Hierbij zijn de haren van de pluizen veervormig vertakt. In de collage zie je het pluis van de kale jonker, ook een veerdistel, die inmiddels bijna uitgebloeid is.
Rechtsonder zie je het eerste bloeiende bloemhoofdje. Deze werd bezocht door een puntbijvlieg.
Volgens de Oecologische Flora hebben alle distelachtigen (= vederdistels, distels, klitten, wegdistel, zaagblad en soorten van het geslacht centaurie waartoe o.a. knoopkruid behoort) dezelfde ‘distelfauna’. En die is zeer uitgebreid. Bovendien trekken al die beestjes weer andere organismen aan. Dus volop leven in, op en rond een distelplant.

Bladluizen, mieren en vliegen

Op distelachtigen zijn talrijke bladluissoorten te vinden. Welke we hier zien, weet ik niet.
Bladluizen scheiden zogenaamde honingdauw uit. Dat trekt insecten aan die ervan eten. Het bekendst hiervan zijn de mieren (zoals de wegmieren op de foto), die zelfs hun ‘melkvee’ verdedigen tegen vijanden. Ook allerlei soorten vliegen die van nectar houden, vind je op honingdauw zoals deze herfstvlieg.

Tweestippelig lieveheersbeestje

Op de eerste foto paren er twee; dit zijn andere dan de eierleggende op de tweede foto. Op 11 juni werden de eitjes gelegd, op 20 juni verscheen de eerste larve. Eerst bleven de larven nog bij elkaar zitten en daarna waaierden ze over de plant uit. De larven eten de resten van hun eitje op en ik meen op de laatste foto ook een larve te zien die een broertje of zusje leegzuigt. Meer over lieveheersbeestjes vind je hier.

Nog meer lieveheersbeestjes

Bovenaan het schaakbordlieveheersbeestje en zijn larve en daarnaast het roomvleklieveheersbeestje. Onderaan zie je het Aziatische lieveheersbeestje met imago’s, eitjes en larven.

Snorzweefvlieg

Larven van verschillende soorten zweefvliegen eten ook bladluizen, zoals bijvoorbeeld van de snorzweefvlieg die je op de foto ziet. Voor snorzweefvliegen is het niet altijd veilig zoals uit de tweede foto blijkt waar er een door een strontvlieg wordt leeggezogen. Op de foto linksonder zie je een larve van een zweefvlieg, mogelijk van een snorzweefvlieg. Op de foto rechtsonder zie je mieren die een (dode?) larve wegslepen.

Strontvlieg en de ‘vliegenvernietiger’

Strontvliegen die andere vliegen vangen en leegzuigen, werden zelf belaagd door een schimmel (Entomophthora muscae). Op 11 juni hingen er twee besmette strontvliegen hoog in de plant; de resten ervan hangen er nog steeds.

Parasitaire wespen

Ik heb opvallend veel wespensoorten gezien. Hierbij gaat het zowel om parasitaire wespen die parasiteren op bladluizen of larven, als om bladwespen waarvan de larven van de plant eten. In de collage zie je bovenaan een bladluizendoder (what’s in a name), een wesp die parasiteert op een larve en een opvallende sluipwesp (Glyphicnemis profligator). Daaronder nog drie afbeeldingen van sluipwespen.

Nog meer bladluiseters

Er zijn nog meer beestjes die het op bladluizen hebben voorzien zoals grote langlijf (de larven hiervan), volwassen bleekgele weekschildkevers (gele soldaatjes) en de gewone oorworm.

Nog meer disteleters

Niet alleen bladluizen eten van de plant. Ik heb geen rupsen gezien; rupsen van o.a. de distelvlinder en het distelhermelijntje zijn er pas in de zomer. Wel zag ik mijnen van mineervliegjes, een nymf van de groene schildwants en de larve van een schildpadtor (die zich camoufleert met zijn uitwerpselen en vervellingshuidjes).

Spinnen

Spinnen vangen zowel de (vliegende) bladluizen als andere vliegende beestjes in hun web. Rechts zie je een strekspin en daaronder haar eikapsel waarvan ik meerdere op de speerdistel zag. Verder nog een jonge kruisspin en een onbekende spin met haar weefsel boven in de plant.

Natuursprokkel 9: Look-zonder-look en zijn consumenten (2)

Op 23 april schreef ik een blog over look-zonder-look en zijn consumenten. Je kunt die hier teruglezen. Een bericht op Nature Today was de aanleiding om me in deze plant en haar bezoekers te verdiepen. Hierin werd een oproep gedaan om waarnemingen van eitjes en rupsen van het oranjetipje door te geven. O.a. look-zonder-look, pinksterbloem, judaspenning en damastbloem zijn waardplanten van deze vlinder. Zelf heb ik ontdekt dat ze ook gebruik maken van mierikswortel die in onze moestuin staat.
Ik had aan het einde van de blog beloofd met een update te komen. Bij dezen.

Tot begin mei zag ik het oranjetipje in onze tuin vliegen, zowel het mannetje als het vrouwtje. Ik heb heel mooi het vrouwtje kunnen waarnemen toen ze op de mierikswortel zat en daar haar eitjes afzette. Verder heb ik heel wat keren al de exemplaren van look-zonder-look, pinksterbloem en mierikswortel in onze tuin afgespeurd. Ook keek ik op andere kruisbloemigen zoals herderstasje en raapzaad. Eerst om te kijken of ik eitjes kon vinden en later op zoek naar de rupsen.
Op 5 mei vond ik de eerste twee eitjes op look-zonder-look. En gisteren vond ik twee rupsen: een op mierikswortel (foto) en een op look-zonder-look. Daar eten ze inmiddels van de hauwtjes want de planten zijn uitgebloeid. Half juni trekken de rupsen naar een boom of struik en daar wachten ze als pop (met de vorm van een stekel) het voorjaar af. Wil je de vlinder zien vliegen, dan zul je tot maart/april moeten wachten.

Het oranjetipje is overigens niet de enige vlinder die look-zonder-look (mede) als waardplant heeft. Ook het klein geaderd witje (foto middenonder) kan haar eitjes op look-zonder-look afzetten. De rupsen van deze vlinder eten van de bladeren. De rupsen van de pinksterbloemlangsprietmot vind je in zaden van look-zonder-look en pinksterbloemen.
Er zijn nog meer insecten die van de plant eten. Zo heb ik gangen van de koolmineervlieg en gallen van de kruisbloemgalmug aangetroffen.


Verder zijn er natuurlijk veel insecten die de bloemen van look-zonder-look bezoeken. In de collage zie je bovenaan: muntvlindertje, bleekgele weekschildkever en gewone snuitvlieg. Daaronder zie je de gewone bloesemboktor, akkerdisteldansvlieg en vogelnestkever. De laatste foto is van een schimmel die de bloemen en hauwtjes aantast. Op deze plant had ik het eerste eitje van het oranjetipje gevonden. Geen idee wat er met de eventuele rups is gebeurd.

Aan de planten rijpen nu de zaden. Vervolgens zullen de tweejarige planten afsterven. Gelukkig heb ik de eerste rozetten van nieuwe planten alweer in onze tuin gezien.

Natuursprokkel 8: Meer dan vijftig soorten kleine beestjes op fluitenkruid!

Dat er op schermbloemigen veel insecten te vinden zijn, wist ik wel. Nectar en stuifmeel liggen namelijk bij wijze van spreken voor het oprapen. En al die bloemenbezoekers trekken natuurlijk ook rovers zoals spinnen.
Hoe zit het met fluitenkruid in onze tuin, vroeg ik me af. Daarom heb ik vanaf half maart (toen ik de eerste bloeiende planten zag) het fluitenkruid gevolgd. Inmiddels is het grootste deel in onze tuin uitgebloeid. Tijd om de balans op te maken.
Van al de bezoekers heb ik 51 soorten op de foto weten vast te leggen en een naam weten te geven (met dank aan waarneming.nl). Een opvallende bezoeker was het mannetje oranjetipje dat zich in het ochtendzonnetje op het fluitenkruid zat op te warmen. Wat minder gecharmeerd was ik van de vele knutjes. Bij mijn speurtochten hadden ze me zodanig toegetakeld, dat ik me nu bij windstil weer aan het eind van de dag verre van het fluitenkruid houd.

Om een indruk te geven van de bezoekers heb ik drie collages toegevoegd: een met vliegen, een met muggen en een met kevers.


In deze collage zie je zes soorten vliegen: bovenaan de grote dansvlieg, de zwarte moeraswapenvlieg en een echte vlieg (Azelia spec.). Daaronder de koortsvlieg, een fluweelzweefvlieg en een dambordvlieg.


Hier zie je zes muggensoorten. Bovenaan drie langpootmuggen: de lentelangpoot, de hoefijzertijger en nog een langpootmuggensoort (Tipula spec.). Daaronder zie je de viervlekglansmug, een van de vele soorten dansmuggen en een rouwmug.


Tenslotte zes soorten kevers: de roodkopvuurkopkever, de vogelnestkever, een kortschildkever (Paederus spec.), de gewone bloesemboktor, een weekschild (Cantharis decipiens) en een spartelkever (Mordellochroa abdominalis).

Ik kan je zeggen dat het erg verslavend is om op deze manier met de planten en dieren in je tuin bezig te zijn. Mijn fascinatie voor kleine beestjes is er door toegenomen: wat een verscheidenheid en schoonheid! En dan te bedenken dat het niet goed gaat met de insecten in ons land. Het motiveert om nog meer inheemse planten in de tuin te zetten, ook zo’n heel algemene soort als fluitenkruid.

Natuursprokkel 7: Look-zonder-look en zijn consumenten (1)

Vorig jaar plaatste ik elk dag een ‘soort van de dag’. Een plant die daarbij niet aan de orde is geweest maar waarop ik toch erg gesteld ben, is look-zonder-look. De plant ruikt bij kneuzen naar look (ui, knoflook), maar is helemaal niet verwant aan de lookfamilie. Vandaar de naam. De plant hoort tot de kruisbloemenfamilie, net zoals koolzaad en pinksterbloem. Veel planten van deze familie hebben een sterke smaak om parasieten en consumenten te weren. Denk maar aan mosterd. (Look-zonder-look wordt in het Engels garlic mustard genoemd.) De plant is voor mensen eetbaar: ik maak regelmatig kruidenboter van het blad. Hiervoor gebruik je bij voorkeur het blad van (nog) niet bloeiende planten. Ook de vruchten en zaden zijn eetbaar.

Look-zonder-look is een tweejarige plant. In het eerste jaar zie je alleen de niervormige bladeren die in een rozet staan. In het tweede jaar ontwikkelt zich de opgaande bloeistengel; de bladeren hierlangs zijn hartvormig. De plant bloeit met kleine witte bloemetjes waaruit zich al gauw de vruchten (de hauwtjes) ontwikkelen. ’s Zomers zien de planten er verbleekt en verdord uit.
Look-zonder-look is een plant van licht beschaduwde plaatsen. Erg mooi vind ik het als er langs een weggetje of beek een zoom van look-zonder-look staat te bloeien. Dit jaar lijkt het wel of er meer look-zonder-look is dan andere jaren. Mogelijk komt dat door het vochtige weer.

Kruisbloemigen zijn waardplanten van witjes en van het daaraan verwante oranjetipje. Gisteren las ik een bericht van Nature Today waarin opgeroepen werd om op zoek te gaan naar de (oranje) eitjes en (groene) rupsen van deze vlinder en waarnemingen door te geven. Oranjetipjes heb ik al regelmatig zien vliegen in onze tuin. Dus vandaag toog ik er eens op uit om de look-zonder-look in onze tuin te checken. Ik keek overigens niet alleen op look-zonder-look, maar ook op raapzaad en pinksterbloemen. De vlinder zet per plant slechts één eitje af, bij de nog gesloten bloemknoppen. De eitjes scheiden een stof af die andere vrouwtjes ervan weerhoudt nog een eitje op de plant af te zetten. Dit is om ervoor te zorgen dat er genoeg te eten is voor de rups. De rupsen zijn vanaf half mei te zien. Ze zijn groen met een witte streep en ze eten van de bloemen en de onrijpe hauwtjes. Half juni trekken ze naar een boom of struik en wachten daar als pop het volgende voorjaar af. Eigenlijk moet je dus tot die tijd pinksterbloemen en look-zonder-look niet afmaaien of verwijderen.

Helaas, geen eitjes gezien. Wel zag ik verschillende andere bezoekers. Linksboven zie je bladluizen aan de onderkant van een blad. Vanwege die bladluizen zag ik ook mieren op de plant (foto daarnaast). Rechtsboven zie je een bladvlieg die zich schuil hield onder een bloem.
Op de onderste rij zie je verschillende vliegensoorten die de bloemen bezochten. Van links naar rechts: een bloemvlieg, een gewone korsetzweefvlieg en een bijvlieg.

De komende dagen blijf ik de kruisbloemigen in onze tuin in de gaten houden. En dan kom ik binnenkort met een update.

Bronnen: Nederlandse Oecologische Flora, naturetoday.nl, vlinderstichting.nl, waarneming.nl, oogstenzonderzaaien.nl

Natuursprokkel 6: concert in het riet

(Deze blog verschijnt in week 16 ook in de Nieuwe Meerbode en op de website van IVN De Ronde Venen & Uithoorn)

Vorige week maakte ik een wandeling door de Groene Jonker bij Zevenhoven. Nou ja, wandelen… het was meer slenteren. Om mij heen zag ik velden vol dode rietstengels, het zogenaamde overjarige riet. Maar het rietland was verre van doods. Overal hoorde ik het gezang van allerlei kleine rietvogels, vooral van de rietzanger. Maar ook de snor, blauwborst, Cetti’s zanger en rietgors lieten zich horen. ‘Genieten, hè’, zei ik tegen een man die een camera met een gigantische telelens met zich mee torste. Hij keek me wat verward aan en zei: ‘Ze laten zich niet zien, ze blijven zo laag in het riet’. Dat klopte, maar genieten doe je niet alleen met je ogen, maar ook met je oren.
Overigens lieten de (mannetjes) rietzanger zich soms toch even zien als ze boven het riet uitstegen om vervolgens als een klein parachuutje naar beneden te dwarrelen. Aan het eind van mijn wandeling lukte het me toch nog om een rietzanger op de foto vast te leggen. Een onopvallend klein bruin vogeltje, zoals je kunt zien. In de winter zul je tevergeefs naar ze zoeken: dan zitten ze zoals meer insecteneters in Afrika.
Dat overjarige riet is van groot belang voor kleine rietvogels, maar ook voor grotere vogels zoals de roerdomp en de bruine kiekendief en voor de dwergmuis. Ze maken er hun nest in en het biedt ze beschutting. De rietvogels vinden er ook hun voedsel.

Het is deze maand en in mei echt genieten van al die concerten in het riet. Maar wat als je ook wilt weten wie de uitvoerders zijn? Hiervoor bestaan handige apps die je op je telefoon kunt installeren. Ik gebruikte altijd de app BirdNET, maar als er te veel achtergrondgeluiden zijn, kan hij er niet veel van maken. Vorige week las ik de tip voor een andere app: Merlin Bird ID. Een gratis app (je moet wel je e-mailadres achterlaten). Ik heb een stukje met deze app aan rondgelopen. Fantastisch! De een na de andere vogel verscheen op het beeldscherm van mijn telefoon. Ze bleven als een lijstje staan en welke goed te horen was, lichtte op. Nu weer de snor, dan weer de rietzanger. Bij de bosjes kwamen de tjiftjaf en de fitis erbij, bij het water het gegak van de grauwe gans, het gekrijs van de kokmeeuw en het gekef van een meerkoet. Een echt concert, met allerlei solisten. Bravo!

Natuursprokkel 5: Imbolc

Wat was het een heerlijke dag vandaag! Ik heb vanmiddag een beetje in de tuin gerommeld en gezocht naar de eerste voorjaarsbloeiers. Dat zijn bij ons vooral sneeuwklokjes. Daarvan hebben we er heel veel staan. Enkele sneeuwklokjes die in de volle zon staan, bloeien al; andere komen net boven de grond. Dus dat wordt nog lang genieten.
Ook de winterakonieten beginnen te bloeien. De toverhazelaar, kerstroos en rondbladige cyclaam bloeiden eind december al. Na de vorst en sneeuw gingen ze daar vrolijk mee verder.
Niet alleen de eerste bloemen wijzen op de naderende lente. Ook het blad van de kamperfoelie (linksonder) laat zich al zien. Verder komt er al van alles boven de grond en ontkiemt er ook veel, zoals bijvoorbeeld de judaspenning rechtsonder.

Op zo’n mooie zonnige dag als vandaag kun je ook insecten verwachten. Op de sneeuwklokjes en winterakonieten zag ik groene vliegen (Neomyia cornicina, een echte vlieg zonder Nederlandse naam). Ook zag ik nog wat kleinere insecten maar die vlogen snel weg.
Op verschillende plekken in de zon zag ik wolken van wintermuggen. Op het deksel van het compostvat zat een venstermug. Hommelkoninginnen en vlinders heb ik vandaag niet gezien (half januari overigens al wel).

Er was ook van alles te horen. Er zitten nog steeds wintergasten in de wei achter ons huis zoals smienten en kolganzen. Maar ik hoorde ook vogels die het voorjaar in de bol hebben zoals koolmezen en tortels.
Ook onze kippen reageren op de langer wordende dagen. Met donker, somber weer komen ze het hok niet uit. Nu scharrelen ze gezellig met me mee door de tuin. En vandaag hadden ze ook weer hun eerste eitjes gelegd!

Al die eerste lentetekens passen goed bij Imbolc, het Keltische feest waarbij van 31 januari ’s avonds tot 2 februari ’s avonds het begin van de lente werd gevierd en werd stilgestaan bij de vruchtbaarheid van de aarde. Het was het feest van de godin Brigid (Brigida, Brigit). Zij is later door de christenen ingelijfd en heilig verklaard. Ze is de vrouwelijke patroonheilige van Ierland en vandaag wordt daar haar naamdag gevierd.
Imbolc betekent: ‘in de buik’. Het verwijst naar drachtige ooien die nu of binnenkort lammeren. Sneeuwklokjes passen helemaal bij het feest. Ze staan als echte lentebodes symbool voor schoonheid, puurheid, vernieuwing en hoop. Imbolc Shona Daoibh – Happy Imbolc.

Natuursprokkel 4: Natuurpark Lelystad

Voor de ‘soort van de dag’ maakte ik vorig jaar zoveel mogelijk gebruik van eigen foto’s. Van verschillende zoogdieren had ik wel foto’s van sporen, maar niet van de dieren zelf. Daarom wilde ik graag eens naar Natuurpak Lelystad, want daar loopt een aantal van die dieren ‘in het wild’ rond.
Natuurpark Lelystad is in de jaren ’70 aangelegd als waterrijk park voor de inwoners van Lelystad. Dierentuin Artis zocht een buitenverblijf voor grote hoefdieren. En die kregen hier dus een plek. Vervolgens is het Natuurpark een rol gaan spelen in fok- en herintroductieprogramma’s van bedreigde diersoorten uit Eurazië. Het gebied wordt beheerd door het Flevo-landschap.
Kenmerkend voor het Natuurpark is dat de dieren veel ruimte hebben. Daardoor zijn ze (grotendeels) zelfvoorzienend en kunnen ze natuurlijk gedrag vertonen. Het betekent ook dat je echt op zoek moet om de dieren te kunnen zien. Geen garantie dat je ze ziet! Het park is gratis te bezoeken (je betaalt alleen voor parkeren). En je kunt er heerlijk ronddwalen (wij hebben meer dan 10 km gelopen en nog niet alles gezien).

In de collage zie je bovenaan Exmoorpony’s, przewalskipaarden en wisenten. Het przewalskipaard, een Aziatische ondersoort van het wilde paard, is in de jaren ‘60 in het wild uitgestorven. Met paarden uit dierentuinen is vervolgens gefokt en is de soort weer in Mongolië geherintroduceerd. Voordat ze naar Mongolië gingen, kwamen ze eerst naar Lelystad om weer gewend te raken aan een leven onder min of meer natuurlijke omstandigheden. Het gaat nu goed met de przewalskipaarden in Mongolië en daarom is in 2002 het herintroductieproject gestopt. In het Natuurpark leven nu nog drie merries, van 21 jaar oud.
Drie paarden, dat is te weinig om echt een kudde te vormen. Daarom zijn een paar dagen geleden vier Exmoorpony’s uitgezet. Volgens het Flevo-landschap is de kennismaking tussen de dieren erg goed verlopen. Exmoors zijn een Europese ondersoort van het wilde paard. Deze komt nu nog in het wild voor in Nationaal Park Exmoor in Groot-Brittannië. In ons land wordt deze schuwe pony ook ingezet voor natuurbegrazing.
In hetzelfde leefgebied als de paarden kun je ook wisenten vinden. De wisent (Europese bizon) is een runderachtige. In het Pleistoceen kwamen ze, samen met wilde paarden, ook in onze streken voor. Tot in de veertiende eeuw leefden er nog wisenten in de Belgische Ardennen. De laatste wilde wisenten zijn in 1926 uitgestorven. Dieren uit dierentuinen vormden de basis voor nieuw uitgezette kuddes, ook in ons land. Natuurpark Lelystad doet mee aan de fokprogramma’s voor herintroductie.

In het midden van de collage zie je sporen van bevers, een Europese otter en wilde zwijnen. Deze dieren waren vorig jaar allemaal eens ‘soort van de dag’. Bevers komen tegenwoordig bijna in heel Flevoland in het wild voor. Het gaat hierbij om nakomelingen van uit het Natuurpark ontsnapte exemplaren. Ook de Europese otter komt in het wild in Flevoland voor. Op het Natuurpark hebben ze een speciaal otterverblijf voor dieren die niet meer in de vrije natuur kunnen leven. Wilde zwijnen leven in het Natuurpark in een groot stuk bos met modderpoel, grasland en water.

Andere dieren in het Natuurpark zijn: paterdavidsherten (een Chinese hertsoort), edelherten, moeflons (stamvader van het tamme schaap) en elanden. Daarnaast komen er allerlei wilde dieren voor.
Het park is zeker de moeite waard om eens te bezoeken. Je kunt ook een kijkje nemen bij de gereconstrueerde prehistorische nederzetting Swifterkamp (foto linksonder). De boerderijen en hutten zijn gebaseerd op archeologische vondsten uit de buurt van de Swifterbantcultuur (5.300 – 3.400 voor Chr.). Mensen van deze cultuur waren jager-visser-verzamelaar en deden een beetje aan landbouw. De nederzetting vormt een mooie combinatie met het Natuurpark, want de mensen van de Swifterbantcultuur jaagden op verschillende dieren die hier nu wonen. Verder vielen ons in januari de vele bloeiende hazelaars op (met hangende mannelijke en rode vrouwelijke katjes). Ook heel toepasselijk: de mensen van de Swifterbantcultuur verzamelden ook hazelnoten.

Bronnen: flevo-landschap.nl, Wikipedia, swifterkamp.nl, zoogdiervereniging.nl

Natuursprokkel 3: Voetstapjes in de sneeuw

“Kijk!… voetstappen in de sneeuw. Kleine voetstapjes maar; hier een kuiltje, dáár een kuiltje. Dat hebben vast twee kleine klompjes gedaan. Maar van wie zouden die kleine klompjes zijn? Het land is wit en wijd en stil. Er is niemand. Twee zwarte kraaien zitten op een witte boom. En ’t is bitterkoud.”
Dit zijn de beginregels van het boekje ‘Voetstapjes in de sneeuw’ van W.G. van de Hulst uit 1953. Ik vond het vroeger een spannend verhaal en huiverde bij het idee dat het meisje kwijt was en daar ergens in die koude, witte wereld op de grond lag. Natuurlijk liep het goed af.
Een stil, wijds, wit landschap: daar houd ik op zijn tijd wel van. En dan ga ik graag op zoek naar sporen om te zien welke dieren daar wonen of geweest zijn. (En stilletjes hoop ik natuurlijk dan iets heel bijzonders te vinden.)

Ook in onze tuin zijn in het dunne laagje sneeuw dat er nog ligt, diverse sporen te vinden. De meest opvallende zijn die van eksters, fazanten, hazen en een kat. Tenminste, ik denk dat die van een kat is. Ik vind diersporen (en zeker pootafdrukken) best moeilijk ‘te lezen’. Daarom dat ik me heb opgegeven voor een online cursus diersporen.
De sporen op het ijs zijn van een haas. Die zijn makkelijk te herkennen als je weet hoe hazen lopen: ze zetten hun achterpoten vóór hun voorpoten. De twee voorste afdrukken naast elkaar zijn van de achterpoten; de andere twee van de voorpoten.
De sporen van de ekster zijn bij ons vooral rond het kippenhok te vinden. Ze komen daar altijd even kijken of er nog een graantje mee te pikken valt. Soms betrappen we een ekster ín het kippenhok, als de kippen in de tuin rondscharrelen. Maar zodra de ekster ons in het vizier krijgt, is hij weg. Eksters hebben een lange staart en die sleept over de grond tijdens het lopen (pootafdrukken achter elkaar) en hippen (pootafdrukken naast elkaar). Ook kun je de prent herkennen aan de stand van de tenen: de achterteen verspringt iets ten opzichte van de middelste teen (staat niet in het verlengde).
Fazanten beschouwen onze tuin als hun huis en de moestuin als hun restaurant. Hun loopspoor zag ik wel, maar de vogels waren vandaag blijkbaar elders aan het rondscharrelen. Terwijl de ekster een duidelijke achterteen heeft, is die bij de fazant net zoals bij alle hoenderachtigen heel kort.
We hebben zelf geen katten meer en ik zie overdag eigenlijk nooit een kat in onze tuin. Maar de sporen wijzen uit dat er wel eens eentje langskomt. De kat heeft vooral keurig over de paadjes gelopen en bij de sloot gekeken. Daar op de vlonder kwamen verschillende sporen bij elkaar.

Andere sporen die ik zag, waren van druppels die in de sneeuw waren gevallen en wat vage sporen van kleine vogeltjes en een klein zoogdier. Inmiddels vond ik ook overal mijn eigen sporen. Dus maar weer wachten op een volgend laagje sneeuw. En misschien weet ik dan inmiddels meer over prenten (pootafdrukken) zodat ik ze allemaal kan herkennen.

Natuursprokkel 2: Grazende zwanen

Engels raaigras is enorm eiwitrijk en wordt daarom tegenwoordig op het grootste deel van de weilanden ingezaaid als voer voor melkkoeien. Dat betekent: weilanden zonder bloemen, met weinig insecten en weidevogels en met een arm bodemleven. Maar wel een gedekte tafel voor grazende wintergasten zoals diverse ganzen-, zwanen- en eendensoorten.
Weilanden met Engels raaigras zijn er genoeg in onze omgeving. Tijdens een autoritje door de polders ten westen van Zevenhoven (Zuid-Holland) zagen we grote groepen knobbelzwanen. We keken of we daartussen wilde zwanen konden ontdekken; die worden hier namelijk elk jaar waargenomen (bron: IVN Nieuwkoop). En ja hoor: auto aan de kant, alarmlichten aan (het was langs een smalle weg met uitwijkplaatsen) en verrekijker in de aanslag. Daar zagen we samen met een paar knobbelzwanen zes wilde zwanen. Kleine zwanen zijn in deze polder ook gezien, maar niet door ons.

Omdat het gras veevoer is, zijn zwanen (en ganzen) meestal niet welkom. Op de website van BIJ12 vind je allerlei preventieve maatregelen die een agrariër kan treffen om zwanen te weren of te verjagen. Op knobbelzwanen mag geschoten worden (met ontheffing; voor verjaging en populatiebeheer). Wilde en kleine zwanen zijn streng beschermd. Eventuele schade na het nemen van preventieve maatregelen wordt vergoed. Wil je juist iets doen voor de grazende wintergasten, dan kun je met subsidie en onder allerlei voorwaarden een speciale wintergastenweide aanleggen.

Wilde zwanen broeden op IJsland en in het noorden van Scandinavië en Rusland. De Scandinavische broedvogels overwinteren aan de westkant van de Oostzee en in Denemarken, het noorden van Duitsland en Nederland. Ons land bevindt zich aan de zuidwestrand van het overwinteringsgebied. Ze overwinteren bij ons met zo’n 2.500 exemplaren, maar als het zoals nu erg koud is in de overwinteringsgebieden, kunnen het er wel 7.000 zijn.
Kleine zwanen hebben een kortere nek en minder geel op de snavel dan wilde zwanen. Zij overwinteren in grotere aantallen in ons land. Knobbelzwanen zijn ongeveer net zo groot als wilde zwanen en minder slank. Verder hebben zij een oranje snavel, met een knobbel.

Wilde zwanen eten het liefst ondergedoken waterplanten. Als die er onvoldoende zijn, gaan ze over op gras, wintertarwe en oogstresten. Vorige week waren we in Zeeland en hoopten we ze daar ook te zien op de resten van voederbieten. Maar helaas. Daarom is het extra leuk dat we ze vandaag dicht bij huis wel hebben kunnen waarnemen.

Bronnen: vogelbescherming.nl, bij12.nl, Wikipedia