Soort van dag 56: gewone pad

(25 februari 2023)

In de winter zijn amfibieën zoals de gewone pad in winterrust. Afgelopen week heb ik in onze tuin er twee gezien: één toen ik een bloempot verzette waar de pad onder zat. En één toen ik ’s avonds met een zaklamp in de tuin ging kijken wat er allemaal aan leven te zien was. (Veel! Vooral mospissebedden op bomen en muren, veel spinnen, een grasmot, wintermuggen en dus ook een rondkruipende gewone pad.) Gisteren vond ik langs de dijk helaas een dood exemplaar (zie foto rechtsboven).

Vanaf half februari kunnen bij zacht en vochtig weer de padden al op weg gaan van hun overwinteringsplek naar hun voortplantingsplek. De piek van de paddentrek ligt in maart en april. De gewone padden leggen hun eieren in snoeren die rondom takken of water- en oeverplanten worden gewikkeld. Zo’n eisnoer bestaat uit 2.000-6.000 eitjes. De larven die hieruit komen, zijn zwart. Eerst zitten ze in dichte scholen bij elkaar, later zwemmen ze apart rond. Vanaf mei kruipen de jongen aan land; ze zijn dan gemetamorfoseerd van larve (‘visje’) tot klein padje.

Gewone padden zijn bruin; hun buik is wit gemarmerd. Hun huid is wrattig. De ogen van een gewone pad zijn oranje met een horizontale pupil. Padden lopen. (Kikkers springen en hebben een ronde pupil.)

Gewone padden, zowel de larven als de volwassen dieren, scheiden via hun huid een giftige stof af. Hierdoor worden ze door veel predatoren gemeden. Paddenlarven hoeven daarom ook minder bang te zijn voor vissen, in tegenstelling tot kikkervisjes. Overigens zijn er wel dieren die padden eten zoals bunzings en bruine ratten. Een bunzing stroopt de huid eraf en ook laat hij de kop met gifklieren met rust.

Gewone padden houden van een landschap met ruigten, bosjes en overhoekjes met vochtige schuilplekken en water in de buurt. Een rommelige tuin is ook ideaal. Ze komen in Nederland algemeen voor. In delen van Noord-Holland, Friesland en Groningen zijn ze schaars. Op de Waddeneilanden, met uitzondering van Terschelling, komen ze niet voor.

Amfibieën zijn koudbloedig en zoeken daarom in de winter een schuilplek op. Gewone padden graven zich in, onder een hoop bladeren, een stapel stenen of planken.

Elk voorjaar worden er overzetacties georganiseerd om bij schemering de padden te helpen om veilig wegen over te steken. Salamanders zijn overigens al eerder op pad gegaan (al vanaf januari).

In onze tuin komt ook de rugstreeppad voor (met een gele rugstreep en gele ogen). Andere ‘padden’ die in Nederland voorkomen, zijn padachtige kikkers. De geelbuikvuurpad en vroedmeesterpad komen overwegend in Zuid-Limburg voor. De knoflookpad leeft op de zandgronden van oostelijk Nederland.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘳𝘢𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦

Soort van dag 55: smaragdsteeltjes

(24 februari 2023)

In het winterhalfjaar laten de mossen zich goed bekijken. Er zijn al twee soorten mos voorbij gekomen: haarmossen op voedselarme grond en gewoon muisjesmos op steen. Vandaag kijken we naar wat er groeit in de voegen tussen klinkers of tegels en dan speciaal de smaragdsteeltjes. Om deze mossen te kunnen zien, hoef je niet door de knieën. Ze vallen van een afstandje al op door hun frisgroene kleur. Maar het is natuurlijk altijd leuk om ze van dichtbij te bekijken en zo gelijk nog meer leven tussen de voegen te ontdekken. Want je ziet vast nog andere mossoorten, maar ook korstmossen, kiemplantjes en kleine beestjes zoals springstaarten.

Smaragdsteeltjes vind je ook in scheuren in asfalt, op parkeerplaatsen, langs wegen en paden en op muren en stenen.

In de voegen tussen de klinkers in onze tuin vallen de smaragdsteeltjes momenteel erg op. Afgelopen week heb ik samen met een achterbuurvrouw / mede-IVN’er gekeken naar de mossen in onze tuin. Ik ben nog een beginneling; zij weet er meer van en heeft bovendien een microscoop. Daarmee kun je allerlei details zien, zoals stekelpuntjes en glasharen. Tussen onze klinkers (zie foto’s) komen in elk geval gewoon en spits smaragdsteeltje voor. De spitse heeft een stekelpuntje aan het eind van het blad, de gewone niet. Met een loep is het verschil ook te zien. De uitvergroting is van het gewoon smaragdsteeltje.

In de zomer vallen deze mossen veel minder op. Als het droger is, verschrompelen ze. Op die manier verkleint het mos zijn verdampend oppervlak. En de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik ze dan ook grotendeels verwijder, samen met het ‘onkruid’ dat tussen de voegen groeit. Maar de volgende winter zijn ze er weer en geniet ik van die mooie frisgroene kleur.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘔𝘰𝘴𝘴𝘦𝘯 (1998), 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴

Soort van dag 54: wilde eend

(23 februari 2023)

Eenden, wie kent ze niet. In Nederland komen verschillende soorten voor. Wat ze gemeenschappelijk hebben, zijn zwemvliezen en waterafstotende veren. De meest voorkomende is de wilde eend, een soort die je op allerlei voedselrijke wateren ziet, ook in parken en vijvers. Daar mengen ze zich met gedomesticeerde eenden; deze mengvormen worden wel ‘soepeenden’ of ‘parkeenden’ genoemd. (Op de collage zijn de eenden linksboven en rechtsonder vermoedelijk niet helemaal zuiver. Linksboven is een jonge eend.)

Het mannetje, de woerd, is te herkennen aan de opvallende groene kop, witte nekband en donkerbruine borst. Ook heeft hij als enige eendensoort gekrulde staartveren. Het vrouwtje heeft een bruin verenkleed en is daarmee goed gecamoufleerd als ze op het nest zit. Ze heeft net zoals het mannetje een blauwe vleugelspiegel die te zien is als ze vliegt. Daarmee onderscheidt ze zich van bruine vrouwtjes van andere eendensoorten zoals de krakeend (witte vleugelspiegel). In de ruiperiode (augustus) lijken mannetjes en vrouwtjes op elkaar. Je kunt ze dan op basis van de snavels uit elkaar houden: bij het mannetje is deze geel, bij het vrouwtje zeemkleurig. En je kunt natuurlijk ook naar de staartveren kijken.

In de winter vormen zich de koppeltjes. Daarbij kan het er heftig aan toe gaan. De vrouwtjes kiezen het mannetje uit, op basis van uiterlijk en gedrag. De broedtijd is van februari tot augustus. Het nest wordt in de buurt van water gemaakt. Dat kan ook in een boom zijn of bovenop een houtril, zoals op de foto. Het vrouwtje broedt en het mannetje houdt de wacht. Pulletjes van de wilde eend zijn bruin van boven en geel van onderen. Als ze op het water zitten is dat wel zo veilig. Door deze kleuren zijn ze zowel vanuit de lucht als van onder water niet zo snel te zien. Zie je lichtere pulletjes, helemaal gele bijvoorbeeld, dan heb je met een mengvorm te maken.

Wilde eenden zijn omnivoor. Ze eten waterplanten, grassen en kleine waterdiertjes. In het water zoeken ze naar voedsel door te grondelen. Hierbij zitten kop en hals onder water en steekt het achterlijf rechtop uit het water. Op het land grazen ze.

Er broeden in Nederland zo’n 180.000-280.00 paren wilde eend. Dat is de grootste broedpopulatie van Europa. In de winter komen daar nog doortrekkers en overwinteraars bij. Sinds 1990 is het aantal wilde eenden om onduidelijke redenen met zo’n 30% afgenomen. Uit onderzoek blijkt dat er in Nederland minder kuikens groot worden dan in het buitenland: in het buitenland 35-50% van de kuikens, in Nederland 13-24%. De oorzaak daarvan is nog onbekend.

Eenden hoeven niet bijgevoerd te worden, zeker niet met brood (ongezond). Wil je toch eendjes voeren, gebruik dan een granenmengsel.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 53: tongvaren

(22 februari 2023)

Een van de wintergroene varens is de tongvaren. Je kunt deze niet verwarren met andere wilde varens. Het is de enige varen met bladeren die groot en tongvormig zijn en een gave bladrand hebben. Hij hoort tot de streepvarens: bij deze varens zijn de sporenhoopjes aan de onderkant van het blad langwerpig (streepvormig). Onder de streepvarens vallen ook tropische soorten die we als kamerplant kennen zoals de vogelnestvaren. Streepvarens in gematigde streken zijn van oorsprong rotsplanten.

Hoe de voortplanting van varens verloopt, heb ik beschreven bij de eikvaren. De sporen van tongvarens ontstaan in de zomer en de sporenhoopjes zijn tot in het volgende voorjaar te zien. In april komen de nieuwe bladeren tevoorschijn. De plant is vorstgevoelig: in strenge winters sterven veel exemplaren af. In de stad en in West-Nederland is het klimaat altijd milder en daar doen tongvarens het goed.

De tongvaren is vrij zeldzaam. Hij houdt van schaduw en vocht. Je vindt ze op bodems die kalkrijk, voedselarm tot humeus of stenig zijn. Ze staan bijvoorbeeld langs greppels. Tongvarens vind je o.a. in de Zeeuwse en Hollandse duinen, Zuid-Limburg en het Voorsterbos in de Noordoostpolder. Ook staan ze tussen basaltblokken langs rivieren. In de Biesbosch groeien ze op dood hout in de wilgenbossen. In de stad vind je ze op muren zoals kade-, sluis- en grachtmuren en in putten. Het is sowieso leuk om eens nader naar deze muren en putten te kijken. Je vindt er ook andere streepvarensoorten zoals muurvaren en steenbreekvaren en allerlei andere leuke plantjes.

Er is een microvlinder waarvan de rupsen op tongvaren zitten (het tongvarenvretertje). En er is een roest dat op tongvaren voorkomt. Beide zijn zeldzaam.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘴𝘵𝘢𝘥𝘴𝘱𝘭𝘢𝘯𝘵𝘦𝘯.𝘯𝘭

Soort van dag 52: populieren

(21 februari 2023)

De populieren staan in bloei. Dat valt mij vooral op als ik uitgebloeide mannelijke katjes op de grond vindt.

Populier is een geslacht uit de wilgenfamilie. In Nederland komen twee soorten van nature voor: de ratelpopulier (esp) en de zwarte populier. Daarnaast zijn op grote schaal in ons land populieren aangeplant. Dat kunnen soorten zijn uit Midden- en Zuid-Europa zoals de witte abeel. Maar ook ‘exoten’ uit Noord-Amerika zoals balsempopulieren. Of kruisingen zoals de grauwe abeel (kruising tussen ratelpopulier en witte abeel) en de canadapopulier (kruising tussen de zwarte en de Amerikaanse populier). Veel populierensoorten worden gekloond (via winterstek) zodat exemplaren erg op elkaar lijken.  De Italiaanse populier is een zuilvormige cultivar van de zwarte populier.

Populieren worden gebruikt als laanbeplanting, als windkering rond boomgaarden en voor de houtteelt. Populieren kunnen ook geknot worden. Populierenbossen en -opstanden hebben weinig natuurwaarde. Wel worden ze gezien als een belangrijk onderdeel van het cultuurlandschap.

Kenmerkend voor populieren is dat de bladeren een zijdelings afgeplatte bladsteel hebben. Daardoor bewegen ze makkelijk, zelfs bij het kleinste zuchtje, en maken ze een ritselend, ruisend geluid. Erg mooi vind ik de verschillende tinten die uitlopende populieren in het voorjaar kunnen hebben. Ook de herfstkleuren zijn prachtig zijn. Witte abelen hebben bij uitlopen witviltig behaard blad. Soms vallen de bladeren voortijdig af; dan zijn ze aangetast door een roestschimmel.

De bomen bloeien voordat het blad verschijnt. Populieren zijn tweehuizig, dat wil zeggen dat de mannelijke en de vrouwelijke katjes op aparte bomen zitten. Ze worden door de wind bestoven. Na de bloei vallen de mannelijke katjes al snel af. De vrouwelijke ontwikkelen zich tot kapsels waaruit later de pluizen met zaad tevoorschijn komen.

De knoppen van de populier bevatten een hars, propolis. Honingbijen verzamelen het en gebruiken het om de wanden van de korf te bekleden en om raten en cellen te dichten en kiemvrij te maken.

De paddenstoelenrijkdom onder populieren kan groot zijn, vooral op kalkrijke zand- en kleigronden. Waar de grote brandnetel de onderbegroeiing is, komen bijna geen paddenstoelen voor. Een algemeen voorkomend insect dat overwegend op populieren leeft, is de horzelvlinder (een vlinder die op een hoornaar lijkt). Ook zijn er verschillende soorten kevers die van populierenbladeren eten zoals het populierenhaantje. Op de bladeren komen talrijke soorten gallen voor, m.n. veroorzaakt door bladluizen.

Op de foto’s bovenaan van links naar rechts: stam van een canadapopulier; stam van een witte abeel; maretakken in populieren.

In het midden: katjes in een grauwe abeel; uit de boom gevallen katje; pluis.

Onderaan: uitlopend blad van een canadapopulier; uitlopend blad van een ratelpopulier; larve van het populierenhaantje.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢

Soort van dag 51: scholekster

(20 februari 2023)

Gisteren de kokkel, vandaag de vogel die in het winterhalfjaar dit schelpdier op zijn menu heeft staan. In de winter zijn scholeksters overwegend in de kustprovincies te vinden. Maar nu het broedseizoen nadert, trekken ze richting het binnenland en zelfs naar de stad. Dit weekend zagen en hoorden we ze al rondom ons huis. Ze horen hier tot de weidevogels.

Scholeksters zijn zwart-wit, net zoals eksters, maar ze zijn er niet verwant aan. Het zijn steltlopers met roze poten en een lange oranjerode snavel. Die snavel slijt hard maar groeit ook weer snel aan. Bovendien verandert de snavel van vorm, afhankelijk van het voedsel dat hij eet. In de zomer is de snavel puntiger; dat is handig bij het zoeken naar wormen en emelten. In de winter is de snavel stomper, meer beitelvormig. Dat is handig om kokkelschelpen mee open te slaan.

Hier hoor je het geluid van de scholekster. Het klinkt als (te-)píét, (te-)píét. Daarom wordt deze vogel ook wel ‘bonte piet’ genoemd.

Scholeksters broeden op kwelders en agrarisch land, maar tegenwoordig ook op grinddaken. Het nest bestaat uit een kuiltje dat bekleed is met wat schelpjes, stro of steentjes. Ze broeden van half april tot eind juni. De jongen zijn nestvlieders, dat wil zeggen dat de jonge vogels, vlak nadat ze uit het ei zijn gekomen, de ouders al kunnen volgen. Jongen worden nog lang door hun ouders gevoed, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de jongen van de grutto. Daarom kunnen ze ook op daken broeden waar geen voedsel aanwezig is.

2023 is door de Vogelbescherming en Sovon uitgeroepen tot het Jaar van de Scholekster. Daarmee vragen ze aandacht voor de achteruitgang van deze soort. Sinds ongeveer 1985 neemt het aantal scholeksters sterk af. In de broedtijd brengen ze te weinig jongen groot, vooral op intensief gebruikt boerenland. In de winter hebben ze te maken met voedselgebrek doordat er te weinig kokkels zijn.

Ook geeft de Vogelbescherming aan wat iedereen kan doen om de scholekster te beschermen. Voor ons, gewone burgers, betekent dat: de vogels met rust laten. Dat geldt in de broedtijd en ook op de hoogwatervluchtplaatsen waar ze aan land verblijven als het slik en de zandplaten bij vloed onder water staan. (Met rust laten betekent ook: honden aan de lijn.)

Verder wordt gevraagd of je waarnemingen van broedende scholeksters op daken wilt doorgeven. Dat kan via https://www.scholeksterophetdak.nl/. Zo kan duidelijk worden hoeveel scholeksters er eigenlijk op daken broeden en wat daar hun broedsucces is.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘝𝘳𝘰𝘦𝘨𝘦 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘴, 𝘚𝘰𝘷𝘰𝘯

Soort van dag 50: kokkel

(19 februari 2023)

Vandaag een mariene soort waarvan je de schelpen massaal op het strand kunt vinden: de kokkel. Deze schelpen zijn vaak blauwgrijs of donkerbruin van kleur. Levende kokkels hebben witte tot geelbruine schelpen. Alleen na een storm worden wel eens levende exemplaren aan het strand gevonden.

De kokkel leeft vlak onder het bodemoppervlak, tot zo’n 5 centimeter ingegraven in de bodem. Wie wel eens wadloopt, heeft misschien wel ervaren hoe het is om over jonge kokkels te lopen. Ik ken deze ervaring uit de tijd dat ik bij de Deltadienst in Zeeland werkte en we onderzoek deden op de Roggenplaat. Het voelt als lopen over knikkers.

Kokkels komen massaal voor op de platen en slikken van de Waddenzee, Oosterschelde en Westerschelde. Deze platen en slikken vallen droog bij laag water. En dat is het moment waarop allerlei vogels op zoek gaan naar een lekker hapje. Vooral scholeksters, kanoeten en eidereenden eten veel kokkels.

Kokkels horen tot de tweekleppige weekdieren. Ze hebben stevige schelpen met aan de buitenzijde 22-28 ribben. Ze filteren allerlei voedseldeeltjes uit het water, vooral eencellige algen. Hiervoor gebruiken ze twee buisjes (sifons) die net boven het zand uitsteken. Per uur kan een kokkel wel een halve liter water filteren. Op de sifons zitten lichtgevoelige cellen. Als deze een schaduw (vogel) detecteren, sluit de kokkel zijn schelpen.

Kokkels planten zich voort door te ‘spawnen’: mannetjes en vrouwtjes laten gelijktijdig hun voortplantingscellen los. De bevruchting vindt in het water plaats. De bevruchte eitjes voeden zich met algen, zinken naar de bodem en groeien daar uit tot een nieuwe kokkel.

Ook mensen eten kokkels. Sinds 2005 mag niet meer mechanisch op kokkels worden gevist; er is alleen nog handmatige kokkelvisserij toegestaan. Handkokkelaars mogen in de Waddenzee niet meer dan 2,5% van de aanwezige kokkels bevissen. In Zeeland worden alleen vergunningen afgegeven als de verwachting is dat er meer kokkels zijn dan de scholeksters in de winter opeten.

Tijdens de warme zomers van de afgelopen jaren was er sprake van massale sterfte onder kokkels. Uit onderzoek blijkt dat vooral de hoge bodemtemperatuur tijdens het droogvallen de oorzaak is. Minder kokkels betekent ook: minder voedsel voor de vogels die kokkels eten.

Er komt in Nederland nog een kokkelsoort voor: de brakwaterkokkel. Voor deze kokkelsoort is de Waddenzee te zout. Je vindt deze bijvoorbeeld in de Grevelingen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘢𝘯𝘦𝘮𝘰𝘰𝘯.𝘰𝘳𝘨, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘸𝘢𝘥𝘥𝘦𝘯𝘻𝘦𝘦.𝘯𝘭, 𝘰𝘮𝘳𝘰𝘦𝘱𝘻𝘦𝘦𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭, 𝘬𝘰𝘬𝘬𝘦𝘭𝘷𝘪𝘴𝘴𝘦𝘳𝘴.𝘯𝘭

Soort van dag 49: gewoon speenkruid

(18 februari 2023)

Op steeds meer plekken zie je het speenkruid in bloei komen. Zodra de zon schijnt, openen de bloemen zich en stralen ze je tegemoet. Bij bewolkt weer blijven de bloemen min of meer gesloten. De plant vormt grote pollen die als een glanzend geel tapijt de bosbodem of slootkant kunnen bedekken. Speenkruid is een typische voorjaarsbloeier. Voor de bomen vol blad zitten, gaan ze weer ondergronds.

Speenkruid hoort tot de ranonkelfamilie (net zoals de winterakoniet). Gewoon speenkruid heeft drie tot vier groene kelkbladen en acht tot twaalf smalle kroonbladen. Sommige mensen verwarren de plant wel eens met boterbloemen; daarvan hebben de bloemen vijf kroonbladen. De bloemen staan op lange stelen die zich halverwege oprichten (zie foto rechts boven). Het blad is glimmend donkergroen en heeft een hartvormige voet.

De naam speenkruid verwijst naar de speenvormige wortelknolletjes waarmee de soort ‘overzomert’ (zie foto links onder). Na de bloei vormen zich in de bladoksels okselknolletjes. Deze vallen van de moederplant en hieruit groeien weer nieuwe planten. De okselknolletjes worden verspreid door water (en door gravende en spittende mensen).

De bloemen worden bezocht door insecten; speenkruid staat op lijsten met drachtplanten voor honingbijen en wilde bijen. Maar er ontwikkelt zich nauwelijks zaad. Na de bloei (en zaadvorming) sterft de plant af. In de zomer vind je de plant niet meer, alleen nog de knolletjes in de grond.

Speenkruid groeit op vochtige en voedselrijke beschaduwde plaatsen. Ook vind je het in vochtige weilanden en langs sloten. In de stedelijke omgeving groeit het ook in parken en op grasvelden.

Voordat er bloemen aan de plant zitten, kun je het blad eten. Het zit vol vitamine C en het diende vroeger als middel tegen scheurbuik. In de loop van het voorjaar en tijdens de bloei neemt het gehalte aan giftige stoffen toe. De bladeren smaken dan bitter en vee vermijdt de plant. Zelf heb ik me nog nooit gewaagd aan het eten van speenkruid. Het idee om een ranonkelachtige te eten staat me tegen, want andere leden van deze familie zijn (zeer) giftig.

Aan het eind van de lente parasiteren verschillende soorten roestschimmels op speenkruid (zie foto’s rechts). Over roestschimmels en hun bijzondere levenscyclus zal ik het een andere keer hebben.

Naast gewoon speenkruid kun je hier en daar ook vreemd speenkruid tegenkomen. Deze soort is forser, heeft geen okselknoppen en de bloemstengels staan tijdens de bloei rechtop. Deze soort is met bolgewassen van elders uit Europa meegekomen en wordt tot de stinzenplanten gerekend. Inmiddels worden er ook exemplaren gevonden die eigenschappen van beide soorten speenkruid vertonen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢𝘷𝘢𝘯𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭, 𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴-𝘥𝘪𝘴.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 48: rendiermossen

(17 februari 2023)

De winter, als er weinig groeit en bloeit, is bij uitstek de tijd om naar korstmossen te kijken (zie ook soort van dag 2). Korstmossen zijn organismen waarbij een alg (of een blauwalg) en een schimmel samenwerken. Ze hebben daar beide profijt van. Op zandgronden kun je in de winter heel goed rendiermossen zien. Samen met bekermossen en heidestaartjes vallen ze onder het geslacht Cladonia. Wereldwijd komen ongeveer 350 soorten van dit geslacht voor, waarvan 50 in Nederland.

Rendiermossen zijn struikvormig en grijsgroen van kleur en ze hebben vertakkingen. Die vertakkingen zijn hol en de uiteinden hebben meestal een afwijkende kleur. Ze groeien langzaam: maar zo’n 3-11 mm per jaar. De naam ‘rendiermos’ verwijst naar de geweivormige vertakkingen. In Lapland is echt rendiermos het hoofdvoedsel van rendieren. Echt rendiermos komt niet meer in Nederland voor.

Op de grond levende korstmossen zijn een goede indicator voor de zuurgraad van de bodem. De ene soort groeit namelijk op kalkrijke bodems, de andere op kalkarme (zure) bodems. Dat kan je helpen om te bepalen met welke soort je te maken hebt.

In de collage staan twee soorten rendiermos. De app ObsIdentify en de standplaats hebben me geholpen om de soorten op de foto’s op naam te brengen.

Op de foto’s bovenaan staat open rendiermos. De linker is vorig jaar gemaakt in de Lange Duinen op Ameland. De rechter foto is deze week gemaakt in Het Zeepe, binnenduinen op Schouwen. Open rendiermos is het algemeenste rendiermos van binnenduinen, heide en stuifzanden. Je kunt het ook op hout vinden.

Op de foto’s onderaan staat vals rendiermos. De foto’s zijn deze week gemaakt in de kalkrijke duinen van Walcheren tussen Oostkapelle en Domburg. De duinen vlak langs de kust zijn hier ’s winters grotendeels bedekt met korstmossen en mossen, waaronder dus vals rendiermos. Een detail zie je op de rechterfoto. Kenmerkend zijn o.a. de donkerbruine uiteinden van de vertakkingen. Vals rendiermos is het algemeenste rendiermos in kalkrijke duinen, op of nabij wit stuivend zand. Het leeft altijd op de grond.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘉𝘓𝘞𝘎 𝘝𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴 𝘒𝘰𝘳𝘴𝘵𝘮𝘰𝘴𝘴𝘦𝘯

Soort van dag 47: brandgans

(16 februari 2023)

Brandganzen en winter horen voor mij helemaal bij elkaar. De grootste aantallen zitten in Zuidwest-Nederland en Friesland. Als we daar zijn, ‘moeten’ we ze zien. Gisteren zagen we ze o.a. in De Poel bij Goes (foto linksboven), samen met kolganzen en grauwe ganzen. De andere foto’s zijn genomen op Ameland (2022) en langs de Friese IJsselmeerkust (januari).

Brandganzen zijn makkelijk te herkennen en van andere ganzensoorten te onderscheiden: ze zijn zwart, wit en grijs met een geelachtig wit gezicht en een zwarte snavel. Ze eten vooral gras en andere plantendelen. Ze lusten ook zaden, mossen en zeegras.

De meeste brandganzen in Nederland zijn overwinteraars; in sommige winters zijn er hier meer dan 800.000 exemplaren. In de jaren ’90 waren het er nog maar 50.000. Het is duidelijk dat ze Nederland hebben ontdekt als ideaal overwinteringsgebied, met volop voedsel. In december arriveren ze uit Nova Zembla en Zweden en in maart vertrekken ze weer. Sinds 1984 broeden er ook brandganzen in Nederland: tegenwoordig zo’n 14.000-20.000 paar.

Er wordt onderzoek gedaan naar de gevolgen van klimaatverandering op trekvogels. Ook wordt gekeken in hoeverre ze zich weten aan te passen. Op de plek waar trekvogels ’s winters verblijven, merken ze uiteraard maar weinig van veranderingen in hun broedgebied.

Op de toendra’s waar brandganzen broeden, wordt het door de opwarming steeds eerder voorjaar. Dat heeft gevolgen voor de voedselpiek, het moment waarop het meeste en het beste voedsel voor de kuikens beschikbaar is. Die is voor de ganzen nu eerder en bovendien korter. Daardoor is er een ‘mismatch’ met het moment waarop de ganzen jongen hebben. In een vroeg voorjaar zullen daardoor minder jonge ganzen groot worden. Brandganzen vertrekken niet eerder naar hun broedgebied, maar in warmere jaren vliegen ze wel sneller door. Dat wil nog niet zeggen dat ze bij aankomst gelijk eieren gaan leggen. Ze moeten eerst hun lichaamreserves opbouwen. Bovendien blijft één van de signalen om met eieren leggen te beginnen hetzelfde, namelijk de daglengte. Het blijkt verder dat brandganzen tegenwoordig vóór hun vertrek al beginnen met opvetten door meer gras van agrarisch grasland te eten. Kortom: brandganzen weten zich enigszins aan te passen, maar er verandert nog niets aan de mismatch tussen het moment dat kuikens uit het ei komen en de piek van het voedselaanbod.

Hier kun je meer over dit onderzoek lezen. Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.
𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘴𝘰𝘷𝘰𝘯.𝘯𝘭