Soort van dag 66: krokussen

(7 maart 2023)

Net zoals gewoon sneeuwklokje en winterakoniet komen krokussen van oorsprong niet voor in Nederland. Twee soorten (de boerenkrokus en de bonte krokus) worden tot de stinzenflora gerekend (zie voor uitleg bij gewoon sneeuwklokje).

Er bestaan zo’n negentig soorten krokussen waarvan een derde herfstbloeiend is. Ze komen allemaal uit de bergen rondom de Middellandse Zee, Klein-Azië en de Balkan. De bonte krokus komt van nature voor in de Alpen en de Karpaten.

In onze tuin hebben we verschillende soorten staan die op verschillende momenten bloeien. Vanaf begin februari bloeit de boerenkrokus, een soort met kleine lila-paarse bloemen (foto bovenaan). Als de zon schijnt, sperren de bloemen zich stervormig open. Daarna komen de bonte krokussen met hun witte, paarse of lila bloemen (foto links onder). Verder hebben we nog sneeuwkrokus, vroege krokus, herfstkrokus en saffraankrokus staan. Deze worden niet tot de stinzenflora gerekend maar zijn cultuurplanten. Bonte krokussen worden in allerlei variëteiten gekweekt.

De krokus is geen bolgewas (zoals het sneeuwklokje), maar een knolgewas. Bij een knol wordt het reservevoedsel opgeslagen in de verdikte wortel of stengel. Bij een bol gebeurt dat in ondergrondse bladeren. De bladeren van krokussen zijn lijnvormig, met een witte middenstreep. Krokussen worden bestoven door o.a. bijen en hommels. Omdat veel bijen en hommels steeds vroeger uitvliegen, zijn krokussen voor hen van groot belang. Op de foto rechts onder zie je een bloemvlieg op een vroege krokus. Ze vermeerderen zich door zaad dat verspreid wordt door mieren (mierenbroodje). Muizen schijnen ook dol te zijn op de zaden.

Elk jaar vinden we dat we te weinig krokussen hebben en planten we er weer meer bij. Je kunt er gewoon niet te veel van hebben. Maar tot onze schrik hebben we dit jaar veel minder krokusbloemen dan in andere jaren. De planten zijn er wel maar de bloemen lijken wel afgebeten (foto links onder). Natuurlijk betrappen we de boosdoeners nooit op heterdaad. Een zoektocht op internet levert op dat de meeldraden van krokussen een voedzaam hapje voor mussen zijn. Ze zouden vooral oog hebben voor gele krokussen maar bij ons laten ze geen enkele ongemoeid. Laat ik nu net deze winter zo blij zijn met al die mussen in onze haag! (Dat verklaart misschien ook waarom we tot nu toe nog maar één hommelkoningin hebben zien rondvliegen. Er is momenteel gewoon minder stuifmeel en nectar te halen in onze tuin.)

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘉𝘰𝘦𝘬 𝘚𝘵𝘪𝘯𝘻𝘦𝘯𝘱𝘭𝘢𝘯𝘵𝘦𝘯, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘵𝘳𝘰𝘶𝘸.𝘯𝘭

Soort van dag 65: zanglijster

(6 maart 2023)

Bij het voorjaar hoort niet alleen het gezang van de merel maar zeker ook van de zanglijster. Merels zingen vooral ’s morgens, soms al voor zonsopkomst. Deze bruine lijster met gespikkelde buik zingt ook overdag. Dit weekend hoorde ik hem vlak bij ons huis midden op de dag vanaf een uitstekende boomtak zijn prachtige gezang ten gehore brengen. Hier kun je zijn zang horen.

Je zou de zanglijster kunnen verwarren met de grote lijster. Deze schuwe vogel is groter en de spikkels zijn rond terwijl die van de zanglijster wat uitgerekt zijn (pijlpuntvlekken). Je zou de zanglijster ook nog kunnen verwarren met de koperwiek; deze heeft rode ‘oksels’. Of met de kramsvogel; deze heeft een grijze kop. Koperwieken en kramsvogels zijn hier als wintergast.

Zanglijsters eten regenwormen, insecten, duizendpoten, pissebedden, slakken en fruit zoals appels en bessen. Slakkenhuisjes worden met een stevige zwaai van de nek tegen een steen of tak stuk gemept. Daarna wordt de slak uit zijn huisje getrokken. Ze doen dit op vaste plekken, ‘smidse’ genoemd.

Een groot deel van de zanglijsters die in Nederland broeden, overwinteren in Frankrijk of Spanje of Zuid-Engeland. Dat doen ze samen met grote groepen uit Scandinavië. De zanglijsters die in Nederland blijven, vind je in de winter vooral in het westen van het land, in stedelijk gebied. Bij de Tuinvogeltelling in januari staat de zanglijster wel op het telformulier, maar hij is niet in de top 25 beland. Hier overwinterende zanglijsters kun je soms al in februari horen zingen.

Zanglijsters broeden overal waar bomen en struiken zijn. Ze blijken op een bijzondere manier hun nest te maken. Het nest bestaat uit takjes en vermolmd hout. Het wordt bekleed met mos of gras en vervolgens bepleisterd met modder. Moederlijster strijkt de modder glad door er met haar borst tegenaan te duwen. Soms neemt ze tussendoor een bad om de binnenlaag optimaal glad te kunnen strijken. Zo ontstaat er een stevige nestkom die vaker gebruikt kan worden. Waarschijnlijk helpt de modder ook tegen nestparasieten.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘯𝘢𝘵𝘶𝘶𝘳𝘱𝘶𝘯𝘵.𝘣𝘦

Soort van dag 64: gewoon purperschaaltje

(5 maart 2023)

Gewoon purperschaaltje is een korstmossoort die je niet kunt missen: het komt zeer algemeen voor, is makkelijk herkenbaar en is het hele jaar te zien. Het heeft een voorkeur voor gladde, neutrale (= niet zure, niet basische) schors van loofbomen. In onze tuin vinden we het op de schors van gewone es, notenbomen, fruitbomen en haagbeuk. Het is één van de eerste korstmossoorten die zich op een boom vestigt. Het is een stikstofminnende soort en relatief goed bestand tegen luchtverontreiniging. Sinds de eeuwwisseling is gewoon purperschaaltje sterk in aantal toegenomen.

Eerder beschreef ik al de korstmossen groot dooiermos en rendiermossen. Korstmossen zijn een samenlevingsvorm van een alg en een schimmel. En die combinatie levert zeer diverse vormen op, zowel van het korstmos zelf als van de voortplantingsorganen. Bij alle vormen liggen de algen aan de zonzijde, want de algen hebben zon nodig om suikers aan te maken. De schimmeldraden waarin de algen ingebed liggen, tappen de suikers af. In ruil zorgt de schimmel voor water en mineralen. Korstmossen groeien slechts met enkele millimeters per jaar.

Bij het gewoon purperschaaltje is het korstmos dun en korstvormig. De kleur is lichtgrijs en van een afstandje lijkt het wel of er pleisters op de boom geplakt zijn. Op zonnige plaatsen is het korstmos geliger van kleur dan op donkere plaatsen. Na slakkenvraat kan het wat groenachtig zijn. De langwerpige vorm komt doordat de korstmos door de diktegroei van de boom wordt uitgerekt.
Boven op het korstmos zie je bijna altijd zwarte vlekjes; dat zijn de schotelvormige vruchtlichamen. Met een moeilijk woord heten die apotheciën (enkelvoud: apothecium). Het zijn een soort bekertjes (schaaltjes) waarin de (schimmel)sporen worden gevormd. Onder een loep hebben deze apotheciën een purperen glans; vandaar ‘purperschaaltje’.

Als je goed kijkt, zie je op de foto’s ook andere soorten korstmos. Op de middelste foto zie je een witte korstvormige korstmos, met witte apotheciën. Dat is een schildkorst (welke weet ik niet). Op de onderste foto zie je een bladvormige korstmos, kapjesvingermos. Hierop ontbreken de apotheciën. (Grote kans dat er op de foto’s nog meer korstmossen te zien zijn die ik over het hoofd heb gezien.)

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴, 𝘻𝘸𝘢𝘮𝘮𝘦𝘯𝘪𝘯𝘻𝘶𝘪𝘥𝘩𝘰𝘳𝘯.𝘯𝘭, 𝘝𝘦𝘭𝘥𝘨𝘪𝘥𝘴 𝘬𝘰𝘳𝘴𝘵𝘮𝘰𝘴𝘴𝘦𝘯 (2004), 𝘯𝘦𝘮𝘰𝘬𝘦𝘯𝘯𝘪𝘴𝘭𝘪𝘯𝘬.𝘯𝘭

Soort van dag 63: sleedoorn

(4 maart 2023)

Hier en daar begint de sleedoorn aarzelend in bloei te komen. Hij is van de witbloeiende inheemse struiken en bomen de eerste die bloeit. Jan van der Meij (mijn echtgenoot) maakte vrijdag de linker foto in ’s-Graveland. De meeste sleedoornstruiken die nu in bloei komen, zijn aangeplant en oorspronkelijk afkomstig uit zuidelijkere streken. De echt inheemse bloeit pas in april. Maakt dat wat uit? Ja. Vroeg vliegende insecten (dagvlinders, wilde bijen, vliegen) die afhankelijk zijn van de nectar van sleedoorn, kunnen dan net misgrijpen. Wil je zelf een sleedoorn aanplanten, kies dan bij voorkeur een echt inheemse (autochtone). Deze zijn bijvoorbeeld verkrijgbaar bij Kas&Co en Cruydt-Hoeck.

De struik bloeit voordat de kleine blaadjes verschijnen. De bloemen hebben vijf kelkbladen, vijf kroonbladen, een stamper en talrijke meeldraden. Het is een soort uit de rozenfamilie, van het geslacht Prunus. Andere inheemse soorten die tot het geslacht Prunus horen, zijn gewone vogelkers en zoete kers. Ook kennen we verschillende aangeplante en cultuurplanten uit dit geslacht zoals de pruim, Amerikaanse vogelkers (een invasieve exoot), laurierkers en sierkersen.

De vrucht van de sleedoorn is een steenvrucht ter grootte van een kleine knikker. De vrucht is blauw berijpt, het vruchtvlees zacht groen van kleur. Omdat de vruchten veel looizuur bevatten, smaken ze ‘slee’ (stroef, wrang); vandaar de naam. De bessen zijn pas eetbaar na de eerste nachtvorst of als de bessen een tijdje in de vriezer hebben gelegen. Door de kou verdwijnt het looizuur. Wat je met de bessen kunt doen, kun je hier lezen.

Sleedoorn werd vroeger als veekering aangeplant. Aan de takken van de sleedoorn zitten lange doorns. Bovendien maakt de struik snelgroeiende uitlopers die dichte struwelen vormen. Zo’n sleedoornstruweel biedt ook bescherming aan jonge bomen: vee of wild kan niet bij de boom komen om van de bast te eten. Sleedoornbosjes zijn ideaal voor vogels om een nest in te maken.

Een vlindersoort die afhankelijk is van de sleedoorn, is de sleedoornpage. Deze legt in het najaar eitjes in de oksels van takken, waar de eitjes overwinteren. In het voorjaar eten de rupsjes van de bladeren.

Van nature staat sleedoorn graag op een losse, droge tot matig vochtige, kalkrijke leembodem. Maar tegenwoordig zie je de soort door heel Nederland omdat hij vaak aangeplant wordt in hagen en als bosplantsoen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘦𝘤𝘰𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢.𝘣𝘦

Soort van dag 62: buizerd

(3 maart 2023)

Vandaag, 3 maart, is het World Wildlife Day, ingesteld door de Verenigde Naties. Deze datum is gekozen omdat het de ‘verjaardag’ is van CITES. CITES is een internationale overeenkomst die planten en dieren beschermt door de handel hierin te reguleren. Je krijgt met CITES-regels te maken als je beschermde dier- of plantsoorten (of delen of producten ervan) wilt verhandelen of vervoeren. Er is ook een lijst met Nederlandse soorten waarvoor deze overeenkomst geldt. Op deze lijst staan veel (roof)vogels maar ook bijvoorbeeld otter, wolf, walvisachtigen en steur. Er staan twee planten op: groenknolorchis en zomerschroeforchis.

Daarom vandaag aandacht voor de meest algemene roofvogel van Nederland die ook op de CITES-lijst staat: de buizerd. Je kunt hem vaak zien zitten op een paal, boven in een boom of langs de snelweg. De spanwijdte van zijn vleugels is 113-128 cm en van kop tot staart is hij ruim 50 cm lang. Ook valt de buizerd op als hij naar boven schroeft op de thermiek. Daarbij maken ze een heel kenmerkend mauwend geluid: https://www.vogelgeluid.nl/buizerd/.

Als je mij vraagt: ‘omschrijf een buizerd’, vind ik dat moeilijk. Ik zie hem zo vaak dat ik hem wel herken. Hoewel ik soms ook denk: is dat een buizerd, of toch…? Net zoals alles roofvogels (echte carnivoren) hebben ze een krachtige haaksnavel en sterke poten met gekromde nagels. Ze zijn erg variabel van kleur (van donkerbruin tot bijna wit) en tekening. De kop van de buizerd is breed en steekt niet ver uit. Ook de vleugels zijn breed. De staart is vrij kort en afgerond met smalle bandjes. Als hij vliegt, doet hij dat met snelle, beetje stijve vleugelslagen.

Buizerds broeden meestal in bomen of struiken. Daar maken ze nesten van een meter doorsnede.
Ze eten muizen, mollen en jonge konijnen. In de winter eten ze ook veel regenwormen. Verder is de buizerd een aaseter; daarom vind je ze ook langs snelwegen waar regelmatig verkeersslachtoffers onder dieren vallen.

In de jaren ’70 ging het slecht met de buizerd, vooral door het gebruik van landbouwgif wat ze binnen kregen via muizen. Er waren toen nog maar enkele honderden broedparen. Nu zijn er zo’n 20.000. ’s Winters komen daar nog eens 50.000 wintergasten bij. Toch zijn er ook nu nog bedreigingen: vervolging, vergiftiging, verlies van leefgebied, virusziekten onder konijnen, windparken en mogelijk loodvergiftiging door hagel (via aas). Buizerds worden vooral vervolgd door jagers (concurrentie) en weidevogelbeschermers (predatie van jonge weidevogels; ook met het oog op minder vergoedingen voor weidevogelbeheer). Deze verstoring gebeurt door schieten, verstoren van nesten en vergiftiging. Ook worden bomen en bosjes naast en in weidevogelgebieden verwijderd.

In de winter (oktober tot april) verblijft er nog een buizerdsoort in Nederland, de ruigpootbuizerd. Licht gekleurde buizerds worden nogal eens aangezien voor een ruigpootbuizerd.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘝𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘚𝘰𝘷𝘰𝘯

Soort van dag 61: gewone mossel

(2 maart 2023)

Deze keer nemen we weer eens een duik in het zoute water en maken we nader kennis met de gewone (of blauwe) mossel. Zeker mensen die wel eens mosselen eten, zullen de schelpdieren herkennen aan de vorm (langwerpig driehoekig) en de kleur (blauwzwart, soms bruinachtig).

Net zoals de kokkel en de zoetwatermossel is de gewone mossel een tweekleppig weekdier. Mosselen zitten niet ingegraven in de bodem, maar leven op zogenaamde mosselbanken. Deze bestaan uit mosselen die aan elkaar en aan stenen, andere schelpen of een oude veen- of kleibodem vastzitten. Ook zie je ze vaak op strandhoofden zoals op de foto (bij Oostkapelle op Walcheren). Voor de mosselteelt worden wel kunstmatige riffen gemaakt.

Mosselen zitten vastgehecht met sterke draden, de zogenaamde ‘baard’ van de mossel. Zo kunnen ze (meestal) bij storm of een grote golf niet wegspoelen. Mosselen zitten altijd met veel soortgenoten bij elkaar. Op één vierkante meter kunnen wel zo’n vijfhonderd exemplaren zitten. Een mosselbank is ook het leefgebied voor allerlei andere dieren zoals zeeanemonen, poliepen en kleine visjes. Op een mosselschelp kun je zeepokken vinden (een soort kreeftjes met een witte en harde behuizing); zie foto linksboven.

Een deel van de mosselbanken valt droog bij laag water. Gelukkig kunnen mosselen daar tegen: ze kunnen maximaal zes uur boven water blijven. Ze houden met hun sluitspier de schelpen gesloten en zo voorkomen ze uitdroging (zie foto rechtsboven).

Bij laag water komen scholeksters een meeuwen mosselen eten. Andere vogels die mosselen eten, zijn eiders en zee-eenden. Een eider eet de mossel met schelp en al op. Zijn krachtige spiermaag doet de rest. Verder worden mosselen gegeten door o.a. krabben, zeesterren en tepelhoorns. De mosselen zelf eten plantaardig plankton dat ze uit het water filteren. Eén mossel kan wel 20 liter water per dag filteren.

Net zoals bij de meeste andere tweekleppige weekdieren vindt de voortplanting buiten de dieren in het water plaats. In het voorjaar laten de volwassen dieren miljoenen eitjes en zaadcellen vrij. Als die elkaar weten te vinden, ontstaat een larve die als dierlijk plankton in het water zweeft. Na ongeveer een maand vormt zich een schelpje. Als deze te zwaar wordt, zakt de larve naar de bodem. En dan is het maar te hopen dat die net op een goede plek terechtkomt. Is er een vaste ondergrond om zich aan vast te kunnen hechten? Liggen er geen rovers op de loer? Maar een heel klein deel van de larven belandt op een geschikte plek en overleeft de eerste periode. (Daar staat tegenover dat een mossel uiteindelijk wel 24 jaar oud kan worden.)

Bij de mosselteelt worden de mossels ‘geoogst’ als ze een tot twee centimeter groot zijn. Vervolgens worden ze uitgezaaid op kweekpercelen. Als de mosselen twee jaar oud zijn, zijn ze geschikt voor menselijke consumptie.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘚𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨 𝘈𝘯𝘦𝘮𝘰𝘰𝘯, 𝘌𝘤𝘰𝘮𝘢𝘳𝘦

Soort van dag 60: klimopereprijs

(1 maart 2023)

Een van de eenjarige planten die je nu bloeiend in bermen kunt vinden, is klimopereprijs. De naam van de plant verwijst naar de vorm van de blaadjes: net zoals bij klimop handvormig met een grotere lob in het midden. In de zomer zul je deze plant niet meer aantreffen, maar dan zijn er nog genoeg andere ereprijssoorten om van te genieten.

Er worden twee ondersoorten onderscheiden: akkerklimopereprijs en bosklimopereprijs. Bosklimopereprijs is wat tengerder en bleker. Bij akkerklimopereprijs liggen de stengels meer.

Ereprijs is een geslacht waarvan in Nederland 23 soorten in het wild voorkomen. Daarnaast zijn er verschillende soorten in cultuur. Vaak zijn ze dan bekend onder hun Latijnse geslachtsnaam Veronica. Er zijn ereprijssoorten met bloemen in trossen en soorten waarvan de bloemen afzonderlijk in de bladoksels staan zoals bij klimopereprijs. Een ereprijs is makkelijk te herkennen aan zijn bloembouw. Kenmerkend is dat de bloemkroon een heel korte buis heeft met vier kroonslippen die in één vlak staan. De onderste kroonslip is het kleinst. Elke bloem heeft twee meeldraden. De meeste hebben blauwe bloemen, met streepjes die dienen als honingmerk. Van klimopereprijs zijn de bloemetjes lichtblauw tot lichtlila. Ze zijn erg onopvallend. Alleen op een zonnige dag staan ze open. Pluk je een stukje om thuis verder te bekijken, verbaas je dan niet dat de bloempjes inclusief meeldraden er onderweg zijn afgevallen. Kleine ereprijssoorten zoals klimopereprijs wordt niet door insecten bestoven maar doet aan zelfbestuiving. De vrucht en het zaad ontwikkelt zich binnen de omhulling van de kelk. De zaden komen vrij door verrotting van de vruchtwand. De zaden hebben een zogenaamd mierenbroodje (oliehoudend aanhangsel) en worden door mieren verspreid.

Je vind klimopereprijs op plekken waar ook vroegeling, paarse dovenetel en speenkruid staan. Op graanakkers kan akkerklimopereprijs de jonge graanplanten bescherming bieden tegen vorst.

De naam ereprijs is mogelijk afkomstig van de 16e-eeuwse Vlaamse botanist Rembert Dodoens. Hij gaf de planten ‘eer ende prijs oft loff’ vanwege hun geneeskrachtige eigenschappen.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 59: dagpauwoog

(28 februari 2023)

Ook al was het gisteren (27 februari) 7 graden en stond er een frisse wind, toch zag ik dankzij de zon mijn eerste dagpauwoog van het seizoen vliegen. Net zoals de citroenvlinder overwinteren dagpauwogen als volwassen vlinder. Het zijn zeer algemeen voorkomende vlinders. Bij de tuinvlindertelling in juli 2022 stond deze soort op nummer 1.

Het is een makkelijk te herkennen vlinder. Hij is roodachtig bruin met op de bovenkant van alle vier de vleugels een grote opvallende oogvlek. De onderkant van de vleugels is donkerbruin-zwart. Als de dagpauwogen verstoord worden, tonen de ze ogen op hun vleugels. Dat je daar echt van kunt schrikken, merkte ik ooit met een nachtpauwoog die onder een struik zat. Dagpauwogen proberen ook met geluid vijanden te verjagen.

De rupsen van de dagpauwoog hebben een zwart lichaam met fijne witte spikkels en lange zwarte doorns op rug en flanken. De buikpoten zijn geelachtig bruin en de kop is glimmend zwart. Jonge rupsen leven in groepen in spinselnesten, volwassen rupsen leven solitair. De eitjes worden afgezet op grote brandnetel en soms op kleine brandnetel, hop of glaskruid. Er zijn meer vlindersoorten als rups afhankelijk van de brandnetel, namelijk kleine vos, gehakkelde aurelia, landkaartje en atalanta.

De dagpauwoog heeft een of twee generaties. De vlinders die we nu zien, leggen hun eitjes in het voorjaar. In juni zijn de rupsen volgroeid en verpoppen ze zich. Bij twee generaties in een jaar leggen deze vlinders in augustus eitjes. De vlinders die hieruit voortkomen overwinteren vervolgens als vlinder, in boomholtes of in gebouwen (op zolders of in schuurtjes). Maar het kan ook zijn dat de vlinders uit juni in zomerrust gaan en in september weer tevoorschijn komen en zich vol eten met nectar. Vervolgens gaan ze in winterrust. In dat geval is er sprake van één generatie in een jaar.

Het aantal dagpauwogen fluctueert per jaar. Dat heeft vooral te maken met de kwaliteit van de waardplant. In droge zomers groeien brandnetels minder goed en als gevolg daarvan zijn er vervolgens ook minder vlinders. In het algemeen blijkt de soort in aantal af te nemen. Dagpauwogen vind je op zonnige plekken met bloemen met nectar.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘭𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳𝘴𝘵𝘪𝘤𝘩𝘵𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘕𝘢𝘵𝘶𝘳𝘦 𝘛𝘰𝘥𝘢𝘺, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 58: blauwe reiger

(27 februari 2023)

Vroeger waren het schuwe vogels, maar nu zie je ze zelfs midden in de stad, bijvoorbeeld op de markt of bij hun vaste snackbar. Daar hopen ze op een visje, hun hoofdvoedsel, of ander lekkers. In de natuur vullen ze het eten van vis aan met mollen, muizen , salamanders, kikkers en grote insecten. Tegenwoordig weten ze ook raad met Amerikaanse rivierkreeften, een ongewenste exoot.

Over het leven van de ‘schoffies’ in de grote stad is in 2006 een documentaire gemaakt.

Blauwe reigers zijn onmiskenbaar. Ze zijn bijna één meter groot, blauwgrijs van kleur. Aan het begin van het broedseizoen zijn de vogels op hun mooist; in de rest van het jaar zien ze er wat grauwer uit. Ze staan op hun hoge poten doodstil aan de waterkant of waden door ondiep water. Als ze wegvliegen omdat je te dichtbij komt, gebeurt dat met veel misbaar. Tijdens het vliegen houden ze net zoals alle andere reigerachtigen hun kop ingetrokken. Hun poten steken naar achteren.

Blauwe reigers vind je overal waar ondiep water is met voldoende voedsel erin. Verder hebben ze bomen nodig om in te broeden. Ze doen dat vanaf januari in kolonies. Het mannetje voert de bouwmaterialen (takken, waterplanten) aan en het vrouwtje maakt er een nest van. Het nest kan meerdere jaren achtereen worden gebruikt.

Kolonies vind je in bossen en op landgoederen (zie foto’s rechtsboven). Maar ze zitten ook in de stad. De grootste reigerkolonie van Amsterdam bevindt zich in Artis.

Blauwe reigers houden niet van vorst. Bij langdurige kou zouden ze weg moeten trekken naar warmere streken. Maar veel reigers blijven gewoon in Nederland. Na de strenge winter van 1963 waren er nog maar 3.500 broedparen over. Ook de winter van 1979 hakte er flink in: met de Jeugdnatuurwacht waar ik lid van was, gingen we ze bijvoeren met eendagskuikens. Er broeden nu zo’n kleine 12.000 paren in Nederland.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘷𝘰𝘨𝘦𝘭𝘣𝘦𝘴𝘤𝘩𝘦𝘳𝘮𝘪𝘯𝘨.𝘯𝘭, 𝘞𝘪𝘬𝘪𝘱𝘦𝘥𝘪𝘢

Soort van dag 57: kraailook

(26 februari 2023)

Boven het gras in bermen of op bosbodems zie je nu nog pollen met (blauw)groene sprieten uitsteken. Dat is geen gras, maar kraailook. Even ruiken, en dan weet je zeker waarmee je te maken hebt. Kraailook is net zoals het sneeuwklokje een bolgewas en beide horen tot de narcisfamilie.

Het blad is net zoals bij bieslook en ui priemvormig en hol van binnen. Bieslook is heldergroen van kleur, kraailook blauwgroen (en verkleurt later in het jaar naar grijsgroen). Er zijn nog meer soorten look. Daarvan is de bladschijf plat of met merg gevuld. Het blad van kraailook verschijnt al in de herfst; ze verwelken tijdens de bloei. Dan blijft alleen de taaie bloemstengel over.

De bloeiwijze van kraailook bestaat vaak uitsluitend uit witte of paars aangelopen bolletjes. Dit zijn broedbolletjes waar nieuwe planten uit kunnen groeien. Soms zit er al een groen blaadje aan (zie foto). Als er bloemen zijn, dan staan die op rechte steeltjes tussen de broedbolletjes in. Ze zijn wit, roze of paars van kleur (juni-augustus). Rondom de hele bloeiwijze staat een schutblad. Als dit zich opent, blijft het meestal aan een kant vastzitten aan de stengel. Het valt pas veel later af.

De bloemstengel is vaak wat bochtig. Bij de zaadverspreiding fungeert hij als een soort kogelwerper. Na de bloei verhout de stengel.

Er zijn verschillende insecten die gespecialiseerd zijn op lookplanten. Verder zag ik deze week op de kraailook langs onze dijk oranje vlekjes: lookroest, een roestzwam. Roestzwammen maken verschillende stadia door, soms op heel verschillende planten. Bij lookroest gaat het om twee stadia en beide stadia altijd op look. Een van de stadia is op de foto te zien, met oranje sporenhoopjes die door de opperhuid van het blad heen breken.

Kraailook houdt van zonnige tot licht beschaduwde, voedselrijke, kalkrijke bodems. Hij komt zeer algemeen voor, alleen wat minder in Flevoland en Noordoost-Nederland. Kraailook is eetbaar; de jonge blaadjes kun je net zoals bieslook gebruiken. Ook de (broed)bolletjes kun je eten.

Hier lees je waarom ik elke dag een soort plaats.

𝘉𝘳𝘰𝘯𝘯𝘦𝘯: 𝘕𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥𝘴𝘦 𝘖𝘦𝘤𝘰𝘭𝘰𝘨𝘪𝘴𝘤𝘩𝘦 𝘍𝘭𝘰𝘳𝘢, 𝘧𝘭𝘰𝘳𝘢𝘷𝘢𝘯𝘯𝘦𝘥𝘦𝘳𝘭𝘢𝘯𝘥.𝘯𝘭, 𝘷𝘦𝘳𝘴𝘱𝘳𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨𝘴𝘢𝘵𝘭𝘢𝘴.𝘯𝘭